• Red de democratie!

    Red de democratie!

    Billy Tucker was een 19-jarige leerling aan een business college in Massachusetts toen hij tot zijn eigen verbazing ontdekte dat hij als voorstander van de doodstraf een overtuigend pleidooi ertégen wist te houden. Dat was het resultaat van de manier waarop zijn lerares de leerlingen had weten te boeien met de discussietechniek van Socrates. Door, zoals dat fameuze Griekse voorbeeld, aanhoudend kritische vragen te stellen over hun eigen opvattingen hadden Billy en zijn klasgenoten geleerd dat je respect kon opbrengen voor andermans mening. Daarmee bereikte je meer dan met alsmaar hameren op je eigen gelijk.

    Het lijkt geen sensationeel voorval; we kunnen het ons goed voorstellen dat het zo werkt. Toch geeft de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum deze getuigenis van de de jonge Tucker een prominente plaats in haar boek Niet voor de winst. Voorbeelden als Tucker zullen er steeds minder zijn, waarschuwt ze. Er groeit een generatie scholieren op die, de leraar nabauwend, alleen nog maar wordt klaargestoomd voor een leven waarvan het succes wordt afgemeten aan het economische rendement. Er is geen plaats meer voor spel, creativiteit, verbeelding en logica. Dat zal er voor zorgen dat studenten minder ‘mens’ zullen worden. Uiteindelijk zal dat ook de vorming van democratisch gezinde burgers in de weg staan.

    Nussbaum zet hoog in. De eerste zinnen van het boek schetsen een pessimistisch beeld:

    We bevinden ons midden in een crisis van enorme omvang, die zwaarwichtige gevolgen kan hebben voor de hele wereld. Nee, ik heb het niet over de economische wereldcrisis die begon in 2008 (…) Nee, ik heb het over een crisis die grotendeels onopgemerkt voortwoekert, net als bij kanker; een crisis die op lange termijn veel schadelijker kan zijn voor de toekomst van het democratisch zelfbestuur: een wereldwijde crisis in het onderwijs.’

    Het zijn alarmerende woorden: crisis, enorme omvang, zwaarwichtige gevolgen, voortwoekeren, kanker. Niet voor de winst is duidelijk geen optimistisch boek. Toch is het ook inspirerend. In kort bestek weet het duidelijk te maken wat het belang is van aandacht voor de geesteswetenschappen in het onderwijs.

    We kennen het ook in Nederland: nu het economisch slecht gaat wordt zonder pardon gesneden in de ‘linkse hobby’s’. Studenten moeten vooral snel afstuderen en dan het liefst in disciplines die het land economisch vooruit helpen zodra ze de arbeidsmarkt opstromen om hun investeringen in klinkende munt om te zetten.
    Nussbaum bespreekt ons land overigens niet. Ze geeft vooral een inkijk in ontwikkelingen in Amerika, waar ze momenteel woont en doceert, en in India, waar ze jarenlang onderwijs gaf en een fervente aanhanger was van de onderwijstheorieën van Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore (met afstand de in haar boek meest geciteerde schrijver). Ze weet dat dat een beperking inhoudt, maar ze is tevens zo eerlijk om geen grote uitspraken te doen over landen die ze niet uit eigen ervaring kent.

    Nussbaum begint haar beschouwingen bij het pasgeboren kind. Dat is er in zijn eerste jaren op gericht de wereld voor zijn eigen doeleinden te gebruiken. De opvoeding moet het kind duidelijk maken dat het afhankelijk en kwetsbaar is en dat anderen dat ook zijn. Als het in zijn narcisme blijft hangen zal het haatgevoelens ontwikkelen jegens anderen op wie hij zijn onmacht om de wereld naar zijn hand te zetten kan projecteren. Van wezenlijk belang in die opvoeding zijn de kunst en de literatuur die de verbeelding stimuleren en daarmee het vermogen zich in anderen in te leven en kritisch te zijn.

    De schrijfster geeft een mooi voorbeeld om te illustreren waartoe die inzet kan leiden als ze het succes beschrijft van het Chicago Children’s Choir. Het is een project waarin bijna 3.000 kinderen meedoen, die voor 80% onder de armoedegrens leven. Het bestaat uit tientallen koren op verschillende niveau’s die vooral muziek uit elkaars woonomgeving en cultuur uitvoeren. De kinderen blijken na verloop van tijd veel meer verantwoordelijkheidsgevoel te ontwikkelen en in veel groteren getale te kiezen voor opleidingen in de geesteswetenschappen dan hun leeftijdgenoten die niet meezingen. Het project wordt louter uit particuliere middelen betaald. De overheid steekt er geen cent in.

    De hoofdmoot van Nussbaums betoog gaat echter over het academisch onderwijs. Ooit oogstte Amerika lof voor de plaats van de ‘liberal arts’ in het onderwijs. Daarin was er naast het hoofdvak alle tijd voor literatuur, kunst, geschiedenis, filosofie enzovoort. Maar daar gaat in toenemende mate het mes in. Waar bespaard moet worden sneuvelen die vakkenpakketten het eerst. En daarmee, zo waarschuwt Nussbaum, de ontwikkeling van studenten tot belangrijke deelnemers aan het politieke debat, die zich bewust zijn van de historie en de opvattingen van andere culturen en zich daarin kunnen inleven. Het leidt tot een erosie van de kwaliteit van de democratie. En het is die democratie die voor de rechtvaardigheid in de wereld en de welvaart van onze aarde zo oneindig veel belangrijker is dan puur economisch gewin. Zonder kritische en empatische burgers loopt die gevaar.

    Niet voor de winst is vooral een politiek pamflet met als boodschap ‘Red de democratie’. Maar daarin zit ook een beetje het manco van het boek. Tegen het einde zou je als lezer zo graag zien dat ze althans enige opties gaf voor ingrepen. Maar verder dan de bevestiging van haar eerder beschreven doemscenario komt het niet. Ze merkt nog wel op dat meer geld prima is, maar dat het vooral gaat om krachtige mogelijkheden voor inspirerende leraren. Maar ook dan is de politiek aan zet. Die zal de voorwaarden moeten scheppen waarin het door Nussbaum bepleite onderwijs de ruimte krijgt. Toch kun je je voorstellen dat het voor de beleidsmaker die het boek na instemmende lezing met de edelste bedoelingen op zijn nachtkastje legt, de volgende morgen toch weer business as usual is. Op dat punt mist het boek enigszins wat het zelf zo bepleit: inleving in de rol van de politicus die met de economische crisis wordt geconfronteerd en niet goed weet hoe hij de filosofie van Nussbaum vorm zou kunnen geven in de dagelijkse praktijk. Ook al hangt hij niet de kerk aan die cultuur een linkse hobby vindt. En ook al onderschrijft hij Nussbaums stelling dat de geesteswetenschappen en de kunst in het onderwijs sneuvelen omdat ze geen geld opleveren, terwijl ze alleen maar doen ‘wat veel kostbaarder is dan dat: ze maken de wereld tot een plek waar het leven de moeite waard is.’ Maar misschien vragen we dan teveel van Nussbaum. Gezien de ondertitel van het boek was het er haar niet om te doen de poltitiek bij de hand te nemen.

     

     

     

  • Na elk hoofdstuk dichter bij de waarheid

    Tijdens koude herfstnachten is het heerlijk met een goed boek het bed in te duiken. Een aanrader is De Verraders van de Amerikaanse bestsellerauteur David Baldacci. De Verraders heeft alle ingrediënten voor een goede thriller. Actie, opgebouwde spanning, geheimzinnige personages vermengd in een origineel verhaal. Een grote applaus voor Baldacci, die er telkens in slaagt om zijn boeken, die meestal over de Amerikaanse politiek en de geheime diensten gaan, een unieke verhaal te geven.

    De Verraders gaat dit keer niet over de terugkerende personages Sean King en Michelle Maxwell die in Baldacci’s voorgaande boeken de hoofdrol speelden, maar over een paar leden van de Camelclub: een genootschap dat het kwaad probeert te verslaan. Annabelle Conroy en Oliver Stone zijn beide lid van deze club. Ook is er nog Harry Finn, hij is geen lid van de Camelclub, maar speelt wel een belangrijke rol in het boek. Wat deze drie karakters gemeen hebben, is dat ze een dubbele identiteit hebben.

    Annabelle heeft wraak genomen op de moordenaar van haar moeder door hem op te lichten en hem veertig miljoen dollar armer te maken. Jerry Bagger komt erachter wie zij in werkelijkheid is, wil natuurlijk zijn geld terug en stuurt een paar mannetjes op haar af om met haar af te rekenen. Annabelle krijgt hulp van Oliver Stone, die wel bereid is om haar te helpen, maar vreest voor zijn eigen leven. Hij wordt namelijk achternagezeten door mensen die erachter zijn gekomen dat hij in werkelijkheid de overleden John Carr is. Een voormalige huurmoordenaar, die lid was van een elite-team opgezet door de Amerikaanse regering.

    Harry Finn leidt een geheimzinnig leven. Hij heeft een gezin, maar werkt ook voor de Amerikaanse regering door undercover de beveiliging van diverse overheidsinstanties te testen. De ervaring die hij tijdens dit werk opdoet, gebruikt hij om wraak te nemen op de moordenaars van zijn vader. Dit zijn de leden van Stone’s eliteteam en schakelt ze één voor één uit.

    Baldacci weet de lezer vanaf het begin tot het einde van het boek te fascineren. Hij doet dit door de personages in het begin zo geheimzinnig te beschrijven, dat je wel verder moet lezen om te weten wie ze in echt zijn. Later in het verhaal zoomt hij wat dieper in op de karakters en komen we wat meer over ze te weten. De Verraders doet denken aan een goede actiefilm, die bomvol zit met verrassende wendingen. Elk hoofdstuk dat je verder leest, brengt je een stap dichter bij de waarheid.