• Oogst week 9 – 2019

    Uiterste dagen

    De verhalen van zijn Finse grootmoeder over haar vader in een oorlog uit een ver verleden en zijn fascinatie voor ‘geschiedenis en geweld, en vooral de ambivalentie van geweld’ (interview De optimist), vormen de basis voor het debuut Uiterste dagen van Ferdinand Lankamp (1989).

    Een historicus bereist het land van zijn familiegeschiedenis en vertelt het – al dan niet ware – verhaal.

    Uit het eerste hoofdstuk:

    (…) ‘De lente dreigt vooral zwaar te worden vanwege de brief die hij vrijdag heeft gekregen. Die brief had hij al verwacht, hij had haver apart gehouden voor het geval er een beroep op hem zou worden gedaan. De veearts van het leger was in de herfst langsgekomen. Hij bekeek Edvards merries, noteerde hun gewicht, hun leeftijd, stelde vragen over hun karakter. Toen de Russen een paar weken later aanvielen begreep Edvard dat het een kwestie van tijd was. In de brief die hij vrijdag ontving stond het onvermijdelijke: de Finse krijgsmacht vordert Ida, zijn merrie van zeventien jaar, de lieveling van het gezin en vooral van zijn dochter Cecilia. Op maandag, vandaag, zou hij nadere instructies ontvangen. Hij tilt de melkbussen van de kar. Op het licht achter de vensters van de boerderij na is het donker, maar toch denkt hij, kijkend naar het noorden, de boomtoppen in de verte te zien, de heuvel waarover de weg richting de stad loopt en waarvandaan hij vandaag een bode verwacht. Een lente zonder Ida. Wat moet hij zonder Ida?’

    Uiterste dagen
    Auteur: Ferdinand Lankamp
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    Salomons oordeel

    De nieuwe roman van Robert Vuijsje geeft weer stof tot nadenken en discussie. Het thema identiteit wordt vanuit alle hoeken aanschouwd en beschreven. Het is een eigentijdse roman waarmee Vuijsje de huidige tijd afzet tegen die van een kleine 10 jaar geleden toen zijn boek Alleen maar nette mensen verscheen en zeer uiteenlopende reacties teweegbracht.
    Salomons oordeel gaat over Max en Alissa. Max is een jood uit Amsterdam-Zuid, Alissa is zwart en komt uit de Bijlmer. Hun zoon Salomon is 17 en wil rapper worden.

    ‘Ik heet Salomon, en dan ook nog Cohen?’ vraagt hij aan zijn ouders. ‘Wat denk je dat mijn vrienden daarvan vinden?’ 
    Max en Alissa denken dat ze alle moderne valkuilen van racisme en antiracisme hebben doorstaan. Salomon staat voor de keuze: hoor ik bij de mensen die op mijn vader lijken of bij de kinderen die zwart zijn, net als ik? Max en Alissa denken dat ze op dezelfde manier naar de wereld kijken, tot Salomon door zijn vriendinnetje wordt beschuldigd van verkrachting.

    Salomons oordeel
    Auteur: Robert Vuijsje
    Uitgeverij: Lebowski (2019)

    Vos 8

    In 2017 ontving de Amerikaan George Saunders (1958) de Man Booker Prize voor zijn roman Lincoln in de bardo dat de jury ‘geestig, intelligent en een diep bewegende vertelling’ noemde.
    Saunders vooralsnog vooral bekend om zijn korte verhalen schrijft ook romans en novellen, essays en kinderboeken.

    Vos 8 gaat over een vos die een dromer is. ‘Zijn medevossen nemen hem niet altijd even serieus. Maar hij spreekt mooi wel Mens, een taal die hij zichzelf heeft geleerd door bij een raam naar verhaaltjes voor het slapengaan te luisteren. Vos 8 heeft dus best wat in zijn mars. En wanneer het nieuwe gebouw VosZichtStaete de leefwereld van de vossen bedreigt, vindt hij het geen tijd meer voor dromen maar voor daden.’

    Vos 8
    Auteur: George Saunders
    Uitgeverij: De Geus (2019)

    Als de tijd daar is

    Maurice Blanchot (1907-2003) is zijn leven lang ziekelijk geweest en de dood, zijn eigen of die van de mensen om hem heen, is altijd aanwezig geweest in zijn leven en werk.

    Blanchot lijkt een weinig toegankelijk schrijver. Over Als de tijd daar is schrijft uitgeverij Vleugels: ‘een radicale en bevreemdende roman, die een aantal conventies van de literaire roman doorbreekt. Zelden zal een lezer van een boek zo moeilijk kunnen doordringen in wat de taal beschrijft. En zal deze daardoor beseffen dat taal niet zo’n directe verbinding heeft met een werkelijkheid als men doorgaans denkt. De eerste dertig pagina’s gaan bijvoorbeeld over iets wat misschien drie seconden in beslag neemt: de verteller komt een huis binnen. Hij neemt zoveel tijd om alle indrukken, gedachten én hypothetische mogelijkheden te benoemen dat de taal hier de geschetste werkelijkheid geheel overwoekert. De taal, het vertellen, de manier waarop iets wordt verteld is duidelijk veel belangrijker dan het vertelde zelf. De taal speelt dus eigenlijk de hoofdrol in dit boek, zoals in alle boeken van Blanchot – en de nouveau roman in het algemeen. Het lijkt alsof er meer taal is dan werkelijkheid.’

     

    Als de tijd daar is
    Auteur: Maurice Blanchot
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    De Hollandse reis

    De Hollandse reis verscheen als Le voyage de Hollande voor het eerst in 1964 in Frankrijk en was voorzien van een tekening van Jongkind, een typisch Hollands landschap met windmolens, beemden en scheepjes onder een lage wolkenlucht.
    Het werd een jaar later al herdrukt, en daarna in 1981 en 2005 opnieuw uitgegeven.

    In de zomer van 1963 verbleven Louis Aragon (1897-1982) en zijn vrouw Elsa Triolet (1896-1970) een maand in Nederland. Tussen 29 juli en 26 augustus bezochten ze onder meer Texel, Zuid-Holland (Wassenaar) en Utrecht. De neerslag van die reis vinden we terug in De Hollandse reis, een dichtbundel die bestaat uit zes delen van wisselende lengte (twee tot twaalf gedichten).

     

     

    De Hollandse reis
    Auteur: Louis Aragon
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • Voer voor discussie

    Voer voor discussie

    ‘Het woord multicultureel bestond gelukkig nog niet’, zo zegt tv-persoonlijkheid Chazia Mourali over haar jeugd in het interviewboek Kaaskoppen van Robert Vuijsje. Wat er precies mis is met deze term legt ze niet uit. Het is een feit dat het begrip multiculturalisme besmet is geraakt in het maatschappelijk debat. Maar in dat debat wordt nooit duidelijk waarom deze term eigenlijk niet goed zou zijn. De argumentatie van multiculti-haters komt meestal niet verder dan: ‘ik ben blank, dus andere mensen moeten ook blank zijn.’

    Waarom zou je tegen een cultuurdiverse samenleving zijn? Wat is er precies mis met het samenleven met mensen met een achtergrond die van die van de meerderheid afwijkt? Wat is hun maatschappelijke zichtbaarheid eigenlijk? Wat zijn hun de kansen op succes? Dat zijn vragen die de geïnterviewden bezig houden in dit boek. Vuijsje vat in zijn bundeling van meningen van ‘allochtonen’ de problematiek zo samen: ‘Hoe leven wij met elkaar samen in dit land, met alle verschillende soorten mensen die hier wonen?’ (63) In dat licht was het misschien goed geweest als er ook wat meer ‘autochtonen’ dan nu het geval is aan het woord waren gekomen, volgens het journalistieke principe van ‘hoor en wederhoor.’

    Vuijsje had zijn boek mogelijk een programmatische ondertitel als ‘Over multiculturalisme in Nederland’ mee kunnen geven, maar hij deed dat nadrukkelijk niet. In zijn inleiding geeft hij aan dat hij niet ‘politiek correct’ wil zijn maar ‘realistisch’. (11) Dat ‘politiek correct’ maar een ‘frame’ is, bedacht door mensen die wrevel voelen omdat ze op het morele gehalte van hun taal en gedrag worden aangesproken, meldt Vuijsje niet. Vuijsje werd zelf, zoals hij in Kaaskoppen ook opmerkt, overigens door sommigen als politiek incorrect neergezet na het verschijnen van zijn boek Alleen maar nette mensen. In de hoedanigheid van zowel (vermeend) politiek correct als incorrect lijkt hij een ideale gids langs de problematiek.

    Robert Vuijsje is een literator, geen wetenschapper. Hij biedt geen diepgravende analyse, maar zijn boek met fragmenten uit interviews (uit onder meer de Volkskrant) met ‘nieuwe kaaskoppen’ (mensen levend in Nederland die wel ‘allochtonen’ worden genoemd) bevat veel discussiemateriaal en zou niet misstaan op de leeslijsten van middelbare scholen.

    Vuijsje betoont zich in het eerste deel van het boek een voorzichtige commentator. Hij laat de meningen van de geïnterviewden vooral voor zich spreken. Een studie van de oorzaken van racisme in Nederland is dit boek niet. Vuijsje gaat bijvoorbeeld niet in op de cultus van ‘het benoemen van problemen.’ Het benoemen, uitvergroten en concretiseren van problemen maakt deze problemen doorgaans veel erger, zo wijst de geschiedenis uit. Bepaalde zaken worden ‘zegbaar’ omdat de taal ervoor voor handen is, zou Michel Foucault opmerken. Dit terwijl in plaats van de problemen op de spits te drijven en vast te leggen, pragmatisch doormodderen misschien beter zou zijn. Met bepaalde ‘benoemende’ termen wordt de werkelijkheid versimpeld. Denk aan begrippen als ‘allochtonen’, ‘islamisering’, ‘kutmarokkanen’, ‘massa-immigatie’ en ‘niet-westerse migranten.’ Wat is precies de heilzame werking van het gebruik van deze termen (geweest)?

    Neem de laatste term: ‘niet-westerse migranten’ (of ‘niet-westerse allochtonen’). Waarom zou je zo’n categorie gebruiken? Wil men daarmee misschien uitdrukken dat sommige migranten niet lijken op Westerlingen en dat dat een probleem is? Moeten deze migranten hun haar soms blonderen en blauwe contactlenzen dragen, zoals een van de geïnterviewde Nederlands-Turkse vrouwen doet? Opiniemakers die een term als ‘niet-Westerse migranten’ gebruiken worden geprezen omdat zij dingen ‘bespreekbaar’ maken. Het blijft vooralsnog onduidelijk waarom racisme bespreekbaar maken eigenlijk lovenswaardig is. Het gebruik van een dergelijke term draagt bij aan het scheppen van een basisvoorwaarde voor racisme, oftewel het creëren van een klimaat waarin de angst voor ‘het vreemde’ wordt begrepen of zelfs gevierd, in plaats van dat er geprobeerd wordt deze angst te verhelpen.

    Waar is links?
    Het politieke debat in Nederland (en eigenlijk in bijna heel Europa) wordt gevoerd tussen rechts en extreemrechts. De verwonderde waarnemer van het politieke midden mist een krachtig en effectief tegengeluid van de linkerzijde. Een democratie is gebaat bij pluriformiteit, daarom is het nodig dat linkse intellectuelen vlammende essays schrijven. Waarom is er in een landelijk medium nog geen stuk met de titel ‘Het extreemrechtse drama’ verschenen, een verlate reactie op Paul Scheffers ‘Het multiculturele drama’? Waarom zijn er bijna geen politiek geëngageerde schrijvers die durven te schoppen tegen de schenen van de tijdgeest? Waarom uit Robert Vuijsje zich bijvoorbeeld niet meer bevlogen? Hij maakt nu vooral zijn eigen ambivalente positie duidelijk. Dat is literair gezien geslaagd, maar een debat win je er niet mee.

    Mogelijk vererger je het probleem door een artikel de net genoemde titel mee te geven, door het probleem dus te ‘benoemen’, door te polariseren ook, maar een alternatieve aanpak is er niet. Naar gematigde mensen wordt immers niet meer geluisterd in een maatschappij van Nieuwe Hufterigheid. Appeasementpolitiek, zo weten we uit de geschiedenis, werkt niet. In het huidige ‘debat’ wordt extreemrechts naar de mond gepraat omdat men bang is anders niet populair te zijn. In de jaren negentig gold Bolkestein als uiterst rechts, aan het begin van het nieuwe millennium was die rol voor Fortuyn en nu zitten we met Wilders. Met andere woorden: rechts wordt steeds extremer, vooral ook omdat er geen tegengeluid is. In een goed functionerende democratie zouden links en rechts elkaars extremiteit moeten temperen.

    Niet alle vormen van ‘benoemen’ zijn overigens even laakbaar. Aan de ene kant zijn er diegenen die een ‘probleem’ aankaarten dat voortkomt uit intolerantie, een verbloemd ‘eigen volk eerst’-verhaal dus. Terwijl er aan de andere kant ook mensen zijn die (en dat is minder laakbaar) een probleem aankaarten omdat men kritisch is over precies die intolerantie (intolerantie niet alleen van extreemrechts, maar ook van moslimextremisten). In die zin is een debat over een onderwerp als dit oneerlijk. Men strijdt op moreel vlak niet met gelijke wapens. Men zou compassie moeten hebben met mensen, gehaaide debaters soms, die uiteindelijk niet in de geschiedenisboeken zullen komen als ‘de grootste Nederlander’, maar als mensen die simpelweg geen heilzame visie hadden, mensen die niet met het maatschappelijk belang maar met hun eigen egotrip bezig waren.

    Je gunt een man als Wilders klein levensgeluk: dat hij in zijn volkstuintje een vlag mag planten en ‘minder minder minder’ tegen zijn tuinkruiden kan roepen, maar hij kan de politiek beter aan verantwoordelijke mensen overlaten. Niet dat zijn terugtreden uit de politiek uiteindelijk veel zal helpen, als Wilders uit beeld verdwijnt zal een type als Rita Verdonk weer opduiken vanuit het Rijk der Vergetelheid. Dat geeft aan dat het probleem structureel geworden is. De maatschappij is verziekt, er is na de Fortuyn-revolutie geen normalisering opgetreden. Voor een dergelijke analyse van structurele problemen kun je niet terecht in Kaaskoppen, dat vooral heel veel citaten bevat, niet altijd met duiding. Vuijsje komt in het eerste deel van Kaaskoppen niet veel verder dan te stellen dat ‘dit land boos is, en in de war.’ (63)

    In het boek komt actrice Jasmine Sendar (1977) aan het woord. Ze vertelt dat ze in haar jeugd in Dordrecht gepest is: ‘Ik kwam daar in aanraking met pesten, het heeft tien jaar geduurd. Ze wachtten me op, scholden me uit voor Zwarte Piet, gingen met hun hand in mijn gezicht om te zien of ik af zou geven. Op school deed ik vaak alsof ik buikpijn had om naar huis te kunnen.’ (41) Politici die, nadat uit kiezersonderzoek is gebleken dat er racisme leeft onder het electoraat, dit racisme gaan aanzwengelen, zijn als docenten die meedoen met het pesten van leerlingen: zij maken uit eigen belang gebruik van slechtheid, in plaats van ervoor te kiezen deze slechtheid te bestrijden.

    De meeste mensen in Kaaskoppen kunnen hun mening vrij goed verwoorden. Waarbij opvalt dat de hoogst opgeleiden niet altijd de meest zinvolle dingen zeggen. Zo komt de in 2015 overleden arabist Hans Jansen aan het woord. Volgens hem gaat het politieke debat over ‘de vraag hoe je belastinggeld het beste kunt verdelen. De meeste mensen realiseren zich dat niet. Besteed je het belastinggeld aan de verzorging van ouderen of aan Marokkaanse gezinshereniging en allerlei onduidelijke gesubsidieerde clubs? Dat is waar politiek over gaat. Ik vind dat belastingpenningen moeten gaan naar de mensen die ze hebben opgebracht.’ (153). Met andere woorden: de rijken moeten worden gesubsidieerd, terwijl de sociaal zwakkeren het zelf maar uitzoeken. VVD-politica Samira Bouchibti (oud-PvdA) stelt: ‘Wie je ook bent en waar je vandaan komt: in dit land kun je iets van je eigen leven maken.’ (154-155) Dergelijke meningen zien we meer terug in dit boek: men neemt dan het eigen succes als norm en redeneert: als ik het kan, kunnen alle anderen dit ook. Dat is eenvoudigweg niet altijd (of eigenlijk: meestal niet) waar. Sommige politici hebben te weinig oog voor wat er allemaal mis kan gaan in een mensenleven, of voor het feit dat met het leven worstelende sociaal zwakkeren ook rechten hebben.

    Het tweede deel van Kaaskoppen is sterker dan het begin. Vuijsje behandelt erin heikele thema’s als het Zwarte Piet debat, moslimextremisme en de vluchtelingenproblematiek en komt met de volgende conclusie: ‘discriminatie en racisme bestaan in Nederland.’ (261) Hij stelt ook dat als men om zich heen kijkt men een land in ontwikkeling ziet. ‘Of dat nu als positief of negatief wordt gezien, het ís zo.’ Tegelijkertijd ziet men ‘dat veel autochtone landgenoten, bewust of onbewust, blijven doen alsof deze ontwikkeling niet bestaat. Alsof dit hetzelfde land is als vijftig jaar geleden.’ (261). Vuijsjes visie klopt, zo lijkt het: mensen die cultuurdiversiteit niet accepteren steken hun kop in het zand, het zijn mensen met een kinderlijke visie op de maatschappij, de geschiedenis en de onveranderlijkheid van de eigen cultuur daarin: zij accepteren de realiteit niet, namelijk dat streken, landen, continenten, zich nu eenmaal ontwikkelen en dat er altijd een wisselwerking zal zijn met mensen uit andere culturen. Grow up and deal with it.

     

     

  • Een karikatuur van de werkelijkheid

    Twee weken geleden ontving Robert Vuijsje de Gouden Uil voor zijn in 2008 uitgekomen roman Alleen maar nette mensen. Juryvoorzitter Guy Mortier verwoordde in het juryrapport de mening van de juryleden aldus: ‘Dat alles overtuigend gestalte gegeven in de onmogelijke zoektocht van een witte ‘liegman’ naar de ‘intellectuele negerin’ als allerhoogste ideaal, in Nederlands dat swingt als een Afrikaanse tiet,
    een ritme dat strakker zit dan een zwarte bil in een te kleine luipaardlegging,
    en dialogen die knetteren als de op hol geslagen bedrading in verhitte hoofden.’ Voor de bekroning hoorde je eigenlijk nauwelijks kritiek op het boek, maar nadat Vuijsje de envelop met 25.000 euro in ontvangst had genomen, zwol de kritiek aan.
    Vooral zwarte vrouwen zochten de media op en beschuldigden de schrijver van racisme en discriminatie; soms werd voornamelijk de juryvoorzitter of een tv-interviewer aangevallen omdat er verkeerd uit te leggen woorden waren gebruikt.
    Laten we nog eens gaan kijken volgens welke regels er gediscussieerd dient te worden. Sinds Willem Frederik Hermans geruchtmakende proces rond Ik heb altijd gelijk bestaat in Nederland de algemeen geldende regel dat een schrijver niet verantwoordelijk is voor de daden en de uitspraken van zijn personages. Deze regel kan vrij breed uitgelegd worden. Ook de strekking van de roman mag wat mij betreft racistisch, seksistisch of homofoob zijn. Je kunt dan nog wel met een moreel oordeel een boek verwerpen, maar dat oordeel moet vooral je eigen opvattingen weergeven; wat nooit mag is het bestaansrecht van een boek ter discussie stellen.
    Een schrijver is ook niet verantwoordelijk voor foutieve lezingen. Als een witte man na lezing van het boek een foute opmerking maakt tegen een zwarte vrouw, dan geeft dat vooral de domheid weer van de witte man; de schrijver kan niet voorkomen dat er overhaaste conclusies getrokken worden door slechte lezers.
    Wat me vooral opvalt aan de kritiek van enkele zwarte vrouwen is de gretigheid waarmee ze gekwetst willen worden en de onwil om de uitspraken die zij citeren in een breder literair verband te zien. Alleen maar nette mensen is van voor naar achteren een sarcastisch, bij tijd en wijle cynisch boek. Vuijsje gebruikt karikaturen, maar bij de constructie van de roman geeft hij al direct in het begin aan dat hij deze karikaturen bewust inzet: op bladzijde 8 tot en met 10 lezen we onder het kopje ‘De multiculturele samenleving’ een ellenlange opsomming van allerlei vooroordelen van zo’n beetje elk bevolkingsdeel over een ander. Daarmee zet de schrijver de toon voor zijn boek. Alles wat je daarna leest over David en zijn verlangen naar een intellectuele negerin moet je dus binnen dat sarcastische wereldbeeld plaatsen.
    Als je de roman redelijk objectief bekijkt, dan zie je dat er met positief verlangen wordt gekeken naar wat er in de wat ik nu maar even globaal de zwarte gemeenschap noem gebeurt. Veel harder is de hoofdpersoon over zijn eigen links intellectuele milieu, waarin men de eigen racistische opvattingen probeert te verbloemen evenals de ouderwetse seksistische ideeën. De vader van David is verantwoordelijk voor een actualiteitenprogramma (‘het enige fatsoenlijke programma op de vaderlandse televisie’) en als hij samen met de hoofdredacteur van een kwaliteitskrant en de beroemde columnist vergadert, dan moet moeder in de tussentijd wel broodjes klaar maken.
    Alleen maar nette mensen is vooral een clash van culturen waarbij de excessen die Vuijsje beschrijft (bijvoorbeeld seks in garageboxen in de Bijlmer) wel degelijk voorkomen. Iedere weldenkende lezer zal binnen de opzet van deze roman niet denken dat dus alle zwarte vrouwen zich laten nemen in garageboxen. Wie dat wel doet, heeft helaas een nogal beperkte opvatting van literatuur. Dat zijn mensen die na het lezen van Pinkeltje in de tuin voorzichtig rondstappen opdat ze niet op een kabouter stappen.
    Het is jammer dat de discussie niet over de wezenlijke zaken gaat in de lachspiegel die Vuijsje ons voorhoudt: de harde manier van met elkaar omgaan in grote delen van de Bijlmer; de schijnheiligheid van het links intellectuele milieu. Het is makkelijker om een schrijver aan te vallen, dan om in een karikatuur de werkelijkheid onder ogen te zien.

    COEN PEPPELENBOS

    ROBERT VUIJSJE: Alleen maar nette mensen. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 286 blz. €16,50.