• Trachten te zien wat niet wordt getoond

    Trachten te zien wat niet wordt getoond

    In mei van dit jaar kon je in stedelijke boekhandels tot forten opgestapelde exemplaren zien van Wisselwachter van Geert Mak. Daarin valt te lezen dat het onder druk van toenemend antisemitisme in de VS in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog voor Europese vluchtelingen steeds moeilijker werd dat land binnen te komen: ‘In 1939 was 83 procent van de Amerikanen tegen de verruiming van de immigratiequota voor Joodse vluchtelingen’. Het grotere verhaal over de geschiedenis van de transatlantische emigratie valt te lezen en te bekijken in Ellis Island van Georges Perec en Robert Bober dat ook in mei in heel wat bescheidener oplage in de winkels kwam liggen.

    De toegangspoort tot Amerika verloopt sinds 1924 via Amerikaanse consulaten in het buitenland, maar van 1892 tot 1924 fungeerde een kleine uitstulping van de aarde in de haven van New York als zodanig: Ellis Island. Daar speelden zich vaak mensonwaardige taferelen af.
    Van 1978 tot 1980 maakten Perec en Bober er een documentaire over in twee delen onder de titel Ellis Island. Histoires d’errance et d’espoir (Verhalen over ontheemding en hoop). Beide delen zijn te zien op YouTube. Het boek met dezelfde titel bestaat uit vijf delen. Dat zijn naast de teksten van Perec uit de film en de interviews beschrijvingen van het maakproces en foto’s.

    Joods

    De motieven van Bober en Perec om de geschiedenis van Ellis Island vast te leggen waren verschillend. Bobers Joodse familie had eeuwenlang vervolging en vernietigingskampen overleefd, onder andere door naar Amerika over te steken. Hij wilde die geschiedenis van zijn voorouders vastleggen. Voor Perec lag het anders. Hij was in Frankrijk geboren uit Poolse ouders; zijn vader stierf op het slagveld in 1940 en zijn moeder, haar zus en zijn beide grootvaders werden in 1943 in Auschwitz vermoord. Hij had niet het verleden van Bober en voelde zich nauwelijks Joods. Wat hem overhaalde om mee te werken was de mogelijkheid te achterhalen wat van zijn ouders geworden had kúnnen zijn als zij destijds niet vanuit Polen naar Frankrijk, maar naar de VS waren gevlucht. Bovendien hoopte hij er te vinden wat zijn Joodse afkomst voor hem betekende.

    Ellis Island was nadat de functie als immigratiebureau in 1924 was weggevallen een detentiecentrum geworden voor illegale immigranten en in WO II een gevangenis. In 1954 werd het geheel ontruimd. Nu is het een museum waar gidsen aan toeristen té luchtige verhalen vertellen. Zo troffen Bober en Perec het aan.
    Wat ervoer Perec er? Die vraag was voor hem vooral wat er schuil ging

    onder de gortdroge officiële statistieken
    onder het geruststellende gegons van anekdotes
    (…)
    onder de officiële opstelling van alledaagse voorwerpen die museale voorwerpen zijn geworden.

    ‘Hoe krijgen we vat op wat niet wordt getoond?’, schrijft Perec.
    Wat hij vooral voelt heeft te maken met ontheemding en diaspora die spreekt uit zijn bekende formulering dat Ellis Island voor hem is: ‘de plaats van afwezigheid van plaats, de niet-plaats, het nergens’.

    Gedaante van een alfabet

    In zijn tekst gebruikt Perec – karakteristiek voor hem – veel lijsten en opsommingen. Die werken in hun soberheid en poëtische opbouw sterk en beeldend: lijsten van aantallen immigranten met hun herkomst, van schepen waarmee ze aankwamen, van voorwerpen die zijn achtergebleven en restanten van bebouwing enzovoort. Bijzonder indrukwekkend is de bijna klinische beschrijving die Perec geeft van de selectieprocedure waar (een verwijzing naar de Joodse legende van de Golem) ‘het lot de gedaante van een alfabet’ aannam: de aangekomenen werden in veel te kleine hokken bij elkaar gestopt voor een medisch onderzoek dat resulteerde in wel of niet een letterstempel op de kleding: een c voor tuberculose, een e voor oogziekte, een k voor hernia enzovoort. Wie zo’n stempel kreeg werd apart genomen voor een diepgaander onderzoek. Had je werkelijk een van de ziektes of vormde je een risico dat je ten laste zou komen van de staat, dan werd je op de boot teruggezet. Dat overkwam bijvoorbeeld een betovergrootvader van Bober. Dat soort beslissingen leverden Ellis Island de bijnaam ‘Traneneiland’ op.

    Actueel

    Op Ellis Island passeerden niet alleen Joden die hun veiligheid zochten in Amerika. Rond 1900 waren het ook Grieken, Russen, Turken en Italianen, gedreven door uitbuiting, honger of epidemieën in eigen land. Voor veel van die immigranten was Amerika het land met nieuwe mogelijkheden. Daarom bevat de ondertitel van dit boek naast ‘ontheemding’ ook het woord ‘hoop’. Die werd lang niet altijd vervuld, zo blijkt uit de interviews in film en boek met migranten die tussen 1907 en 1928 de sprong waagden. Ze hadden het in Amerika soms nog slechter dan in het land dat ze verlaten hadden.

    Ellis Island functioneert sinds 1954 niet meer als selectiepoort voor nieuwkomers, maar wat daar gebeurde is niet voorbij. Perec zelf verwijst naar de Vietnamese Boat People – actueel toen Bober en hij hun documentaire maakten. In 1939 was de Amerikaanse houding niet anders zoals Mak vermeldt; de vergaande restricties onder Trump maken Ellis Island nog steeds actueel. En de blikken op de fotoportretten in de fraai uitgevoerde Nederlandse editie zijn die van Gazaanse vluchtelingen nu.

  • Ondraaglijke schoonheid

    Ondraaglijke schoonheid

    De Franstalige Zwitserse schrijver Charles Ferdinand Ramuz (1878-1947) schreef La Beauté sur la terre in 1927Schoonheid op aarde, in 2022 bewonderenswaardig mooi vertaald door Rokus Hofstede, is dus een inmiddels bijna honderdjarige roman. Ook de setting is minstens een eeuw oud: een rustieke dorpsgemeenschap aan het meer van Genève tegen de achtergrond van de prachtige, nog woeste natuur van de Zwitserse Alpen. In deze belegen context kan het niet anders dan dat ook de rollen binnen de gemeenschap vastliggen: vrouwen zijn of femme fatale of onderworpen grijze muis of feeks. Mannen zijn gewoon mannen; verder heb je vissers, boeren, dienstpersoneel, werklui, een kroegbaas, een burgermeester, een gebochelde muzikant, allemaal met eeuwenlang vastliggende taken en plichten. Dan komt helemaal uit Cuba een negentienjarige jonge vrouw in het dorp wonen. Zij is de nicht van cafébaas Milliquet, die met tegenzin heeft  ingestemd de dochter van zijn gestorven broer op te vangen.

    ‘Objet désirable’

    De mannen in het dorp vallen als een blok voor de exotische schoonheid Juliette. Ze willen haar allemaal op de één of andere manier bezitten – veroveren, beheersen, of op z’n minst bevoogden. De lezer ziet Juliette dan ook vrijwel enkel door hun ogen. Ze is immers maar een ‘objet désirable’, een ding dat hebzucht, lust opwekt. ‘Want weten wij wat we met schoonheid aan moeten onder de mensen?’ is een terugkerende vraag in het boek. ‘Hébben wil je, en anders maak je kapot.’, zegt bij wijze van antwoord het meest agressieve personage. Inderdaad lijkt het erop alsof de drang om te hebben, te domineren en te onderwerpen van schoonheid (en wellicht in ruime zin van alles dat waardevol lijkt) zich tegen de mens keert en hem tot eenzaamheid veroordeelt. Ook voor deze Esmeralda is er geen plaats tussen het gepeupel en het is wrang dat het juist een gebochelde is die het als enige, en in zekere zin onbaatzuchtig, voor haar opneemt. Daarom verdwijnt ze tenslotte met haar gebochelde Quasimodo. Schoonheid op aarde is vluchtig en als ze verdwijnt, blijft chaos over. 

    Poëtische bezieling

    Vermoedelijk zal het niet de intrige op zich zijn die de huidige lezer verleidt en boeit. Daarin schuilt niet de kracht van Ramuz’ roman. Heel erg bijzonder daarentegen zijn de beschrijvingen van de natuur, die een echo lijken te zijn voor de stemmingen en gevoelens van de personages. Je zou het een soort animisme kunnen noemen, een convergentie tussen de ziel van de mens en die van de blijkbaar eveneens bezielde dingen, zielen, die allemaal met elkaar communiceren, in elkaar overlopen en elkaar versterken. De storm die aan het einde van de roman losbarst en in zijn groeiende heftigheid van over elkaar buitelende golven de dramatische gebeurtenissen in het dorp weerspiegelt is hier een prachtig voorbeeld van. Daarnaast levert deze vervlechting ook mooie, poëtische beelden op:

    …het zonlicht…op de gloeiende weiden, was…net goudpoeder; boven de bossen warme as. Alles maakte zich mooi, alles maakte zich nog mooier, alsof er een wedijver heerste. Alle dingen die zich mooi, steeds mooier maken, het water, de bergen, de hemel, wat vloeibaar is, wat vast is, wat noch vast noch vloeibaar is, maar alles hangt met elkaar samen; er was zoiets als een verstandhouding, een aanhoudende uitwisseling tussen het ene ding en het andere, en tussen alles wat er is.’

    In zo’n wereld vol dwarsverbanden kunnen medailles hangen ‘zich op het behangpapier te vervelen in hun lijst’, bomen samenwerken ‘om met hun bladeren de hemel boven de wegen aan het oog te onttrekken’, bergen blinken ‘als omgedraaide kopjes van wit aardewerk’ of ‘kleine golfjes voortdurend speels afdalen en opklimmen, als kleine meisjes op een zandberg’ en ook kan geluid vallen ‘op de grond alsof iemand het met een schaar heeft doorgeknipt’.

    Het zijn kleine en prachtige juweeltjes van beeldend taalgebruik vol poëzie. Maar daarnaast kan deze verstrengeling van mens en natuur, deze wederzijdse afhankelijkheid van levende wezens en ogenschijnlijk levenloze dingen ook de moderne, van de natuur los geraakte mens aanspreken. In deze twee aspecten schuilt beslist de waarde van Ramuz’ roman.

    Modern 

    Bij deze bijzondere zienswijze van de wereld waarin alles met elkaar communiceert moet de schrijver ongetwijfeld een passende, vernieuwende manier van schrijven hebben gezocht. Ook zijn schrijfstijl moest grensoverschrijdend zijn en onverwachte verbindingen aangaan. In zijn tijd kreeg hij vanuit literair Frankrijk het verwijt de Franse taal in zekere zin te mishandelen door haar spreektalig, boers te laten klinken. Ook tegenwoordig is Ramuz’ stijl niet voor iedereen weggelegd. De lezer moet in ieder geval welwillend zijn en openstaan voor experimenten. 

    De auteur speelt met werkwoordstijden (tegenwoordige en verleden tijd volgen elkaar onverklaarbaar op), laat flarden zin letterlijk naast elkaar herhaald staan en gebruikt persoonlijke voornaamwoorden waarbij het duister blijft naar wie ze verwijzen: een ‘ik’ of ‘je’ en vooral de ‘we’ kan op heel verschillende personen slaan; soms zit de verteller er duidelijk bij, dan weer waarschijnlijk helemaal niet. Verwarrend is dit in elk geval. Maar wat voor de lezer de oriëntatie en het inschatten van afstanden en tijdsduur echt bemoeilijkt is het steeds en onverwacht verschuivende perspectief. Het personage door wiens ogen we als lezer naar een scène kijken kan vlakbij zitten, maar vaker nog op grote afstand en hoger gelegen plekken. Het overzicht is zo groter, maar ook fragmentarisch. 

    Montagetechniek

    Het is alsof de gebeurtenissen door een camera geregistreerd werden en vervolgens met behulp van een snelle montagetechniek achter elkaar zijn gezet. Ramuz hield van muziek en schilderkunst, misschien ook van film en fotografie. In ieder geval doet zijn stijl schilderachtig en filmisch aan, alsof hij kleurtoetsen op een doek plaatst of de kadrering van een foto bepaalt: ‘Opnieuw had een stoomboot, met zijn naam die je kon lezen (het was de Rhône), een ogenblik lang geen voor- en geen achtersteven tussen de deurposten, terwijl het uiteinde van de schoorsteen net tot de bovendorpel reikte.

    Vanaf de eerste bladzijden hangt er constant een subtiele dreiging boven het verhaal. Het zet aan tot doorlezen, maar heeft ook iets onbevredigends, omdat de lezer er geen vat op krijgt, gedesoriënteerd raakt. Maar is dat niet wat een boek tot literatuur maakt?

     

     

  • Het verschil in blikken

    Het verschil in blikken

    De jongeman van Annie Ernaux oogt ondervoed. Zijn rug is te smal voor een leesbare letter. De flappen zijn extra dik om hem toch body mee te geven. Binnen drie kwartier heb je De jongeman en het nawoord van vertaler Rokus Hofstede gelezen. Toch viel deze compacte liefdesgeschiedenis tussen een oudere vrouw en een jongen van vijfentwintig mij niet tegen. Ernaux raakt me gemakkelijk en dat komt door passages als de volgende: ‘Op een zondag in Fécamp wandelden we hand in hand op de pier vlak aan zee. Van begin tot eind werden we gevolgd door de ogen van de mensen die op de betonnen richel langs het strand zaten. A. wees me erop dat we onbetamelijker waren dan een homostel.’ De eerste keer dat R. en ik hand in hand liepen was op het Leidseplein. Toen we elkaar zoenden klonk afkeurend jongensgeschreeuw. Ik vrees dan ook, zonder daar nu een rangschikking van erger naar minder erg van te willen maken, dat een mannenstel hand in hand tóch onbetamelijker wordt gevonden.

    Soms lopen we nog steeds hand in hand, eerder buiten dan in Amsterdam, en dan zijn we allebei op het dierlijke af alert. Een klein kneepje: we laten elkaar los en worden twee gewone vrienden. In de drieëntwintig jaar samen hebben we nooit een woord besteed aan de geheime signalen die onze lichamen met elkaar hebben afgesproken. Ik herken de blikken van de mensen. Om er een paar te benoemen: je hebt de blik die alleen kijkt en de blik die als de ogen elkaar vinden verzacht en vriendelijk wordt. Je hebt de blik die wegkijkt. Je hebt de afkeurende blik. De blik die jou vies vindt. De vijandige blik. De gevaarlijke blik. Die laatste blik zal een oudere vrouw met een jongere man niet snel treffen, schat ik in. Ernaux en A. liepen geen gevaar in een gewelddadige situatie terecht te komen. Toch voelde en zag ze scherp wat haar relatie met A. betekende in de ogen van andere mensen: jullie relatie druist in ‘tegen de maatschappelijke normen’.  

    Zomaar een vraag: Wie van ons twee laat het vaakst als eerste los? Je hebt van die standaardreacties op gevaar: vechten, bevriezen, vluchten. En je opstellen als weerloos slachtoffer als vierde optie, als verder niets meer lukt. R. is van ons twee de meest wijze: hij laat als eerste los. In zelfverdedigingscursussen is vluchten de beste optie.   

    Vervolgens schiet Ernaux een afkeurende opmerking van haar moeder te binnen. ‘Toen ik als achttienjarig meisje tussen mijn ouders over diezelfde strandpromenade liep, met aller blikken op mij gevestigd vanwege mijn zeer nauwsluitende jurk’. De blikken van toen herleven in het heden: ‘Ik had het gevoel dat ik opnieuw dat aanstootgevende meisje was. Maar ditmaal zonder de geringste schaamte, met een gevoel van overwinning.’ Ernaux in de vechtmodus. Wat zou het fijner zijn geweest als haar moeder haar toen had gecomplimenteerd en had bevestigd in haar schoonheid. Dan was hand in hand lopen geen daad van verzet geweest, maar eerder een uiting van onbevangen gelukkig zijn. Iets waarvan twee mannen of twee vrouwen van dezelfde leeftijd of met een onderling leeftijdsverschil alleen maar kunnen dromen.

     

    De jongeman / Annie Ernaux / vertaling Rokus Hofstede / De Arbeiderspers


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

     

     

     

  • Oogst week 2 – 2023

    Schoonheid op aarde

    Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947) was een eigenzinnige schrijver. Hij was een Zwitser die in het Frans schreef, maar in Franse literaire kringen op weerstand stuitte omdat zijn gebruik van de taal dichter bij het boerenmilieu lag dan bij het geciviliseerde Frans. Hoewel hij legio werken op zijn naam heeft staan werden er maar twee ooit in het Nederlands vertaald, waaronder De grote angst in de bergen uit 1926 dat in 2018, vertaald door Rokus Hofstede, bij Van Oorschot uitkwam. Dezelfde uitgever en vertaler komen nu met Schoonheid op aarde uit 1927. In deze roman belandt een Cubaanse schone in een klein Zwitsers wijndorp. Het is Juliette, een negentienjarig weesmeisje dat wordt opgenomen in het gezin van een cafébaas die haar oom is. Nadat ze voor de nodige spanningen in de hoofden van de dorpelingen heeft gezorgd, vertrekt ze na een half jaar met een Italiaanse muzikant. De waardering die de roman oogstte betrof niet alleen zijn etalering van menselijke dilemma’s, maar vooral de moderne vertelstijl met alsmaar verschuivende perspectieven.

    Schoonheid op aarde
    Auteur: Charles Ferdinand Ramuz
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Bier in de snookerclub

    De Egyptische schrijver Waguih Ghali (1927?-1969) is, hoewel hij meer schreef, bekend door één enigszins autobiografische roman, Bier in de snookerclub. De vertaling die nu is uitgebracht door Jurgen Maas is een herziene editie van die uit 1990. De roman speelt in de postkoloniale tijd, direct nadat de Engelsen zijn verdwenen en koning Faroek is afgezet. Aan de macht is president Nasser die weinig heeft gerealiseerd van de beloften waarmee hij het politieke toneel betrad. Hoofdpersonen zijn de studenten Ram en Font, die al snookerend en drinkend de hypocrisie in hun land analyseren. Met de cocktails die ze zelf brouwen proberen ze hun verlangen naar het bier Bass uit de Engelse tijd te bevredigen. Beiden hebben ze gestudeerd en allebei zijn ze in Engeland geweest. In de snookerbar gaan hun gesprekken over wat Egypte is kwijtgeraakt en of het land daar beter van is geworden.

    Bier in de snookerclub
    Auteur: Waguih Ghali
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Heerlijk Monster

    De Vlaamse Fleur Pierets is onder andere performancekunstenaar en LGBTQ+ activist. Haar artistieke partner en vrouw, de Nederlandse Julian P. Boom, stierf op 22 januari 2018. Ze waren toen vier keer met elkaar getrouwd. Die huwelijken waren een project dat 22 landen omvatte waar het homohuwelijk is toegestaan. Over het rouwproces om de dood van haar vrouw schreef Pierets in 2019 Julian. Nu is er het nieuwste boek van Pierets, Heerlijk monster. Het is een persoonlijk boek, maar geen autobiografie, ook al is de hoofdpersoon een schrijfster die kort geleden haar vrouw heeft verloren. Een genre-aanduiding ontbreekt op het omslag. Pierets maakt in het boek online de reis die het personages Therese en Carol maken in het verfilmde Carol van Patricia Highsmith. De twee wilden zo ontdekken wat het betekende om een lesbische relatie te hebben in een wereld die daar soms vijandig tegenover staat. Op die manier gaat ze op zoek naar hoe je identiteit vorm krijgt als je deel bent van een minderheid.

    Heerlijk Monster
    Auteur: Fleur Pierets
    Uitgeverij: Das Mag
  • Annie Ernaux en de Nobelprijs voor de Literatuur 2022

     

    De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend. Het geluid dat donderdag na de bekendmaking klonk was er een van verbazing door degenen die haar werk niet kenden, van oprechte blijdschap onder degenen die Ernaux om haar stijl al jarenlang prezen.

    De Nobelprijs voor Literatuur wordt jaarlijks toegekend aan een auteur die – in de woorden van Alfred Nobel (1833-1896)- ‘het meest opmerkelijke werk met een idealistische trend’ heeft geschreven. Dat Annie Ernaux – geboren Annie Duchesne (1940) Yvetot, Normandië – met De jaren een zeer opmerkelijk boek – jawel, een meesterwerk – heeft geschreven, bestaat geen twijfel. Idealisme zit in het pogen de geleefde dagen en jaren in kaart te brengen, waarbij zelfinzicht het onderzoeksgegeven is. Onderzoeken hoe en waarom het was zoals het was, daar schrijft zij over.
    De Zweedse Academie bekroont de Franse schrijfster, ‘voor de moed en klinische scherpte waarmee ze de wortels, vervreemdingen en collectieve beperkingen van het persoonlijke geheugen blootlegt’.


    Een goudmijn

    ‘Echte gedachten’, schrijft Ernaux in De jaren, wanneer ze de periode beschrijft dat ze een kind, man en appartement heeft, ‘vallen haar in wanneer ze alleen is of uit wandelen gaat met het kind.’ Echte gedachten, vervolgt Ernaux, ‘zijn voor haar geen bespiegelingen over hoe mensen praten of zich kleden, over de hoogte van stoepranden voor een kinderwagen, over de protesten tegen het stuk Les Paravents van Jean Genet of tegen de oorlog in Vietnam, maar vragen over haarzelf, zijn en hebben, het bestaan.’ Echte gedachten, ‘hebben te maken met het ontrafelen van voorbijgaande, onmogelijk aan anderen mee te delen indrukken, met alles wat, als ze de tijd had om te schrijven – maar ze heeft niet eens tijd meer om te lezen – de stof van haar boek zou vormen.’ Wanneer je Ernaux leest kun je het gevoel krijgen op een goudmijn te zijn gestuit. Als je kijkt hoe ze schrijft, denk je aan ansichtkaarten, prentenbriefkaarten. 

    Overigens, toen op 6 oktober in het nieuws van 14.00 uur op de radio de naam klonk van de winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur, dacht ik even dat het de schrijfster was waarvan ik hoopte dat zij het zou worden, ook een Annie met dezelfde klank in haar achternaam. Annie Proulx, die van Zeeberichten, Accordeonmisdaden en Ansichten. De vreugde werd er niet minder om toen het Ernaux bleek te zijn. 


    Illegale abortus

    Annie Arnaux debuteerde op vierendertigjarige leeftijd met Les armoires vides bij Uitgeverij Gallimard. In 1990 verscheen het in vertaling van Marijke Jansen als Lege kasten bij De Arbeiderspers. Het gaat over een meisje dat vanuit de minder bedeelde sociale klasse in dat van de intellectuelen, de gegoede burgerij terechtkomt. De verscheurdheid die ze daarbij ervaart is schokkend. Ernaux schrijft daarin ook over een illegale abortus die zijzelf als begin twintiger in de jaren zestig onderging. In de novelle Het voorval (L’événement, 2000) is deze ervaring onderwerp van het boek geworden en verscheen in 2004 in een vertaling van Irene Beckers. Dit jaar verscheen er een derde, gewijzigde druk nadat in 2021 de verfilming van het boek, L’événement door Audrey Diwan in premiére ging en winnaar werd van de Gouden Leeuw tijdens het filmfestival in Venetie. 

    Dat De jaren pas in 2020 in Nederland verscheen, kwam door de afwachtende houding van de uitgever. Pas toen Les Années (2008) internationaal doorbrak, de Duitse vertaling uit 2017 in korte tijd zeven drukken kreeg en de Engelse vertaling in 2019 op de shortlist van Man Booker International Prize terechtkwam, gaf de Nederlandse uitgever groen licht. Op Vertaalverhaal schreef Rokus Hofstede, die drie boeken van Ernaux vertaalde, in 2021: ‘Geluk is als je van je uitgever te horen krijgt: Oké, we doen het!’, nadat je geruime tijd ‘Nee, we doen het niet…’ te horen hebt gekregen. Je kon vurig betogen dat Les Années in Frankrijk de status van een hedendaagse klassieker had, je kon aanvoeren dat het Annie Ernaux’ magnum opus was, een samenvatting van haar hele oeuvre, geschreven met het rijpe meesterschap van een auteur die twintig titels achter zich had liggen – dat soort argumenten legden toch niet zoveel gewicht in de schaal als de matige verkoopcijfers van haar laatste boek, Mémoire de fille (2016), [vertaald als Meisjesherinneringen, door Rokus Hofstede in 2017]. Pas toen het oorspronkelijk in 2008 verschenen Les Années internationaal doorbrak – de Duitse vertaling uit 2017 kreeg in korte tijd zeven drukken, de Engelse vertaling belandde in 2019 op de shortlist van de Man Booker International Prize – ging de Nederlandse uitgever overstag.’ Inmiddels verschenen van de De jaren in Nederland twintig herdrukken.


    Geen jubelende stijl

    Ernaux’ boeken kenmerken zich door de neutrale toon, een taal zonder versierselen. In interviews liet Ernaux meermaals weten: ‘De betovering van metaforen, het jubelen van de stijl zal voor mij nooit weggelegd zijn.’ Wat je leest is wat je krijgt, en alles wat daarachter voor belangrijks zit, komt vanzelf naar voren. Schaamte is ook zo’n ding, het kan je ten onder doen gaan als je er niets mee doet, je als een ster doen rijzen als je vandaaruit schrijft. Schrijver Didier Éribon, die zich ook uit zijn sociale klasse ontworsteld heeft, is schatplichtig aan Ernaux. Daarop volgend is Édouard Louis schatplichtig aan Éribon, waarmee indirect ook aan Annie Ernaux. 

    In La Place, het boek over haar vader wilde ze schrijven hoe hij ‘echt was’. Over zijn eerste kind, het zusje dat drie jaar voor Ernaux geboren werd, schrijft ze in La place, in 1985 vertaald als De plek door Edo Borger: ‘Ze kregen een dochtertje, hij ging een nachtdienst erbij draaien op de lokale olieraffinaderij. Op een dag kwam het dochtertje ziek terug van school – een zere keel, koorts. Hij was op die raffinaderij toen hij het bericht kreeg dat zijn kind was gestorven. Toen hij zich naar huis spoedde, konden ze hem van het einde van de straat horen aankomen, zo hard huilde hij.’


    Wachten op het sterven

    In De jaren schrijft ze over die tijd: ‘In alle families waren er kinderen gestorven. Aan plotse, ongeneeslijke kwalen, diarree, krampen, difterie. Het spoor van hun korte verblijf op aarde was een graf in de vorm van een wiegje met ijzeren spijlen en het opschrift “een engel in de hemel”, foto’s die werden getoond waarbij heimelijk een traan werd weggepinkt, gesprekken die zachtjes, haast sereen werden gevoerd, tot schrik van de kinderen, die meenden dat zij nog aan de beurt zouden komen.’ 

    Ernaux  schreef zo’n twintig boeken, allen autobiografisch van aard. Al deze boeken tezamen geven een integraal portret van een vrouwenleven in het Frankrijk van na de Tweede Wereldoorlog. De Zweedse Academie schreef dat Ernaux in ‘de bevrijdende kracht’ van het schrijven gelooft. ‘Haar werk is compromisloos en geschreven in duidelijke taal.’
    Elf van haar boeken zijn door zeven verschillende vertalers vertaald en in Nederland verschenen bij De Arbeiderspers. Op stapel staat de verschijning van Een jongeman, vertaald door Rokus Hofstede, dat gaat over Ernaux’ verhouding met een dertig jaar jongere man.


    Annie Ernaux is de zeventiende vrouwelijke auteur die de Nobelprijs voor de Literatuur ten deel valt. De eerste Nobelprijs voor de Literatuur werd in 1901 uitgereikt aan de Franse dichter Sully Prudhomme (1839-1907). Andere gelauwerden waren onder meer Selma Lagerlöf  in 1909, Pearl S. Buck (1938), Herta Müller (2009), Isaac Bashevis Singer (1978), Toni Morrison (1993), Patrick Modiano (2014) en Olga Tokarczuk (2018).

     

     

  • Oogst week 15 – 2022

    Te waar om mooi te zijn

    Wat een prachtige combinatie van titel en omslag: Te waar om mooi  te zijn tegen de achtergrond van één van de bekendste werken van Teun Hocks die de meest bizarre scènes ontwierp voor zijn kunst.  In het boek heeft Frank Westerman veertien verhalen gebundeld die ontstonden naar aanleiding van reizen van hem naar Venetië, naar Auschwitz, naar Spitsbergen enzovoort. Het zijn verhalen over de kunst, de mens en de natuur. In zijn Proloog schrijft hij: ‘Toen ik zelf elf was wilde ik landmeter worden. Ik voelde me aangetrokken tot de landmeters bij ons in de straat – mannen in oranje hesjes met reflecterende strepen. Turend door hun kijkers liepen ze alle dingen in de omgeving na; gewoon voor de zekerheid, of alles inderdaad zo was als het leek.
    Van dit nalopen van de werkelijkheid heb ik mijn beroep gemaakt. Wat is Wahrheit, wat is Dichtung? Ik laat me niet graag bedonderen, maar wel betoveren – met als gevolg dat ik al mijn leven lang achter feiten aanhol. Die feiten spreken nooit voor zich. Al rooster je ze boven een vuurtje, ze houden hun mond. Jij bent het die de feiten een stem geeft, leven inblaast. We zijn feitenfluisteraars die de dingen woorden en betekenissen toedichten’. Westerman stemt graag in met wat Antoine de Saint-Exupéry in De kleine prins schrijft: ‘Een kind kijkt niet alleen met zijn ogen. Het weet dat de belangrijkste dingen onzichtbaar zijn.’

    Te waar om mooi te zijn
    Auteur: Frank Westerman
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    De schaamte

    Sinds Nederland in 2020 enthousiast kennismaakte met De jaren van Annie Ernaux verschijnen in hoog tempo herdrukken van vertalingen van haar werk zoals Meisjesherinneringen (eerder in 2017) en Het voorval (eerder in 2004). Nu is er ook een herdruk van De schaamte dat in 1998 al eerder verscheen, ook toen in de vertaling van Rokus Hofstede. Al haar boeken zijn autobiografieën van een bijzonder soort. Zeer persoonlijke en schokkende verhalen afgezet tegen de tijdgeest waarin ze leefde. De schaamte begint op 15 juni 1952 toen de twaalfjarige Annie er ’s middags getuige van was dat haar vader haar moeder met een mes wilde vermoorden. Sindsdien was er voor haar een leven daarvóór en een leven daarná: ‘Ik schaamde me voor mijn ouders, voor de gescheiden vrouwen om mij heen, voor de dronken klanten in ons café, voor hun platte taalgebruik, voor al die verstarde gebruiken die hoorden bij mijn sociale klasse; meisjes kregen hun eerste permanentje na de communie, jongens droegen voor het eerst een lange broek op de eerste schooldag, trouwen moest je op die en die leeftijd, alles was vastgesteld. In De schaamte wilde ik onderzoeken wat er in mij nog over was van dat meisje van twaalf. De enige manier waarop ik dat kon doen was door als het ware etnoloog van mijzelf te worden. Ik zocht naar wetten, waarden, rituelen en de taal van mijn milieu, mijn school en mijn familie en ik zette de beelden uit mijn herinnering om in woorden, zodat ze een soort documenten werden. Maar niemand kan zich zichzelf echt herinneren. Het meisje van toen lijkt in niets meer op de vrouw die ik nu ben. Ik zou haar niet herkennen als ik haar tegenkwam’.

    De schaamte
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Station Tokio Ueno

    De Japanse Yu Miri (1968) is kind van Koreaanse ouders maar schrijft in het Japans en woont met haar zoontje in het Fukushima van na de ramp in 2011. Ze heeft er een boekwinkeltje en een theater. En ze schrijft zo nietsontziend dat haar eerste roman in 1994 in Japan verboden werd.
    Hoofdpersoon en verteller in haar eerste in het Nederlands vertaalde boek Station Tokio Ueno is  Kazu, een bouwvakker uit Fukushima die gesloopt wordt door zijn werk, zijn gezin zelden ziet en tenslotte leeft in het daklozenkamp Tokio Ueno, vlakbij het station. Het toppunt van vernedering is dat het tentenkamp met zijn bewoners tijdelijk ontruimd wordt als de keizer langs komt voor een museumbezoek. Die tragiek wordt nog eens benadrukt doordat Kazu op dezelfde dag jarig is als keizer Akihito en zijn zoon op dezelfde dag als diens zoon en huidige Japanse keizer Naruhito.
    Kazu werkt bij de aanleg van de voorzieningen voor de Olympische Spelen die de aandacht van de wereld moeten trekken, maar mensen als hij vinden geen plek in die gelikte wereld. Pas langzaam wordt de lezer duidelijk vanuit welk perspectief Kazu zijn verhaal doet.

    Station Tokio Ueno
    Auteur: Yu Miri
    Uitgeverij: De Geus
  • Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2021 voor Rokus Hofstede

    De Martinus Nijhoff Vertaalprijs werd vorige  week 14 december toegekend aan Rokus Hofstede voor zijn vertalingen uit het Frans. Naast non-fictie boeken van Roland Barthes, Pierre Bourdieu en Bruno Latour, vertaalde hij werk van onder anderen Emil Cioran, Georges Perec, en George Simenon,. De jury noemt zijn oeuvre ‘een indrukwekkende prestatie van zeer hoge klasse’.

    Rokus Hofstede (Hengelo, 1959) studeerde sociale geografie, culturele antropologie en begon zich vanaf 1990 toe te leggen op het vertalen van Franse literatuur. Hij vertaalde om en nabij de vijftig titels, waaronder Roemloze levens van Pierre Michon, het onlangs verschenen De jaren van Annie Ernaux en De grote angst in de bergen van Charles- Ferdinand Ramuz.

     

     

    De jury beoordeelde Hofstedes vertalingen als van een ‘onveranderd hoog niveau’, en sprak van ‘vertalingen [die] niet alleen zeer precies en degelijk, maar ook doorspekt met inventieve en vaak geestige oplossingen [zijn]. Door zijn lezingen, inleidingen en commentaren is hij een ‘belangrijk pleitbezorger van de Franse literatuur in Nederland en Vlaanderen’, aldus de jury.

    De  Martinus Nijhoff Vertaalprijs is een jaarlijkse prijs die een vertaler bekroond die vertaalt in het Nederlands. Maar eens in de vijf jaar krijgt daarnaast ook een vertaler  de prijs toegekend die vanuit het Nederlands vertaald. Vorig jaar was zo’n lustrum jaar en ging de prijs naar Irina Michajlova en Jacques Westerhoven. De  Martinus Nijhoffprijs is een van de grootste vertaalprijzen van Europa, de winnaar ontvangt een bedrag van 35.000 euro.

    De jury bestaat uit Maarten Asscher (voorzitter), Henri Bloemen, Eric Metz, Hilde Pach, Marjolein van Tooren en Marjoleine de Vos.

    De uitreiking van de prijs vindt in de eerste helft van het komend jaar plaats. Meer informatie daarover volgt nog.

     

     

  • Op zoek naar de verloren tijd

    Op zoek naar de verloren tijd

    De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) groeide op in Normandië als dochter van kleine middenstanders, studeerde romanistiek en was werkzaam als docent. In 1974 publiceerde ze haar eerste boek. Haar werk is sterk autobiografisch en De jaren wordt als haar magnum opus beschouwd. Les années, verscheen in 2008 en werd onlangs op weergaloze wijze in het Nederlands vertaald door Rokus Hofstede. Ernaux schrijft in een opvallende stijl die een mix is van geschiedenis, autobiografie en sociologie. Ze maakt geen gebruik van het persoonlijk voornaamwoord enkelvoud, maar schrijft in de ‘wij’, ‘zij’, ‘men’ en ‘jij’ vorm. Daarmee bereikt ze een universaliteit van wat je een collectieve autobiografie van onze tijd zou kunnen noemen en bij veel lezers voor herkenning zal zorgen. Les années werd dan ook bekroond met een tiental literaire prijzen en de Engelse vertaling van het boek stond op de shortlist van de Man Booker International Prize.

    ‘Alle beelden zullen verdwijnen.’ Het is de openingszin van De jaren, maar Ernaux maakt desalniettemin juist gretig gebruik van beelden; door ze in woorden te vatten kan ze ze voor verdwijning behoeden. Via minutieuze beschrijvingen van foto’s en bewegende beelden zien we Ernaux veranderen van een ‘dikke baby met een pruilmond, donker haar dat boven op het hoofd in een krul is gelegd, […] halfnaakt op een kussen in het midden van een gebeeldhouwde tafel’ in een meisje, een studente, een jonge vrouw, een moeder, een werkende vrouw, een gescheiden vrouw en een ‘vrouw van zekere leeftijd met roodblond haar, gekleed in een zwarte, laag uitgesneden trui, haast achteroverliggend in een grote, veelkleurige leunstoel, met haar twee armen om een klein meisje in jeans en bleekgroene gebreide sweater met ritskraag.’ 

    Een werk van jaren

    Het boek beschrijft de periode van 1941 tot 2006 en tussen beschrijvingen van persoonlijke beelden verschijnen niet alleen de contouren van Frankrijk en van de westerse wereld, maar ook en vooral die van de tijdgeest, die Ernaux zeer nauwgezet en tegelijkertijd met een zekere afstand treffend in woorden weet te vatten. Al vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw maakte zij plannen voor dit boek en verzamelde ze aantekeningen ervoor. Alhoewel ze lang heeft gezocht naar een passende vorm is ze er geweldig in geslaagd om ‘iets [te] redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’

    De beelden die Ernaux beschrijft zijn zeer divers. Ze gaan onder meer over kindersterfte en armoede, maar ook over de verbijstering aangaande ‘de tijd die je kon besparen met gedroogde soep uit een pakje, de snelkookpan en mayonaise uit een tube’. Herinneringen aan de onafhankelijkheidsoorlog met Algerije worden afgewisseld met herinneringen aan boeken, liedjes en reclame. De rol van het rooms-katholieke geloof, dat in de jaren vijftig nog het officiële kader van het leven was en dat structuur gaf aan de tijd, verschuift onder invloed van onder andere de consumptiemaatschappij naar een gemarginaliseerde plek in de samenleving. Ernaux maakt qua historische en politieke situatie uiteraard vaak gebruik van een Franse context, maar er zijn meer dan genoeg andere aanknopingspunten (zoals de Nederlandse Watersnoodramp en de val van de Berlijnse muur) voor de lezer om zich te oriënteren. Er is veel aandacht voor de veranderende positie van de vrouw.

    Het boek komt in een stroomversnelling terecht wanneer de jaren zestig beschreven worden. ‘Door het steeds snellere opkomen van nieuwe dingen verloor het verleden terrein.’ Het jaar 1968 met de studentenopstand en de algemene stakingen neemt in het boek een centrale plaats in. Ernaux constateert dat ‘niets van wat we tot nu toe als normaal hadden beschouwd nog vanzelf sprak. […] We vervielen voortdurend van de ene wezensvraag in de andere. Anders denken, praten, schrijven, werken, leven: we vonden dat we alles moesten uitproberen en niets te verliezen hadden. 1968 was het eerste jaar van de wereld.’

    Herinneringen redden

    Naarmate het boek vordert en naarmate de schrijfster dus ook ouder wordt, worden de observaties steeds beschouwelijker van aard. 1968 vormt een soort kantelpunt: ‘De idealen van ’68 werden omgezet in spullen en entertainment.’ Ernaux waagt zich meer en meer aan interpretaties in plaats van aan feitelijke beschrijvingen en constateert een toenemende onverschilligheid. Rechts rukt op, idealen verdwijnen en ‘de springerige, vlugge muisklik op het scherm was de maat van de tijd. […] De zoektocht naar de verloren tijd liep via het web.’ Deze verwijzing naar de zevendelige romancyclus van Proust (À la recherche du temps perdu) doet De jaren zeker recht. Ernaux slaagt er op magnifieke wijze in om de verloren tijd terug te halen en in prachtig proza te vatten. Ze wil ze redden, al die ongrijpbare herinneringen. Helemaal aan het einde van het boek blijkt dat ze al heel lang met dat plan heeft rondgelopen, overigens zonder enige pretentie: ‘Toen ze vroeger in haar studentenkamer verlangde naar het schrijven, hoopte ze een onbekende taal te vinden waarmee ze mysterieuze dingen kon onthullen, als een waarzegster.’ Ze beschrijft hoe die droom om te schrijven verandert in een ‘strijdmiddel’, waarmee ze vat wil krijgen op alle aspecten van het verleden.

    De jaren is het glorieuze resultaat van jaren werk. Het is een autobiografie zonder foto’s, zonder “ik”, maar met een zeggingskracht die ontzag inboezemt. Het lezen van dit boek is vergelijkbaar met bladeren door een archief, of door oude fotoalbums. De beelden die als zodanig wellicht verdwenen zijn maar in dit boek via woorden tot de lezer komen zijn zo rijk dat hele werelden op impressionistische wijze tot leven worden geroepen. Het is een literaire prestatie van formaat waarvoor Ernaux een staande ovatie verdient.

     

     

  • Wrijving

    Wrijving

    Stel je een schaatser voor op een spiegelgladde ijsbaan. Het ijs is zo glad, dat er geen enkele wrijving is. Wat er dan gebeurt met die schaatser, is helemaal niets. Die komt nooit in beweging. Dit is, vertelde mijn natuurkundeleraar ooit, alleen theoretisch mogelijk. In de echte wereld is er altijd wel ergens wrijving.

    Dat alleen wrijving beweging geeft, bewijst ook het boek De jaren van Annie Ernaux, in 2008 verschenen en geweldig vertaald door Rokus Hofstede. Het boek is een chronologische verzameling van observaties, persoonlijke herinneringen, politieke en maatschappelijke gebeurtenissen. Dit wordt verteld vanuit het perspectief van een vrouw in Frankrijk, over een periode van 1941 tot 2006. Het schijnbaar onbenullige en particuliere wisselt ze moeiteloos af met de wereldgeschiedenis zoals we die allemaal in grote lijnen kennen. Zoals herinneringen zich voordoen als een beeld of  ultrakort filmfragment, soms met terugwerkende kracht aan betekenis winnen of verliezen, hoe ze in of uit hun context geplaatst kunnen worden, dat ze bij ons blijven of juist verdwijnen en dat die hele warrige optelling ons maakt tot wie we zijn, zo schrijft Ernaux het op.

    Niets nieuws, zou je denken. De recente geschiedenis, die kennen we. We waren erbij, of, als we jonger waren dan leerden we erover tijdens geschiedenislessen. Maar Ernaux’ kracht schuilt in het onvermoeibaar stapelen van herinneringen waardoor de fragmenten met elkaar in gesprek gaan. Er ontstaat wrijving. Het stuwt het lezen voort. En passant wordt er iets ongrijpbaars, maar diep menselijks blootgelegd. Want ik lees en denk: dit had ook over mij kunnen gaan, zonder dat details direct overeenkomen. Dit is hoe een leven is, hoe we onszelf uit herinneringen samenstellen.

    Ik fiets naar het ziekenhuis, voor een onderzoek dat ik een jaar geleden ook had. Sinds dat jaar lijkt het soms alsof ik los ben komen te liggen van mijn eigen geschiedenis, een onprettig gevoel. Ernaux eindigt: ‘Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’ Het fletse heden zadelt je soms op met observaties die geen wrijving opleveren. Niets komt in beweging. Misschien laat zoiets abstracts als tijdgeest zich enkel vangen door het contrast met een andere. Een klein steentje in het ijs, meer is niet nodig. Daarbij helpt leeftijd vast ook, meer ervaringen om uit te putten. Ik kreeg spontaan zin om, net als Ernaux tijdens het schrijven, alvast eind zestig te zijn.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Oogst week 45 – 2020

    De jaren

    De Franse schrijfster Annie Ernaux is afkomstig uit een eenvoudig milieu van kleine middenstanders waar arbeiders met hun verhalen de voornaamste klanten waren. Ernaux leerde en studeerde, werd docente en schrijfster waardoor ze een stuk hoger op de sociale ladder terechtkwam. Haar boeken hebben alle een autobiografisch karakter, al streeft Ernaux naar een objectieve wijze van vertellen. In De jaren (2008) beschrijft ze ruim een halve eeuw – de periode 1941-2006 – aan maatschappelijke gebeurtenissen en ervaringen. Ze doet dat chronologisch en becommentarieerd aan de hand van voorwerpen, foto’s, haar dagboeken, kranten en tijdschriften, nieuwsfeiten en haar geheugen.

    Ernaux probeert het verleden te vangen, bespreekt politieke aangelegenheden, culturele gewoonten, gedrag van mensen, taalgebruik, liedjes, radio en tv, reclames, modeverschijnselen, de vooruitgang, en vermengt het persoonlijke met het algemene. Het is een mix van autobiografie, sociologie en geschiedenis geworden, een vorm die door haar is uitgevonden. In het leven van één vrouw wordt een stukje Franse historie weerspiegeld. Het boek, dat haar magnum opus wordt genoemd, won tientallen literaire prijzen.

     

    De jaren
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het licht is hier veel feller

    Een eens gevierde bestsellerschrijver is over alles de controle kwijt. Zijn vrouw is opgestapt, zijn kinderen ziet hij nauwelijks en zijn inspiratie is verdwenen, er komt geen boek meer uit zijn handen. Het enige wat Maximilian Wenger nog kan opbrengen is op de bank hangen in een appartement waar hij de verhuisdozen nog moet uitpakken, en bedenken hoe hij zichzelf te gronde richt. Maar dan ontdekt hij bij zijn post een brief die is geadresseerd aan de vorige bewoner: ‘Wenger heeft de leeftijd waarop een brief nog betekenis heeft, omdat het een echt geschrift is, met het weefsel van iemands woorden, dat dagen in plaats van seconden nodig heeft om aan te komen.’

    Hij opent en leest de brief, net als de volgende brieven die van dezelfde afzender komen, en raakt in de ban van de hartstochtelijk schrijvende vrouw. Wat hij niet weet is dat zijn dochter Zoey de brieven ook inziet. ‘Tot aan mijn tanden is mijn mond met woede gevuld.’ leest de zeventienjarige. De woorden van de onbekende helpen haar bij het nemen van een vergaand besluit wanneer ze geen hulp krijgt als ze in een MeToo-achtige situatie terechtkomt. Ook voor Wenger heeft het lezen van de brieven ingrijpende gevolgen.

    Het licht is hier veel feller
    Auteur: Mareike Fallwickl
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Waar woont de haat?

    Hongarije kent een lange literaire geschiedenis. Al eeuwenlang zien veelgeprezen gedichten en prozastukken van Hongaarse schrijvers het licht. Vandaag de dag denken we bij Hongarije al gauw aan kleingeestig nationalisme, verval van de democratie en de rechtstaat, vreemdelingenhaat en een neergaande lijn in de persvrijheid. In de beste literaire traditie laten 21 van hedendaagse Hongaarse schrijvers in de bundel Waar woont de haat? een ander geluid horen. Via verhalen en essays nemen ze hun land onder de loep, bekritiseren de intolerantie, het cultiveren van haat en de sociale ongelijkheid en pleiten ze voor mededogen en ruimdenkendheid.

    Ze onderzoeken de Hongaarse identiteit, nemen historische gebeurtenissen als de slachting onder Hongaars joden en Roma in 1944 door en behandelen de hedendaagse omgang met minderheden. Het boek houdt de Hongaren een spiegel voor waarin ook Nederlanders zich zouden kunnen herkennen.

    Waar woont de haat?
    Auteur: Samenstelling: Mari Alföldy & Viacheslav Sereda
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Fotosynthese 15 – Op zoek naar een verborgen verleden

    Fotosynthese 15 – Op zoek naar een verborgen verleden

    Eén van de beelden uit mijn jeugd dat me is bijgebleven is het verschraalde hout van de knielbanken in onze kerk toen ik na een afwezigheid van enkele maanden in mijn geboortedorp terugkeerde. Ik verliet het dorp  voor het eerst op mijn twaalfde, een klein, in zichzelf gekeerd plaatsje in een katholiek landschap. De terugkeer in de herfstvakantie van mijn kostschool voelde vervreemdend. Alles was kleiner dan ik me herinnerde, de boerenerven, de school, de straten, de afstanden. In de kerk zag ik ineens dat het hout van de knielbanken verschraald was. Wat ik mij als glanzend gelakt herinnerde, was verdroogd en verweerd. Dat beeld van die kerkbanken komt terug als ik leegstaande oude huizen zie, het rottende hout, de scheef hangende deuren, een verweerde geschiedenis. Het overkomt me ook bij foto’s. 

    Toen er eind 2019 vier heruitgaven verschenen van het werk van W.G. Sebald met nieuwe omslagillustraties, pakte ik mijn exemplaar van Austerlitz uit de kast waarop de op mij dierbare stofomslag de kleine ‘Jacquot’ te zien is, gekleed voor een gemaskerd bal. Het boek viel open op pagina 215 en de daarop volgende pagina’s, waarop foto’s staan van dichtgetimmerde gevels en verrotte deuren. Als verwijzingen naar wat Jacques Austerlitz aantrof in zijn geboortedorp toen hij er na tientallen jaren terugkeerde, op zoek naar sporen van zijn kindertijd en zijn moeder.
    Eén van die foto’s deed me denken aan hoe Georges Perec zijn vroegste jeugd en zijn moeder zocht in de rue Vilin in Parijs. En plotseling drongen zich allerlei parallellen aan mij op tussen de verhalen van Perec en Austerlitz. 

    Joodse wortels

    Austerlitz kwam op zijn vierde jaar met een kindertransport vanuit Praag naar Engeland en werd opgevoed in een (streng) domineesgezin in Wales. Pas veel later in zijn leven, als hij zich afvraagt waar zijn achternaam vandaan komt, ontdekt hij dat zijn Joodse wortels in Praag liggen. In die stad op zoek naar het verleden van zijn vader en moeder en komt onder andere in het vestingstadje Terezín (Theresiënstadt). Hij beschrijft op indrukwekkende wijze de sfeer van het stadje: ‘het afwijzende karakter van de zwijgende gevels, waar achter de blinde ramen nergens een gordijn bewoog (…) Maar het luguberst vond ik de deuren en poorten van Terezín, die naar mijn gevoel allemaal de toegang versperden tot een duisternis waarin nog nooit iemand was doorgedrongen en waarin (…) niets anders meer bewoog dan de van de muren afbladderende kalk en en de spinnen die hun draden weefden’ (vertaling Ria van Hengel). Dat is een taal die de onbeschrijfelijke diepte van gemis onder woorden weet te brengen. Sebald doet dat niet alleen in woorden. Hij illustreert zijn boeken vaak met zelfgemaakte foto’s om zo dicht mogelijk bij de echtheid van wat hij beschrijft te komen. Daarmee benadrukkend dat we het verhaal achter de zwijgende gevels nooit ten diepste zullen kennen. 

    Jacques Austerlitz is een fictief personage, maar zijn verhaal is dat tot op zekere hoogte niet. Geïnspireerd door een documentaire uit 1991 over de Joodse Susi Bechhöfer, schreef Sebald Austerlitz. Susi en haar tweelingzus Lotte kwamen, drie jaar oud, in 1939 met een kindertransport vanuit München naar Cardiff, Engeland en werden opgenomen in een streng domineesgezin. Treffend detail is dat de zusjes en Sebald op dezelfde dag, 18 mei, jarig waren. Lotte overleed op haar tiende. Susi had een gruwelijke jeugd en mede daardoor ging ze pas laat op zoek naar haar afkomst. In 1996 verscheen van haar Rosa’s Child: The True Story of One Woman’s Quest for a Lost Mother and a Vanished Past. (Dat Sebald haar verhaal gebruikte zette overigens kwaad bloed bij Susi Bechhöfer).

    Huis aan de rue Vilin

    Georges Perec had geen fictie nodig om een dergelijke zoektocht te beschrijven, bij hem ging het om vaag bekende gegevens. Hij wist waar hij geboren was, en wie zijn (Pools-Joodse) ouders waren en toch was hij zijn afkomst kwijt. De in 1936 geboren Georges werd al vroeg wees. Zijn vader kwam om door een granaat in 1940. Toen de razzia’s tegen vooral buitenlandse  Joden in Parijs begonnen, werd Georges eind 1942 ondergebracht bij een oom en tante in Villard-de-Lans en kort daarna in een kindertehuis aldaar. Zijn moeder, een kapster, bleef achter in Parijs. Hij zou haar nooit meer zien. Op 2 februari 1943 werd ze op transport gezet naar waarschijnlijk Auschwitz. Georges was toen zeseneenhalf jaar. Die eerste zes jaar van zijn leven bracht hij grotendeels door in een huis aan de rue Vilin. In 1969 zou hij schrijven dat hij daaraan geen enkele herinnering heeft, ‘noch aan de plek, noch aan de gezichten’. 

    Het bracht hem ertoe in datzelfde jaar die straat op te zoeken om deze heel precies te beschrijven. Die exercitie herhaalde hij tot 1975 nog enkele keren. Het verslag daarvan (opgenomen in Ik ben geboren) laat in al zijn kaalheid zien hoe het verleden, dat hij niet kende, zich steeds verder verwijderde, de notities worden steeds korter.

    Weergave van de tragiek

    In 1969 schrijft hij (vertaling Rokus Hofstede), ‘Op nr 24 (het huis waar ik eens woonde), Eerst een gebouw met één verdieping en op de begane grond een deur (niet meer in gebruik), helemaal rondom nog verfsporen en erboven, nog niet helemaal uitgewist, is het opschrift ‘DAMESKAPSALON’ nog te lezen. 

    In 1970: ‘Op nr. 24 zit er op het binnenplaatsje een kat op een kolenbunker. Het opschrift DAMESKAPSALON is nog leesbaar.
    In 1971 : ‘Op nr. 24: dameskapsalon (niet de winkel, alleen het spoor van de op de muur geschilderde winkelnaam)’.
    In 1972: ’24 nog steeds intact’.
    In 1974: ‘Nrs 18 en 22 zijn hotel-cafés die nog overeind staan, net als nrs. 20 en 24’.
    In 1975 noteert Perec na zijn bezoek opnieuw maar één regel. Over nr 24 niets. Een weergave van de tragiek dat ook Perec in een poging dichterbij zijn kindertijd te komen, in de woorden van Sebald, ‘het afwijzende karakter van de zwijgende gevels’ ervaart.

    Ik heb mijn ouders – anders dan Jacques Austerlitz, Susi Bechhöfer en Georges Perec, tot aan hun dood gezien. Ik ken mijn afkomst. Ik mag mijn jeugd totaal niet vergelijken met de hunne. Toch is de verschraalde kerkbank een sleutel om de schrijnende verschijning van hun deuren en gevels beter te begrijpen als ‘versperde toegangen tot een duisternis’. 

     

    Afbeelding: Perec voor Rue Vilin 24 (Filmstill uit ‘Rencontres avec Georges Perec’| Archive INA)


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • De natuur in verweer

    De natuur in verweer

    Eens in de zoveel jaar duikt er een literaire parel op in het Nederlands die tot dan toe raadselachtig onder de radar bleef. Bekende voorbeelden zijn Gloed (van Sándor Márai) en Stoner (John Williams), waarvan prompt tientallen herdrukken verschenen. Het zou mooi en terecht zijn als het ook zover komt met De grote angst in de bergen, een boek uit 1926 dat dit voorjaar voor het eerst in vertaling verscheen bij Van Oorschot. Weinigen slaagden er zo goed in om de Alpenwereld levensecht op papier te krijgen als hier de Zwitserse schrijver Charles-Ferdinand Ramuz.

    Exploitatie van de alm
    De handeling begint in een klein bergdorpje, waarvan de bewoners beraadslagen over wat te doen met de hooggelegen alpenweide Sasseneire, die al twintig jaar niet meer gebruikt wordt. Vreemde verhalen doen de ronde over wat zich eertijds heeft voorgedaan; er zouden mensen zijn omgekomen, de bergen daar lijken menselijke aanwezigheid niet te tolereren. Zo zeggen de ouderen het, maar de jongeren lachen de praatjes weg en het besluit wordt genomen om de alm weer in gebruik te nemen en er in de zomer vee te hoeden. Een van de mannen die zich aanmeldt om voor enkele maanden naar boven te gaan is de jonge Joseph. Hij hoopt zo zijn trouwplannen met Victorine te kunnen bekostigen.

    Na een eerste verkenningstocht gaan uiteindelijk zeven mannen naar boven om zich met zeventig koeien te installeren op Sasseneire. Beide keren dat de route naar de alpenweide volledig belopen wordt staan gedetailleerd opgetekend, in dichtbeschreven pagina’s en vrijwel zonder onderbreking. Het meeste oog heeft Ramuz bij iedere bergtocht voor kleur en licht, dat continu verandert. Ook andere waarnemingen krijgen een plaats: het wisselende geluid van een bergbeek, het gevoel van een voet op de ondergrond of van de temperatuur op het lijf. De dag dat de zeven naar boven trekken is het mooi weer, zo staat het er met nadruk. De mannen worden uitgeleide gedaan door naasten en belangstellenden, een feestelijke tocht. Aan het eind van de middag, wanneer er iets te laat afscheid is genomen, kijkt Joseph Victorine na die afdaalt naar het dorp: ‘Alles was leeg, alles was verlaten, terwijl het tegelijk koud begon te worden en er een grote stilte intrad’.

    Geen weg terug
    Al snel zal blijken dat de oudere dorpsbewoners gelijk hebben gehad met hun waarschuwingen. Zo breekt er een gevreesde ziekte uit onder het vee. Vanwege het grote besmettingsgevaar is er geen  contact meer toegestaan met het dorp, langs het smalle pad worden wachtposten geïnstalleerd. Dit leidt vooral bij Victorine en Joseph tot wanhoop. Van beide kanten worden pogingen ondernomen om elkaar te zien of tenminste een bericht over te brengen. Hieruit ontstaat ook de mooiste alpiene passage die in het boek gevonden kan worden: Joseph bedwingt in zijn eentje de Gemzenpas, een veeleisende route die langs de gletsjer omhoog voert en dan door sneeuw en rots over de bergkam, om zo via een omweg het dorp te bereiken. Deze eenzame tocht, bijna een roes, wordt schitterend beschreven door Charles-Ferdinand Ramuz, met veel kennis van de natuur. De grote angst in de bergen bereikt in deze en navolgende gedeelten een intensiteit waar ook Sándor Márai zich niet voor zou hoeven te schamen.

    Vormvrijheid en een aloud thema
    Naast de zintuiglijke toonzetting valt er nog iets op aan de stijl. Ramuz houdt zich namelijk niet aan de regels met betrekking tot perspectief of werkwoordstijden. Alles loopt door elkaar heen in een vrije vorm, die in dienst wordt gesteld van de lezer. Over de klim van Joseph: ‘Waar gaat hij naartoe? Opnieuw vroeg je je af: ‘Waar mag hij dan naartoe op weg zijn?’, want het leek er niet op dat er op deze plek ook maar enige doorgang kon zijn, toch ging Joseph nog altijd voort. En een ogenblik later begrijpen we het inderdaad […]’. Deze vrijheid, die rotsvast overeind blijft in de soepele vertaling van routinier Rokus Hofstede, is verfrissend en geeft een innovatief accent aan het proza. Daarmee past het werk goed in de twintiger jaren, waarin vormexperimenten eerder regel dan uitzondering waren. De thema’s anderzijds zijn juist heel klassiek: uiteindelijk handelt het boek over de mens die zijn plaats moet kennen ten opzichte van de natuur.

    De grote angst in de bergen is een bijzonder fraaie vertelling die de natuur laat zien van een ongrijpbare en onverbiddelijke kant. Uiteindelijk valt de miserie die plaatsvindt in hoofdzaak toe te schrijven aan menselijke zelfoverschatting. De besognes van mensenwezens lijken binnen het imposante decors dat Ramuz oproept nietig maar de tragische liefdesgeschiedenis van Joseph en Victorine weet desondanks te ontroeren. Een prachtige ontdekking dus, deze oude maar tegelijk fonkelnieuwe Alpenroman.