• Peultjes, prei en schorseneren

    Peultjes, prei en schorseneren

    De onlangs overleden Albanese schrijver Ismail Kadare wordt algemeen beschouwd als een van de grootste schrijvers van zijn tijd. In het communistische Albanië van diktator Enver Hoxha heeft hij getracht een modus te vinden om als kritisch schrijver actief te blijven zonder zich al te veel te vereenzelvigen met het regime. Hij deed dit door zijn politieke boodschappen te verpakken in legendes, volksverhalen, parabels, allegorieën, satiren en insinuaties. Hoewel hij op deze manier hoopte buiten schot te blijven van de censuur, is hem dit niet altijd gelukt.

    De geheime dienst

    Hoewel Kadare zijn boek Het Dromenpaleis situeert in het 17e eeuwse Istanbul, de hoofdstad van het multiculturele Ottomaanse Rijk, waar Albanië indertijd deel van uitmaakte, gaat het in werkelijkheid om het Albanië van Hoxha. De hoofdpersoon in het verhaal is Mark-Alem, een telg uit een aanzienlijke familie met Albanese roots. Het Dromenpaleis is een uiterst geheime en geheimzinnige instelling en een broeinest van politieke intriges. Daar worden de dromen van alle mensen in het rijk verzameld, geselecteerd, geanalyseerd en geïnterpreteerd, een soort geheime dienst avant la lettre. Elke dag worden de dromen met speciale bodes uit het hele rijk verzameld en afgeleverd bij het paleis. Zo komt de regering te weten wat er zoal leeft onder de bevolking. Elke vrijdag wordt er op de afdeling Meesterdromen één droom uitgekozen als meesterdroom. Deze wordt plechtig overhandigd aan de sultan. De meesterdroom kan, zoals overigens ook andere dromen, grote gevolgen hebben voor de situatie in het rijk. Dromen worden niet alleen beoordeeld op particulier niveau om te zien of iemand een mogelijk gevaar kan opleveren voor de sultan en zijn coterie, maar ook op meer algemeen niveau. Zo kan het zijn dat uit bepaalde gebieden in het rijk nogal wat nachtmerries en koortsdromen komen. Dit kan duiden op onrust onder de bevolking aldaar zodat er wat meer militaire aandacht nodig is.

    De droom van de groenteman

    Door zijn machtige familie wordt er op Mark-Alem druk uitgeoefend een baan te nemen bij het Dromenpaleis. Geheel tegen de gebruiken van het paleis in krijgt hij meteen een baan op de afdeling Selectie, een van de hoogste afdelingen in de bureaucratische hiërarchie. Men heeft ‘buitengewoon hoge verwachtingen’ van hem. Die ‘hoge verwachtingen’ zorgen er voor dat hij ook later pijlsnel carrière maakt in de organisatie en al spoedig doorstroomt naar de afdeling Interpretatie. Voor het interpreteren van dromen is een goede kennis van de symboliek in dromen van wezenlijk belang. Tijdens zijn werk stuit hij op een droom van een Albanese groenteman waar een brug in voorkomt. De symbolische betekenis van het woord ‘brug’ in deze droom doet hem denken aan zijn familienaam Qyprilli, die taalkundig ook gebaseerd is op het woord ‘brug’. Grappig, of toch niet?

    Tijdens zijn gang door de verschillende afdelingen raakt Mark-Alem voortdurend de weg kwijt en dwaalt hij, zonder iemand tegen te komen, door de schaars verlichte krochten van het immense bouwwerk. Telkens als hij de wanhoop nabij is, vindt hij weer een ingang naar de afdeling waarnaar hij op zoek is. Contact met andere ambtenaren op zijn afdeling heeft hij niet. Iedereen werkt stil voor zichzelf aan de stapel dromen op zijn bureau. Alleen tijdens de pauze kan hij in contact komen met anderen. Daar hoort hij van iemand van de afdeling Kopiëer dat er ook isoleercellen in het gebouw zijn en dat in één van die cellen iemand al veertig dagen lang dag en nacht wordt ondervraagd naar aanleiding van zijn droom. Zijn dossier bevat inmiddels honderden pagina’s. Mark-Alem krijgt steeds somberder en angstiger gevoelens, zeker als hij voor de tweede keer dezelfde droom op zijn bureau aantreft van de Albanese groenteman. De huiveringwekkende kant van het Dromenpaleis krijgt hem steeds meer in zijn greep.

    Als hij op een familiebijeenkomst hoort dat zijn oom Kurt hoog opgeeft van het feit dat de Albanese familie Qyprilli de enige familie in het Rijk is waarover een echt epos is geschreven, iets waarop zelfs de familie van de sultan niet kan bogen, ziet Mark-Alem dat zijn andere oom, de grootvizier, somber begint te kijken, zeker als oom Kurt belooft de volgende keer te zorgen voor een Albanese groep rapsoden om het epos muzikaal ten gehore te brengen. Na een privégesprek met zijn oom, de grootvizier, die hem vertelt dat er soms sprake is van het bewust in omloop brengen van valse dromen, voelt Mark-Alem zich steeds meer een vooruitgeschoven pion op het schaakbord van de macht. Hij hoort dat zijn directeur verwikkeld is een machtsstrijd met zijn familie en hij vermoedt dat de droom van de groenteman, over de brug, op zijn bureau een provocatie moet zijn. In de daarop volgende dagen is er onrust in de stad met veel militair vertoon en wordt zijn oom Kurt gearresteerd. Mark-Alem is totaal geschokt als hij hoort dat de droom van de groenteman inderdaad de meesterdroom is die de afgelopen dagen gezorgd heeft voor alle onrust. Op zoek naar het dossier van de Groenteman in het Archief stuit hij onverwacht op een stoet bewakers die een lijkkist torst. Zou daar de groenteman in liggen wiens dossier uit niets anders blijkt te bestaan dan uit honderden pagina’s lange opsommingen van zaken als de prijs van peultjes, prei en schorseneren op bepaalde dagen in bepaalde seizoenen?

    De ander, dat ben jezelf

    Ismaïl Kadare heeft een indringend boek geschreven over het Albanië van Enver Hoxha, waar de angst te worden opgepakt door de geheime politie regeert en waar niemand veilig is. De situering in het labyrintachtige Dromenpaleis heeft sterke Kafkaëske trekken. De staat die het menselijk individu wil controleren door te regeren over zijn meest geheime gedachten, krijgt in dit boek gestalte in het Dromenpaleis. In onze huidige wereld zien wij deze controledwang vooral terug in dictatoriale landen als China. Maar ook in onze eigen Westerse wereld worden wij steeds meer beheerst door de angst voor de ander en neemt de invloed van geheime diensten sterk toe. Het boek van Kadare bevat een uiterst actuele boodschap en heeft een tijdloos karakter.

     

     

  • De afschrikwekkende vrouw

    De afschrikwekkende vrouw

    Baba Jaga is volgens de Slavische mythologie een boosaardige oude vrouw die in een hutje op kippenpoten woont. Haar hangende borsten kan ze op de kachel leggen of over een stok hangen, haar puntige neus komt tot aan het plafond en ze rooft kleine kinderen. Haar vervoermiddel is een vijzel waarbij de stamper de roeispaan is. Ze beschouwt zichzelf als een wezen met één been van meestal alleen bot, hoewel het ook van hout, ijzer, goud of ander materiaal kan zijn. 

    Baba Jaga legde een ei van Dubravka Ugrešić gaat over vrouwen, oude vrouwen wel te verstaan. ‘Baba Jaga is, voor alles wat ze ook is,’ schrijft Niña Weijers in haar voorwoord, ‘een schrikbeeld. Dubravka Ugrešić houdt dat schrikbeeld niet alleen in ere, ze eist Baba Jaga’s recht op om een schrikbeeld te zijn.’ 

    Veelomvattende mythologie

    Het boek bestaat uit drie delen: in het eerste bezoekt de schrijfster haar moeder in Zagreb, het tweede is een novelle over Pupa, Beba en Kukla, drie eveneens oude vrouwen die in een duur hotel in een Tsjechische badplaats verblijven, en deel drie handelt over wie en wat Baba Jaga is of kan zijn. In dit deel openbaart de auteur bij monde van folklorespecialiste Dr. Aba Bagay dat de mythische figuur naar veel meer kan verwijzen dan alleen de heks uit het hutje op kippenpoten. Ze treedt in mythes ook op als moeder van draken, als spinster of een lief omaatje, als hulpverleenster of strijdster. De Slavische mythologie blijkt veelomvattend. Alle Slavische talen herbergen talloze uitdrukkingen met ‘baba’ erin. De auteur stipt ook paralellen met de Griekse mythologie aan en zelfs met Boeddhistische en Islamitische vertelsels. 

    Aba Bagay verschijnt voor het eerst in deel een waarin Ugrešić bij haar nog zelfstandige, eigenzinnige moeder in Zagreb op bezoek gaat. Ze is oud, gaat achteruit en haar geheugen hapert. De dochter, zelf ook niet meer de jongste, voert geduldig gesprekken met haar. De jonge Aba heeft contact met Ugrešić gezocht omdat ze graag met haar wil discussiëren over taal- en politieke kwesties. Ugrešić woont niet in Zagreb, ze laat Aba bij haar moeder langsgaan. De auteur ziet bij Aba dezelfde hunkering naar aandacht en liefde als die ze bij haar moeder ervaart, maar wijst haar niet af.  

    In deel twee zit Pupa in een rolstoel, de benen in een bontlaars, heeft Beba heel grote borsten en is Kukla heel lang en dun, vooruitwijzend naar kenmerken van Baba Jaga. De vrouwen kunnen gezien worden als drie-eenheid of als afzonderlijke godinnen. Pupa is ook de oudste vriendin van Ugrešić’ moeder. In het hotel ontmoeten de vrouwen allerlei mensen en ondertussen vertelt Ugrešić in bondige taal hun levens die voorafgingen aan het hotelverblijf. 

    In deel drie komen allerlei parallellen met Baba Jaga terug, bijvoorbeeld: ‘Pupa’s als een grote bontlaars uitgevoerde elektrische voetenwarmer is in wezen een moderne tegenhanger van Baba Jaga’s vijzel’ en haar rolstoel is de tegenhanger van Baba Jaga’s ene been, net als de rollator van Ugrešić’ moeder. Pupa overlijdt tot haar eigen voldoening en wordt in een peperdure doodkist in de vorm van een ei gelegd. Het ei speelt een rol in veel sprookjes. Kukla en Beba beschikken door het lot over een niet onaanzienlijke hoeveelheid geld en ontfermen zich over een onverwacht opgedoken kleinkind. In die zin is het wel een beetje een banaal happy end.

    Ugrešić zelf is tussen de fragmenten door als auteur nadrukkelijk aanwezig met tussenzinnetjes als: ‘En wij? Wij moeten door…’, ‘En wij? Wij gaan verder…’, ‘En wij? Wij gaan hen snel achterna…’, ‘Hier dient te worden aangetekend…’, ‘En wij? Tja, het leven is…’ Met deze overbodige en nogal storende toevoegingen wil Ugrešić de lezer er wellicht van doordringen dat hij niet slechts met een eenvoudig verhaal van doen heeft maar met een weldoordachte tekst. 

    Het wemelt van de Baba’s

    Aba stelt in deel drie de tekst Baba Jaga voor beginners samen, waarin ze ‘begrippen, thema’s, motieven en mythen’ uit de Slavische mythologie bespreekt. In honderd pagina’s geeft Ugrešić een uitputtend overzicht van wie en wat Baba Jaga is: ‘in de Slavische wereld wemelt het letterlijk van de Baba’s!’, waarbij ze ook andere onderzoekers en schrijvers aanhaalt die zich over het fenomeen hebben gebogen. Ze legt knappe kruisverbanden tussen de mythologische figuur en haar personages. In deel een wordt de schrijfster nauwelijks ‘toegang tot haar moeders territorium gegund. Haar moeder vereenzelvigt zich met haar huis, (…)’ In deel twee hebben Pupa en Beba ‘met hun kinderen een traumatische relatie die zonder problemen als symbolisch kannibalisme zou kunnen worden opgevat.’ Alle hoofdpersonen in het boek staan model voor Baba Jaga of haar toegedichte eigenschappen.

    Deel drie is doorspekt met antropologische wetenswaardigheden over diverse volken. In aparte tekstblokken behandelt Ugrešić onderwerpen als moeder, vrouw, voeten, benen, de neus, het badhuis, klauwen, poppen, jongens, de kam, vogels, vuilnis, het ei. Aba Bagay merkt op dat de titel van Ugrešić’ boek kan terugverwijzen naar een archetypisch folkloristisch beeld, ‘maar er is ook de verklaring mogelijk dat het ei grofgezegd een symbool voor “vrouwelijke” creativiteit is.’ Dat Ugrešić ook zichzelf met Baba Jaga identificeert blijkt uit de passage: ‘Baba Jaga staat bekend als een “dissidente” een verworpene, een verstotene, een “oude vrijster”, een karikatuur en een verliezer. Maar desondanks is zij eenzaam noch alleen.’

    Joegonostalgie

    Dubravka Ugrešić (1949-2023) werd geboren in Kutina (Kroatië) in Joegoslavië. Vanaf 1996 woonde ze in Amsterdam, een stad die jeugdherinneringen bij haar opriep. Ze noemde zich een Joegoslavische schrijver. Aan de Universiteit van Zagreb studeerde ze vergelijkende literatuurwetenschap en Russische taal- en letterkunde en bleef er na haar studie werken. In 1991 viel Joegoslavië uiteen en brak de burgeroorlog uit met hevige etnische conflicten. Ugrešić keerde zich daar in felle bewoordingen publiekelijk tegen en bekritiseerde zowel het Servische als het Kroatische nationalisme. Daardoor werd ze gezien als een verrader, een vijand van het volk, door collega-schrijvers, politici en journalisten. Ze werd voor heks uitgemaakt en bedreigd. In 1993 verliet ze Kroatië. Ze publiceerde in Europese en Amerikaanse kranten en tijdschriften en doceerde aan Europese en Amerikaanse universiteiten. Haar boeken, waarmee ze prestigieuze prijzen won, zijn vertaald in 27 talen. 

    Veel essays en autobiografische teksten van Ugrešić gaan over Europa, voormalig Joegoslavië, nationalisme en hedendaagse verschijnselen zoals mode. In Het tijdperk van de huid bespreekt ze onder meer tatoeages, de toestand in de academische wereld en in de media, de verstrengeling tussen criminaliteit en politiek en het statusverschil tussen man en vrouw. Ugrešić ziet, duidt en vertelt vanuit eigen waarnemingen en gevoelens. Altijd origineel en kritisch, met scherpe blik, mededogen en humor. Ze heeft een nostalgische kijk op Joegoslavië. In Europa in Sepia (2015) schrijft ze: ‘Maar pas toen Joegoslavië definitief ten onder ging, kreeg mijn neurose een officiële naam: joegonostalgie, met als nadere omschrijving: politieke sabotage van de nieuwe Kroatische staat. Zelf kreeg ik het etiket opgeplakt van “joegonostalgica”, lees: “verraadster”.’ De collectieve geschiedenis en daarmee haar persoonlijke herinneringen werden uitgewist. 

    Het leed van vrouwen

    Op de laatste pagina’s van Baba Jaga legde een ei benoemt Ugrešić het leed van vrouwen in de wereld, de ongelijkheid, de onderdrukking door mannen. ‘Want stelt u zich eens voor dat de vrouwen (…) de Baba Jaga’s van deze wereld, naar het zwaard grijpen dat onder hun hoofd ligt, en erop uit trekken om alle openstaande rekeningen te vereffenen? Voor elke keer dat ze in hun gezicht werden geslagen, dat ze werden verkracht, beledigd, gekwetst en geschoffeerd, voor elke keer dat ze in het gelaat werden gespuwd?’ Mythes of niet, de werkelijkheid is bij Ugrešić nooit ver weg. 

     

     

  • Oogst week 14 – 2024

    Baba Jaga legde een ei

    ‘In het begin vallen ze u niet op…’ Zo begint Baba Jaga legde een ei van Dubravka Ugrešić (1949-2023). Daarna heeft ze het over afgezakte kousen, muizenpasjes, opgedroogde appeltjes, een gerimpelde huid, een nek als van een kalkoen en meer van die genadeloze typeringen van ‘kleine lieve oude vrouwtjes’.
    Baba Jaga is in de Slavische mythologie een heks, een wilde vrouw met magische krachten, een bosgeest. Haar hut staat op kippenpoten en ze kidnapt kinderen.

    Baba Jaga legde een ei bestaat uit drie delen. In het eerste bezoekt de ‘ik’ haar moeder in Bulgarije die last heeft van toenemende ouderdomsgebreken. In het tweede veroorzaken drie oude vrouwen in een Tsjechisch kuuroord magische gebeurtenissen en in het derde deel laat Ugrešić een deskundige op het gebied van Slavische folklore de twee eerste delen analyseren vanuit wetenschappelijk-folkloristisch perspectief, doorspekt met talloze weetjes over Baba Jaga. Zo verbindt Ugrešić de verschillende verhaallijnen, eigenzinnig, humorvol en soms ontroerend.

    Dubravka Ugrešić werd ooit zelf voor Baba Jaga uitgemaakt. Geboren in Joegoslavië vluchtte ze voor de oorlog in Kroatië die uitbrak nadat Joegoslavië uiteen was gevallen. Ze had een kritisch essay over het nationalisme in Kroatië geschreven, aanleiding voor collega’s om haar te beschimpen als landverraadster en Baba Jaga.

    Ugrešić woonde sinds 1996 in Amsterdam. Ze was literatuurwetenschapper en schrijfster van romans, verhalen, essays, columns en artikelen in Nederlandse en internationale kranten en tijdschriften. Ze doceerde aan Amerikaanse en Europese universiteiten. Haar werk is in meer dan dertig talen vertaald.

     

    Baba Jaga legde een ei
    Auteur: Dubravka Ugrešić
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2024)

    Van Allegaartje tot Zeebenen – Een niet zo gebruikelijk woordenboek

    Veel mensen hechten aan oude, mooie woorden, blijkt uit het zaterdagochtendprogamma De Taalstaat op Radio 1. Daarin kunnen luisteraars een ‘vergeetwoord’ indienen. Nelleke Noordervliet, beschermvrouwe van het Gezelschap van Geadopteerde Vergeetwoorden, opgericht door Frits Spits, keurt het woord al of niet goed. Duizenden in onbruik geraakte of ‘ouderwetse’ woorden zijn inmiddels geadopteerd.

    Dat de taal verandert weet ook journalist en scenarioschrijver Rogier Proper (1943). Zeker vandaag de dag gaat het snel. De verengelsing heeft al lang toegeslagen en op internetfora en -platforms doet het er vaak niet meer toe of iemand zich duidelijk uitdrukt. Punten, komma’s en hoofdletters spelen nauwelijks een rol, een lidwoord is niet belangrijk. Op mobiele telefoons vieren simpelheid en snelheid hoogtij. Jongeren en ouderen verstaan elkaar niet altijd, merkte Proper. Al heel lang bestaande woorden worden niet begrepen door jonge mensen en al helemaal niet gebruikt. Vice versa overigens. Weten jongeren wat bombarie betekent, of allegaartje? Of wat een telefooncel is? Of dat ze hunkeren naar aandacht?

    Proper heeft veel van deze woorden opgetekend in zijn Van Allegaartje tot ZeebenenEen niet zo gebruikelijk woordenboek. Hij verzamelde bijzondere, mooi klinkende en inspirerende woorden en geeft er een toelichting bij. Het boekje is een verhelderend naslagwerk.

    Proper publiceerde eerder het Jaap Knasterhuis Groot Filmwoordenboek (voor jeugdigen) en een handboek voor scenarioschrijvers: Kill Your Darlings. Hij was ook radiomaker, schreef kinderboeken en ontwikkelde honderden scenario’s. Nog steeds houdt hij zich met tv-series bezig.

    Van Allegaartje tot Zeebenen - Een niet zo gebruikelijk woordenboek
    Auteur: Rogier Proper
    Uitgeverij: Balans (2023)

    Schuilhuisje

    De in Nederland wonende en werkende Lena Kurzen (1982) komt oorspronkelijk uit Duitsland. Die kwam naar Nederland om logica te studeren en ook promoveerde die er als logicus. Op de website Papieren helden schrijft die korte verhalen en op Shortreads kleine verhaaltjes naar aanleiding van een nieuwsbericht. Schuilhuisje is diens debuutroman.

    Een man van in de vijftig en zijn jongere vrouw lijken gelukkig samen. De coronapandemie heerst, waardoor ze allebei thuis werken en hele dagen bij elkaar zijn. Echt contact hebben ze echter niet, hun gedachten en gevoelens houden ze voor zichzelf. Dat kan niet anders dan tot misverstanden en onbegrip leiden. De vrouw wil graag een kind, de man is vaag over wat hij wil, de liefde voor zijn bonsaiboompje lijkt groter. Hij mist zijn zoon die hij niet meer ziet. Samen heeft het stel cavia’s, welke beestjes de dupe worden van hun onuitgesproken strijd.

    In het ik-perspectief vertelt de vrouw het verhaal, met soms zulke overdrijvingen dat het hilarisch wordt. Ze komt erachter dat haar man een dubbelleven leidt. Ontkenning en nieuwsgierigheid volgen, ontmaskering kan niet uitblijven.

    Schuilhuisje
    Auteur: Lena Kurzen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2024)
  • En Danijel is bang

    En Danijel is bang

    Drago Jančar (1948) werd in de jaren zeventig gearresteerd om zijn kritische houding tegenover het communistisch bewind en later gedwongen in het leger te dienen. Pas na het overlijden van Tito voelde hij de vrijheid om te schrijven. Tegenwoordig wordt hij als een van de belangrijkste hedendaagse Sloveense schrijvers beschouwd. Hij is ook actief als essayist, toneel- en scenarioschrijver. In Slovenië staat hij bekend als maatschappelijk geëngageerd en om zijn kritische houding tegenover de politiek.

    Bij het ontstaan van de wereld speelt zich af vijftien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Maribor, toenmalig Joegoslavië, tijdens het bewind van Maarschalk Tito, in de tijd van de Koude Oorlog. Bij de 11-jarige puber Danijel ontstaan in de lente nieuwe gevoelens. ‘Elke ochtend breekt uit de stilte het luide geraas van de wereld naar buiten. Zo ontstaat de wereld.’ Hij wordt zich voor het eerst bewust van het leven en noemt dat het ontstaan van de wereld. ‘Maar het is wel zo dat ogen die net ter wereld komen op een andere manier kijken, want ze zien alles voor het eerst.’

    En juist dan trekt de jonge, mooie Lena beneden in, in het huis waar Danijel met zijn ouders woont. Hij is totaal door haar gebiologeerd en houdt haar scherp in de gaten. Lena begint een verhouding met loodgieter Pepi en later ook en tegelijk met Ljubo. Dat loopt niet goed af. Pepi wordt dood in zijn werkplaats gevonden, waarna Lena en Ljubo worden gearresteerd. Eerst bekent Ljubo dat hij schuldig is aan de dood van Pepi, later neemt Lena die schuld op zich.

    Partizanen en papen

    Tegen de achtergrond van dit liefdesdrama maakt de lezer kennis met het leven in een dorp in een deelrepubliek van Joegoslavië dat nog steeds aan het opkrabbelen is na het einde van de oorlog. De mensen zijn druk bezig het hoofd boven water te houden: werken, het dorp onderhouden, eten, een nieuw bestaan opbouwen.
    De oorlog speelt nog een grote rol. Danijels vader heeft in een concentratiekamp gezeten en is lid van de socialistische Strijdersbond. Hij geeft af op alles wat Duits is of ermee te maken heeft, zoals zijn buurman die voor de Duitsers heeft gevochten en zijn been is kwijtgeraakt. Er wordt veel gedronken door de Partizanen en de Strijdersbond die vaak bij Danijel thuis ‘vergaderen’. Er worden sterke verhalen verteld over Dolfi (Hitler), er wordt ruzie gemaakt, maar altijd wordt het ook weer goed gemaakt.

    Danijels moeder is anders: zij is zachtmoedig, is trouw katholiek, heeft Danijel laten dopen. Pater Alojzij heeft met zijn catechese en Bijbelverhalen veel invloed op Danijel. Vader moet niets van de clerus hebben. De strijd tussen de papen en de strijders, de tweedeling in de maatschappij, speelt een grote rol in deze roman. Danijel wordt door de twee kampen regelmatig verscheurd: dan moet hij op school weer het socialistische Pionierslied zingen en de beloften doen die daarbij horen (onverschrokken zijn, beleefd, eerlijk, oprecht) en wordt hij middenin de nacht uit zijn bed gehaald om op zijn accordeon te spelen als de Strijders de oude Partizanenliederen zingen, en dan, even later, gaat hij voor het eerst naar de communie en vergeet hij het belangrijkste woord uit te spreken (Amen) waardoor hij de hostie mist.

    Door al die verhalen van de partizanen en die van de pastoor uit de bijbel droomt Danijel veel en heftig: over oorlog, bommen, dood en verderf. Dat wordt nog eens verhevigd door de diepe angst die er in die jaren in Slovenië heerst voor een nieuwe oorlog, met atoomwapens. ‘Zijn rust en vrede niet meer dan een periode tussen twee oorlogen?’ En Danijels vader zegt: ‘Oorlogen zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn.’

    Danijel vereenzelvigt zich met film- en andere helden uit boeken, de bijbel en de partizanen. Zijn broer, die marinier is, wordt ook op een voetstuk gezet. En steeds is het conflict tussen Onze-Lieve-Heer en de Strijdersbond aanwezig. ‘Waarom winnen we alleen maar in een oorlog die voorbij is of in films en boeken en de bijbel? In dit leven gebeurt het nooit.’
    Tito regeert nog met harde hand. Zijn milities (de Veiligheidspolitie) voeren nog steeds zuiveringen uit: Danijels buren (de eenbenige ex-tankcommandant) wordt met zijn gezin, inclusief Danijels vriend, weggevoerd, evenals professor Fabijan, die Danijel veel heeft geleerd over de grote Russische schrijvers, geschiedenis, de klassieke wereld en oorlog en vrede, maar die tijdens de oorlog Duitse lessen bleef geven.

    De boodschap is duidelijk

    Danijel realiseert zich na alle gebeurtenissen in de lente, de zomer en de herfst waarin de roman zich afspeelt ‘dat alles draait om de liefde, het grote verhaal van het leven, dat zich sinds het ontstaan van de wereld in ontelbare varianten afspeelt’. En Jančar verzucht: ‘Ach, die kinderjaren. Waarin je de gruwelijkste dingen moet zien om te weten wat schoonheid is, angst moet voelen om te leren wat moed is en alle rampspoed van de wereld moet ervaren om jezelf geestelijk te verrijken’.

    De roman is associatief en behoorlijk breedsprakig geschreven: al die dromen en al die natuur! En al die gebeurtenissen in het dorp: ze geven aan dat de wereld doordraait, maar ook dat ze er niet toe doen. Waarom dan toch verteld. Wat voor nut heeft de beschrijving van de relatie tussen Lena en haar twee minnaars en de fatale afloop daarvan, misschien om een stukje spanning in de roman te krijgen? En wat is het belang van de beschrijving van de verdwijning van Danijels broer als hij een vechtpartijtje heeft verloren? Waarom wordt Danijel opeens een ziener genoemd? Jančar haalt er veel bij aan waardoor de samenhang een beetje zoek raakt. De boodschap is evengoed duidelijk: Jančar waarschuwt voor oorlog en dat doet hij goed en terecht. Dat lijkt ruim voldoende als thema. Meer heeft hij niet nodig. Hij verwoordt dat mooi in de angst van Danijel in een aftelrijmpje:
    ‘Ben je naar de tuin gegaan?
    Heb je daar de dood zien staan?
    En was je bang?’

     

     

  • Stuivertje wisselen

    Stuivertje wisselen

    Droom en werkelijkheid schuiven in de nieuwe roman van de Albanese schrijver Ismail Kadare (1936) over en door elkaar. Het Moskou van Stalin en Boris Pasternak, het Tirana van Enver Hoxha – die wel de Albanese Stalin wordt genoemd – en van Kadare zelf. Heden en verleden doen aan stuivertje wisselen. ‘Een mysterieus telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak’ luidt de ondertitel van Onenigheid aan de top. 

    We schrijven 1934 wanneer Stalin Pasternak belt, en zoveel jaar later, 1964 als Hoxha met Kadare belt. Het ene gesprek (Stalin en Pasternak) roept bij de inmiddels 86-jarige Kadare herinneringen op aan een ander, namelijk het gesprek tussen hem en Hoxha. Kadare hoort over het telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak in 1959, wanneer hij in Moskou studeert. Een gesprek dat op de achtergrond blijft sudderen en doorwerken, tot hij er in 2022 de vorm voor vindt om het op te schrijven. Overigens eigenlijk meer een essay dan een roman.

    Telefoongesprekken met Stalin

    Het was niet uitzonderlijk dat Stalin naar de telefoon greep. We kennen het fenomeen ook uit bijvoorbeeld de biografie van de Russische schrijver Michail Boelgakov, de dag na de zelfmoord van Majakovski in 1930. De Russische auteur vermengde trouwens in zijn meesterwerk De meester en Margarita op een soortgelijke manier als Kadare fictie met werkelijkheid, twee steden en tijdsperiodes. In Boelgakovs geval Moskou in de tijd van Stalin en het Jeruzalem in de tijd van Jezus. Kadare noemt Boelgakov terloops en gaat verder op diens gesprek met Stalin niet in.

    Kadare schrijft over de drie minuten die het telefoongesprek duurde waarin Stalin aan Pasternak vroeg wat hij van Osip Mandelstam vond en Pasternak het niet onvoorwaardelijk voor de dichter opnam. De auteur probeert te achterhalen wat er waar is van de dertien versies die over het gesprek de ronde doen en waarom die drie minuten hem zo intrigeren. Afgezien van het feit dat het natuurlijk ook met zijn eigen levensloop te maken heeft.

    Dertien versies

    Het grootste deel van het boek, dat soepel is vertaald door Roel Schuyt, bestaat uit het uitpluizen van die versies. Op grond van de archieven van de KGB, de memoires van Galina Nikolajevna von Meck, van Nikolaj Vilmont, een vriend van Pasternak, van Pasternaks vrouw, van de dichter Sergej Bobrov, Isaiah Berlin en anderen.
    Op z’n best zijn het interessante beschouwingen. Vooral de meer uitgewerkte hoofdstukken zijn geslaagd. Dat zijn de stukken waarin Kadare zich inleeft in de gemoedstoestand van Pasternak. Steeds dichter nadert hij de kern. De cirkels sluiten zich gaandeweg steeds nauwer, van buiten naar binnen, naar de naaste familie en vrienden. Een groot verschil tussen de versies wordt op die manier duidelijk: de vrouw van Pasternak, Zinaida, schrijft in haar memoires (1993) bijvoorbeeld tot twee maal toe dat haar man aan de telefoon rustig bleef, in tegenstelling tot wat in de andere versies wordt beweerd. Zinaida is volgens Kadare ‘een uiterst paradoxale figuur: ze is enerzijds zijn trouwe echtgenote en anderzijds een onderdeel van de Sovjet-Unie’.
    De koelste en afstandelijkste beschrijving van wat er gebeurde, is volgens Kadare afkomstig van Nadezjda Mandelstam, ‘de vrouw van de onfortuinlijke dichter’. Koel, vooral richting Pasternak: waarom was hij niet voor haar man opgekomen?

    De geschiedenis opgerekt

    Vervolgens rekt Kadare de cirkels weer wat op, tot de syfilis die Lenin bij een Zwitserse prostituee zou hebben opgelopen aan toe. Het lijkt ver verwijderd van zijn eigenlijke onderzoek, maar je moet als lezer niet vergeten dat het ook Pasternak was die geloofde in keerpunten in de geschiedenis, of in wat hij kwesties van leven en dood noemde. En die ziekte van Lenin zou er zo een kunnen zijn. Magische verbanden zijn het, zoals Kadare die ook beschreef in zijn roman Kroniek in steen, waarvan tegelijkertijd met deze roman een nieuwe uitgave is verschenen in de Perpetua-reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep.
    Een overeenkomst tussen beide boeken zit in de aandacht die Kadare schenkt aan de noodlotszwangere Griekse mythologie. Bijvoorbeeld met Helena van Troje, degene die net als Pasternak zweeg.

    De twee lijnen van het boek, de reconstructie van het telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak en de herinneringen die dat bij Kadare oproept aan zijn gesprek met Hoxha, zijn mooi uitgewerkt. De derde lijn, de verwerking hiervan, loopt als een wat dunnere draad er doorheen. Een dunne, maar daarover is het misschien beter niet (te snel) te oordelen. Dat kan hooguit een betrokkene zelf, zoals Boelgakov, die zijn onmacht en lafheid beschrijft. Misschien is de tijd voor een al te diepgravend zelfonderzoek bij Kadare nog niet rijp. Of, zoals hij zelf schrijft: ‘Jullie moesten eens weten hoe dat voelt’, zo’n gesprek, en: ‘Oordeel niet te snel’. Dat moet voorlopig genoeg zijn.

     

     

  • Miniaturen uit ballingschap, voor langzaam lezen

    Miniaturen uit ballingschap, voor langzaam lezen

    ‘Er zijn twee soorten vluchtelingen, met en zonder foto’s,’ citeert Dubravka Ugrešić een Bosnische vluchteling op een van de eerste pagina’s van Het museum van onvoorwaardelijke overgave. In het oorspronkelijk in 1997 verschenen boek verweeft Ugrešić essay met fictie, het verleden met het heden. De boventoon voeren haar ervaringen van ballingschap en herinneringen aan Joegoslavië, haar land van herkomst dat er niet meer is. De heruitgave is nu ongewild actueel door de oorlog in Oekraïne, maar Ugrešićs verhalen bezitten een tijdloze kwaliteit die de bundel uittilt boven de tijd en de context waarin ze geschreven zijn. Mensen die op een of andere manier losraken van het leven dat ze gewend zijn en gedwongen zijn zich te heroriënteren in een minder vertrouwde wereld zijn van overal en altijd.

    Fragmenten en flarden

    Net zoals in haar andere essays, romans en verhalen, richt Ugrešić zich op het persoonlijke, op fragmenten en flarden uit het verleden, dat wat blijft en beklijft. Op bezoek bij haar bejaarde moeder in Zagreb bladert ze door oude fotoalbums en herinnert zich weer details die buiten haar weten om ergens in haar geheugen zijn genesteld. Zo is er de ‘Singervorstin’, een naaister, die vanuit het perspectief van de kleine Dubravka één was met haar mechanische naaimachine. Er zijn schoolboeken uit de tijd, toen alle volkeren van Joegoslavië broeders met elkaar waren – een opgelegde nationale eenheid, die ze eind jaren tachtig wreed uit elkaar zag spatten. Het kleine en particuliere werpt licht op de wereld erachter. Ze geeft een stem aan het verleden van haar moeder, die als jonge twintiger de grens overstak vanuit Bulgarije, trouwde en bleef. Als kind kreeg Ugrešić te horen dat ze als half-Bulgaars ‘anders’ was en daarom er niet helemaal bij hoorde. Iedereen was toch niet helemaal gelijk.

    Dat ‘anders’ is prominent aanwezig in Het museum van onvoorwaardelijke overgave. Voor Ugrešić is ballingschap een gegeven: ze schrijft in het Kroatisch, maar ze is gevormd door het voormalig Joegoslavië, niet door een land dat Kroatië heet. In het nawoord bij de heruitgave constateert ze dat ze zich tegenwoordig meer een Nederlandse dan een Kroatische schrijver voelt: ze woont straks dertig jaar in Amsterdam. Dat ze internationaal bekender is dan in Nederland, zegt uiteraard meer over het Nederlandse literaire klimaat dan over de schrijfster en haar werk dat in tientallen talen is vertaald. Voor haar romans en essays heeft ze meerdere internationale prijzen gewonnen, waaronder de ‘Amerikaanse literatuur-Nobel’, de Neustadt International Prize for Literature in 2016.

    Een blijvende tijdelijkheid

    Of ze nu in Berlijn is of in de Verenigde Staten waar ze aan een universiteit lesgeeft, ze ziet om zich heen mensen die zo zijn zoals zij zelf: gegrepen door een blijvende tijdelijkheid, zonder een vaste verblijfplaats, of, zoals ze in een interview zegt, ‘transnationaal’ of ‘post-nationaal’, mensen wiens identiteit niet bepaald wordt door hun plaats van herkomst. ‘Het enige wat ik tegenwoordig bezit, is een koffer,’ schrijft ze. Die laconieke uitspraak staat in een scherp contrast met haar herinneringen aan haar volwassen leven in Zagreb, waar ze lesgaf aan de universiteit. Als ze haar hechte groep vriendinnen van toen beschrijft, laat ze bovennatuurlijke dingen gebeuren, alsof het gewone, vrolijke leven van toen waarlijk op een ander planeet en in een ander tijdperk plaatsvond.

    Haar heden is de Chinese buurman in Berlijn die lukraak nieuwe bestemmingen zoekt op de kaart, alsof de wereld een groot pingpongspel was. Veel landen vindt hij gewoon ‘shit’. Het is ook de vriend die haar een kaart van Joegoslavië geeft, waarop ze haar oude wereld in het klein terugvindt. ‘Ik ben een schipbreukeling, ik kom uit Atlantis,’ zegt ze tegen haar vriend. Als ze klaagt dat ze eenzaam is, zegt een andere vriend: ‘In Berlijn is iedereen eenzaam. Om een of andere reden heeft nooit iemand tijd.’ Een enkele keer ventileert Ugrešić haar eigen cultureel onbehagen, zoals wanneer ze verslag doet van haar Indiase huisgenoten op een Amerikaanse campus. De drie jonge vrouwen nemen zich alle tijd in de badkamer en maken lawaai in de keuken, die ze bezetten met hun Indiase gerechten. Gelaten en verongelijkt volgt ze hun doen en laten: dat ze een huis met hen deelt vindt ze hoe dan ook een administratieve fout, want zij is docent en de drie vrouwen zijn ‘pas’ studenten.

    Maar meestal schetst ze rake portretten van mensen die vaak gedwongen en soms vrijwillig niet binnen de nauwgezette grenzen van één identiteit of herkomst passen. De schitterendste parels zijn zeer compact. Neem het anekdotische verhaal van vijftien regels, waarin Ugrešić in een Italiaans restaurant in Berlijn in het Kroatisch aangesproken wordt door een Iraanse ober met een Bosnisch accent. Om in het restaurant te kunnen werken doet hij alsof hij Italiaans is. Zulke miniaturen zijn er om langzaam gelezen te worden en op je te laten inwerken. De strekking ervan echoot nog lang na.

     

  • Over rattenvangers en dwangwilligen

    Over rattenvangers en dwangwilligen

    De term ‘dwangwillige’ vat treffend het leven samen van de hoofdpersoon uit De reparatie van de wereld. Georg Kempf representeert de man op straat die door de ideologieën van zijn tijd opgetrommeld wordt, om nu eens te dansen naar de pijpen van de één en dan weer die van de ander. Zijn lot is te leven ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Centraal-Europa.
    De Kroatische schrijver Slobodan Šnajder (1948) brak met De reparatie van de wereld internationaal door. Pas het afgelopen decennium legde hij zich toe op romans, terwijl hij al sinds 1966 toneelteksten en korte verhalen publiceert in zijn thuisland. Voor de Nederlandse vertaling van het boek zorgde Roel Schuyt, een bijzonder veelzijdige vertaler, die reeds een keur aan Balkanliteratuur toegankelijk maakte.

    Rijkgeschakeerd

    De reparatie van de wereld schetst een weids panorama van Centraal-Europa halverwege de vorige eeuw. Het is een rijk boek. Soms hult het zich in de gedaante van een geschiedenisles, een andere keer draagt het de trekken van een sprookje, dan weer neigt het naar licht experimenterend vertellersproza. In elk geval kan dit boek niet worden gezien als een traditionele historische roman of een familiesaga, en wie er op die manier aan begint zal bedrogen uitkomen. De belangrijkste verteller is de zoon van de protagonist. Hij vervult een opvallende rol. Niet alleen zet deze vertelinstantie vanuit de coulissen de schijnwerpers op het leven van zijn vader, Georg Kempf, ook duikt hij zelf meermaals op, onder andere als ongeborene. Hierover later meer.

    Gejaagd door de wind

    De Kempfs zijn een familie van zogeheten Zwabische Duitsers, woonachtig in het huidige Kroatië: hun stamvader zocht in de 18e eeuw zijn economische geluk elders, en vertrok van het Duitse platteland naar ‘Transsylvanië’. Deze aanduiding staat bij Šnajder voor een metafysische plaats. Transsylvanië is (in dit boek) nu eens Jeruzalem, dan weer de Goelags. Het gaat om een verre en mythische plek, soms voorgesteld als het beloofde land, een land van melk en honing, maar waar het leven uiteindelijk even hard blijkt als elders, zo niet harder. Gewone mensen worden telkens weer op pad gestuurd door figuren die de trekken dragen van de rattenvanger van Hamelen, die als verleidingskunstenaar in verschillende gedaantes optreedt gedurende de eeuwen. Hitler en Stalin behoren tot zijn meest grimmige verschijningsvormen. Transsylvanië staat voor het grootse idee dat volkeren in beweging brengt maar ook voor de teleurstellende realiteit die er vaak achter schuil gaat. De rattenvanger is de betoverende volksmenner die het idee verkoopt. Zowel het individu als de massa’s worden op deze manier op de been gebracht, een rode draad in Šnajders vertelling. Het raakt nauw aan één van de hoofdthema’s van het verhaal: de mens is een speelbal van de omstandigheden. Ook wie zelf niet in de val van de listige fluitspeler trapt, wordt toch meegevoerd ‘als een paardenbloempluisje door de wind van de geschiedenis’. De reparatie van de wereld presenteert historische gebeurtenissen dus tegen de achtergrond van een gruwelijk sprookje.

    Opgedrongen identiteit

    De 18e-eeuwse voorvader van de Kempfs belandt na een reis vol ontberingen op zijn bestemming in Slavonië, een Kroatische landstreek. Het gaat zijn nakomelingen aanvankelijk goed en Georg voelt zich er thuis, totdat de Nazi’s in Duitsland aan de macht komen en de Tweede Wereldoorlog ontketenen. Vanaf dan krijgt Georg Kempf een nationale identiteit aangemeten, die hem niet past: hij is ineens een ‘Volksduitser’. Dit keurslijf van de ideologische identiteit is het tweede grote thema van het boek. Na de oorlogsjaren schrijft de hoofdpersoon een zelfkritiek, een bekentenis, die hij echter meteen weer verbrandt: ‘[…] ik zou graag het gevoel hebben ergens bij te horen, zonder mezelf daarvoor te hoeven forceren. Als ik dat wel moet, zullen mijn twijfels sterker zijn dan het gevoel ergens bij te willen horen. Wel weet ik goed dat de eenzame getuigen van belangrijke gebeurtenissen en grote maatschappelijke omwentelingen altijd de achterdocht wekken van hen die meer weten.’

    Terwijl de oorlog zich voor Duitsland ongunstig ontwikkelt, strekt de gewapende SS de grijpgrage handen naar Georg uit, die het stempel ‘freiwillige Gezwungene’ krijgt. Dwangwillige dus in de volksmond. Hierdoor rolt hij rond 1943 zijn ‘kleine Poolse oorlog’ in. Overigens strijdt Kempf niet alleen voor de Duitsers. Na enige tijd deserteert hij en nog wat verderop treedt hij toe tot een partizanengroep onder Sovjet-commando, wederom zonder eigen ideologische overtuiging.
    Na de oorlog verdwijnen de opgelegde identiteiten niet, integendeel; Georg kan nooit het persoonlijke en publieke leven leiden dat hij eigenlijk wil. Dat geldt overigens ook voor zijn latere vrouw Vera, zelf een communiste in hart en nieren. Allebei staan ze onder het waakzaam oog van Stalin en Tito maar ook van hun omgeving en hun eigen geweten. Het najagen van persoonlijke dromen of het kiezen van een eigen levenspad, daarvoor is geen ruimte.

    Hybride insteek

    Een opvallend vormelement van het boek is de afstandelijke toon waarmee de gebeurtenissen worden beschreven. De verteller, zelf behorend tot de tweede generatie (vanaf de oorlog) en dus niet gevangen binnen hetzelfde decors als zijn vader, meet zich een licht ironische stem aan en relativeert het verhaalde met veelvuldige interrupties. Psychologisch wordt Georg Kempf eigenlijk weinig ingekleurd en hij voelt daardoor niet aan als een traditioneel romanpersonage. Zijn persoonlijke lot blijft ook in de tekst ondergeschikt aan de hem toebedeelde rol, namelijk de lezer door de geschiedenis loodsen. Hij representeert de gewone man in ongewone omstandigheden. Deze insteek geeft Šnajder tevens de ruimte om allerlei historische feitjes op te nemen in het relaas. Aanvankelijk kan dit onbeholpen overkomen en lijkt het alsof de auteur nogal opzichtig non-fictie bedrijft in romanvorm. Geleidelijk echter blijkt deze benadering iets nieuws op te leveren, een wijze van vertellen die tegelijk een historisch tijdsbeeld biedt vol accurate details maar daarnaast ietwat experimenteel ingestoken literaire fictie is. Juist het samenspel ervan geeft Šnajders proza aantrekkingskracht. Eén van de mooiste voorbeelden vormen de kaderteksten halverwege het boek. Daarin geeft de verteller vanuit de zijnstoestand van ongeborene, parallel aan de hoofdtekst, commentaar op de wederwaardigheden van zijn potentiële vader en moeder. Šnajder gebruikt hier dus twee vertelframes tegelijk, waarbij de lezer de volgorde van lezen bepaalt. Dit geeft een heel fraai effect. Nog mooier wordt het in het schitterende slot, wanneer de auteur diverse doden een woordje laat meespreken rondom het graf van Georg Kempf.

    Heelwording

    Tegen het einde van zijn leven gaat de hoofdpersoon zichzelf zien als ‘iemand die in alle opzichten tekortschiet’. Onder Hitler noch onder Stalin voldoet hij aan de verwachtingen. Zijn vlak na de oorlog gesloten huwelijk met Vera, waarnaar vurig werd toegeleefd door de ongeboren verteller uit de kaderteksten, loopt binnen een paar jaar al stuk. Na de echtscheiding begeven man en vrouw zich allebei naar een andere gaarkeuken om te lunchen. Van Georgs wens om te dichten komt weinig terecht, het blijft aanmodderen in de marge. Een onvervuld en onopvallend leven dus, van een individu dat zich staande probeert te houden in een wereld waarop hij geen vat krijgt. Hierover gaat de titel van het boek. ‘De reparatie van de wereld’ verwijst naar een Joods idee: herstel van de schepping vindt plaats wanneer de vonken van licht, nu opgesloten in alle afzonderlijke mensenwezens, zich weer verenigen tot de oertoestand van het Ene en Enige licht. Kempf krijgt deze theorie uitgelegd door zijn vriend Mordechai, iemand die hij ontmoet terwijl ze achter de linies zwerven in Polen. Wrang genoeg wordt deze Joodse theosoof kort daarop doodgeslagen door een lokale roversbende. Alle partijen, op de Russen na, hadden het op de Joden gemunt, constateert de verteller droog. George Kempf overleeft de oorlog wel maar bereikt nooit een staat van heelheid. Met dit panoramische boek brengt Slobodan Šnajder een ode aan de gewone man, die steeds maar weer als gedwongen vrijwilliger op het toneel van de geschiedenis wordt geplaatst.

     

     

  • Oogst week 48 – 2020

    De reparatie van de wereld

    De Kroatische auteur Slobodan Šnajder (1948) won in zijn vaderland verschillende literaire prijzen, maar is in het Nederlandse taalgebied nog onbekend. Daar komt nu verandering in, want zijn grote historische roman De reparatie van de wereld is door Roel Schuyt naar het Nederlands vertaald.

    Deze roman draait om Vera en Kempf, die elkaar na de Tweede Wereldoorlog ontmoeten, een zoon krijgen en voor elkaar bestemd lijken te zijn. Tijdens de oorlog vocht Kempf echter bij de SS, terwijl Vera als partizaan ten strijde trok tegen de nazi’s. Hoewel ze zielsveel van elkaar houden, dreigt het verleden hen in te halen.

    De reparatie van de wereld
    Auteur: Slobodan Šnajder
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Jaguarman

    Raoul de Jong (1984) was columnist voor onder meer NRC Handelsblad en Het Parool. Voor zijn boeken won hij meerdere prijzen, zo werd De grootsheid van het al het Beste Rotterdamse Boek.

    Recent kwam Jaguarman uit, waarin De Jong zijn reis naar Suriname beschrijft. Nadat hij op volwassen leeftijd zijn vader ontmoet, die hem vertelt over een voorouder die zichzelf kon veranderen in een jaguar, raakt De Jong gefascineerd door het land. Tijdens zijn reis ontmoet hij Surinaamse auteurs en helden. Hoewel Jaguarman gebaseerd is op verhalen uit De Jongs familie en wat de mensen in Suriname hem vertelden, is het boek geschreven als een avonturenroman.

    Jaguarman
    Auteur: Raoul de Jong
    Uitgeverij: Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

    De Vriendt keert terug

    Jeruzalem, 1929, er wordt een aanslag gepleegd op Jitschak Jozef de Vriendt, een Thora-geleerde en schrijver. Hij overleeft dit niet. De Joodse internationale media geven de Arabieren vrijwel meteen de schuld, maar de baas van de geheime dienst, Irmin, gelooft dat niet. Hij start een onderzoek dat wordt belemmerd door religie, politiek en tradities van duizenden jaren oud.

    Hoewel deze roman in 1933 voor het eerst werd gepubliceerd, zijn de conflicten nog steeds actueel. Dat is het verhaal van De Vriendt keert terug, geschreven door Duitse auteur Arnold Zweig (1887-1968). Zweig woonde onder meer in Zwitserland, Frankrijk en Palestina. Jantsje Post en Lilian Caris zijn verantwoordelijk voor deze nieuwe vertaling van De Vriendt keert terug.

    De Vriendt keert terug
    Auteur: Arnold Zweig
    Uitgeverij: Cossee
  • Ieder op zijn manier

    Ieder op zijn manier

    In het Nederlandse taalgebied zijn de naoorlogse schrijvers bij wie de Tweede Wereldoorlog de rode draad door hun werk was – herinner u Harry Mulisch’ uitspraak ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog – vrijwel uitgestorven. Maar elders in Europa lopen er nog steeds auteurs rond die nooit klaar zullen zijn met die vijf verschrikkelijke jaren. Zo verscheen bij Literair Nederland in 2018 een recensie van Die nacht zag ik haar, een roman van de Sloveen Drago Jančar (1948), een liefdesgeschiedenis tegen de achtergrond van een gruwelijke oorlog waarin de auteur zich toespitste op de morele dubbelzinnigheid van die tijd en de flinterdunne grens tussen goed en kwaad.

    Sinds eind 2019 is er nieuw werk van Jančar beschikbaar in het Nederlands: En ook de liefde heet zijn jongste telg. Het boek haalde de longlist van de Europese Literatuurprijs en zal voor wie Die nacht zag ik haar las, geen grote verrassing zijn. Ook nu weer speelt het boek zich af tijdens de oorlog in Slovenië en opnieuw is morele dubbelzinnigheid een belangrijk thema.

    In de openingsscène van En ook de liefde loopt Sonja, een jonge studente medicijnen uit het Sloveense Maribor, in het oorlogsjaar 1944 de SS-vrijwilliger Ludek – of Ludwig, zoals hij zich als zelfverklaarde Volksduitser en aanhanger van de Groot-Duitse gedachte liever laat noemen – achterna om te informeren naar het lot van haar geliefde Valentin, die per vergissing is gearresteerd door de Gestapo nadat hij werd gearresteerd in een afgelegen herberg waar hij helemaal niet hoefde te zijn.

    Tenminste, dat is de versie van het verhaal die Sonja aan Ludwig voorlegt, want in werkelijkheid is er wel degelijk iets aan de hand. En ook Ludwig ruikt onraad, maar is bereid om een oogje dicht te knijpen en Valentin te laten gaan. Maar voor wat hoort wat, en Ludwig ontpopt zich tot een seksueel roofdier, een Weinstein avant la lettre die van de omstandigheden profiteert om de bevallige Sonja te verkrachten. De seksuele uitbuiting zal voor haar trouwens niet ophouden, want als ze later naar Ravensbrück wordt gedeporteerd, wordt deze niet-joodse gedwongen om als ‘troostmeisje’ te werken. Het is een onderbelicht aspect van elk gewapend conflict, maar in oorlogstijd neemt seksueel geweld altijd toe en zijn vrouwen vaak loslopend wild voor bezetters. Sonja komt getraumatiseerd uit de oorlog en gaat gebukt onder de schaamte over haar verleden als gedwongen prostituee. Tot op het einde blijft het afwachten of er nog een weerzien kan volgen met Valentin en of de liefde overeind kan blijven.

    De nazi’s probeerden tevergeefs etnische orde te scheppen in de multiculturele Balkan. Later zou tijdens de oorlog van ex-Joegoslavië trouwens nogmaals blijken dat ‘etnische zuiverheid’ een waanidee is dat altijd in een bloedbad eindigt. Ze verloren aan het einde van de oorlog steeds meer terrein, maar hielden tot het bittere einde vast aan hun ideologie. In hun optiek waren ze immers idealisten, mensen die oprecht aan een betere wereld werkten:

    En nu de bommen vielen en het schijnsel van enkele branden zichtbaar werd, hield Ludwig Mischkolnig zichzelf met al zijn wilskracht voor dat hij slechts een onderdeel was van een groot volk dat zich tegen deze barbarij verdedigde, dat zijn wil deel uitmaakte van de totale wil van een gigantische macht die niet onder deze slagen zou bezwijken en te midden van het geloei van de sirenes die het noodlot aankondigde, stand zou houden.

    Anderzijds liepen er onder de partizanen ook sadisten rond, types die er plezier in hadden om te moorden of te martelen, ongeacht aan welke kant ze vochten, en na het vertrek van de bezetter ook onschuldige mensen te grazen namen. Maar ook rechtschapen mensen worden in een oorlog soms gedwongen tot misdaden, vaak om zichzelf of hun geliefden te beschermen. ‘Het was oorlog. Iedereen moest op zijn manier proberen te overleven,’ zegt een van zijn personages daarover. Het is heus niet zo eenvoudig om te zeggen wie ‘goed’ of ‘fout’ was tijdens de oorlog.

    Jančar verwoordt de absurde willekeur van het kwaad zeer treffend:

    Het kwaad is als een onzichtbare wolk die boven het aardoppervlak drijft en aftast waar hij de juiste bodem en het geschikte punt kan vinden om te groeien. Daar daalt hij neer en komen volken en landen met elkaar in conflict. Uiteindelijk breekt er oorlog uit en is niemand meer wie hij was of zou willen zijn. Er worden onschuldige mensen doodgeschoten, huizen vliegen in brand en hele steden veranderen in ronkende puinhopen.’

    Deze auteur beheerst zijn vak en schreef met En ook de liefde een meeslepende, strak gecomponeerde roman. Toch is de psychologie van het kwaad al overtuigender neergezet dan met het ietwat vlakke personage Ludwig Mischkolnig.
    Neem bijvoorbeeld de Fransman Jonathan Littell, die met De welwillenden een monumentale roman schreef en zijn lezers dwong om in het hoofd van SS’er Max Aue te kruipen. Of waarom niet De zaak 40/61, het non-fictieverslag over het proces tegen Eichmann waarin Harry Mulisch de banaliteit van het kwaad onderzocht. Keus te over voor wie zich in dit thema wil verdiepen.

     

  • Oogst week 43 – 2019

    En ook de liefde

    In zijn enthousiaste recensie over Die nacht zag ik haar van Drago Jančar, hier op Literair Nederland, eindigt Daan Pieters met de vraag ‘Mogen we de stille wens uitspreken dat vertaler en Balkanspecialist Roel Schuyt in de toekomst nog meer verborgen schatten bovenhaalt?’
    Roel Schuyt is in ieder geval wel weer de vertaler van een volgend boek van Drago Jančar, En ook de liefde. Daarin wordt een vrouw vanuit de Sloveense stad Maribor weggevoerd naar het concentratiekamp Ravensbrück. Zij betaalt hiermee voor de vrijheid van haar geliefde.

    In dit boek zet de schrijver ‘geweld en machtswellust, die een mens tot waanzin drijven, tegenover de liefde. En tegenover de wil om voor die liefde op te komen, tegen elk verval van menselijke waardigheid in’.

    Drago Jančar (1948) is een van de belangrijkste Sloveense schrijvers van dit moment. Hij is zijn leven lang politiek geëngageerd geweest en tot aan het einde van de jaren 70 tegengewerkt door het regime. Pas vanaf de liberalisering in het midden van de jaren 80 kreeg hij de kans zijn romans, korte verhalen en toneelstukken te publiceren .

     

     

    En ook de liefde
    Auteur: Drago Jancar
    Uitgeverij: Querido

    De dood van koning Arthur

    De verhalen over Koning Arthur en de Ronde Tafel zijn een van de meest bekende voorbeelden van de hoofse cultuur. Maar in De dood van koning Arthur, het sluitstuk van de 13e eeuwse driedelige cyclus, komt een wreed einde aan die mooie wereld van eeuwigdurende trouw, moed en liefde. De werkelijkheid blijkt minder ideaal.

    Hannie Vermeer-Pardoen heeft niet alleen dit boek uit de Oudfranse tekst vertaald, maar ook voorzien van een toelichting waarin zij de verbanden tussen deze tekst en de beide andere delen uit de cyclus duidt. Voor een goed begrip, – dat kwam al aan de orde in een gesprek dat Hans van Pinxteren en Andrea Kluitmann in 2012 met haar hadden -, vindt zij het belangrijk om oude teksten van historische context te voorzien. Ook nam zij een Lijst van eigennamen op.
    De dood van koning Arthur is deze maand bij uitgeverij IJzer verschenen.

    De dood van koning Arthur
    Auteur: onbekend
    Uitgeverij: IJzer

    Op de klippen

    Als u nog nooit iets van Jane Gardam (1928) hebt gelezen, wordt het misschien eens tijd. Bij uitgeverij Cossee is weer een nieuwe mogelijkheid verschenen om kennis te maken met het werk van deze gelauwerde en internationaal succesvolle schrijfster. Haar oeuvre omvat inmiddels meer dan dertig boeken, romans, verhalen en kinderboeken.

    In 2017 werd ze in Nederland bekend met de roman Een onberispelijke man uit 2004. Op de klippen verscheen al in 1978, Jane Gardam behaalde er toen de shortlist van de Man Booker Prize mee.

    Op de klippen speelt in de jaren 30 aan de Engelse kust. Margarets wereld verandert als er een nieuw dienstmeisje komt inwonen, met alle gevolgen van dien.
    ‘De keurslijven gaan af en het leven van deze stijve Engelsen trilt op zijn grondvesten. Hoe blijf je jezelf, en hoe ver ga je wanneer je wordt meegesleurd in het verlangen naar een ander leven?’
    Laat het maar aan Gardam om dit te beschrijven!

     

     

    Op de klippen
    Auteur: Jane Gardam
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee
  • Oogst week 14

    Asja en de astrologe

    Deze week in de oogst drie vertaalde romans en wel vanuit het Bulgaars, Amerikaans en Russisch en reisverhalen van een Nederlandse auteur.

    De Bulgaarse journaliste en schrijfster Ina Vălčanova, won met haar derde roman Asja en de Astrologe in 2017 de EU-Literatuurprijs. Een boek in twee (geestige) monologen van twee vrouwen wier levens elkaar voor korte tijd kruisen. Asja is slordig en impulsief vrouw. Al joggend breekt ze zich het hoofd over hoe ze haar leven een andere wending kan geven. Dan krijgt ze een raadselachtig telefoontje van een collega.

    De tweede brouw, Radost is net gescheiden en woont weer in een flat in Sofia waar ze opgroeide. Ook zij gooit haar leven om. Ze mediteert, loopt hard, maakt haar eigen beautyproducten en verdiept zich in de astrologie. Met haar collega Asja, zo blijkt, heeft ze een speciale astrale band. Asja hangt iets boven het hoofd en Radost moet ingrijpen.

     

    Asja en de astrologe
    Auteur: Ina Valcanova
    Uitgeverij: De Geus

    De zwijguren

    In De zwijguren. Vijftien literaire reisverhalen en een zeeslag volgt E. de Haan de voetsporen van wereldberoemde schrijvers en dichters. Aan de hand van briefwisselingen, notities en dagboeken traceert hij hun leven en sterven. Door tijdelijk dezelfde paden te bewandelen haalt hij het verleden naar zich toe. De ene keer betreft het Samuel Beckett in Hamburg, waar hij het Duits leerde spreken, of John Keats in Winchester, mijmerend over zijn geliefde Fanny Brawne. Lord Byron maken we in Genua, Venetië en Navarino mee. Joseph Brodsky, Ezra Pound en Frederick Rolfe treffen we aan op een Italiaans eiland. Maar ook minder grote goden als Trakl, Klopstock en Choukri of vergeten talenten als Mohr, Waggerl en Blecher komen aan bod. De Zwijguren rakelt geschiedenissen op die anders ongehoord zouden blijven. Elk verhaal wordt voorafgegaan door een foto van een historische plek, gemaakt door de schrijver zelf en door Judith Heinsohn. 

    E. de Haan (1957) is het pseudoniem van Peter de Rijk, redacteur en docent Creatief schrijven. De Haan debuteerde in 1996 met de novelle Vonk en schreef later ook gedichten. Ik belde mijn muze (2003) was zijn debuutbundel. De tweede, Scheren zonder spiegel verscheen in 2011. Gedichten dan hem werden opgenomen in De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, door Ilja Leonard Pfeiffer samengesteld.

    De zwijguren
    Auteur: E. de Haan
    Uitgeverij: Knipscheer,

    Een zekere vrijheid

    Margaret Wilkerson Sexton is geboren in New Orleans waar ook haar debuutroman Een zekere vrijheid speelt. Ze studeerde Creative writing en Rechten.

    Een verhaal over drie generaties te beginnen in de jaren veertig in New Orleans met Evelyn, oudste dochter uit een welgestelde familie, gaat met de zoon van een conciërge – wiens dromen groter zijn dan zijn mogelijkheden – in zee. Ze krijgen een dochter, Jackie, die eenmaal volwassen de carrière van haar man ziet ontsporen door de economische crisis in de jaren tachtig tijdens de Reagan-jaren. Haar man raakt verslaafd en Jackie staat alleen voor de opvoeding van hun zoon T.C.
    In 2011 worstelt New Orleans met de nasleep van orkaan Katrina en T.C. wil een nieuwe start maken. Maar dat blijkt zelfs in de eenentwintigste eeuw niet eenvoudig voor een zwarte jongeman in het zuiden van Amerika.

    ‘This luminous and assured first novel shines an unflinching, compassionate light on three generations of a black family in New Orleans, emphasizing endurance more than damage.’ Zegt de  New York Times Book Review.

    Een zekere vrijheid
    Auteur: Margaret Wilkerson Sexton
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Voorbij het geheugen

    Dichteres en schrijfster Maria Stepanova is een belangrijk persoon binnen de literaire scene in Rusland. Voorbij het geheugen is een familiegeschiedenis, over haar joods-Russische familie die bestond uit artsen, architecten, bibliothecarissen, accountants en ingenieurs. In de twintigste eeuw, waarin jodenvervolging, onderdrukking en moord schering en inslag waren, bleef haar hele familie ongedeerd. Haar voorouders overleefden alle verschrikkingen van de twintigste eeuw. Dit verbaasde haar en deed haar zich afvragen: Wie of wat getuigt van mensen en dingen die verdwijnen? Zijn herinneringen aan het verleden wel te bewaren? Hoe slaan de grote gebeurtenissen van de twintigste eeuw neer in het geheugen van de mensen van nu? Op welke manier moet Stepanova zichzelf verhouden tot de voorbije levens die ze bestudeert?

    Met Voorbij het geheugen schreef Maria Stepanova een bijzonder boek dat wel doet denken aan het werk van auteurs als Nabokov, Sebald en Sontag, maar vooral een zeer eigen stem heeft.

    Een mooie lijst met boeken waar we de komende week weer mee voort kunnen.

     

    Voorbij het geheugen
    Auteur: Maria Stepanova
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • De oogjes van een dode kikker

    De oogjes van een dode kikker

    Slovenië, een zwoele zomeravond in 1942. De rijke industrieel Leo Zarnik maakt een autoritje op het platteland met zijn vrouw Veronika. Plots eist zij dat haar man stopt: ze hebben een kikker overreden. Ach, kijk eens naar die oogjes, fluisterde ze, het is alsof ze nog leven.

    Leo haalt zijn schouders op. Horst Hubmayer, een bevriende Duitse legerarts die op de achterbank zit en in Oekraïne de verschrikkingen van het oostfront heeft gezien, begrijpt er niets van. Na de oorlog, in Beieren, haalt hij herinneringen op: ‘Je hoefde in die tijd niet altijd een redelijk motief te hebben om iemand van het leven te beroven. Ik heb te veel dingen meegemaakt en te veel mensen op een volkomen zinloze, schijnbaar toevallige manier zien doodgaan om daar anders over te denken: de een werd tijdens een gevecht neergeschoten, de ander werd door een granaatscherf getroffen, en weer een ander stierf voor het vuurpeloton of kwam door een verdwaalde kogel om het leven. Een mens vermoorden was even vanzelfsprekend als een kikker doodrijden.’

    Dit is maar een van de vele aangrijpende scènes in Die nacht zag ik haar van de gelauwerde Sloveense auteur Drago Jančar. In vijf delen laat hij evenzoveel personages aan het woord die elk een stukje van de waarheid over de flamboyante diva Veronika aan het licht brengen. Eerst komt Stevo Radovanovic aan de beurt, een Servische cavalerieofficier die van zijn commandant de opdracht krijgt om Veronika paardrijlessen te geven. Aanvankelijk verloopt het contact stroef, maar hoewel de verschillen tussen de conservatieve Servische militair en de pacifistische, intelligente en gevoelige jongedame groot zijn, valt ook hij onvermijdelijk voor haar charmes.

    Als hij haar zover krijgt om haar man te verlaten en hem te volgen naar de afgelegen grensstad waarnaar hij wordt overgeplaatst nadat Leo lucht heeft gekregen van hun romance, ben je als lezer geneigd om te denken dat je weet waar het verhaal naartoe gaat: een liefdesgeschiedenis tegen de achtergrond van een gruwelijke oorlog, een tot vervelens toe herhaald succesrecept om de nobelste gevoelens van de mens te laten contrasteren met de wreedste gruwel waartoe onze soort in staat is.

    Maar Jančar zet je op het verkeerde been. Veronika kan niet aarden in de conservatieve provinciestad, keert terug naar Leo en verbreekt het contact met Stevo volledig. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, moet het rijke echtpaar op het slappe koord balanceren: enerzijds mogen ze de Duitsers niet tegen hen in het harnas jagen, anderzijds willen ze de communistische partizanen te vriend houden. Het evenwicht blijkt onhoudbaar en op een nacht in 1944 krijgen Veronika en Leo de rekening gepresenteerd. Niemand ziet hen nog levend terug. Het verhaal is overigens gebaseerd op waar gebeurde feiten, al doet dat er in wezen niet toe.

    Buiten Stevo komen dus nog vier personages aan het woord in dit vernuftig gecomponeerde verhaal: Veronika’s moeder Josipina, legerarts Horst Hubmayer, huisbediende Jozi en tot slot knecht Jeranek, die zich bij de partizanen aansluit en tijdens de fatale nacht waarschijnlijk nog het meest heeft gezien, al was hij ook niet bij het beslissende moment aanwezig en wordt hij later verteerd door wroeging. Toch kijken Jeranek en Hubmayer met melancholie terug naar hun oorlogsjaren: hun gevoelens zijn lang niet eenduidig, maar dubbelzinnig, en laten zich niet door ratio controleren.

    Deze roman maakt het relaas op van een verscheurd land; de kiemen van de etnische spanningen die in de jaren 1990 aanleiding zouden geven tot een afschuwelijke burgeroorlog waren duidelijk al lang aanwezig. Maar vooral toont Drago Jančar de morele dubbelzinnigheid van die tijd, hij neemt de lezer mee naar de grijze zone waar de flinterdunne grens tussen goed en kwaad, loyaliteit en verraad, vriend- en vijandschap bijzonder vaag wordt. Ergens in het boek wordt een Duitse tegeltjeswijsheid aangehaald: Der größte Schuft im ganzen Land, das ist und bleibt der Denunziant. Zoals het echter altijd gaat met tegeltjeswijsheden, blijkt de realiteit net iets complexer te zijn, vooral in omstandigheden waar verraad een wel erg relatief begrip wordt.

    Waarschijnlijk associeert u de Balkan of ex-Joegoslavië niet meteen met literatuur. Onterecht, want ook Martin Michael Driessen situeerde bijvoorbeeld zijn jongste roman De pelikaan in het zogenaamde ‘kruidvat van Europa’. Het loont zeker de moeite om ook Die nacht zag ik haar te lezen, en meer in het algemeen literatuur uit perifere gebieden, want daar komt de vernieuwing vaak net vandaan. Mogen we de stille wens uitspreken dat vertaler en Balkanspecialist Roel Schuyt in de toekomst nog meer verborgen schatten bovenhaalt?