• Er is een nieuwe taal nodig

    Er is een nieuwe taal nodig

    Het Hebreeuws kent de letter Waw die geschreven wordt als een simpel stokje dat lijkt op een spijker en uitgesproken wordt als een V. Hij wordt de omkeerhaak genoemd en kan, geplaatst voor een werkwoord, de tijd doen kantelen. ‘Ik heb gesproken’ wordt met de Waw ervoor ‘Ik zal spreken’. Dit bijzondere element van de Hebreeuwse grammatica valt te lezen in het vierde van tien gesprekken in Overleven na 7 oktober van Delphine Horvilleur. Daarin keren het verband tussen verleden en toekomst en de taal steeds terug binnen het grote centrale thema van Jodenhaat, antisemitisme en racisme.

    Horvilleur (1974) is de derde vrouwelijke rabbijn die Frankrijk kreeg. Haar tien gesprekken verschenen vorig jaar naar aanleiding van de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 op het Israëlisch muziekfestival Supernova Sukkoth Gathering. Daaraan is toegevoegd een preek die Horvilleur twee weken voor die aanslag hield en die voor een belangrijk deel ging over het gevaar van rechts-extremisme in Israël.

    Schuldig

    De tien gesprekken zijn fictief maar staan wel in verband met reële historische personen en ervaringen in het leven van de schrijfster: ze voert ze met haar overleden grootouders en haar kinderen, met een overleden Franse chansonnier van wie een bekend lied Joodse wortels heeft, met antiracisten, maar ook met abstracties als de Joodse paranoia en Bijbelse figuren.
    Wat vooral duidelijk wordt is hoe moeilijk je na 7 oktober als Joodse kunt schrijven over door jezelf ondergane haat zonder te worden beticht van blindheid voor het leed aan Palestijnse zijde. De haat keert in de geschiedenis steeds terug; ze was er, is er en zal er zijn: ‘Met bewonderenswaardige doortraptheid weet de Jood tegelijkertijd schuldig te zijn aan twee dingen die elkaar uitsluiten (…) De Jood kan tegelijkertijd een “kapitalistische uitzuiger” zijn en “bolsjewistisch ongedierte” (…) Hij irriteert wanneer hij rondzwerft en zich nergens vestigt, maar hij wekt nog meer haat op wanneer hij zijn soevereiniteit uitroept en een grondgebied opeist’.

    Oorsprong

    Het antisemitisme (en elke haat tegen een groep) heeft diepe psychologische en theologische wortels. In het boeiende achtste gesprek van de bundel verwijst Horvilleur daarvoor naar de verhouding tot de oorsprong. De christenen hebben eeuwenlang verkondigd dat zij het ware Israël waren door zich voor te houden dat het oudere Jodendom onterfd was omdat het Gods vertrouwen had verspeeld. Moslims betogen dat de Bijbel de verminkte versie van de Koran is. Die inzichten in het oorsprongsverhaal voeden de angst bij iemand in het krijt te staan omdat je niet zelf de oorsprong bent. De Joden staan evenzeer bij voorgangers in het krijt, de Egyptenaren, Chaldeeën, Soemeriërs enzovoort. Het Jodendom is door hen beïnvloed, maar het zijn allemaal verdwenen culturen die het niet meer voor zich hoeft te dulden: ‘In dat opzicht hebben christenen en moslims gewoon pech, want die Joden zijn er nog steeds’. Als een onuitroeibaar onkruid.

    Einde der tijden

    De huidige Gaza-oorlog vermoordt behalve onschuldigen en nuances ook de taal. ‘Gematigde stemmen verstommen en radicale brullen uit volle kracht’. Op elke gematigde opvatting volgt een ‘ja, maar’: “Er zijn Joodse vrouwen verkracht, maar…” “Het lot van de kinderen in Gaza is gruwelijk, maar…”
    Elke keer als je probeert simpelweg te gaan staan aan de kant van iemand die lijdt krijg je het verwijt dat je de context negeert. Op dit punt doet Horvilleur sterk denken aan Natascha van Weezel, die in haar Hoe houd je je hart zacht op een heel persoonlijke manier verslag doet van wat ze in haar dagelijkse leven over zich heen krijgt omdat ze als Joodse vrouw vóór de eigen staat Israël is, maar tegen de huidige politiek van dat land ten aanzien van Gaza en de Palestijnen.
    Het lijkt erop dat religies ieder op hun eigen manier het einde der tijden willen bespoedigen, schrijft Horvilleur. Voor de rechtse christenen kan de Messias niet snel genoeg komen, de Joodse ultranationalisten prikken in naam van God de ene nederzetting na de andere op de kaart en de radicale islam wil wereldwijd haar kalifaat vestigen. Er wordt niet meer geluisterd naar elkaar en niet meer gepraat. En ‘bij gebrek aan gesprek is geen enkele redding mogelijk’. In dit verband is een mooie observatie van de auteur dat de woorden ‘Hebreeuws’ en ‘Arabisch’ in het Hebreeuws perfecte anagrammen zijn van elkaar.

    ‘Niet goed’

    Horvilleur heeft veel contact met Arabische schrijvers. Ze is overtuigd aanhanger van de tweestaten-oplossing. Haar Overleven na 7 oktober heeft een mooie vorm die dat laat zien. De gesprekken openen met een gedicht van de Palestijn Mahmoud Darwich en sluiten af met een fragment van de Israëliër Yehuda Amichai. Beide teksten gaan over oog hebben voor elkaar.
    Horvilleur maakt haar bundel rond door in het laatste gesprek terug te keren naar haar eerste. Daarin beschreef ze dat het antwoord op de Jiddische openingsvraag van een gesprek, ‘Hoe gaat het?’, meestal is: ‘Goed’, meteen gevolgd door ‘Niet goed!’. In het tiende gesprek bepleit ze het zoeken naar een nieuwe taal: we moeten leren om ‘Hoe gaat het niet?’ te durven vragen. Dat is de vertaling van de Franse titel van de bundel gesprekken. Die is Comment ça va pas?. De Nederlandse titel van het boek steekt daar wat prozaïsch bij af.

     

     

  • De strijd tegen het fascisme, een getuigenis

    De strijd tegen het fascisme, een getuigenis

    In Spanje liet het fascisme al brutaal zien waar het op uit was, halverwege de jaren dertig van de 20e eeuw. De Spaanse burgeroorlog bleek een voorafschaduwing van wat er niet veel later te gebeuren stond in heel Europa. Boven alles was het echter een tragedie voor de Spanjaarden, die nog altijd doorwerkt. Arturo Barea maakte het mee en deed verslag, onder meer als radiostem in het belegerde Madrid, maar ook schrijvende. Een deel van zijn verhaal is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald. De slag verschijnt binnen de reeks ‘Kritische Klassieken’ van Uitgeverij Schokland (vertaling: Roland Fagel).

    Meesters en slaven

    De eerste pakweg honderd pagina’s van De slag spelen zich af voordat het geweld losbreekt, en ze laten zien dat de mechanismen die daartoe leiden niet veranderd zijn. Barea komt zelf uit de gegoede middenklasse, hij werkt op een octrooibureau in de Spaanse hoofdstad. Beroepshalve ziet hij dat rijken en machtigen, waaronder internationale bedrijven, het recht naar hun hand zetten en zich met speels gemak meester maken van de hulpbronnen en arbeidskrachten van het land. Op een dag wordt hij uitgenodigd om het nieuwste model vliegtuig te bekijken van de Duitse fabrikant Junker, waarbij hem zonder terughoudendheid gedemonstreerd wordt hoe er eenvoudig bommen gemonteerd kunnen worden op een passagiersvliegtuig.

    Barea betrekt in deze tijd, wanneer alles aan de oppervlakte nog rustig is, met zijn gezin een zomerhuis in het dorpje Novés, niet ver van de hoofdstad. De plaatselijke notabelen verwelkomen hem als één van hen, totdat blijkt dat hij er linkse sympathieën op nahoudt en net zo lief omgaat met de boeren en arbeiders uit de streek. De situatie staat al snel op scherp. Gedwongen tot een keuze voegt Arturo Barea zich bij het arme deel van de bevolking, degenen die altijd onder de duim gehouden zijn door een handjevol landbezitters. Hij organiseert een politieke bijeenkomst in het dorp waarbij socialisten, communisten en anarchisten, normaliter meer verdeeld dan samen optrekkend, zich presenteren aan het volk.

    Ondertussen beschrijft Barea in De slag ook steeds de overkoepelende ontwikkelingen, vooral dan uit Madrid. Hoofdstukken hebben titels als ‘Brandstof’, ‘Vonk’ en ‘Vlam’ en deze aanloopfase is eigenlijk het beste deel van het boek. Wat hier beschreven wordt is veel meer dan alleen een persoonlijk ervaringsverhaal, het heeft algemene zeggingskracht omdat het de voedingsbodem laat zien voor oorlog. Rechtse en linkse krachten lijken wel in twee gescheiden werelden te leven. Ze willen elkaar niet begrijpen of tegemoetkomen. Propaganda, politieke obstructie, angsttactieken, het was allemaal aanwezig in het Spanje van 1935, broeiend op grote ongelijkheid in bestaanszekerheid en economische kansen.

    Oorlog als proeftuin

    De geschiedenis ontrolde zich: links, verenigd in het Volksfront, behaalde een ruime verkiezingsoverwinning maar voordat een stabiele regering was gevormd braken er in het land garnizoensopstanden uit. De burgeroorlog is dan een feit. Hoewel je over de benaming burgeroorlog kunt twisten. Hitler en Mussolini verleenden immers in alle openheid militaire steun aan de opstandige generaal Franco. Daartegenover kon de democratische Republiek slechts rekenen op een paar wapenleveranties uit Mexico, gevechtsvliegtuigen uit de Sovjet-Unie en de heroïsche Internationale Brigades. De rest van de wereld hield zich stil en hoopte dat alles vanzelf over zou gaan.

    ‘Het beleg van Madrid begon in de nacht van 7 november 1936 en eindigde twee jaar, vier maanden en drie weken later – tegelijk met de oorlog’. In tegenstelling tot een groot deel van de gegoede burgerij ontvlucht Arturo Barea de stad niet. Hij maakt mee hoe vakbonden en politieke organisaties erin slagen om, nauwelijks bewapend, Madrid te ontdoen van opstandige legereenheden. Huiveringwekkend zijn de zuiveringen die de plaatselijke anarchisten vervolgens op touw zetten (‘een ritje maken’ in het jargon), niet veel onderdoend voor wat Franco’s falangisten aanrichten elders in het land. De pacifistische Barea besluit zich ondertussen nuttig te maken als perscensor van de democratische Republiek in Madrid. Wanneer de officiële regering naar Valencia vlucht, blijft hij op zijn post en moet hij, improviserend, een censuurstrategie uitstippelen. Dit alles in een belegerde stad waar het aan vers voedsel net zozeer ontbreekt als aan centrale regie.

    Zonder rugdekking

    Omdat Arturo Barea zich niet aansluit bij één van de grote politieke facties (communisten, socialisten en anarchisten) ondervindt hij weinig steun en kan een onvoorzichtigheid grote gevolgen hebben. Meermaals komt hij in de problemen, eerst alleen en later met zijn levenspartner Ilsa Kulcsar, een Oostenrijkse die als vrijwilliger naar Madrid afgereisd is. Beiden stellen zich onafhankelijk op van de diverse ideologische doctrines en worden bijgevolg door iedereen gewantrouwd. In dit mijnenveld kan Arturo Barea alleen zeggen wat hij op zijn lever heeft als ‘de stem van Madrid’, een dagelijkse radio-uitzending waarin hij de wereld vertelt wat oorlog betekent voor gewone mensen.

    Door de bombardementen en de constante dreiging loopt Barea een vorm van shellshock op. Hij beschrijft het voorval van een onontplofte granaat waarin een briefje wordt aangetroffen, afkomstig van een Duitse arbeider die zijn solidariteit uitspreekt met het Spaanse volk: de projectielen die deze onbekende fabriceert zijn onschadelijk. Helaas ontploffen de meeste granaten wel en ook de werkplek van Ilsa en Arturo, de Telefónica, het hoogste gebouw van Madrid, is verre van veilig. Daarbij komen dan nog de machinaties van verschillende personen die de schrijver vijandig gezind zijn en een verstikkende bureaucratie, waardoor het uiteindelijk onmogelijk blijkt om in Spanje te blijven.

    Inzichten van een ooggetuige

    Arturo Barea vlucht samen met Ilsa Kulcsar naar Frankrijk, het land dat net als Groot-Brittannië weigert om de Spaanse Republiek te hulp te schieten of zelfs maar wapens te leveren, uit angst voor de toorn van Hitler en Mussolini, die wél ongestoord hun oorlogsmaterieel uittesten. Barea analyseert: ‘Spanje had slechts twee uitwegen: aan de ene kant de afgrijselijke hoop, zelfs nog gruwelijker dan wanhoop, dat er toch oorlog in Europa zou uitbreken, wat een van de andere landen zou dwingen tot interventie tegen Hitler-Duitsland. De andere uitweg was onszelf opofferen zodat andere landen tijd konden winnen om zich voor te bereiden. […] In beide gevallen dienden we de prijs te voldoen in ons eigen bloed, in de pasmunt van de barbaarse vernietiging van ons eigen grondgebied.’ Dit soort bespiegelingen duikt geregeld op. Arturo Barea had contacten in allerlei geledingen van de Spaanse samenleving en kan dus een gedegen beeld geven van wat er gebeurde. Ook met sommige priesters onderhield hij vriendschapsbanden (terwijl de katholieke kerk ondubbelzinnig verbonden was aan politiek rechts en aan Franco). Indringend fulmineert hij tegen de fascistische ‘doodgravers’ en ‘slavenmeesters’, representanten van een kaste die Spanje al eeuwenlang regeren, louter om hun eigen belangen te dienen. Tegelijk sluit hij ook zijn ogen niet voor de baantjesjagers die de communistische partijrangen domineren, of voor de schadelijke intriges en nutteloze papiermolen binnen de democratische regering. Hij maakt de geopolitieke onmacht van de Sovjet-Unie inzichtelijk, net zo goed als de funeste misrekening van de Westerse democratieën.

    Solidariteit over de grens

    Zo blijft De slag voortdurend variëren tussen persoonlijke belevenissen en het grotere verhaal van de antifascistische strijd. Dit laatste is het meest interessant, want voor privébesognes rondom een vroegere minnares zal niemand het boek oppakken. Arm en uitgeblust bevindt de schrijver zich in de slotalinea’s op de boot naar Engeland, waar hij zijn herinneringen zal uitwerken en publiceren. Niet in het Spaans maar in het Engels, vertaald door Ilsa Kulcsar. Tegen twee Franse arbeiders die hij onderweg tegenkomt spuwt Barea zijn gal: ‘Zijn jullie Fransen blind of hebben jullie de vrijheid al opgegeven?’. Het antwoord ligt in lijn met de Duitse fabriekswerker die briefjes aan zijn granaten toevoegde en geeft toch weer een sprank hoop: ‘O nee, wij vechten. De ánderen vechten niet. […], vertrek niet bitter uit Frankrijk. Wij strijden nog samen.’