• Oogst week 9 – 2022

    Visjes – Een avontuur op Salina

    Hoe sociale media onze culturele vorming ook domineren, televisie blijft een effectieve springplank naar nationale bekendheid. Joost Oomen genoot weliswaar al aanzien vanwege zijn dichtbundels Vliegenierswonden (2011) en De stort (2013), maar De Slimste Mens maakte hem vorig jaar prompt een BN’er. In 2010-11 was hij huisdichter aan de Rijksuniversiteit Groningen, drie jaar later stadsdichter van de studentenstad. Momenteel verzorgt hij bovendien columns voor het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant. Ook zijn debuutroman Het Perenlied werd goed ontvangen en De Volkskrant betitelde hem als literair talent van 2021. Visjes – Een avontuur op Salina is zijn nieuwste bundel.

    Salina is een eiland boven Sicilië, met rechts uitzicht op de Etna- en links op de Stromboli-vulkaan. Maar net als in de rest van Italië is er nu niemand om dit natuurschoon te aanschouwen: de coronacrisis houdt de toeristen op afstand. Oomen wil het toerisme een boost(er) geven door te experimenteren met het poëziegevoel van vissen. Want, redeneert hij, voor vissen die reageren op gedichten, nemen reizigers vast wel twee weken quarantaine voor lief. Met foto’s van Mirka Farabegoli en José Witteveen geeft Visjes een indruk van het leven op Salina. En Oomen? Die voert de vissen met versjes.

    Visjes - Een avontuur op Salina
    Auteur: Joost Oomen
    Uitgeverij: Querido

    Van de kansel

    Ook schrijvers sterven soms te vroeg. Grofweg dringen zich de namen op van Hafid Bouazza, Joost Zwagerman, Naima el Bezaz en – langer geleden – Jacques Perk, het prototype van de jonggestorven dichter. Over jonggestorven auteurs uit de Veenkoloniën hoor je weinig, maar van hen is Nanne Tepper wel de opvallendste en – mogelijk – de begaafdste. Hoewel zijn romans De eeuwige jachtvelden en De vaders van de gedachte alom gewaardeerd werden, bleef het ultieme meesterwerk uit. Tepper stierf in 2012 op vijftigjarige leeftijd. Tien jaar nadien compileren Louis van Kelckhoven en Herman Sandman alle 37 columns die Tepper voor het Nieuwsblad van het Noorden schreef: Van de kansel.

    Waarom zijn columns in Nederland zo populair? De titel Van de kansel suggereert dat wij een volk vol dominees zijn. Columns stillen onze behoefte naar veroordeling. Als braafste jongetje van de klas alles en iedereen de maat nemend, liefst de personen en instanties met macht en aanzien. Zo maakt Tepper gehakt van de zelfgenoegzame kunstwereld met vlijmscherpe pen, zelfspot en polemiek. Vooral de dikdoenerij rondom het Boekenbal in Amsterdam pakt hij aan. Niet toevallig was de Groninger een penvriend van Geerten Meijsing, die in De Grachtengordel het literaire circuit van Nederland ook al eens bekritiseerde.

    Van de kansel
    Auteur: Nanne Tepper
    Uitgeverij: Kleine Uil

    Ongelijkheid en ons stemgedrag – een studie naar vijftig democratieën van 1948 tot 2020

    Thomas Piketty, beroemd vanwege zijn manifest Kapitaal in de 21ste eeuw, beweerde onlangs dat ongelijkheid een politieke keuze is. De Franse econoom bundelt nu zijn krachten met Amory Gethin en Clara Martínez-Toledano, respectievelijk promovendus en professor in de Economie, om deze uitspraak hard te maken. In Ongelijkheid en ons stemgedrag passeren vijftig verschillende democratieën van 1948 tot 2020 de revue, waarin gelijk stemrecht tot economische ongelijkheid leidde. Feitelijk benadert het drietal stemgedrag intersectioneel: het wordt namelijk gekoppeld aan inkomen, opleidingsniveau, vermogen, beroep, religie, etniciteit, leeftijd en sekse. Alleen seksuele voorkeur ontbreekt.

    In De kloof laat Sander Schimmelpenninck zien dat Piketty’s nieuwste boek ook in ons land aandacht verdient. Als adept van Marx bond Piketty in 2021 de strijd aan met het kapitalisme door Leve het socialisme! te schrijven. Het is dan ook geen verrassing dat Piketty ‘zakelijk rechts’ als grootste boosdoener ziet in Ongelijkheid en ons stemgedrag. Deze stroming wordt gedomineerd door vermogenden als Trump en Bolsonaro, maar ook door partijen die vooral de financiële dimensie van allerlei vraagstukken van belang achten, zoals de VVD in Nederland. ‘Toute nation a le gouvernement qu’elle mérite’, luidt het Franse gezegde. Wat verdienen wij?

    Ongelijkheid en ons stemgedrag - een studie naar vijftig democratieën van 1948 tot 2020
    Auteur: Amory Gethin, Clara Martínez-Toledano, Thomas Piketty
    Uitgeverij: De Geus
  • Het land van de schone schijn

    Het land van de schone schijn

    De discussies over de EU-begroting voor 2021 in november 2020 werden niet zozeer getekend door financiële discussies als wel door kritiek van Hongarije en Polen op de opvatting dat landen die de rechtsstaat schenden minder geld uit Brussel moeten krijgen. De Hongaarse premier Orbán sprak van politieke chantage. Hij had het daarbij alleen over de verwijten van andere landen over het migratievraagstuk, maar Hongarije is op meer fronten bezig met de afbraak van de rechtstaat. In de onlangs verschenen bundel essays en verhalen Waar woont de haat? komen louter Hongaarse schrijvers aan het woord. Ze geven van binnenuit commentaar op wat er in hun land gebeurt. En dat is een zeer verhelderende aanvulling op wat via de westerse pers tot ons komt.

    De kont van Poetin

    Orbán wordt in de opgenomen stukken één keer genoemd. Dat is het geval in het bijtende Syrisch fragment van de classicus Gergely Péterfy uit 2015, die als journalist de Hongaarse politiek al jaren kritisch beschouwt. De titel van dit stuk verwijst naar een citaat van de Grieks-Syrische schrijver Lucianus van Samosata (2de eeuw na Chr.) die stelde dat de mensen verzot zijn op leugens; ze luisteren beter naarmate een verhaal van de onwaarheden aan elkaar hangt. Dat is precies wat Péterfy de Hongaren ziet doen. Hoe kon het, vraagt hij zich af, dat de West-Europese landen groeiden naar samenwerking en solidariteit nadat ze de monsters van oorlogen en nazisme hadden verslagen terwijl Hongarije (en andere postcommunistische staten) na de val van de Muur in 1989 ‘met ongekend succes juist die monsters weer nieuw leven inbliezen? (…) Ons land is gek geworden zoals een hond in een flatje op drie hoog, moederziel alleen achtergelaten toen zijn baasjes op vakantie gingen’.

    De grote meerderheid van de Hongaren is niet meer in staat om feiten van meningen te onderscheiden en het woord democratie lijkt niet méér te betekenen dan de vrijheid om allerlei onzin te spuien. De regering is in naam het verdedigingsschild van het Westen, maar haar leden verdedigen alleen ‘hun geld, de waanzin van hun achterban en de kont van Poetin’. Jegens vluchtelingen is er niet zozeer sprake van racisme als wel van jaloezie, gaat Péterfy verder. Waarom hebben zij wel smartphones en Adidas-schoenen en een mooi gebit? De Duitsers nemen de vluchtelingen op omdat het ze helpt bij de verwerking van hun historische schuldgevoel. Zo niet de Hongaren. Die hebben geen benul van schuldgevoel omdat het ontstaan van zo’n gevoel onmiddellijk in de kiem wordt gesmoord.

    In elkaar geflanste krotten

    Een fraai voorbeeld van wat Hongarije onder de rechtstaat verstaat lezen we in Het delict dakloosheid uit 2013 van de dichter Ákos Szilágyi. Orbán en de zijnen verdedigen zich met de bewering dat ze de fundamentele rechtsregel dat niemand strafbaar is zonder voorafgaande wettelijke bepaling wel degelijk toepassen zoals dat in elke rechtsstaat gebeurt. Maar in de praktijk gebeurt dat op een schandalige manier. Hongaren hebben recht op een menswaardig uitzicht op een mooie en schone omgeving, lijkt het uitgangspunt. Wég daarom met daklozen en armoedzaaiers in hun lompen en in elkaar geflanste krotten. Dus wordt een wet ingevoerd waarmee iedereen die zijn armoede tentoonspreidt strafbaar is. Dat is gewoon gelijkheid, redeneert men: we verbieden de arme sloeber net zomin als de rijke miljardair gewoon een huis te kopen of te huren. En zo gaat het voort in ‘het Hongarije van de schone schijn’, fulmineert Szilághyi. Na de armen zijn de vluchtelingen, de werklozen, de verslaafden, de zigeuners en de bejaarden aan de beurt om op die manier te worden aangepakt.

    Cynisme

    De bijdragen van Szilágyi en Péterfy zijn de meest venijnige, maar de bundel Waar woont de haat? is van een grote veelkleurigheid en diversiteit aan stemmen. De samenstellers hebben de verhalen en essays ondergebracht in drie thematische delen, het eerste over de identiteiten van Hongaren, het tweede over de haat en intolerantie jegens vreemdelingen en andersgeaarden en het derde over fysiek en geestelijk geweld tegenover kwetsbare groepen. Vooral in dat laatste deel zitten de venijnige en cynische stukken: de twee hiervoor genoemde, maar bijvoorbeeld ook Geluk van de dichteres Virág Erdös over grove mishandeling van vrouwen.
    Sommige zijn licht van toon en zelfs humoristisch, zoals Er was eens… van de schrijfster van sprookjesachtige boeken Aliz Mosonyi in het eerste deel. Van haar zijn acht grappige maar scherpe sprookjes ter lengte van één alinea opgenomen.

    Het niveau van de bundel is over het geheel genomen hoog. Toch springen er enkele verhalen uit, zoals het prachtige 1945 (Terugkeer) uit 2004 van schrijfster Gábor T. Szántó. Hierin wordt een klein dorp waaruit in de oorlog de joden zijn verdreven in 1945 bezocht door twee van hen die een groot aantal kisten uitladen uit een trein en ermee door het dorp rijden waar ze angstvallig worden begluurd door bewoners die hun bezittingen hebben geconfisqueerd en nu hun geweten voelen knagen. Het verhaal is zo beeldend beschreven en qua thematiek zo boeiend dat het niet helemaal verrassend in 2017 met groot succes door Ferenc Török werd verfilmd onder de titel Homecoming.
    Een tweede verhaal dat vooral raakt om zijn mededogen en zelfreflectie is het essay Arbeidsliederen (1990) van de ook in Nederland succesvolle Péter Nádas. Hij beschrijft daarin zijn persoonlijke ervaringen met een rechtse Hongaarse bouwvakker tijdens het bouwen van zijn huis.

    Waar woont de haat? (de titel van de bundel is gelijk aan één van de opgenomen stukken in het tweede deel) is een boeiende verzameling die veel duidelijk maakt over in Hongarije levende opvattingen, maar ook getuigt van een springlevende en geëngageerde literatuur. Het enige dat we er op zouden kunnen aanmerken is dat opvalt dat alle opgenomen auteurs (bijna) 50 jaar of ouder (György Konrád – 1933-2019 – is de oudste) zijn.
    Je zou na deze bundel zo graag willen weten hoe een nieuwe generatie naar haar land kijkt.