• Oogst week 11 -2019

    Het lange voorjaar

    Het is een origineel uitgangspunt van de Engelse bioloog Laurence Rose voor zijn boek Het lange voorjaar. Hij gaat aan de hand van de vogeltrek het voorjaar ophalen om mee te nemen naar Europa. Daarvoor reist hij in februari naar Noord-Afrika om vervolgens via Spanje en Frankrijk met de terugkerende vogels mee naar Groot-Brittannië te gaan. Vanuit Engeland reist hij vervolgens met de vogels terug naar hun broedgebieden in Zweden en Finland, om te eindigen in het midzomerlicht aan de meest noordelijke kust van Noorwegen. Vergezeld van ooievaars, zwaluwen, arenden en wilde zwanen brengt Rose de landschappen en de natuur van Europa tot leven en toont het uit zijn winterslaap ontwakende continent.

    […] ‘Het stof en het vocht van Afrika zitten in het vlees van twee miljard vogels, die aan de trek naar het noorden beginnen. Ze zijn weliswaar Europees van geboorte, naar hun aard zijn ze Afrikaans. Elke pees of spier die ze hiernaartoe heeft voortgestuwd, alle brandstof die ze voor hun reis hebben opgevet plus het grootste deel van de verentooi waaraan ze hun luchtwaar- digheid ontlenen, alle dragen ze Afrika in zich. Vogels die in een Engelse akker of Finse aapa aan hun einde komen, voeren een vleugje regenwoud naar noordelijke regionen mee, en hun na- geslacht neemt het later in het najaar weer mee terug.’ […]

    Het lange voorjaar
    Auteur: Laurence Rose
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De zaak Beukenoot

    Schrijfster en politica Marianne Philips (1886 –1951) had een bewogen leven. Ze werd geboren in een welvarend, groot joods gezin. Haar vader stierf toen ze nog heel klein was, haar moeder toen ze veertien was. Het gezin verarmde en moest verhuizen naar een kleine huurwoning. Die ervaring zou ze later gebruiken voor haar roman Henri van den overkant (1936).
    Op jonge leeftijd werd ze lid van de SDAP en werd in 1919 als een van de eerste vrouwen, gemeenteraadslid voor die partij.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog doken zij en haar man, vakbondsman Sam Goudeket, op verschillende adressen onder, eerst gezamenlijk, daarna apart. In die jaren werd ze ziek; ze heeft jaren in het ziekenhuis gelegen en ook daarna bleef ze bedlegerig.

    In 1950, een jaar voor haar dood, was haar novelle De zaak Beukenoot het Boekenweekgeschenk van dat jaar. De zaak Beukenoot gaat over een gerechtelijke dwaling en is een aanklacht tegen klassenjustitie. Uitgeverij Cossee die het nu opnieuw uitbrengt zegt hierover: ‘deze frisse, psychologische novelle blijkt na meer dan vijftig jaar nog altijd actueel.’

    De zaak Beukenoot
    Auteur: Marianne Philips
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De biecht

    Tegelijkertijd met De zaak Beukenoot geeft Cossee ook het autobiografische De biecht opnieuw uit.

    Marianne Philips beschrijft in De biecht een leven van rijkdom, vernedering, haat en liefde. Wat begint als het verhaal van een ambitieuze vrouw, die onverwachts een moederrol voor haar jongste zusje moet vervullen, verandert in een koortsachtige val van haar zelfgebouwde voetstuk.

    Uit het werk van Philips blijkt een grote belangstelling voor ethische, filosofische en sociale vraagstukken.

    Na haar dood werd tot en met 1975 jaarlijks de Marianne Philipsprijs uitgereikt voor werk van auteurs vanaf vijftig jaar die nog steeds creatief waren maar van wie het werk enigszins op de achtergrond was geraakt of dreigde te raken.

    Het is interessant om te zien welke schrijvers deze prijs hebben ontvangen en wie er heden ten dage nog lang niet vergeten zijn.

     

    De biecht
    Auteur: Marianne Philips
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Tijd van de aarde

    Mede dankzij crowdfunding kon de uitgeverij van stichting Perdu deel 7 in de Sporenreeks, Tijd van de aarde van Galina Rymboe ook daadwerkelijk laten drukken. Om hedendaagse experimentele poëzie in het Nederlands te vertalen en uit te geven is in 2013 deze reeks opgericht. In elk nieuw deel is een essay opgenomen waarin de dichter uitgebreid wordt voorgesteld.

    Galina Rymboe is een Russische dichter die opgroeide na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Perdu schrijft over deze schrijfster en haar bundel: ‘Galina Rymboe, een vernieuwende stem binnen de Russische literatuur, roept in haar gedichten postapocalyptische werelden op: oude structuren, herinneringsruïnes, verdrogende rivieren, verlaten opgravingsterreinen. Gewaarwordingen, abstracties en intieme momenten stromen in haar meeslepende taal in elkaar over. Ook het geheugen is in verval geraakt. Maar hoe verwoest, afgedankt of uitgewoond de werelden in deze bundel ook zijn, de dichter blijft zoeken naar manieren om naar huis terug te keren, een plek te vinden die ons kan behoeden. Tijd van de aarde is poëzie van het anthropoceen.’

    Tijd van de aarde
    Auteur: Galina Rymbu
    Uitgeverij: Uitgeverij Perdu

    De grote angst in de bergen

    Tot slot aandacht voor De grote angst in de bergen, een uitgave uit 1926 van Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947), een in Zwitserland bekende, maar daarbuiten onbekende schrijver.

    De grote angst in de bergen gaat over een groep herders die de koeien van het dorp voor de zomermaanden naar een braakliggende alpenweide brengt, vlak onder de gletsjer, waar zich twintig jaar eerder vreemde ongelukken hebben voorgedaan. Volgens de oudere dorpsbewoners is die weide vervloekt. Als de koeien besmet raken met de ‘ziekte’, worden vee en herders in quarantaine geplaatst. De bange, bijgelovige, van de buitenwereld afgezonderde herders verliezen gaandeweg hun menselijkheid. Dan slaat alles om – de grote angst grijpt om zich heen.
    De grote angst in de bergen 
    geldt volgens uitgeverij Van Oorschot als het meesterwerk van Ramuz.

    Vertaler Rokus Hofstede schrijft in zijn nawoord:
    […] ‘Ramuz’ schrijverschap had een paradoxale inzet: hij was een moderne anti-modernist. Ramuz mengde archaïsche thema’s met een experimentele, innovatieve stijl; omdat hij bijna uitsluitend schreef over het boerenleven en argwanend stond tegenover de zegeningen van vooruitgang en moderniteit, werd hij vaak – maar ten onrechte – aangezien voor een auteur van heimatromans en streekverhalen. Tegenwoordig wordt algemeen aanvaard dat Ramuz geen regionalist was maar een bij uitstek modern schrijver, die met zijn vernieuwingen van de romankunst zijn tijd ver vooruit was.’ […]

    En:

    […] ‘Ramuz’ ontdekking was de spreektaal: hij streefde naar een ‘grote boerse stijl’, waarvan de ritmes en klanken waren geënt op de gesproken taal van de wijnboeren en landbouwers uit zijn geboortestreek. De ruwe grootsheid van de natuur die hij beschrijft gold ook voor zijn stijl, die hardhandig brak met de Parijse canon van de goede smaak. Het ‘ramuzisme’ stond in de jaren twintig en dertig bij heel wat puristische Parijse critici voor taalverloedering (‘Als hij een Frans schrijver wil zijn, laat hij dan onze taal leren!… En als hij die niet wil leren, laat hij dan een andere taal gebruiken!’)’ […]

    De grote angst in de bergen
    Auteur: Charles-Ferdinand Ramuz
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Perec kijkend en Perec dromend

    Perec kijkend en Perec dromend

    Na jaren van stilte is de Franse auteur Georges Perec (1936 – 1982) weer helemaal aanwezig in de boekenschappen. Steeds meer niet eerder vertaald werk van hem is in het Nederlands verkrijgbaar. In 2009 was daar, nadat het zes jaar stil was geweest, ineens het bravourestuk van Guido van de Wiel, die de E-loze roman La disparition van Perec in alleszins leesbaar Nederlands presenteerde (’t Manco). Wie in dat jaar één van zijn meest betekenisvolle boeken, W of de jeugdherinnering te pakken wilde krijgen moest er tweedehands woekerprijzen voor betalen. De uitverkochte vertaling van Privé-domein 173 bleek een collectors item te zijn geworden. Tot de Arbeiderspers in 2010 besloot tot een betaalbare heruitgave, via printing on demand. En ineens kwam een nieuwe stroom op gang. Eveneens in 2010 verscheen Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen en in 2014 De condottiere (dat overigens twee jaar eerder pas in Frankrijk was uitgekomen). En nu, in 2017, worden de Perec liefhebbers opnieuw verblijd. Met twee vertalingen zelfs. Kiki Coumans bezorgde Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs en Perec vertaler vanaf het begin Edu Borger, De duistere winkel. 124 dromen.

    Poging
    Ga zitten op een plek en probeer je bewust te zijn van het gewone in je omgeving. Menigeen heeft het misschien wel eens geprobeerd. Perec schreef daadwerkelijk op wat er dan te zien is. Niet eenmalig trouwens. In hetzelfde jaar als de nu verschenen Poging tot… deed hij iets dergelijks in Poging tot inventarisatie van het vloeibare en vaste voedsel dat ik in de loop van het jaar negentienhonderdvierenzeventig door het keelgat heb gejaagd en twee jaar daarna over de voorwerpen die op zijn werktafel lagen. Daarna zou hij het idee nog een paar keer uitvoeren onder andere door een beschrijving op basis van bezoeken aan alle plekken in Parijs waar hij had gewoond of waaraan hij herinneringen had.

    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs is waarschijnlijk het meest interessante van die projecten. Wie leven en werk van Perec niet zo goed kent, zal het wellicht verbazen dat een dergelijke onderneming kan boeien, maar deze Poging is een prachtig stuk literatuur. Soms poëtisch, soms humoristisch en soms persoonlijk. Hij zet je bovendien aan het denken over hoe we kijken en, jawel, welke vooringenomenheid we daarbij hebben.

    Perec ging drie dagen, op 18, 19 en 20 oktober 1974, naar de Place Saint-Sulpice zitten kijken. Dat deed hij vanaf wisselende plekken rond dat plein, bar-tabac Saint-Sulpice (3x), het café de la Mairie (3x) het café La Fontaine (2x) en  een bankje in de zon (1x). Hij zat er steeds ongeveer een uur en pauzeerde daarna. Op een tafeltje of op schoot vellen papier en in zijn hand een pen. Elke ‘zitting’ noteerde hij allereerst het weer; veranderde dat in de loop van het uur dan schreef hij dat op.

    De verschillende rapporten laten zien hoe je onbewust gericht kunt zijn op iets en dus bijna programmatisch kijkt. Zo heeft hij de eerste keer vooral oog voor letters, cijfers, symbolen, kleuren en trajecten van bussen die het plein kruisen. De tekst krijgt daardoor een mooie cadans omdat zijn verbale registraties steeds door nummers van de buslijnen in stukjes worden gedeeld.

    In de tweede zitting zijn zijn thema’s weer anders: groottes van groepjes en groepen mensen, gesprekken tussen hen, manieren van voortbewegen (te voet, per fiets enzovoort) en houdingen (dwalend, zoekend, resoluut, zoekend enzovoort). Hij vraagt zich nu bovendien af hoe volledig zijn waarneming wel is, bijvoorbeeld als hij merkt dat een bromfiets die er pas nog stond, ineens weg blijkt te zijn zonder dat hij dat gezien heeft.

    Anders kijken
    Er gaan in alle zittingen dingen opvallen, waarbij je je als lezer afvraagt of Perec een grapje met je uithaalt. Het aantal ‘appelgroene 2cv’s’ neemt zo’n grote vormen aan dat het komisch gaat werken. Zo verstopt hij meer speelsigheden in zijn verslagjes: in cijfergrapjes zoals ‘…waarvan de vijf bridgespelers er vier drieklaveren zaten te spelen…’ en in ritmische zinnen als ‘Er rijdt een 86 voorbij hij is leeg / Er rijdt een 70 voorbij hij is vol’ en even verder ‘Een vrij lege 70 rijdt voorbij / een bijna volle 63 rijdt voorbij’. Dat blijft zich tijdens deze sessie herhalen.

    Op de tweede en derde dag (een zaterdag en een zondag) gaan veranderingen ten opzichte van de dag ervoor een rol spelen: licht dat anders is, verschillen in bewegingen en drukte. Hij lijkt nu meer te mijmeren dan te kijken. En ook nu weer zijn er de luchtigheden en humor. ‘Een man loopt met zijn neus in de lucht voorbij, / gevolgd door een man die naar de grond kijkt’. Of: ‘…niemand ziet de / bussen ooit langsrijden, behalve als hij zelf op / een bus staat te wachten, of als hij iemand bij  / een bus gaat ophalen, of als hij door de RATP / wordt betaald om ze te tellen’. En: ‘Een klein meisje, omgeven door haar ouders (of / door haar kidnappers) huilt’.

    De notatie hierboven (met slashes van mij; AA) geeft weer hoe Perec zijn waarnemingen bovendien giet in blanke verzen. Misschien koos vertaalster Kiki Coumans daarom wel bewust voor wat strikt genomen een taalfout is (‘aantal’ is eigenlijk enkelvoud) om zo het metrum te kunnen bewaren in:

    De duiven verroeren zich nauwelijks. Toch
    is het moeilijk ze te tellen (200 misschien);
    een aantal zitten op de grond met ingetrokken
    pootjes. Het is tijd voor hun toilet

    Perecs verslag van kijken naar het gewone is boeiende en poëtische literatuur, die soms doet denken aan de compositie 4’33’’ van John Cage, die duidelijk maakte wat er allemaal te horen is als het stil is. Gefluister, gemor, weglopende mensen bij de première in 1952, maar daarna gewaardeerd omdat blijkt dat stilte nooit hetzelfde is. Zoals Perec merkte dat zijn zien nooit hetzelfde was.

    Dromen
    In 1978 schreef Perec in Le Figaro in een essay (opgenomen in Ik ben geboren  dat in 2003 in Nederlandse vertaling – door Rokus Hofstede –  verscheen) dat hij zich in zijn boeken door vier vraagstellingen laat leiden. De eerste is hoe we naar de wereld van alle dag kijken. Daarop probeerde hij antwoorden te vinden in beschrijvingen als het hiervoor besproken Poging tot…, maar ook in Ruimten rondom en De dingen. De tweede vraag is die naar zijn eigen biografie met als bekendste W of de jeugdherinnering. De derde is de speelse variant die uitgaat van zelfgekozen beperkingen (contraintes) om zo de mogelijkheden van taal te ontdekken; dit betreft zijn werk in Oulipo, vergelijkbaar met het Opperlands bij ons. De laatste vraag gaat om het romaneske, waarmee hij experimenteerde in zijn verreweg beroemdste boek Het leven een gebruiksaanwijzing. De grenzen tussen deze vier vraagstellingen zijn overigens nooit star.

    In de tweede categorie, de eigen biografie, past ook het onlangs verschenen De duistere winkel. 124 dromen. Het bevat een zo sec mogelijke beschrijving van dromen van Perec van mei 1968 tot augustus 1972.

    De af en toe depressieve schrijver is verschillende keren onder psychiatrische behandeling geweest en de registratie van zijn dromen zal daar een uitvloeisel van zijn. De droombeschrijvingen volgen op een periode van ongeveer vijf jaar waarin hij vaak verbleef in een kunstenaarscentrum in de Moulin d’Andé in Dampierre. Die molen en de kunstenaars die er verbleven, zoals Niki de Saint Phalle, duiken veelvuldig op.

    Er liggen opvallende tijdsprongen tussen de dromen. Veertig ervan zijn uit de periode mei 1968 tot december 1970 (ruim 2,5 jaar) en liefst achtentwintig (vaak ook langere) uit de eerste vier maanden van 1971. Er ligt een merkwaardige cesuur na december 1970 als hij ineens drie dromen van slechts een paar regels invoegt van een zeker J.L. (waarschijnlijk zijn vriend Jack Lederer).

    Verwijzingen
    Natuurlijk zijn veel dromen lastig te duiden. Wat ze voor de lezer interessant maakt is dat Perec er stilistisch en qua scherpzinnigheid erg in aanwezig is, hoewel hij zich niet begeeft in interpretaties van zijn nachtelijke beelden. Als geheel spiegelen ze zijn moeite om de tijd in Dampierre achter zich te laten, zijn relaties met zijn vrouw Paulette Petras en zijn vriendin Suzanne Lipinska, eigenaresse van de molen van Andé. Maar er zijn ook linken naar zijn boeken. Zo heeft hij een paar keer een angstdroom dat in zijn La Disparition (de roman zonder de letter E) toch E’s zijn ontdekt. Maar de meest bijzondere droom op dit punt is toch wel nummer 46 uit januari 1971. Het is maar een korte beschrijving, die door Perec zelf deels is gecursiveerd (wat wil zeggen dat hij het een ‘bijzonder opmerkelijk element’ vond). Hij begint met: Concentratiekamp in de sneeuw of Wintersport in het kamp. De notitie wijst duidelijk vooruit naar W of de jeugdherinnering, dat in 1975 zou verschijnen.

    In de dromen herkennen we verder de humor en spitsvondigheid van Perec, zoals in de verwijzingen naar de kruiswoordpuzzels die hij bedacht en in het bijzonder in woordspelingen als in droom 103. Hij goochelt daarin in één zin met de dubbele betekenissen van contenance (‘houding’ en ‘inhoud’) en demi (‘half’ en ‘biertje’). Edu Borger vertaalt de zin met: ‘om me een hele houding te geven neem ik een halve inhoud: een pilsje’. Het origineel is gewoon niet te vertalen, stelt Borger in een noot spijtig vast.

    Perec schreef de dromen, zoals gezegd, sec en zonder duidingen uit. Toch deed hij er meer mee. Aan het slot van het boek voegde hij namelijk onder de titel Bakens en Havens een uitgebreide index toe op trefwoorden. Daarin vinden we de (regelmatig terugkerende) zaken waaraan hij kennelijk betekenis hechtte, van ‘achteruit’ tot ‘baard’, van ‘deksel’ tot het getal ‘drie’ en van de kleur ‘rood’ tot ‘sokken’.

     

  • Recensie door: Maria Noordman

    Recensie door: Maria Noordman

    Biografie, ontstaansgeschiedenis van een schilderij, tijdsbeeld van de Terreur van de Franse Revolutie, zoektocht naar historische achtergronden en weerlegging van traditionele interpretaties: het zit allemaal in dit staaltje van literaire acrobatiek.

    Waar gaat het om? Er is een schilderij, De elf, en een schilder, François-Elie Corentin. Eerst wordt de schilder uit de doeken gedaan: geportretteerd als page door de Venetiaanse schilder Tiepolo, vervolgens van een stamboom voorzien, en van een jeugd in de beschermde omgeving van een liefdevolle moeder en grootmoeder, waarbij de vader afwezig is. Gesuggereerd wordt dat deze jongen het schildersvak leert bij Tiepolo. Feit is dat hij in de winter van 1794, in een kerk in Parijs, die door de revolutionairen in beslag is genomen, opdracht krijgt om een staatsieportret te maken van de elf leden van het Comité de salut public. Het is een geheime opdracht, en de schilder krijgt bovendien strikte aanwijzingen over opstelling en uitdrukking van de geportretteerden.

    Vervolgens komt het schilderij zelf aan de beurt, dat wil zeggen: in zijn bijkomstige aspekten, want hoe het schilderij er concreet uitziet, komt niet uit de verf. Het hangt al tijden op een prominente plaats in het Louvre, achter kogelwerend glas; het wordt besproken door de negentiende-eeuwse Franse historicus Michelet, die er een belangrijke politieke betekenis aan hecht. Want de opdrachtgevers, zelf leden van het Comité de salut public, zijn in die tijd van Terreur hun leven ook niet zeker. Bij iedere verandering van politieke wind kunnen machthebbers veranderen in vijanden, en dus in slachtoffers van de guillotine. Vandaar de opdracht voor dit dubbelzinnige portret: Robespierre moet er prominent op staan, samen met zijn twee naaste medewerkers; de anderen moeten als bijfiguren worden neergezet. Als Robespierre in ongenade valt, zullen de andere leden zeggen dat Robespierre zelf de opdrachtgever was van het schilderij, en daarmee aantonen dat hij inderdaad een tiran is, van wie ze zich moeten ontdoen. Als Robespierre zijn macht blijft behouden, is het schilderij een eerbetoon aan hem, en een bewijs van hun trouw aan de leider.

    Deze politieke achtergrond staat beschreven in de Geschiedenis van de Franse Revolutie van Michelet, evenals de beschrijving van het schilderij zelf, gesitueerd in de sacristie van de bewuste kerk waar de opdracht was verstrekt. Maar de verteller in Michon’s boek toont aan dat Michelet zich met dit laatste moet hebben vergist, of liever gezegd: zich waarschijnlijk heeft laten meeslepen door zijn verbeelding na een bezoek aan de bewuste kerk. Uiteindelijk besluit de verteller met de stelling dat de Elf de archetypische uitingen zijn van oerwezens die de macht vertegenwoordigen, zoals de grottekeningen in Lascaux dat zijn.

    Met deze weergave van ‘het verhaal’ ben je er overigens niet, bij lange na niet, want de grote kracht en het grote plezier van dit boekje liggen in de acrobatische toeren die Michon uithaalt met feiten en fictie, met interpretaties en weerleggingen. Hij jongleert met historische gegevens, tovert de ene verrassing na de andere uit zijn hoge hoed, sleept de lezer mee in een veelheid van details en historische waarschijnlijkheden, zodat deze het schilderij en de schilder voor zich ‘ziet’, zoals je bij een goochelaar ‘ziet’ dat er een dame doormidden wordt gezaagd. De aap komt pas uit de mouw in het nawoord, of in het Louvre, of op google.

    Daarnaast is er het feest van de ironie waarmee Michon zijn verteller commentaar laat leveren op mensen en gebeurtenissen, historische en niet-historische zonder onderscheid. Een verteller die de lezer bij de kraag vat, hem vóór is, met hem mee denkt, en hem ervan overtuigt dat het hier gaat om een weliswaar levendig beschreven, maar zeer gedegen historisch onderzoek.
    Een verrassend, speels en erudiet boek.

     

    De elf

    Auteur: Pierre Michon
    Vertaald door: Rokus Hofstede
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2011),
    Aantal pagina’s: 113
    Prijs: € 15,-

    Met aantekeningen en nawoord van de vertaler.

  • Recensie: Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen – Georges Perec

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Onlangs verscheen een in een bescheiden formaat gestoken en fraai ogend boekje met de lange titel Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen van de Franse auteur Georges Perec (1936 – 1982). Kort gezegd handelt het over het labyrint waarin je al gauw terecht kunt komen wanneer je hebt besloten werk te maken van het voornemen je chef om loonsverhoging te vragen. ’t Zou geschreven kunnen zijn in opdracht van een werkgeversvereniging, want de moed om een dergelijk voornemen in praktijk te brengen zal de gemiddelde loonslaaf na lezing danig in de schoenen kunnen zinken. En toch is het geen deprimerende lectuur. Integendeel! Het ademt een luchtige, montere toon als een film van Jacques Tati.

    Het boekje bestaat uit een lange, leestekenloze zin, waarin de alwetende verteller de lezer, die met u wordt aangesproken, de hoofdpersoon laat zijn. Het zet als volgt in: ‘Nadat u rijpelijk hebt nagedacht nadat u al uw moed bijeen hebt geraapt besluit u bij uw afdelingschef langs te gaan om opslag te vragen’. Eenvoudiger kan het niet. Maar al gauw ontstaan de problemen. Want de afdelingschef kon wel eens net even niet in zijn kantoor zijn, en dan zit er niets anders op dan één van de wijdvertakte mogelijkheden te kiezen die zich als alternatief aandienen. En de route die daarmee zal worden afgelegd volgt het stroomschema dat ten grondslag heeft gelegen aan dit verhaal.

    Om zo’n stroomschema als uitgangspunt te kiezen voor een verhaal was typerend voor Oulipo (ouvroir de littérature potentielle, ofwel: werkplaats voor potentiële literatuur) waar Perec zich in 1967 bij had aangesloten. Een clubje wiskundigen en schrijvers dat, aangevoerd door Raymond Queneau, literaire procédés uitdacht met allerlei hindernissen en obstakels, vaak gerelateerd aan mathematische modellen, die de creativiteit moesten stimuleren.

    Zijn onderdompeling in dit collectief pakte voor Perec weldadig uit. Hij zag de impasse waarin hij als beginnend schrijver was terechtgekomen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Het wezen van de door Oulipo ontwikkelde literaire modellen draait om de ‘contrainte’, de (vorm)dwang. Perec paste dit bijvoorbeeld toe in zijn roman La Disparition uit 1969. Een verhaal rondom de verdwijning van de letter ‘e’. Die dan ook in het meer dan 300 pagina’s tellend boek niet voorkomt. (Dat dit procédé een metafoor kan zijn voor het lot van de Joden in WO II, waarvoor ook de Joodse familie van Georges Perec, een van de klinker ‘e’ vergeven naam, niet gespaard bleef, is iets dat op de achtergrond resoneert).

    Guido van de Wiel nam vervolgens namens De Arbeiderspers de uitdaging aan om dit in het Nederlands te vertalen, hetgeen hem lukte onder de titel ’t Manco. Op zijn beurt revancheerde Perec zich namens dezelfde klinker met het schrijven van Les Revenentes, in welke tekst de ‘e’ de enige gebruikte klinker is. Dergelijke trucjes mogen wat steriel en geforceerd ogen, maar dan is er buiten de speelsheid van schrijvers als Perec en Queneau gerekend. Van Perecs meesterwerk uit 1978 Het leven een gebruiksaanwijzing waarbij onder het mom van een boedelbeschrijving van een oud appartementengebouw een rijk geschakeerd tapijt van honderden verhalen wordt geweven waarin uiteenlopende personages in allerlei verschillende stijlen ten tonele worden gevoerd, kan men toch moeilijk beweren dat het geforceerd, fantasie-arm of bloedeloos geschreven is. Daarbij moet gezegd dat het ook heel erg in de geest van Oulipo was, om stiekem speelse afwijkingen van de contrainte het verhaal binnen te smokkelen! En het is de vraag of in Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen, dat in 1968 in een obscuur Frans tijdschrift werd gepubliceerd, niet ook een beetje wordt gesteggeld. Want laat Perec de hoofdpersoon, de arme kantoorklerk die de als u aangesproken lezer verondersteld wordt te zijn, werkelijk alle denkbare zijpaden van het stroomschema doorlopen? Ach, om het avontuurlijke verhaal is dit boekje niet geschreven. Het is de stijl die het lezen ervan tot een waar genoegen maakt. Men leest het plezier eraan af waarmee het geschreven is. Eigenlijk is de stijl de ware hoofdpersoon. Uiteindelijk heeft Perec als schrijver een zelfde krachttoer moeten volbrengen als de hoofdpersoon om zich een weg te banen door het doolhof. De frisse vertaling is goed getroffen. De speelse woordkeuze neemt de bureaucratische rompslomp af en toe aardig op de korrel. Ondanks ontbreken van leestekens is de tekst overal even leesbaar en helder gebleven.

    Perec liet zich er op voorstaan nooit tweemaal dezelfde type tekst te schrijven. En hoewel in dit werkje voortdurend eenzelfde route hernomen moet worden, wordt die regel ook hier niet geschonden. Het zijn variaties op een thema, iedere keer net even anders verwoord. Zo ziet de hoofdpersoon zich dikwijls gedwongen ‘een rondgang te maken langs de verschillende afdelingen die samen het geheel of een deel vormen van de organisatie die u in loondienst heeft’. Maar iedere keer wordt dit anders omschreven. Bijvoorbeeld: ‘(…) van de organisatie die u uitbuit’ of: ‘(…) van de trust waar u voor een hongerloon de mooiste jaren van uw leven verdoet’ of: ‘(…) waar u het gros van uw tijd verbeuzelt’ enz. Dit verleent het verhaal een grote souplesse. En de vaak terugkerende gemeenplaats: ‘we zullen aannemen om het eenvoudig te houden want je moet het altijd eenvoudig houden’ in een verhaal waarin iedere poging om de chef te spreken te krijgen steeds uitzichtlozer lijkt te worden, kruidt het met milde ironie. Het geheel maakt dan ook eerder een hilarische, dan wanhopige indruk, al besef je aan het eind dat de factor tijd intussen ook zijn werk heeft gedaan. De dwaaltocht door het ondoorgrondelijke bedrijf mag Kafkaësk lijken – Franz Kafka was een van de favoriete schrijvers van Perec – , K. de protagonist van Kafka’s boek Het Slot, zou de problematiek van zijn bestaan makkelijker het hoofd hebben kunnen bieden als hij Perec als geestelijk vader had gehad.

    Al met al kan men stellen dat dit een uiterst onderhoudende tekst is, die terecht en op loffelijke wijze door Rokus Hofstede voor het Nederlandse taalgebied ontsloten is. De enige lezer die zich voor het luttele bedrag van € 12,50 bekocht mag voelen, is hij die werkelijk gehoopt had tips te krijgen om zijn baas op succesvolle wijze opslag af te smeken.

     
     
    Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen

    Auteur: Georges Perec
    Vertaling: Rokus Hofstede
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Prijs: €12,50

  • Rimbaud de zoon

    Door Wil van Basten-Malipaard

    ”…o moeder die me niet leest  (…) vader die nooit met me zal praten”.

     Bij toeval belandde deze korte ‘biografie’ van Pierre Michon (1945) over een deel van het turbulente leven van de jonggestorven Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891) in de sublieme vertaling van Rokus Hofstede op mijn bureau. Vooral door de kwaadaardige eerste twee zinnen werd ik weer, exact zoals destijds in 1991 bij de eerste Franse uitgave, aangezet om verder te lezen.

    “Men zegt dat Vitalie Rimbaud, geboren Cuyf, een dochter van het platteland en een boosaardige vrouw, een vrouw die leed en boosaardig was, het leven schonk aan Arthur Rimbaud. Men weet niet of ze eerst vervloekte en pas daarna leed of dat ze haar lijden vervloekte en toen in die vervloeking volhardde; ofwel dat in haar geest vervloeking en lijden elkaar overlapten, aflosten, aanwakkerden onlosmakelijk met elkaar verbonden als de vingers van haar hand, die zo geïrriteerd waren geraakt door het contact met haar leven, haar zoon, haar levenden en haar doden dat ze ze tussen haar zwarte vingers vermorzelde.”

    Deze twee zinnen zeggen veel, zo niet alles over het begin van de carrière van Rimbaud als dichter.

    Michon suggereert dat zij de oorzaak is van Rimbauds niet aflatende opstandigheid, die hem als een wervelwind door de porseleinkast van de Franse letteren jaagt en hem na een literaire bliksemcarrière van vijf jaar en na veel omzwervingen uiteindelijk als wapenkoopman in het Afrikaanse Harrar, ver van alle verzen van de wereld, doet belanden.

     En deze twee zinnen tonen het fraaie en rijke proza van Michon waarvan de stijl in hoge mate doet denken aan de poëzie van Rimbaud. Wilde Rimbaud zoals Victor Hugo het vers in eigen persoon belichamen ‘le vers personellement’, zo lijkt het erop dat Michon door zijn werk dit ideaal eveneens voor zijn eigen proza nastreeft. Zijn taal is rijk, poëtisch, confronterend en soms verpletterend. Hij werkt met veel tegenstellingen, synoniemen, woordomwisselingen, metaforen. Lange zinnen. Veel prachtige stijlfiguren zijn in zijn werk moeiteloos te vinden.

    Voor de liefhebbers van literatuur is ook dit werk een juweeltje van vertelkunst. Niet voor niets is Pierre Michon in oktober 2009 onderscheiden met de Grand Prix du roman de l’Académie française voor zijn werk Les Onze waar hij vijftien lange jaren aan werkte.

     

    Michon heeft niet gekozen voor de traditionele biografie.  De vorm die hij kiest is uniek. Het perspectief wisselt voortdurend. Michon kruipt in de huid van de alleswetende schrijver die zich overigens bescheiden opstelt, of richt zich als verteller rechtstreeks tot de dichter of tot de lezer.

    Volgens de informatie op de achterflap bestaat het verrassende vertrekpunt voor deze biografie uit de weinige foto’s en portretten die van Rimbaud bewaard bleven. Helaas zijn in dit werk slechts twee van deze foto’s opgenomen, uitgebreid beschreven en becommentarieerd.

    Carjat_Arthur_Rimbaud_1872

    Foto 1: ‘Hij kijkt naar zijn model. Hij ziet dat de stropdas scheef zit; hij ziet de kleur ervan, die wij niet kennen. Het vest is rood of zwart, dat zal onduidelijk blijven, de foto is in zwart-wit. Hij bedenkt dat die stropdas straks rechtgetrokken moet worden ? of toch maar niet, deze jongeman is een dichter, het is goed dat de stropdas van dichters scheef zit.’ blz. 79. De ‘hij’ in dit citaat is de Parijse fotograaf Etienne Carjat die onsterfelijk is geworden door dit beeld van Rimbaud voor de eeuwigheid vast te leggen in een ovaal portret. Een soort aureool. Die ‘mandorla’ die tegenwoordig in de wereld bekender is dan de doek van de heilige Veronica, die betekenisvoller en leger is, die zeer verheven icoon waarop de stropdas voor eeuwig scheef zit, de stropdas waarvan we nooit zullen weten welke kleur hij had.  (…) het portret dat even zwaar weegt als het hele dichtwerk bij elkaar, of bijna’, zo schrijft Michon op blz. 88. De foto werd gemaakt in 1871! De begintijd van de fotografie.

     

    Henri_Fantin-Latour_005

     Foto 2 op de voorkant is een deel van het schilderij Le Coin de table. Het fabuleuze groepsportret van Verlaine en Rimbaud met zes andere, inmiddels vergeten dichters. Wij zien hier alleen hoofd en haardos van Rimbaud. De andere ‘foto’s’ die als basis dienden zijn geschreven portretten van de voor Rimbaud belangrijke personen in zijn (literaire) leven en komen min of meer chronologisch voor in de zeven hoofdstukken van het boek.

    Zijn vader, Frédéric Rimbaud, is kapitein bij het Franse leger en vaak uithuizig. Zijn moeder, Vitalie Cuyf, een boerendochter, voedt de (vier) kinderen met ijzeren hand op. Frédéric Rimbaud verlaat haar in 1860. De 22-jarige Georges Izambard, leraar op het Collège van Charleville stimuleert de vijftienjarige Rimbaud om zich op poëzie toe te leggen en leert hem alles over de alexandrijn (roede genoemd in de vertaling van Rokus Hofstede). Dan volgt Théodore de Banville wiens gedichten niemand meer leest maar die rond 1870 als mentor van de Franse dichters optrad.

    Op 16-jarige leeftijd gaat Rimbaud naar Parijs, op uitnodiging van de door hem bewonderde dichter Paul Verlaine, die hij enkele gedichten toegestuurd heeft en die in hem een groot talent herkent. In werkelijkheid ontwikkelt zich een stormachtige homoseksuele relatie tussen Verlaine en Rimbaud. De eerste paardans wordt zeer beeldend beschreven op blz. 55. Michon geeft a.h.w. een ooggetuigenverslag van dat moment in de donkere kamer achter zonneblinden. ‘… , stuwden ze zich vast en terwijl ze aan die mast hingen, die niét de roede was, geschiedde het dat ze huiverden en een ogenblik weg waren van deze wereld, …’

    Het einde van de relatie met Verlaine en de publicatie van Une saison en enfer betekenen voor Rimbaud het afscheid van de literatuur/poëzie. Het boek eindigt hier ook. Rimbaud is dan weer terug bij zijn familie in Roche, in de Ardennen. Hij schrijft daarna nooit meer ook maar één vers.

    Michon beperkt zich uitsluitend tot het literaire leven van Rimbaud. Het genie Arthur Rimbaud.

    De vele omzwervingen na de breuk met Verlaine door Europa en Afrika blijven dus geheel onvermeld. Enkele jaren later, terug in Frankrijk vanwege zijn gezondheid, bezwijkt Rimbaud in een ziekenhuis in Marseille aan botkanker in zijn rechterbeen.

     

    Michon maakt duidelijk dat Rimbaud aanvankelijk de zoon is van al deze voor hem belangrijke personages. Hij is de leerling, maar hij maakt zich successievelijk ook weer los van hen. En hij wil zelf geen opvolger. Niemand mag in zijn voetsporen treden. Hij wordt zelf geen vader in de beide betekenissen van het woord. Hij geeft ‘zijn stekje’,  zoals Pierre Michon dat noemt, niet door. Op blz. 92 lezen we: ‘… dat hij misschien ophield met schrijven omdat hij niet de zoon van zijn werken kon worden, dat wil zeggen, er het vaderschap van kon aanvaarden. Hij vond het beneden zijn waardigheid de zoon van Le bateau ivre, van de Saison en van Enfance te zijn, zoals hij evenzeer had geweigerd de nakomeling te zijn van Izembard, Banville of Verlaine.’

     ‘Men zegt dat…’, is de steeds terugkerende beginformule die aangeeft dat Michon zich evenals alle anderen baseert op anekdotes, verhalen, vermoedens, interpretaties van feiten, enz.   Toch heeft hij een duidelijk merkbare, degelijke research verricht voor dit werk. Helaas worden zijn bronnen niet vermeld. De vertaler heeft enkele verhelderende aantekeningen bij de tekst gevoegd. Geen echte biografie dus, maar een persoonlijke, subjectieve interpretatie van Michon.   

    Ook gaat Michon er vanuit dat de lezers op de hoogte zijn van het werk en leven van Rimbaud. En dat is zeker een pré als je dat bent. Hij spreekt dan over ‘wij’. Al drijft hij een enkele keer wel de spot met historici ‘…want lezen, dat kan niemand ? behalve  misschien de mensen die denken dat het om cijferschrift gaat, en lezen die soms beter? Gewetenloze romaneske schurken zijn wij. Nee, we lezen niet, ik net zomin als alle anderen. …’  zegt hij op blz. 65, bescheiden met enige zelfspot.

     

    Voor mij was het herlezen van dit werk aanleiding om Rimbaud weer eens ‘uit de kast’ te halen. En het moet weer gezegd worden:  ‘Sommige werken zijn zo de moeite van het herlezen waard!’ 

     Le bateau ivre  en  Une saison en enfer  hadden nu een heel andere uitwerking op me dan destijds toen ik verplicht was vanwege mijn studie Franse Taal- en Letterkunde deze grondig te bestuderen als een soort ‘cijferschrift’….

     

     

    Auteur: Pierre Michon

    Oorspronkelijke titel: Rimbaud, le fils  (1991 Editions Gallimard)

    Verschenen bij: Uitgeverij G.A. van Oorschot (1998, 2e druk)
    Vertaling: Rokus Hofstede, Amsterdam

    Prijs: ingenaaid €12,-, gebonden € 18,-