• Europese cruise onder ongelukkig gesternte

    Europese cruise onder ongelukkig gesternte

    Een tocht rond de Middellandse Zee in een cruiseschip. Voor velen staat dat gelijk aan een gedwongen verblijf in een vervuilende gevangenis, maar voor gemakzuchtige consumenten schijnt het de hemel op zee te zijn. In Die Erweiterung,  door Wil Boesten vertaald als De uitbreiding – de tweede Europa-roman van de Weense auteur Robert Menasse – vaart een Europees topgezelschap mee in het luxe deel van zo’n cruiseschip. Alle regeringsleiders van de Balkanstaten, de EU-ministers van buitenlandse zaken en andere vertegenwoordigers, plus hun ambtenaren. Dit op uitnodiging van de regering van Albanië, die de onderhandelingen wil beginnen over toetreding tot de EU en het gezelschap gunstig wil stemmen voor een aan de uitbreiding gewijde conferentie drie weken later in Poznań. Menasse baseert zich in De uitbreiding op een historische gebeurtenis, en wel het veto van Macron (en Rutte) in 2019 op de toetreding van Albanië. De spanning zal niet bedorven worden door te vertellen hoe de cruise afloopt.

    Zo er een Dichter des Vaderlands is, zou Menasse Schrijver van Europa kunnen zijn. Al decennia geldt hij als een warm pleitbezorger van een verenigd Europa. Verschillende essays en twee dikke romans heeft hij daaraan gewijd. En zojuist verscheen het essay, Die Welt von morgenMenasses Europa-project begon meer dan dertig jaar geleden, in 1992. Toen publiceerde hij de lange beschouwing over de Oostenrijkse identiteit, Das Land ohne Eigenschaften. Over het verleden van zijn land, de onprettige erfenis van het austrofascisme en de enthousiaste ‘Anschluss’ bij het Derde Rijk, plus de incompetenties van hedendaagse Oostenrijkse politici. Dat het land beter kon opgaan in een post-nationaal Europa was daarin vrijwel de automatische conclusie. 

    De titel verwees uiteraard naar Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (1930-1933), vertaald door Ingeborg Lesener als De man zonder eigenschappen, (1988-1991). Aan deze voor Oostenrijkers iconische roman ontleende Menasse ook het thema voor Die Hauptstad (2017, door Paul Beers vertaald als De hoofdstad (2018). Bij Musil moet aan de vooravond van de Grote Oorlog het jubileum van de Oostenrijkse en Duitse keizers worden gevierd. Menasses ‘Big Jubilee Project’ moet dat van de Europese Commissie voorbereiden.

    Tweede Wereldoorlog nooit ver weg

    De hoofdstad werd bevolkt door verschillende EU-ambtenaren. Via het jubileum-project jagen zij hun ambities, dan wel hun ondergeschikten die de plannen moeten ontwikkelen en de boven hen gestelden die kunnen dwarsliggen, na. Het belangrijkste personage is de sympathieke Nederlandstalige Brusselaar die Auschwitz overleefde. Deze oude Joodse man, die telkens opduikt tussen de ambtelijke machinaties, overlijdt bij een islamistische aanslag. Hij was de beoogde overlevende die het EU-jubileum in Auschwitz moest symboliseren. Volgens een Oostenrijkse professor zou het voormalige kamp zelfs de hoofdstad van de EU moeten worden. Opmerkelijk is dat de Tweede Wereldoorlog nooit ver weg is bij Menasse. Ook in De uitbreiding komen veel verschillende personages voor – net als Balzac, waar Menasse in vaak naar verwijst – maar hij weet zijn verhaal wederom overzichtelijk te houden. Ten eerste omdat hij veel ruimte aan hun voorgeschiedenis besteedt, ten tweede omdat hij zijn scheppingen met elkaar verbindt via collegiale-, familiale- of liefdesrelaties.

    Ging De hoofdstad over Brussel, in De uitbreiding zoekt Menasse de periferie op. Polen en Albanië. De Poolse EU-ambtenaar Adam Prawdower was in de katholieke strijd tegen de communistische dictatuur de bloedbroeder van de huidige premier van zijn land, de conservatieve PiS-nationalist Mateusz. Adam is geschokt dat een andere bloedbroeder zich uit protest tegen het PiS-beleid in brand heeft gestoken. Wanneer hij Mateusz opzoekt in Warschau reageert deze cynisch en – Adam is Joods – antisemitisch. De premier heeft hun eed verraden en de consequentie daarvan is dat zijn bloedbroeder hem zou moeten doden.  Overigens is het katholieke Polen tegen de toetreding van Albanië omdat het een islamitisch land is.

    Verbeelding aan de macht

    Een belangrijk personage is de premier van Albanië, voormalig kunstschilder en sportheld die een dichter heeft benoemd tot cultuurhoofd. De verbeelding aan de macht bij Menasse. De dichter bedenkt na het veto van Macron en c.s. een zeer creatieve vlucht naar voren. Wanneer Albanië geen toegang krijgt tot de EU, streeft het naar een Groot-Albanië zoals dat zeshonderd jaar geleden bestond onder de vorst Skanderbeg. Het gegeven dat Skanderbeg tegen de Ottomanen vocht, kan in hun voordeel zijn. Ismail Fati, hoofd voorlichting heeft moeite met het feit dat de premier de helm van Skanderbeg daarbij op zijn eigen hoofd moet zetten. Hij heeft ook individuele problemen. Zijn ouders behoorden tot de ‘inner circle’ van dictator Enver Hoxha, waardoor hij een soort prinsje was en daardoor onder het nieuwe bewind enigszins verdacht. Daarenboven lijkt zijn verliefdheid voor een journaliste niet enthousiast te worden beantwoord.

    Net als bij De hoofdstad heeft De uitbreiding een thriller-laag. De helm van Skanderbeg met geitenkop bevindt zich in de Weense Hofburg en wordt gestolen. Omdat het hoofd van de premier groter is dan dat van zijn ‘voorganger’, laat hij in Tirana een passende kopie maken. Ook die wordt gestolen, wat leidt tot allerlei komische verwikkelingen. Al heeft de Albanese maffia weinig om te lachen. Een EU-collega van Adam Prawdower is de Oostenrijker Karl Auer, belast met de portefeuille Albanië. De Wener commissaris Franz Starek die de gestolen helm moet opsporen, blijkt zijn neef. 

    Dan zijn er de moeizame liefdesrelaties van Ismail Fati en de journaliste Ylbere Lenz, en die van Karl Auer en de Albanese ambtenaar Baja Muniq Kongoli. De laatste relatie kent het gebruikelijke, aanvankelijke ongemak van mensen uit verschillende culturen. Een gering Bouquet-reeks gehalte dus.

    Sluier als hommage Moeder Theresa

    De beschrijvingen van het dagelijks leven in Albanië zijn bijzonder boeiend. De inwoners blijken bijvoorbeeld geen bewonderaars te zijn van de VS, maar juist van de Bondsrepubliek. De voornaam Baja Muniq betekent bijvoorbeeld Bayern München. Grappig is de scene waarin Baja haar Oostenrijkse minnaar Karl Auer, Iraanse moslims laat zien die na het vrijdaggebed op een terras aan de overkant van de moskee een biertje drinken. De enige vrouwen met een hoofddoek die Karl tegenkomt zijn christelijk, als hommage aan de ultraconservatieve Moeder Theresa die oorspronkelijk uit Albanië kwam.

    Indrukwekkend is de Albanese ‘kanun’. ‘O ja, bloedwraak’, zegt Karl, maar het blijkt een erecode die ook gasten onder alle omstandigheden beschermt. Hierdoor lieten islamitische Albanezen tijdens de Duitse bezetting (gevluchte) Joden massaal onderduiken, (jammer dat Mona Keizer geen boeken leest). Zoals de Joodse grootvader van Yberle die als jongeman bij een boer was ondergedoken. De bezetters klopten aan de deur, maar zijn gastheer had de ‘Besa’ (belofte van eer, een Albanees cultureel gebod) gezworen en gaf de bezetter zijn zoon die later in een kamp overlijdt. Yberle viert nog elk jaar met haar familie de sterfdag van de boerenzoon. Zij wil meer weten over de toedracht en gaat vergezeld van Ismail naar het dorpje aan de grens waar ooit de gastvrije boer met zijn familie woonde. Onderweg horen ze gruwelijke verhalen over Servische ‘ordetroepen’ die daar aan het eind van de vorige eeuw op zoek naar gevluchte Kosovaren, het vee doodden en vrouwen verkracht hebben. In het dorp waren veel vluchtelingen uit Kosovo die samen met de dorpelingen door Servische mijnen invalide werden.

    Hoe alles mislukt

    Menasse laat impliciet de eed van de bloedbroeders uit het katholieke Poolse verzet echoën met de ‘Besa’ die de overgrootvader heeft gezworen over zijn gastvrijheid. Bij overtreding daarvan zou hij bloedwraak over zijn familie kunnen afroepen. Het einde van De uitbreiding is even somber als dat van De hoofdstad. Ylbere heeft niets naders over haar voorouders gevonden. Adam Prawdower wilde zijn bloedbroeder op het schip in de internationale schijnwerpers aanklagen. Lukt niet. Commissaris Franz Starek wist zeker dat hij daar het geheim van de gestolen helm zou ontraadselen. Neen. De Albanese premier en zijn helm? Mislukt. Over de belangrijkste oorzaak van die mislukkingen kan weinig gezegd worden, dat zou een spoiler betekenen. Tip: bewaar het kaartje met de vaarroute voor het allerlaatst.

    Op 6 juni kiezen de EU-landen een nieuw parlement en velen houden hun hart vast voor de uitslag. Meer radicaal rechts en nationalisme, precies waarvoor Menasse al jaren waarschuwt. Daarom lijken zijn boeken onder een zeer ongunstig gesternte te verschijnen. Zeker als het om de uitbreiding van de EU gaat. Dat Albanese cruiseschip, weliswaar ‘state of the art’ als het om duurzaamheid gaat, illustreert ook het onvermogen van landen die tot de EU willen toetreden en om zich in te leven in de publieke opinie. Cruiseschepen gelden voor steeds meer Europeanen als uiterst vervuilend en eerder als last voor de plaatsen die ze bezoeken – Amsterdam, Venetië, Barcelona, Mallorca – dan een lust. Albanië zelf pakt de toeristenindustrie ouderwets aan. De kust volstampen met betonnen kolossen en goedkope eettentjes, met als belangrijkste attracties de duizenden kleine bunkers die de paranoïde dictator Enver Hoxha ooit liet bouwen. 

    De wereld van morgen

    Albanië neemt sinds kort vluchtelingen op uit het Italië dat de onafhankelijke omroepjournalistiek wurgt. De politieke verhoudingen van het land lijken niet erg stabiel en de persvrijheid laat te wensen over. Albanië zou bovendien een ‘Erdoğannetje’ kunnen doen: wetten en maatregelen invoeren, zogenaamd om aan de EU-eisen te voldoen, maar die de facto de oppositie uitschakelen. In Georgië kiest de regering uiteindelijk voor een pro-Russische koers. Het door Poetin geteisterde Oekraïne wordt er niet democratischer onder. Illiberale regeringen zijn de baas in Hongarije en Slowakije. Polen leek bevrijdt te zijn van PiS, maar die partij werd opnieuw de grootste bij recente gemeenteraadsverkiezingen. Eenzelfde ontwikkeling is te zien in Slovenië. 

    In de Baltische landen en Kroatië dreigt al jaren radicaal-rechts met rechts te gaan regeren. In Zweden, waar de rechtspopulisten zelfs de grootste regeringspartij vormen, is dat al de praktijk, net als recent in Finland. En nu is Nederland aan de beurt. Als het grootste gevaar beschouwt Menasse in zijn recente essay Die Welt von morgen dan ook niet de groei van radicaal-rechts, maar de keuzes van rechts om uit opportunistische, machtspolitieke motieven met radicaal-rechts samen te werken. Zoals tegenwoordig Ursula von der Leyen met Marine Le Pen. Maar nog steeds wil Menasse dat de mensen in het Europa van de regio’s een ‘demos’ gaan vormen. Een gemeenschappelijke democratie en rechtsstaat, op basis van mensenrechten, gelijke randvoorwaarden en kansen voor allen die in Europa wonen en hun geluk proberen te vinden. We blijven met hem mee hopen.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Getuigen van de geschiedenis

    Getuigen van de geschiedenis

    Voor de Oostenrijkse auteur Robert Menasse is de geschiedenis een aaneenschakeling van gestrande pogingen om te vergeten, waarbij getuigen zich door de coulissen van historische gebeurtenissen bewegen. Symbool voor de rozige belofte voor de toekomst is de zonnebril van zijn moeder in het verhaal De Amerikaanse bril, het titelverhaal uit de gelijknamige bundel. Het is een bril met luiken, een sjiek prul waardoor de toekomst als een overbelichte Hollywoodfilm oogt. Deze metafoor wordt vervolgens uitgebreid tot de hele naoorlogse orde en de lege idealen en clichés waarin deze grossiert.

    De vertellers uit de bundel bevinden zich in de schaduw van de grote gebeurtenissen uit de geschiedenis, als nationalisten zonder thuisland. Ze zien de val van de Berlijnse muur op tv, ze protesteren tegen de moord op Allende of ze bevinden zich simpelweg bij een historisch moment. Meestal staan ze in de marges of zijn ze ten prooi gevallen aan zingevingscrises. De verhalen van vaders voldoen niet langer en het heden vervalt in steeds nieuwe banaliteiten. Zoals een van de vertellers zegt: ‘Symbolen, iconen, maatschappelijke idealen – in het dagelijks leven zijn het alleen clichés.’ Menasse laat zijn personages manoeuvreren langs relatieperikelen, lastige gerechtsdienaren en onbetrouwbare herinneringen, ontworteld en ontgoocheld, steeds begeleid door een flinke dosis filosofie en humor. Want er is genoeg humor te vinden in de vaak absurde voorvallen uit de bundel, die op grillige wijze worden aangestuurd door de speelse hand van Menasse.

    Historische sensatie

    In de meer essay-achtige verhalen volgt ook stevige kritiek op de uitwassen van de globalisering en het nieuwe nationalisme dat Menasse ontwaart. Het politieke aspect is altijd op de achtergrond aanwezig. De rode draad wordt gevormd door de blik van de auteur op de geschiedenis en wat die betekent in de persoonlijke sfeer. Zo komt er bij de vader van de verteller in het verhaal Het begin van de hongerwinter veel los als hij vertelt over zijn ervaringen als onderduiker in de dierentuin van Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het vertellen herinnert de vader zich iets nieuws wat hij nog nooit heeft verteld en zo ziet de zoon hem opeens in een nieuw licht. In alle verhalen is iets van deze historische sensatie aanwezig, als het verleden het heden kruist of nieuwe betekenis opdoet. 

    In het verhaal De Amerikaanse bril haalt Menasse herinneringen op aan de dag van de moord op John F. Kennedy en in het verlengde daarvan aan 9-11. Hij filosofeert over het verschil in de publieke reactie op deze twee gebeurtenissen. In het eerste geval was er oprechte verbinding en rouw, en in het laatste geval was er in zijn herinnering geen ‘overeenstemming van de mensen in een gezamenlijke droefheid, geen spontane solidariteit als uiting van de soort, geen algehele geschoktheid buiten de plaats van het gebeuren.’ Holle frasen domineerden het nieuws en de steeds herhaalde berichten op televisie. De rouw werd in een dwangbuis gestopt van voorgeprogrammeerde reacties, wat ertoe leidt dat Menasse vraagtekens zet bij de consequenties die werden getrokken, zoals de War on Terror die erop volgde.  

    Een stad van decors

    De stad waar voor Menasse alles samenkomt is Wenen, ‘een stad van decors’. In het verhaal Kroniek van de Giradigasse gaat het over hoe deze straat en het bordeel daarin door de jaren heen veranderden. Hij associeert de bewoners van Wenen met toneelspelers en de stad zelf met een theater. De geschiedenis van de Weners is volgens Menasse ‘de ervaring dat ze altijd te veel voor hun potentiefantasieën hebben betaald, omdat ze, als het erop aankwam, toch impotent waren – en desondanks smoezelige daders bleven.’ Het bordeel en de hele straat werden opgeruimd onder invloed van de ‘katholieke klerikaal-fascistische standenstaat’. En zo verdween met de meisjes in de Giradigasse ook een fase in de Oostenrijkse geschiedenis. Het verhaal van het gebouw is voor Menasse het verhaal van de hele stad. ‘Het imperiale bezit geen imperium meer, het barokke geen Phaekendom, de biedermeier geen weeë idylles, de modernen geen moderniseerders.’

    In het verhaal Lang niet gezien komt een oude man voor die bij vergissing in het juridische systeem terechtkomt. Hij loopt op straat met zijn ogen gesloten. Als hij ondervraagd wordt op het bureau blijkt hij niks aan zijn ogen te mankeren. De toenmalige geliefde van de verteller moet onderzoeken of de man recht heeft op een curator. Als zij hem vraagt naar de reden van zijn gedrag, vertelt hij dat hij niet meer kan aanzien wat je allemaal ziet als je met open ogen op straat loopt. Hij sluit zijn ogen voor het heden. Deze querulant symboliseert hoe Menasse over het heden denkt, of zoals de grootvader van een van de vertellers die met de Britten Europa bevrijdde zegt: ‘Was ook geen overwinning. Waarom? Kijk toch om je heen. Nou ja je zult nog wel zien wat ik bedoel.’ 

    Een grotesk misverstand

    Menasse heeft duidelijk een afkeer van de meeste grote verhalen. Daarom zoekt hij in persoonlijke geschiedenissen naar iets wat de tijd kan overstijgen. Iedereen is zowel dader als getuige in zijn wereld, en de moderne tijd is een verschrikking geworden omdat er zoveel als vanzelfsprekend wordt aangenomen en het individu de maat is geworden van alles: ”Ik’ kan zoals bekend eenieder zeggen – maar juist dat is vandaag de dag niets verbindend meer.’ De vaak geestige ironie van zijn hoofdpersonen is een manier om door het moderne landschap te navigeren, een landschap waar Menasse als filosoof maar al te bekend mee is. Hij voert ook Hegel op in de verhalen, er wordt gediscussieerd over Dostojewski en is er een klein bijrolletje voor een boek van Adorno. 

    In het verhaal Anekdoten met doden haalt Menasse een interview met de, eveneens Oostenrijkse, schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) aan, waarin deze gezegd heeft ‘dat wat we leven noemen of zelfs weer-tot-leven brengen in wezen een grotesk misverstand is.’ Vandaar dat hij liever op kerkhoven ging wandelen. Als Menasse later Bernhards favoriete kerkhof gaat bezoeken blijkt het overbevolkt te zijn met toeristen en nieuwsgierige mensen met fototoestellen. De geest van Bernhard waart ook een beetje door Menasses verhalen, dezelfde Bernhard die in deel 1 van zijn memoires opmerkt dat in zijn kostschool in de tijd van het fascisme het portret van Jezus simpelweg vervangen werd door het portret van Hitler. 

    Bij Menasse leven we samen met de doden en de herinneringen en werkt het verleden vaak op wonderlijke wijze door in het heden. Zelfs al is de geschiedenis verdrongen of vergeten ‘dan is ze nog altijd op te maken uit de constellatie van vergissingen’. Wat we leren van de geschiedenis is dat ze vol onverwachte wendingen zit. Als Menasse terugdenkt aan de bril van zijn moeder waardoor ‘je de wereld zag met andere ogen, en ook anders werd bekeken’ denkt hij aan de tijd dat die bril een belofte inhield voor een stralende toekomst. Met heimwee denkt hij terug aan die tijd van onschuld toen hij nog geen kloof ervoer tussen (politieke) idealen en werkelijkheid. In deze fijne, scherpzinnige bundel krijgen we niet alleen een kritische blik op het heden maar ook een nieuwe blik op het verleden, dat ons verdeelt en samenbrengt. 

      

     

  • Uit hoeveel Bruxelles bestaat Brussel?

    Uit hoeveel Bruxelles bestaat Brussel?

    Toen mijn ouders in 1958 de Wereldtentoonstelling in Brussel bezochten en onder de indruk waren van het Atomium, was Brussel niet langer de bruisende stad die door Jacques Brel bezongen werd. Aan dat onbekommerde Brussel kwam een einde door de Grote Oorlog. In Bruxelles geeft Brel een beeld van de stad in het Belle Époque, maar omdat hij het met de details niet zo nauw nam, zoeken mensen nu nog steeds tevergeefs naar het Place Sainte-Justine.
    Terwijl meer dan 42 miljoen mensen op de Heizel tijdens Expo 58 vrijheid en vooruitgang vierden, ging in de stad het dagelijks leven gewoon door. Daar werden dromen van een kleiner kaliber gekoesterd.
    Dat was allemaal ver voor de tijd dat Brussel het bestuurlijk centrum van de Europese Unie werd, en lang nadat Boorman er de boel bedonderde.

    Ik meed Brussel een hele tijd vanwege het Frans dat er de voertaal zou zijn. In de praktijk bleek dat mee te vallen. En bleek ik het Frans, in elk geval passief, bovendien beter te beheersen dan ik dacht.
    Ik leerde de stad echt kennen in de slipstream van iemand die er dagelijks voor haar werk moest zijn. Daardoor kwam ik op plekken die voor de gemiddelde bezoeker niet voor de hand liggen. Ik liet me leiden, me op dat moment niet realiserend dat ik de meeste plekken daardoor nooit meer terug zou kunnen vinden. Tevergeefs zocht ik een volgende keer dan ook naar die leuke salon de thé gedreven door twee Griekse broers, waarvan er één eigenlijk vioolbouwer was.

    Later leerde ik ook dat andere Brussel kennen. Het Brussel waar de scepter over Europa gezwaaid wordt. Eén keer woonde ik er een commissievergadering bij. Tenenkrommend was het wat ik in verschillende talen door de dames en heren volksvertegenwoordigers hoorde beweren over een onderwerp waar ik niet geheel toevallig nogal wat vanaf weet. Het was voor ingewijden duidelijk dat zij zich zeer eenzijdig hadden laten ‘informeren’. Lobbyen loont.

    Vier weken, dat leek de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse rijkelijk lang om de mores van dat ‘Brussel’ te doorgronden. Toen hij de stad na vier jaar verliet, had hij genoeg materiaal voor een essay – De Europese koerier: de woede van de burger en de vrede van Europa – waarin hij pleit voor een postnationaal Europa, en een roman – De hoofdstad (die titel slaat niet op Brussel)die duidelijk maakt dat het niet eenvoudig is de crisis waarin ‘Europa’ verkeert te bezweren. Het ‘nooit meer’ van na die andere grote oorlog, is uitgewerkt. Niet verstandig dus om het Big Jubilee Project dat het imago van de Europese Commissie moet oppoetsen aan dat thema op te hangen.

    In weer een ander Brussel opereerde in het interbellum Boorman, Elsschots opportunistische uitgever van het Wereldtijdschrift. Een tijdschrift zonder abonnees, maar met een hoge oplage. Boorman kan lijmen als de beste en draait menig middenstander met zijn mooie praatjes en instant artikelen een poot uit. Hij verplicht zijn totaal overrompelde klanten tot het afnemen van het schriftelijk overeengekomen aantal exemplaren. Fake News was het Wereldtijdschrift net niet, laten we het maar op een sterk staaltje bedrijfsjournalistiek houden.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    De hoed van tante Jeannot – Erik De Kuyper
    Lijmen
    – Willem Elsschot
    Het been – Willem Elsschot
    De hoofdstad – Robert Menasse (vertaling: Paul Beers)

    En ik luisterde voor de zoveelste keer naar:
    Bruxelles – Jacques Brel

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • ‘Ik zie het betere en waardeer het, maar ik ga voor het slechtste’  (Ovidius)

    ‘Ik zie het betere en waardeer het, maar ik ga voor het slechtste’  (Ovidius)

    ‘Ik zie het betere en waardeer het, maar ik ga voor het slechtste’  (Ovidius)


    In Wij begrijpen elkaar uitstekend geeft Pieter van Os een inkijkje in het Haagse politieke wereldje van binnenuit. Met vlotte pen geschreven en gelardeerd met tal van anekdotes schetst hij hoe politici, spindokters, kiezers, journalisten en lezers elkaar in een voortdurende wurggreep houden met als gevolg dat er van het voeren van een consistent beleid nauwelijks meer sprake kan zijn. ‘Mediawijze politici zijn eerzuchtige prijsvechters die zich hebben bekwaamd in de luchtballon en de schijnoverwinning’. Interessant is zijn conclusie dat de journalistiek steeds meer de politiek bepaalt en ‘de journalistiek krijgt de politiek die ze verdient’. ‘De huidige journalistiek levert in ieder geval politici die, met het oog op de actualiteit en ter vergroting van de eigen reputatie, regelingen en wetten in het leven roepen die, eenmaal aangenomen, uitvoeringsorganen soms tot wanhoop drijven …’. Hier slaat Van Os natuurlijk de spijker op zijn kop. We kennen immers allemaal de klachten uit het onderwijs en de zorg, die de laatste jaren voortdurend geplaagd worden door maatregelen waar ze helemaal niet om gevraagd hebben, maar het gevolg zijn van een aan de weg timmerende pressiegroep, die de juiste kanalen via de media heeft weten te vinden. Politici lijken te denken dat ze niet zonder journalisten kunnen, dat alles afhangt van de eigen zichtbaarheid. Zij laten zich zelfs ‘kroelen’ in het zicht van de camera, dit is fysiek betasten door een brutale journalist. Zo overkwam ook de voormalige SP-leider Agnes Kant: ‘Ze had licht verbijsterd gekeken …, maar ze had het laten gebeuren, al was haar glimlach van steen.’

    Dit boek doet onwillekeurig denken aan een artikel in de Volkskrant van Sander van Walsum waarin hij een interview afneemt met David van Reybrouck naar aanleiding van diens laatste boek Loten, dat geeft de burger macht. In dat boek analyseert Van Reybrouck de teloorgang van de parlementaire democratie in zijn huidige, nog uit de 18e eeuw stammende verschijningsvorm. In wezen is het boek van Pieter van Os een onderbouwing van dit standpunt. De criteria die journalisten hanteren voor goede verhalen worden ook steeds meer de maatstaven van burgers bij het beoordelen van politici, of zelfs van beleid. Van Os verwijst in dit verband naar de Amerikaanse politicoloog Timothy Cook die tien jaar geleden al constateerde dat ‘het verschil tussen beleid maken en nieuws maken steeds meer aan het vervagen is’. Dit verklaart ook de spectaculaire groei van de afzeikjournalistiek op het Binnenhof. Het loont!!

    Ook Robert Menasse wijst in zijn laatste boek over Europa hier al op. Politieke elites laten tijdens verkiezingscampagnes hun oren hangen naar wat de goegemeente graag wil horen, terwijl ze na de verkiezingen een heel ander beleid gaan voeren. In al deze geschriften komt naar voren dat er sprake is van een toenemend cynisme ten aanzien van de werking van het democratisch bedrijf onder de spraakmakende elite van het land.

    Van Os heeft zijn boek opgebouwd rond een serie kernachtige begrippen en steekwoorden die evenzovele titels van hoofdstukken vormen zoals ‘De macht, De vriendschap, De boksring, De hype en De schoothond. Hoewel dit de inzichtelijkheid van het boek zeker ten goede komt, versterkt het misschien ook wel het wat anekdotische karakter van het boek. Dit is aan de ene kant een van de aantrekkelijke aspecten ervan, aangezien het echte inside-information betreft, maar aan de andere kant ook een beperking. De lezer wordt soms wat anekdote-moe. De leesbaarheid wordt verder niet bevorderd door de vele verwijzingen naar het werk van Nederlandse en Amerikaanse geleerde lieden. Alsof Van Os voortdurend wil bewijzen dat zijn boek niet zomaar een flut boekje is van een op sensatiebeluste journalist, maar een heus metajournalistiek werk van niveau. Welnu, dat laatste is zeker het geval. Van Os heeft een goed boek geschreven dat inzicht verschaft in de onderlinge afhankelijkheid van pers en politiek en dat een bijdrage kan leveren aan het nadenken over het functioneren van onze democratie.

     

    Wij begrijpen elkaar uitstekend
    de permanente wurggreep van pers en politiek

    Auteur: Pieter van Os
    Verschenen bij: Uitgeverij Prometheus / Bert Bakker
    Aantal pagina’s: 256
    Prijs:  € 16,95

  • Recensie door Huub Bartman

    Recensie door Huub Bartman

    De Gordiaanse knoop

    ‘En wie zich dit alles niet kan voorstellen, die moet zich tenminste proberen voor te stellen wat Auschwitz betekent. En wat dit tot nu toe en voor eeuwig voor ons betekent. En waarom iedere voorzitter van de Europese Commissie sinds de oprichting van de Commissie zijn ambtsaanvaarding begint met een reis naar Auschwitz.’ (blz. 115)

    De bekende Oostenrijkse schrijver Robert Menasse vatte enige tijd geleden het plan op een roman te schrijven die zich in Brussel zou moeten afspelen met als hoofdpersoon een ambtenaar van de Europese Commissie. Het zou een zogenaamde ‘vooravond-roman’ moeten worden in de zin van Thomas Manns De Toverberg of Robert Musils Man zonder eigenschappen. In Menasses ogen staan wij aan de vooravond van de ondergang van de natiestaat en de grafdelver zal de Europese Unie zijn; óf de Europese Unie slaagt erin de overwinning op de natiestaat te boeken, óf de natiestaat zorgt voor een herhaling van de rokende puinhopen van weleer, escalerend in een nieuw armageddon, een nieuw Auschwitz, waarna we opnieuw stamelen: ‘Dit mag nooit meer gebeuren!’

    De roman is er nog niet gekomen, maar wel een erudiet en vlammend essay; erudiet omdat hij een haarscherpe analyse geeft van de problemen waarvoor wij in Europa staan en vlammend omdat hij zijn analyse baseert op een maatschappijvisie. En juist dat laatste ontbreekt, aldus Menasse, bij de huidige generatie politici. Dat is heel erg omdat het Europese project zoals wij dat nu kennen in de vorm van de Europese Unie in den beginne gebaseerd is op een maatschappijvisie als reactie op de verschrikkingen van vooral de Tweede Wereldoorlog: ‘Dat nooit meer!’ De na-oorlogse Europese elite zag in dat de oorzaak van alle ellende gezocht moest worden in de natiestaten. Deze moesten dus door een vervlechting van hun economieën stap voor stap gedwongen worden hun soevereiniteit prijs te geven tot ze uiteindelijk zouden afsterven en opgaan in een Europa zonder grenzen. Deze supranationale opvatting van Europa werd toen door de elite gedeeld, niet door het gewone volk. Nu echter vindt deze opvatting ook bij de elite niet langer gehoor, terwijl het volk nog altijd niet gewonnen is voor de Europese idee. Het beperkte supranationale karakter van sommige Europese instellingen is in de loop der tijd systematisch uitgehold met als droevig dieptepunt de bepalingen van het Verdrag van Lissabon, waar de bevoegdheden van de Europese Commissie aan banden werden gelegd, die van het Europees Parlement onvoldoende werden versterkt en die van de Europese Raad werden uitgebreid. Deze Europese Raad is in de ogen van Menasse een arena waarin de natiestaten elkaar de tent uitvechten om vermeende eigenbelangen te behartigen. Grote landen als het Duitsland van Angela Merkel en Frankrijk maken er de dienst uit en de regeringshoofden, ook Rutte, komen trots thuis vertellen wat ze nu weer voor hun eigen land hebben binnengehaald ten koste van die gargantueske moloch, EU geheten, wel inziend dat hun nationale belangen eigenlijk veel meer gediend zouden zijn bij meer Europa, maar om electorale redenen zich aansluitend bij de nationale waan van de dag. Deze politici immers zijn thuis afhankelijk van hun kiezers, die anti-Europa zijn of op zijn best sceptisch staan tegenover de EU, daartoe opgehitst door de nationale media. En juist daarin schuilt, aldus Menasse, de tragiek ‘….dat uitgerekend de schuldigen zich opwerpen als redders, die de gevolgen van hun beslissingen tot oorzaak van hun eerstvolgende beslissingen verklaren. De Raad is de vernietigende verlosser: waar over de redding onderhandeld wordt, groeit het gevaar!’(blz. 103).

    Menasse gaat ervan uit dat er eigenlijk helemaal geen sprake is van een financiële crisis, maar van een politieke crisis. ‘Politiek engagement, democratische strijd en natuurlijk de woede van de burgers moeten zich nu richten op de afschaffing van de Raad. De Raad moet weg! Radicaal!’

     

    De Europese koerier
    De woede van de burger en de vrede van Europa

    Auteur:  Robert Menasse
    Vertaald door: Paul Beers
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 128
    Prijs: € 16,95