• Inspiratie

    Inspiratie

    Paradiso, de zaal is gevuld met klapstoeltjes. In het voorprogramma zingt een jonge IJslandse zanger in een crèmekleurig pak ingetogen liedjes. We zijn er voor John Grant, op kaartjes van 2020. Zijn optreden is drie keer uitgesteld. Grant, op slippers en in Nina Hagen T-shirt, is een  charismatische man, gay, maar niet op de manier die het in spelletjesprogramma’s goed zou doen. Zijn muziek is hard en kwetsbaar, zijn stem grandioos. Tussen zijn songs door neemt hij politiek stelling: vóór de handelswijze van Chelsea Manning, de soldaat die geheime documenten lekte naar Wikileaks en tegen de bestormers van het Capitool.

    I wanted to change the world
    But I could not even change my underwear

    Dat soort – prozaïsche – teksten. Toch luister ik nauwelijks, ik kijk zomaar wat om me heen, droom weg op beat en elektronica, denk aan het dagboek van Roger Martin du Gard (RMG) dat ik die dag uitlas, en de verwantschap die ik voelde bij de manier waarop hij over zijn eigen schrijverschap nadacht. Hij de ambachtsman, zijn vriend André Gide meer de kunstenaar. Nee, Martin du Gard was niet de schrijver van flitsende zinnen die generaties-lang op ieders lippen hangen, maar wat een sfeer brengt hij in zijn verhalen, wat een leven in zijn dialogen. Als hij zichzelf in zijn dagboek definieert als ambachtsman, hoor je aanvankelijk teleurstelling. Tot hij er vrede mee sluit en zich durft te onderwerpen aan wie hij is. Daarmee verliest hij niet zijn neuroses of angsten, maar zijn proza wint wel aan kracht.

    Hoeveel tijd heb ik zelf niet verloren omdat ik wilde schrijven als Louis Couperus en daarna, het andere uiterste, als Louis-Ferdinand Celine? Ik beet me in beiden vast. Het boek dat deze maand uit komt, had dertig jaar geleden een aanzet. Er stond geen authentieke zin in. Eerst sprak Couperus, daarna Celine. Lezend in de drukproeven van Augustus dacht ik, dit ben ik, dit is mijn stem – en net als John Grants stem niet gepolijst. Ik ken mijn stem nog niet door en door, hij houdt van zijwegen en dialogen, van tussen de regels, van lichtheid waar het zwaar zou kunnen zijn. Onzeker soms, van doe ik het wel goed. Vaker oplettend, zoals ik ook bij het concert voortdurend oplettend ben.

    Het lijkt heerlijk ontspannend, zo’n zitconcert en toch duikt vanzelf nieuwe onrust op. We zitten op de flank bij het gangpad, ik tussen goede vriend G en R. in. Langzaam zak ik dieper, omgeven door al  het kabaal, naar een stilte in mezelf waarin plotseling een onbekende stem spreekt over zijn lange leven als schlagerzanger op een vakantieresort. Voor de tienduizendste keer ‘Santa Maria’. Es tut mir leid. Ik zie grijze krullen, kaalslag op de kruin. Ondertussen balanceert de stoel van R. gevaarlijk op de rand. Een val, arm uit de kom, gat in zijn hoofd. Ik leg mijn hand op zijn bovenbeen als veiligheidsslot, bewust van zijn kwetsbaarheid en tegelijkertijd rijpen nieuwe verhalen, zwerf ik naar de levens van Roger Martin du Gard, Gide, de schlagerzanger, John Grant.

    Dan stopt Grant abrupt en alle monden zingen: The queen of Denmark! De ontlading van een hoogmis. Ik laat zijn bovenbeen los.  Vertrouwen. Er is nog zoveel te vertellen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. In juni verschijnt daar zijn tweede roman Augustus.

  • De noodzaak om het waas van leugens te verjagen

    De noodzaak om het waas van leugens te verjagen

    De Franse toneelschrijver Jacques Copeau zei over André Gide dat het hem ontbrak aan ‘een onmisbare gave voor echte romanschrijvers: hij is niet in staat zich te vervelen’. Daarom waren zijn boeken zo kort van stof. ‘In de regel begint hij zijn interesse in hen [d.w.z. zijn personages] te verliezen rond de honderdvijftigste pagina; dus breit hij er snel een eind aan’. De uitspraak van Copeau kennen we omdat Roger Martin du Gard hem in 1920 opschreef in zijn dagboek. Gide zal hem niet bestreden hebben; hij noemde zelf Les Faux-monnayeurs uit 1925 (420 pagina’s in het Frans) zijn enige roman. Kort na de dood van Gide in 1951 maakte Martin du Gard een selectie van stukken uit zijn dagboek die betrekking hadden op zijn grote vriend. Ze werden gebundeld in het nu vertaalde Aantekeningen over André Gide.

    Dat Gide en Martin du Gard (beiden winnaars van de Nobelprijs voor literatuur, respectievelijk in 1947 en 1937) zo intens bevriend waren is eigenlijk wonderlijk. Ze waren volkomen tegenpolen, zoals Anneke Alderlieste in het Nawoord bij haar vertaling verduidelijkt. Niet alleen was Martin du Gard juist wel een man van volumineuze romans – denk alleen maar aan de twee delen De Thibaults (ook door Alderlieste vertaald). Voor hem was het verhaal belangrijk; voor Gide waren vorm en inhoud één. Martin du Gard bekritiseerde Gide er meermaals om dat achter zijn virtuoze stijl maar een magere inhoud zat. Ze waardeerden elkaars kritiek. De Aantekeningen over Gide zijn door Martin du Gard van noten voorzien waarin hij wat hij opschreef toetst aan notities van Gide zelf in zíjn Journal. Dan blijkt dat die laatste het oordeel van zijn vakgenoot erg serieus nam.

    Ik stik erin!

    Martin du Gard maakte kennis met Gide in november 1913 op een bijeenkomst bij de uitgever van de Nouvelle Revue Française, dat in 1909 door Gide was opgericht. De eerste indruk riep gemengde gevoelens op. Gide sprak Martin du Gard aan over diens nieuwe roman Jean Barois, maar meende hij wat hij zei? Soms leek hij niet eens te luisteren en hij ging weg zonder te groeten. Hoe de vriendschap daarna groeide wordt niet goed duidelijk want het volgende dagboekfragment dat in de Aantekeningen aan Gide is gewijd dateert van februari 1920. Maar dan zien ze elkaar blijkbaar al erg vaak en leest de een de ander voor wat hij heeft geschreven. Martin du Gard beschrijft de ontmoetingen zo beeldend dat je Gide als het ware voor je ziet en hoort: zijn flamboyante uiterlijk, zijn manier van praten, hoe hij lacht.

    Aantekeningen over Gide telt nog geen honderd pagina’s, maar die zijn voldoende om voelbaar te maken hoe Gide worstelde met de commentaren op zijn keuze voor het communisme (die hij later weer afzwoer), zijn homoseksualiteit en de beschuldigingen dat hij de jeugd bedierf (hem werd pedofilie verweten). Gide lijkt zijn homoseksualiteit te hebben gezien als een reactie op zijn verstikkende katholieke opvoeding. Hij is er open over en wil dat ook in zijn werk zijn, maar toch waarschuwt Martin du Gard hem als hij op het punt staat zijn autobiografie Si le grain ne meurt en de expliciet homoseksuele roman Corydon te publiceren: ‘Een schandaal is onvermijdelijk. Het zal uw vijanden, die talrijk zijn, beslissende wapens in handen geven’. Gide antwoordt hem beslist: ‘Ik kan niet meer wachten… Ik moet toegeven aan mijn innerlijke noodzaak! Begrijp me. Ik heb behoefte, behoefte, eindelijk dat waas van leugens te verjagen, waar ik me sinds mijn jeugd, sinds mijn kindertijd achter verschuil. Ik stik erin!’

    Nee!

    Het is maar één van de passages waaruit blijkt hoe eerlijk en diep de vriendschap van de twee was. Die gaat voor Martin du Gard zover, zou je haast kunnen zeggen, dat wie aan Gide komt ook aan hem komt. Gide sterft op 19 februari 1951. Als de katholiek François Mauriac in Le Figaro littéraire Gide kenschetst als iemand die volhardde in het geloof, wordt Martin du Gard dan ook woedend. Hij herinnert zich een gesprek met zijn vriend waarin deze, toen hij de dood al zag komen, zei: ‘Ik wil de zaken niet op hun beloop laten! Zolang ik nog adem heb, is dat om Nee! te schreeuwen tegen de Kerken!’ en hij veegt Mauriac per brief de mantel uit.

    Er zij hier nog één opzienbarend profetische opmerking aangehaald uit een gesprek van André Gide met de beroemde Duitse politicus en schrijver Walther Rathenau. De twee ontmoetten elkaar in juni 1922, vijf maanden voor de Duitser zou worden vermoord. Tegen Gide zei hij: ‘De grote factor van de toekomst is dat immense, onbedachtzame, dwaze Amerikaanse volk… Dat zal blindelings zijn wil opdringen aan de Oude Wereld…’. Martin du Gard schreef het op. Hij kon onmogelijk weten hoezeer wij dit honderd jaar later maar al te zeer zouden herkennen.
    Aantekeningen over André Gide is een fraai kleinood over een grote vriendschap tussen twee Franse literaire reuzen.

     

     

  • Vruchtbare Kunstwerken

    Vruchtbare Kunstwerken

    Soms baart een kunstwerk nageslacht. En dan bedoel ik geen kopie, of kleine replica’s. Nee, ik bedoel dat een kunstwerk echt een ‘kindje’ krijgt, dat een zelfstandig leven leidt. Auguste Rodin is hier een meester in. Voor hem was elk kunstwerk nimmer het eindstation, maar louter beginpunt voor een volgende generatie kunstwerken. Als geen ander zette hij onderdelen van zijn kunstwerken op een zelfstandig podium, of combineerde ze met elkaar tot nieuwe werken. Met als mooiste voorbeeld het nageslacht van zijn Hellepoort. Deze poort, waarover ik al eerder schreef in de column Verhalende beelden, is waarschijnlijk één van de meest vruchtbare kunstwerken ooit. Er kwamen bijna honderd kinderen uit voort, waaronder de Denker, Danaide, Kariatide met steen, De Kus, Ugolini en zijn kinderen, Drie Schaduwen, Fugit Amor, Paolo en Francesca, Meditatie, De Oude courtisane, Eeuwige lente, Vallende man, Adam en Eva. Niet slecht voor een sculptuur die zelf de volmaaktheid niet bereikte. Rodin zou de Hellepoort immers nooit zelf tot bronzen volwassenheid brengen; dat gebeurde pas met behulp van zijn assistenten na zijn dood.

    Ook literaire kunstwerken baren soms nageslacht. Zelfstandige literaire pareltjes, die ook als ze de moederschoot niet verlaten, eigenlijk wel een eigen leven verdienen, zoals De Parabel van de Gouden Muur uit De Ontdekking van de Hemel (Harry Mulisch, 1992). Dit ‘ongeboren’ kindje beschrijft hoe de wereld in feite uit twee werelden bestaat, die worden gescheiden door een gouden muur. De eerste wereld is die van de gewone man uit de straat, van Henk en Ingrid en al die anderen die geregeerd worden en hun tijd doorbrengen in de “luidruchtige chaos van het dagelijkse leven”. Waarin zij berusten omdat ze ervan uitgaan dat het achter de gouden muur allemaal anders is en daar de orde en tucht van koningen en ambtenaren heerst. Totdat ze er in slagen een blik te werpen in dat vermeende paradijs van paleizen en ministeries en de ontdekking doen die Mulisch zo aanstekelijk beschrijft dat ik hem al jaren gebruik als intro op lezingen over mijn werk als beleidsmaker: “Wie mocht ontdekken – wat vrijwel onmogelijk is – hoe beleid wordt gemaakt, die zal zijn verdere leven moeten slijten met een fundamenteel gevoel van onveiligheid.”

    Waar de Parabel van de Gouden Muur nog niet echt op eigen benen staat heeft De verdrinking (Roger Martin du Gard, 2008) zich wel weten te ontworstelen aan het ouderlijk huis. Dit dertiende hoofdstuk van de onafgemaakte roman Luitenant-kolonel de Maumort werd als zelfstandige novelle uitgebracht. Met daarin dezelfde angstaanjagende scène die ook voorkomt in Luitenant-Kolonel de Maumort, waarin de zeventienjarige bakkersknecht Yves de rivier overzwemt, naar sergeant De Balcourt toe. Een overtocht die zoals de titel van de novelle reeds verraadt niet goed afloopt. “Hij was ver, ik kon hem niet goed zien. Een kleine blonde vlek, half weggezonken in het water… Hij verdween, kwam weer boven, verdween opnieuw, om nog één keer boven te komen.” Maar voordat Yves wegzinkt in het troebele water is hij door Martin du Gard aan de vergetelheid ontrukt. Zoals Rodin de Lente tweemaal eeuwigheid verleent, schenkt Martin du Gard de bakkersknecht Yves tweemaal het leven. Omdat een kunstwerk soms nageslacht baart.

     

    Verhalende beelden

     

     

  • Over de romancyclus van Roger Martin du Gard

    Een verkenning van De oorlog van de Thibaults met verschillende sprekers

     

    Het heeft lang geduurd voor de achtdelige romancyclus De Thibaults van Roger Martin du Gard (1881-1958), waarmee hij in 1937 al de Nobelprijs voor de Literatuur won, in Nederland voet aan de grond kreeg . Zijn magnum opus gaat over morele en sociale ontwikkelingen van de Franse burgerij tijdens de belle époque.

    In Nederland was Maarten ’t Hart al lang bewonderaar van zijn werk. Maar sinds Uitgeverij Meulenhoff vorig jaar het eerste deel van deze romancyclus liet vertalen door Anneke Alderlieste, werd het boek door het publiek bejubeld en stond het wekenlang in de top tien. De roman beschrijft de morele en sociale ontwikkeling van de Franse burgerij tijdens de belle époque. Voor de zomer verscheen het tweede, wederom een ferm boek, en tevens laatste deel van de reeks.

    Roger Martin du Gard behoorde samen met Proust, Valéry, Gide en Claudel tot het toonaangevende literair tijdschrift Nouvelle Revue française. In 1955 werd zijn verzameld werk opgenomen in de prestigieuze Bibliothèque de la Pléiade met een voorwoord van Albert Camus, die hem ‘onze eeuwige tijdgenoot’ noemde. Mooi detail over de schrijver is dat hij een zeer teruggetrokken leven leidde. Het verhaal wil dat toen een vriend hem telefonisch op de hoogte stelde dat hij de Nobelprijs had gewonnen, hij zijn koffers pakte en ervandoor ging, uit vrees dat zijn huis belaagd zou worden door journalisten.

    Sprekers zijn onder meer: Michel Krielaars (NRC Handelsblad), Marjolijn van Heemstra (schrijver, theatermaker), Matin van Veldhuizen (theatermaker, schrijver, regisseur), Marijke Schermer (schrijver, theatermaker),  Cas Enklaar (acteur), Remco Melles (acteur), Anneke Alderlieste (vertaler), en Morgana Machado Marques (video artist).

    Moderator van de avond is Jasper Henderson.

    Aanvang: 20:00 uur
    Locatie: Tolhuistuin (Tuinzaal)
    Reserveren: Tickets

  • Schwobfest 6 juli – Ken uw klassiekers

    Agenda

    Wat te denken van een Schwobfest.

    Schwob.nl is een website waar (nog) onvertaalde literatuur uit alle windstreken onder de aandacht van Nederlandse lezers, redacteuren en uitgevers wordt gebracht. Vervolgens staken tien uitgeverijen de koppen bij elkaar en stelden een keuze samen uit die literaire klassiekers die een (her)ontdekking meer dan waard zijn. Samen met Schwob.nl (een initiatief van het Letterenfonds) organiseren zij deze zomer Ken uw klassiekers.

    Tijdens Schwobfest pitchen tien ambassadeurs (vertaler, auteur, recensent of boekhandelaar) hun favoriete klassieker van de zomerlijst van tien titels die het verdienen een onvergetelijke plaats op de lijst van klassiekers uit de wereldliteratuur te krijgen. De titels zullen op een speciale wijze onder de aandacht worden gebracht door:

    Rebecca Wilson (vertaler) over Het bloeien van de avondwinde van Jetta Carleton (Van Gennep)
    Ronnie Terpstra (boekhandelaar) over Naar de haaien van Erich Kästner (Lebowski)
    Arjen Fortuin (criticus) over Een dwaze maagd van Ida Simons (Cossee)
    Rob van der Veer (vertaler) over Kroniek van Perdepoort van Anna M. Louw (Van Oorschot)
    Peter Bergsma (vertaler) over Een opgebrand geval van Graham Greene (Bezige Bij)
    Joubert Pignon (auteur) over Sneeuwwitje van Donald Barthelme (Atlas/Contact)
    Koos van Zomeren (auteur) over Sergeant in de sneeuw van Mario Rigoni Stern (Arbeiderspers)
    Ivo Victoria (auteur) over Zwervers van Knut Hamsun (De Geus)
    Michel Krielaars (criticus) over De Thibaults van Roger Martin du Gard (Meulenhoff)
    Koen van Gulik (uitgever) over Niels Lyhne van Jens Peter Jacobsen (Wereldbibliotheek)
    Casper Luckerhoff van Boekhandel Luckerhoff te Haarlem, verzorgt de presentatie.

    Aan de campagne doen drieënzeventig  Nederlandse en zeven Vlaamse boekhandels mee. Vanaf 16 juni verzorgen deze boekhandels een presentatietafel over deze herontdekkingen en tijdens de zomer zullen uitgevers bij enkele van deze boekenwinkels op bezoek gaan om het verhaal achter het betreffende boek te vertellen.

    De naam Schwob is overigens ontleend aan de Franse schrijver, essayist en vertaler Marcel Schwob (1867-1905). Hij onderhield contacten met een breed en divers palet aan auteurs, waaronder Paul Valéry, Oscar Wilde en Alfred Jarry. Hij gold als een erudiet kenner van de wereldliteratuur met een voorkeur voor het marginale of vreemde. Als vertaler introduceerde hij onder meer het werk van Robert Louis Stevenson in Frankrijk.

    Op 6 juli vindt de start van Ken uw klassiekers tijdens het Schwobfest in De Lichtfabriek in Haarlem plaats. Een literair feest, bedoeld voor boekhandelaren, vertalers, uitgevers maar vooral ook voor de lezers!

     

    Ken uw klassiekers

    Zondag 6 juli
    Aanvang 16.30 uur (inloop 16.00 uur)
    De Lichtfabriek, Haarlem (Minckelersweg 2, 2031 EM Haarlem)
    Entree en eerste consumptie gratis!
    Bezoek hier de website van Schwob.

     

     

  • Het waren de vier mooiste, de vier enige echt mooie jaren van mijn leven

    Het waren de vier mooiste, de vier enige echt mooie jaren van mijn leven

    In 1931, tijdens een onderbreking van het schrijven aan zijn romancyclus Les Thibault, schrijft Roger Martin du Gard (1881-1958) deze korte novelle over een incestueuze liefde tussen broer (Leandro Barbazzano) en zijn 4 jaar oudere zus (Amalia). In een niet nader te noemen grote Algerijnse stad  groeien zij samen op en wonen boven de boekwinkel van hun zeer strenge, hardvochtige en ontoegankelijke vader. Hun moeder is al jong overleden. Broer en zus delen vanaf hun prille jeugd dezelfde slaapkamer, gescheiden door een schot met een gordijn. Er ontstaat een stormachtige liefdesverhouding die door niemand wordt opgemerkt.
    Maar, na vier jaar, komt hieraan een bruusk einde. Leandro moet zijn dienstplicht gaan vervullen in het Italiaanse leger en zal twee jaar wegblijven. Amalia wordt verplicht door haar vader te trouwen met de dertig jaar oudere, welgestelde boekhandelaar Ignazio Luzzati  waarvan ze walgt en die zij (broer en zus) ‘het ouwe varken’ noemen. Doet zij dat niet dan zal ze tot nader order opgesloten worden in een klooster. Amalia heeft dan een heel onverwacht idee. ‘Ja, ik trouw met de ouwe. Maar alleen als we het voor die tijd zo regelen dat ik zwanger ben’ ? blz. 38.

    Aldus geschiedde. Leandro vertrekt in oktober naar Sicilië, het huwelijk vindt plaats. Zeven maanden later bevalt Amalia: een jongen, Michele. ‘Hij was heel zwakjes, alsof hij echt te vroeg geboren was. Alleen al in het eerste jaar dachten ze hem wel tien keer te verliezen.’- blz. 39. Michele wordt niet ouder dan 16 jaar en sterft in een Frans sanatorium aan tuberculose. Deze episode is tevens het begin van deze novelle, de introductie op het Afrikaans Geheim.

    Roger Martin du Gard ontmoet Leandro (inmiddels een gerenommeerd boekhandelaar) in dit sanatorium in Font-Romeu. Er ontstaat een hechte vriendschap tussen Leandro en ‘meneer du Gard’.

    De schrijver heeft Michele slechts één keer gezien op zijn doodsbed ‘(…) broodmager maar van een grote schoonheid’.  Ongeveer twee, drie jaar later maakt hij kennis met Leandro’s  zus, haar man en hun half dozijn kinderen bij wie Leandro inwoont. Het contrast van deze zes kinderen met die prachtige Michele is verbijsterend. Deze kleine Luzzati’s zijn ‘kort en dik, week als kikvorsen, met bolle wangen en dikke billen, schorre stemmen en verwarde, wollige haardossen, en allemaal hopeloos alledaags’, constateert Du Gard.

    Broer, zus en zwager zijn inmiddels  gezamenlijk eigenaar van de Librairie Barbazzano-Luzzati, opgericht door hun vader en nu een van de belangrijkste boekwinkels van de stad.
    Na zijn bezoek besluiten Leandro en Du Gard samen de mailboot vanuit Afrika naar Marseille te nemen en dan vertelt Leandro, naast elkaar gezeten op het dek, zijn ‘Afrikaans geheim’  aan de schrijver. Een bekentenis in de vorm van een monoloog, zonder enige schaamte of spijt, in simpele feiten, maar met veel gevoel verwoord. Het is aan de toehoorder of de lezer hierover een oordeel te vellen.

    Roger Martin du Gard die voor zijn omvangrijke saga Les Thibault in 1937 de Nobelprijs voor de Literatuur ontving toont ook in deze ultrakorte novelle zijn meesterschap als verteller. Vooral zijn beschrijvingen van de personages zijn markant naturalistisch en doen denken aan Honoré de Balzac, Emile Zola, Gustave Flaubert  en André Gide,  die zich in hun tijd ook nogal wat vrijheden permitteerden. Wij zien een verfijning  in de monoloog op de boot; rauw realistisch is de stijl in bijvoorbeeld de beschrijving van het gezin Luzzati. Vooral van Amalia die in de Frans-Italiaanse film La Grande Bouffe van Marco Ferreri (1973) beslist niet uit de toon zou vallen door haar weelderig, doch wanstaltig voorkomen en vooral de beschrijving van haar manier van voedsel naar binnen schrokken werkt misselijkmakend op de lezer.
    Du Gard beschrijft op blz. 13-14 deze ‘oosterse corpulentie’: ‘Nee, mooi was Amalia niet; ik zou zelfs zeggen dat haar gerimpelde schildpadoogleden, haar dikke papperige gezicht, haar vettige huid, haar peervormige lijf, uitgezakt door de door de zwangerschappen en het zogen, haar doelbewust tot een probaat middel tegen zinnelijke lust maakten. (…) Naast de grote porties macaroni die ze tijdens de maaltijden opschrokte, zat ze van ’s ochtend tot ’s avonds kleverig Turks fruit te kauwen en sprak ze bijna altijd met volle mond’.  De schrijver vergoelijkt overigens min of meer deze dwingende en hartstochtelijke snoeplust : ‘die gulzigheid leek de revanche, de toevlucht voor alle passie van een vrouw, en dat had bijna iets pathetisch.’

    Wanneer Leandro zijn bekentenis doet, lijkt het alsof hij tegelijkertijd zijn geheim weer herbeleeft, beter begrijpt, maar er tevens volledig afstand van neemt door geen enkele verantwoordelijkheid hiervoor te aanvaarden. Blz. 43: ‘Ineens schoot het door mijn hoofd dat ik in feite verantwoordelijk was voor die geboorte, en ook ? misschien? ? voor die zwakke gezondheid, die ziekte…. Verantwoordelijk? Dat staat nog te bezien… Daar valt over te twisten! Bloedverwantschap levert soms wonderbare resultaten op…’.  Het standpunt van Amalia komen wij niet te weten. Zij lijkt letterlijk en figuurlijk goed te gedijen in de slachtofferrol. Slachtoffer van de mannen om haar heen, zou je kunnen zeggen.

    De aandachtige lezer leest op blz. 6 dat Leandro ‘een nog jonge man  (…)’  was bij de eerste ontmoeting met Du Gard in het sanatorium waar zijn 16-jarige ‘neef’ Michele verpleegd werd.
    Een paar jaar later volgt dan de bekentenis. Een rekensommetje  leert dat Leandro toen ongeveer 38 jaar moet zijn geweest. Toch heb je steeds de indruk dat het een oude(re) man is die eindelijk zijn geheim prijsgeeft. Hoewel, …. de beschrijving van Amalia met haar kroost waarvan ze er nog een zoogt, bewijst dat broer en zus beiden nog vrij jong zijn. Opmerkelijk!

    Het ontroerendste moment in het verhaal was voor mij:  ‘Maar twee of drie keer misschien, tijdens mijn bezoeken en de maaltijden die ik verplicht was bij de Luzzati’s te gebruiken, werd er tussen Leandro en mij gezinspeeld op onze ontmoeting in Font-Romeu, en iedere keer vulden de ogen van papa Luzzati zich stilletjes met tranen. Michele was kennelijk het lievelingetje van zijn vader geweest’ aldus de schrijver op blz. 15. Het lijkt dat de ‘stiefvader’ misschien nog wel het meest van het kind gehouden heeft.

    Toch is het even wennen om Confidence Africaine in hedendaags Nederlands te lezen. Het Frans van de jaren 30 van Roger Martin du Gard is, zeg ik met enig chauvinisme, zo veel rijker in woordenschat.

    Dat neemt niet weg dat deze eerste Nederlandse vertaling van een werk van Du Gard zeer zeker de moeite van het lezen waard is en zal zorgen voor veel vragen en discussies. Deze novelle suddert na lezing nog enige tijd na. Ik adviseer dan ook de diverse leeskringen in het land om dit boekje in hun leeslijst op te nemen als voorproefje op het hoofdwerk van Martin du Gard, de achtdelige serie Les Thibault, die de komende jaren bij  J.M. Meulenhoff  zal verschijnen. Hulde voor dit initiatief!

    In België en Frankrijk is enkele jaren geleden deze novelle al voor het toneel bewerkt en heeft geruime tijd gezorgd voor volle zalen. Persoonlijk kijk ik dus nu uit naar de vertolking van Leandro door bv. Thom Hoffman of Daan Schuurmans of wie weet, toch door een oude(re) man …. Helmert Woudenberg!?

     

  • Dat gaat mis

    Over een paar maanden verschijnt bij uitgeverij Meulenhoff Luitenant-kolonel de Maumort van Roger Martin du Gard, een pil van meer dan duizend bladzijden. Om de lezers alvast lekker te maken heeft de uitgeverij een stukje uit dat boek als zelfstandige uitgave op de markt gebracht: De verdrinking. Dat kan heel goed, want in het hoofdwerk zitten kleinere werken opgeborgen, zoals ook de novelle ‘Saïdjah en Adinda’ uit de Max Havelaar is te plukken.
    Toch had ik moeite om De verdrinking uit te lezen en dat komt omdat je voorvoelt wat er gaat gebeuren. Een verhaal met deze titel kan niet goed aflopen. De homoseksuele sergeant De Balcourt wordt gelegerd in een kleine Frans plaatsje en valt direct voor de mooie, met meel bestoven, bakkersjongen. Als hij het zo weet aan te leggen dat hij in de bakkerij zijn logement heeft, is het gehunker niet meer van de lucht en ligt niets een mooie initiatie meer in de weg. Dat kan natuurlijk niet goed gaan. En eigenlijk wil ik niet lezen wanneer het mis gaat.
    De truc van de uitgeverij werkt: ben wel benieuwd geworden naar het grote werk.

    Coen Peppelenbos

    Roger Martin du Gard, De verdrinking. Vertaald door Anneke Alderlieste. Meulenhoff, Amsterdam, 126 blz. €12,90