• Meebewegen

    Meebewegen

    Ik wilde over de liefde schrijven. Maar eerst moest de afwasmachine uitgeruimd. Er is muziek. De radio speelt (ik zocht het op) de derde symfonie van Felix Mendelssohn. De weemoedigheid van strijkinstrumenten in de herfst. Het bladerdek van de plataan lekt druppels op het canvas van de tuinstoelen. Een Vlaamse gaai schettert door de tuin. Ik voel een gretigheid alsof het leven voor de laatste keer ten volle geleefd moet worden. 

    Dan Averij van Robbert Welagen. De jij woont met zijn vriendin, hond en kat in het bos. Vanuit het huis zo een zandpad op, het bos in. Drie jaar geleden werd bij Welagen lymfeklierkanker vastgesteld. Stap voor stap benadert hij de ziekte in zijn lijf. Eerst die verdikking. Daarna de onderzoeken, een verkeerde diagnose, opnieuw onderzoeken, opnieuw een diagnose, de chemokuren. Hoe hij van zichzelf vervreemdt, hoe breekbaar de liefde tussen zijn vriendin en hem wordt.  Zijn vriendin en hij houden van het bos. Hij houdt van haar hoe ze in de kas rommelt met potten en aarde. En, ‘Omdat ze het fijn vindt om ‘s avonds door een donker bos te fietsen.’ 

    Als het vermoeden van iets ernstigs in zijn gedachten woekert, denkt hij aan de dreiging die voelbaar is vanuit het bos als de dagen korter worden. ‘Soms is er iets met deze omgeving aan de hand. Het is alsof er vanuit het donker, staand tussen de bomen, een vreemde naar je kijkt. Een onzichtbare figuur die je in de gaten houdt als je, gevangen in het licht, eten klaarmaakt. Je schuift de gordijnen dicht en dat lucht even op, maar al snel word je je ervan bewust dat het gevaar zich nu achter de gordijnen schuilhoudt.’  

    Ik moet me eigenlijk met een aankomend jubileum bezig houden. De man en ik en ach, wat kennen we elkaar al lang. Wacht, dit gaat niet de goede kant op. Ik wilde over liefde schrijven.
    Averij gaat over vervreemding, van de jij en van zijn geliefde. Hij verliest zichzelf en zij grijpt steeds mis. ‘Godsamme’, roept ze op een dag, ‘Ik ben het gewoon zat dat het de hele tijd over jouw ziekte gaat.’ Hij voelt zich aangevallen. ‘“Dat weet ik ook wel.” In de stilte die volgt hoor je hoe zwak je woorden klinken.’

    Het beweegt door de regels heen, dat wat hij voelt voor zijn vriendin. Dat je liefde niet op krediet kunt nemen. De beschrijvingen over de ziekte, wandelen met de hond, ziekenhuisbezoeken, de dagen na de chemo en hoe zijn vrienden en familie reageren, zijn zodanig gecomponeerd dat het me soms ontroerde. Tot tranen toe. Om het ongeloof dat jou iets ernstigs kan overkomen. ‘Je zegt tegen jezelf: het komt vast goed. Ik leef gezond, ik ben pas veertig’ Of wanneer hij opeens beseft haar te kunnen verliezen, omdat hij ziek is, verzorgd moet worden. Maar ze blijft. Ze beweegt met hem mee, geeft toe aan wat hij nodig heeft. Liefde en ziek zijn, het is een beproeving. Wat een mooi boek, Averij. Over liefde dus.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column over boeken.

     

     

     

     

  • Zomerlezen – Novelle als vakantievoer

     

     

     

    Wereldverzamelaar

    De Brit Richard Burton (1821 – 1890) leefde in een eeuw waarin reizen nog avontuurlijk was. Hij was officier, diplomaat, schrijver, vertaler, spion en ontdekkingsreiziger. Hij bereisde India, het Midden-Oosten en Oost-Afrika. Anders dan veel van zijn koloniale landgenoten stelde hij zich open voor andere culturen en godsdiensten. Hij mengde zich anoniem met de lokale bevolking en was permanent op zoek naar nieuwe inzichten. Burton vertaalde onder meer Duizend-en-een-nacht en de Kamasutra. De Duits-Bulgaarse schrijver Ilja Trojanow (1965) schreef over zijn grote held De wereldverzamelaar, waarvoor hij in zijn voetspoor reisde.
    Het is een van de redenen waarom het zo’n geloofwaardig boek is, ondanks de ongelooflijke avonturen die erin worden beschreven. Daarbij beschikt Trojanow over een groot inlevingsvermogen en een enorme verbeeldingskracht. Burtons reizen naar onder meer Mekka en de bronnen van de Nijl lezen als een jongensboek. Het bevat levende personages tegen zinderende decors. Door de verschillende vertelperspectieven en de prachtige, kleurrijke stijl is het boek ook een grote literaire prestatie. Het zijn reizen die je zelf nooit had durven maken. Vooral de tocht door het Afrikaanse oerwoud is huiveringwekkend vanwege de verschrikkelijke ontberingen. Dankzij Trojanow kun je deze net zo intens vanuit je veilige stoel meemaken. Naast oog voor sfeer heeft Trojanow ook aandacht voor persoonlijke tragiek. De wereldverzamelaar is niet alleen een roman die de geest verruimt en je dagen achtereen geboeid houdt, het is er een die ook ontroert.

    Wereldverzamelaar
    Auteur: Ilija Trojanow
    Uitgeverij: De Geus (2008)

    Het meten van de wereld

    Deze roman van Daniel Kehlmann (1975) speelt ook eind negentiende eeuw en gaat over twee wetenschappers die volhardend en fanatiek hetzelfde doel nastreven. Twee grote genieën: Alexander von Humboldt en Carl Friedrich Gauss. Beiden willen de wereld opmeten. De eerste door met zijn meetapparatuur naar onbekende streken te trekken, de laatste zonder zijn geboorteplaats te verlaten, aan de hand van wiskundige formules. Von Humboldt is de avonturier, Gauss heeft een hekel aan reizen. Beiden laten zich leiden door de sterren. Kehlmann schrijft de pogingen van zijn beroemde landgenoten luchtig en met humor op. Met oog voor sprekende details weet hij het verleden tot leven te wekken. Door zijn hoofdpersonages om en om te beschrijven houdt Kehlmann het verhaal boeiend en accentueert hij het onderlinge contrast. De personages zijn geen kille wetenschappers, maar mensen van vlees en bloed.
    De gedreven Von Humboldt weet letterlijk van geen ophouden en neemt de meest krankzinnige risico’s. Tot afgrijzen van zijn verstandige reisgezel, de Fransman Bonpland, een onvergetelijk personage. Met zijn grenzeloos gedrag zet Von Humboldt hun gezondheid meer dan eens op het spel. Gauss worstelt zijn hele leven met de liefde. De roman laat niet alleen hun bevlogenheid, maar ook hun eenzaamheid zien en roept vragen op over mislukking en succes. Tenslotte komt de vraag of al dat reizen wel ergens goed voor is.

    Het meten van de wereld
    Auteur: Daniel Kehlmann
    Uitgeverij: Rainbow (2006)

    Lipari

    Dat een ideaal reisboek niet dik hoeft te zijn, bewijst deze novelle waarmee Robbert Welagen (1981) debuteerde. Je moet gewoon wat trager lezen. Er hoeft ook niet per se vreselijk veel in te gebeuren. Welagen geeft je alle ruimte om te fantaseren. Zijn boeken zijn dromerig en raadselachtig. Het verleden speelt er een belangrijke rol in. In Lipari ontmoet hoofdpersoon Robbert op dit Italiaanse eiland een opzienbarend echtpaar: ‘Ik was gefascineerd door Gerard en Chaphine’. Het leven leek hen niet aan te raken.’ Hij observeert hen en probeert achter hun geheim te komen. De novelle speelt zich af op een verlaten plek:

    ‘Hotel Cavazzoni was een voormalig landhuis met slechts zeven kamers, opgetrokken in Palladiaanse stijl. Aan de zeezijde van het hotel lag een groot verhoogd terras met een balustrade eromheen. Aan de achterkant bevond zich het zwembad in de weelderige hoteltuin. Daar kwam vrijwel niemand.’

    Met eenvoudige zinnen roept Welagen een sterke sfeer op. Uiteraard die van Italië, waardoor je vanzelf in vakantiestemming komt. Lipari is verkrijgbaar in een uitgave met een andere mooie novelle, Philippes middagen, waarin de hoofdpersoon in de zomer gewoon thuis blijft. Welagen heeft net weer een nieuw boek uit, ‘Antoinette’, 112 pagina’s ‘dik’. Ik denk dat ik dit deze vakantie maar eens ga lezen.

    Lipari
    Auteur: Robbert Welagen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
  • Moord op de grachtengordel

    Moord op de grachtengordel

    Het subgenre ‘politieroman’ onderscheidt zich van de detective en de thriller doordat het meer wil bieden dan alleen een moordmysterie of spannend verhaal. De maatschappelijke context is net zo goed van belang. Vooral in Scandinavische landen kent deze stroming een rijke traditie.
    Het Zweedse schrijversechtpaar Sjöwall en Wahlöö bijvoorbeeld publiceerde in de jaren 60 en 70 een tiendelige serie rondom rechercheur Martin Beck. Nog bekender werd de Wallander-reeks enkele decennia later, van de hand van hun landgenoot Henning Mankell, waarvan de officieuze ondertitel luidt: ‘romans over de Europese onrust’.

    Lijk in de gracht
    Nachtwandeling is in alle opzichten een klassieke politieroman, een die zich afspeelt in de Nederlandse literaire wereld. Robbert Welagen (1981) laat de fictieve schrijver Jacob van Herwijnen na het winnen van de even fictieve Sebriko Literatuurprijs omkomen in de Amstel. Dit plotse overlijden is verdacht en derhalve wordt inspecteur Mudde op de zaak gezet.

    Mudde is gemodelleerd naar het archetype van de Scandinavische politierechercheur. Net als Martin Beck en Kurt Wallander gaat het om een norse morsige zestiger zonder al te veel ambitie, die zijn dagen doorgaans alleen slijt en met een kritische distantie kijkt naar de veranderde wereld om hem heen. Hij is geen superdetective met een bovenmenselijk inzicht in de psyche van de dader, geen Sherlock Holmes dus, maar een gewone man die zijn werk doet, en door vasthoudendheid en vakmanschap zijn zaken weet op te lossen.

    Het opsporingswerk in Nachtwandeling volgt de geijkte patronen, inclusief stereotype bijpersonages in de vorm van een jonge brigadier die als rechterhand van Mudde uiteraard het verkeerde spoor volgt en een ongeduldige commissaris die erop gericht is de pers tevreden te houden, maar zonder extra middelen ter beschikking te stellen. Opvallender is dat andere aspect van deze politieroman; de inbedding van het moordverhaal in de literaire kringen van Amsterdam.

    Opgeblazen ego’s
    Robbert Welagen kent dit wereldje zelf van binnenuit. Hij publiceert immers al sinds 2006 en is met Nachtwandeling aan zijn zevende titel toe. Met inspecteur Mudde laat hij een buitenstaander snuffelen in deze op zichzelf gerichte microkosmos. Een van de eerste ontdekkingen die de cynische politieman doet is ‘dat schrijvers belangrijke mensen zijn. Ze dienen met egards behandeld te worden’. In de portretten die de revue passeren blijft dat de teneur. Van de ambitieuze uitgever tot de zich miskend voelende jonge schrijver en de opportunistische recensent; de mensen uit de inner circle van het literair bedrijf vinden zichzelf geweldig belangrijk en de ander onbetekenend.

    Het beeld dat op deze manier wordt opgeroepen kan best waarheidsgetrouw zijn, maar doet vooral wat clichématig en oppervlakkig aan. De elite van de grachtengordel bezien door de ogen van een nuchtere man met een pet. Dat Welagen een motto uit Mijn biecht van Tolstoj gebruikt, is echter een brug te ver. Het gaat hier immers om de weerslag van diens existentiële schrijverscrisis tegen de achtergrond van flagrante sociale misstanden in het Rusland van zijn tijd. (Het motto is: Wij worden gerespecteerd omdat wij boeken en kranten vol schrijven, en om die reden zijn we zeer nuttige en zeer goede mensen.)

    Aan de oppervlakte
    Nachtwandeling is een onderhoudende en makkelijk leesbare politieroman van Hollandse bodem. De korte zinnen en overvloedige dialogen zorgen voor veel vaart. In de uitwerking ontbreekt het echter aan originaliteit. Dit geldt zowel voor het speurwerk zelf, dat niet echt spannend wordt, als voor de daaruit voortkomende maatschappelijke schets, die te veel blijft hangen in het voor de hand liggende. Wie houdt van literair rechercheren grijpt dus beter terug naar de boeken over Kurt Wallander of Martin Beck.

     

  • Geen behoefte aan zichzelf

    Geen behoefte aan zichzelf

    Het verdwijnen van Robbert van Robbert Welagen (1981) gaat over een schrijver die lijkt op de auteur en die ook dezelfde naam heeft. In de roman schetst Welagen een alternatief leven dat hij geleefd had kunnen hebben na het verschijnen van zijn debuut Lipari toen hij 25 was. Het verhaalgegeven is intrigerend: de hoofdpersoon wil ‘onzichtbaar’ of ‘leeg’ worden, verdwijnen uit zijn oude bestaan en zijn vrienden en familie achter zich laten.

    Robbert heeft te maken met zijn onbeantwoorde liefde voor Chloe, mogelijk de voornaamste reden van zijn vertrek. Chloe, inmiddels getrouwd met een ander, ‘had de benijdenswaardige karaktereigenschap genoegen te nemen met het middelmatige leven dat men na de jeugd gedwongen is te leiden.’ (p. 11) Robbert kan dit niet. Hij is bang dat hij later door zijn familie en vrienden verstoten zal worden en wil dit voor zijn door zijn oude bestaan achter zich te laten.

    Robbert is teleurgesteld in het leven tot nu toe. Het publiceren van een boek heeft niet het verwachte effect op zijn innerlijk gehad: ‘Als er eenmaal een boek van me is uitgegven, zal het geluk dichterbij zijn, meende ik. Ik was vierentwintig jaar en opgetogen dat mijn leven een vorm ging krijgen. Maar toen het boek in de winkel lag veranderde er niets. Ik had me wat in mijn hoofd gehaald. Gedagdroom in de schaduw. Een streepje zonlicht van de werkelijkheid en weg was  het.’ (p. 16) Het is een mooi geformuleerde passage die de ontgoocheling van de schrijver toont, de betrekkelijkheid ook van bepaalde vormen van succes, zoals het publiceren van een boek.

    Robbert verkoopt al zijn spullen, laat zijn appartement leeg achter en vertrekt naar Duitsland. Hij vestigt zich in de stad Rohen, die hij willekeurig op de kaart prikt. Hij huurt daar een eenkamerwoning met bad, nog voor hij een baan heeft gevonden, wat enigszins onwaarschijnlijk is, want de verhuurder zal er van verzekerd willen zijn dat hij een inkomen heeft, alvorens iets te verhuren. Na een tijdje vindt hij toch werk in een fabriek en begint hij een relatie met de oudere vrouw Traudl, die hij in de lift van de flat was tegen gekomen.

    Uiteindelijk biedt ook dit bestaan hem geen voldoening. Robbert wil niet daadwerkelijk leven, maar ook niet dood zijn, al overwoog hij als puber ooit zelfmoord te plegen. Hij vraagt zich het volgende af: ‘hoe moest ik het gat overbruggen dat ligt tusen de jeugd (nog niets doen) en ouderdom (niets meer doen), het gat dat men volwassenheid noemt?’ (p. 121) Robbert wil niet volwassen zijn en kent niet de ambities die het leven van ‘gewone’ mensen bepalen. Hij is een zeer ongewone jongeman met een ongebruikelijke kijk op het leven. Sommige lezers zullen zich aan zijn onwil om echt te leven storen. Toch weet de ikfiguur sympathie op te wekken. Je leeft met hem mee. Interessant is ook het gegeven dat de ik zijn ervaringen uiteindelijk toch te boek heeft gesteld. Hij deelt zijn belevenissen, of het gebrek daaraan, met de lezer die hij keurig met ‘u’ aanspreekt. Blijkbaar heeft hij later toch iets van ambitie terug gevonden.

    Het verdwijnen van Robbert is een dun boek, maar het heeft precies de goede lengte. Het gegeven leent zich misschien niet voor een langer werk, dan zou er waarschijnlijk minder begrip voor  de hoofdperson bij de lezer overblijven. De stijl is sterk met veel citeerbare passages, zoals: ‘geluk is als een verfrissende regenbui die niet doorzet: nu gaat het komen, denk je, maar er vallen een paar druppels en daar blijft het bij. (p. 119) Het boek toont op zeer bevredigende wijze hoe het leven onbevredigend kan zijn. Robbert denkt veel na over zichzelf, over hoe hij overkomt, zijn relatie tot anderen. Hij stelt: ‘met mensen die anders zijn dan ik, kan ik me niet identificeren.’ En ook: ‘Aan mensen die hetzelfde zijn als ik heb ik geen behoefte, want aan mezelf heb ik al geen behoefte.’ (p. 147) Het is knap dat Welagen je met een personage dat zo in het leven  staat, laat meeleven.

     

    Het verdwijnen van Robbert

    Auteur: Robbert Welagen,
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 160
    Prijs: € 17,50

     

     

     

  • Mysterieus verhaal die de lezer in spanning houdt

    Mysterieus verhaal die de lezer in spanning houdt

    In de vierde roman van Robbert Welagen, Porta Romana, lezen we het verhaal van de Zwitser Emilio Lastrucci. Deze tweeënvijftigjarige man lijdt aan geheugenverlies. Erger nog: hij kan zich op wat sporadische flashbacks na niets meer herinneren van zijn jeugd. Daarom besluit hij terug te gaan naar zijn geboortestad Florence. Hij bezoekt hier plaatsen en personen die hem mogelijk meer duidelijkheid kunnen geven over zijn jeugd: het huis waar hij is geboren, een vroegere vriend, zijn tante. De bezoekjes leveren echter weinig op, in plaats van het vinden van oplossingen komt hij juist voor meer raadsels te staan. Want wie is bijvoorbeeld de vrouw door wie Emilio telkens achtervolgd lijkt te worden? Heeft zij iets te maken met zijn jeugd? En de auto met Zwitserse nummerplaat, die telkens weer in zijn buurt opduikt wanneer hij door de Italiaanse stad wandelt?

    Er ligt een mysterieuze sluier over dit verhaal die niet alleen de hoofdpersoon van het boek maar ook de lezer in spanning houdt. Deze spanning zorgt ervoor dat je – bijna met ingehouden adem – verder leest. Tot op de laatste bladzijde blijft ze voelbaar. Lastrucci probeert grip te krijgen op de gebeurtenissen door de stad aandachtig in zich op te nemen: hij staat stil bij alle plaatsen en straatnamen van Florence die hij tegenkomt. Hij absorbeert deze als het ware, in de hoop dat ze hem wat houvast zullen geven zodat zijn geheugen langzaam terug zal komen. Naast geheugenverlies heeft Emilio ook erg last van angsten: zijn geheugen is immers verdwenen na een ongeval. Dit ongeval heeft zich voltrokken toen hij probeerde te vluchten omdat hij bestolen werd van zijn spaargeld. Hij is bang dat dit nog een keer gebeurt, en vraagt zich af hoe zijn belagers wisten van zijn spaargeld. Wordt Lastrucci wellicht ook in Florence door zijn belagers achterna gezeten?

    Welagen weet in Porta Romana, net zoals in zijn vorige romans weer de juiste taal te kiezen: de zinnen die hij gebruikt zijn kort, beeldend en luchtig, maar ook vol raadsels en ze ademen een mysterieuze spanning uit. De manier van schrijven doet daarom erg denken aan zijn eerdere roman Lipari, waarin hij ook poëtische zinnen gebruikt en waarbij hij eveneens gedurende het hele verhaal een luchtigheid over de tekst heen legt. De drukkende warmte die in de zomer van Emilio’s zoektocht in Florence boven de stad hangt, is eveneens bekend uit Lipari, en contrasteert op mooie wijze met de luchtigheid van de zinnen. De raadselachtigheid en het mysterieuze kennen we nog goed uit Verre vrienden. Ook hierin riep het verhaal naarmate het vorderde bij de lezer juist meer vragen dan antwoorden op. Kortom: Porta Romana is een feest van herkenning voor de fans van Welagen. De terugkerende elementen in zijn romans, namelijk de raadselachtigheid die tot op de laatste bladzijde over het verhaal blijft hangen, de luchtige, poëtische taal die hij bezigt, en ten slotte de beklemmende benauwdheid waar je als lezer door bevangen wordt, maken het ook deze keer weer tot een zeer aangename leeservaring.

    De gedetailleerde beschrijvingen van Florence moeten voor de kenners van deze stad ten slotte een leuke toevoeging zijn. Moet men dan toch een minpuntje aan deze roman noemen, dan is het dat het boek slechts 160 bladzijden telt. Veel te gauw naar je zin sla je als lezer de laatste bladzijde om, terwijl je zou willen dat het allemaal veel langer zou duren… Vol raadsels en vertwijfeld blijf je achter, waarna je uitgebreid de tijd hebt het gebeurde, en vooral het niet-gebeurde, te overdenken.

     

     

  • Zomerse dagen en landerige rust als bedding

    Zomerse dagen en landerige rust als bedding

    Recensie door Frank Heinen

    In de boeken van Robbert Welagen is het altijd zomer. Er heerst een vredige, bijna landerige rust waarin de hoofdpersonen zich traag en weinig doelgericht voortbewegen. Lange, eindeloze zomers zijn het, vol glazen limonade en lommerrijke tuinen waarin schommels staan. Door de geopende ramen hoor je in de verte de geluiden van de stad. De schijn van geluk wordt gewekt, en misschien ís dat er ook wel. Maar het is een broos soort geluk: één tikje en de barstjes worden zichtbaar.

    In Verre vrienden, Welagens derde roman, spelen herinneringen wederom een belangrijke rol. Ging het in Philippes middagen nog om een familiegeschiedenis, in Verre vrienden speelt de mysterieuze vriendin Eline Combier de hoofdrol. Eline is een soort sprookjesprinses, hoogbegaafd én ontstellend mooi die in een ver verleden een zomer in de villa van de familie Stuart heeft gewoond. Worstelend met een overleden vader en een moeder die eist dat Eline haar talent ten volle benut, is Eline niet de eerste de beste dwarse puber. Ze ligt hele dagen in de hangmat in de tuin en leest in de Winkler Prins encyclopedie. Die moet ze voor het eind van de vakantie uit hebben.
    De herinnering aan deze trage zomervakantie wordt bij Olivier Stuart opgeroepen als hij Eline na bijna vijftien jaar weer tegenkomt. Eline is verward en verwaarloosd en kort na hun hernieuwde kennismaking overlijdt ze zelfs. In zijn hoofd keert Olivier terug naar die ene zomer in 1994, een zomer waarin bijna niets gebeurde. Olivier runt inmiddels een hoedenwinkel in de stad, een mooie betrekking voor de ietwat wereldvreemde jongen die hij lijkt te zijn. In die zomer wordt hij tijdelijk in de schaduw gesteld door de excentrieke en opvallende Eline, maar dat lijkt hem niets uit te maken. Immers, ook als zij er niet is verkiest Olivier het liefst de schaduw. Het allerliefste zit hij in een van de hoge bomen in de tuin van de villa, gekleed in zijn eeuwige groene pyjama. Door het dragen van die pyjama vergelijkt Eline hem met Peter Pan, en daarmee legt ze de vinger pijnlijk op de zere plek.

    Welagen gaat in Verre vrienden door waar Philippes middagen en Lipari ophielden. De zonnige, trage atmosfeer van Lipari en de wat meer unheimische kenmerken van Philippes middagen komen samen in een verhaal dat meteen, in de eerste zinnen, begint met een sterfgeval. De afloop is bekend, maar in plaats van de spanning daarmee weg te nemen, voert Welagen hiermee de spanning juist op. Wat is er gebeurd met dat briljante meisje dat op een middag zomaar de oprijlaan van de familie Stuart op kwam lopen? Eigenlijk geeft de schrijver geen antwoord op die vraag, zoals veel vragen onbeantwoord blijven. Want wat is er precies mis met een jongen van zestien jaar die in een groene pyjama rondloopt en hele middagen in een boom doorbrengt? Welagen werpt ze op, die vragen, zonder er verder op in te gaan. Dat is ook de grote kracht van de schrijver, die met zijn terloopse, uiterst precieuze stijl alles te raden overlaat.
    Met die stijl is Welagens handelsmerk genoemd, een manier van schrijven die hij, in vergelijking met zijn vorige twee romans, verder heeft aangescherpt en die uitstekend geschikt is voor het oproepen van de milieus vol vergane glorie waarin zijn hoofdpersonages rondslenteren.

    Het literaire spel dat Welagen speelt als het gaat om de strijd van Olivier met de moderne tijd, in één scène zelfs letterlijk, is een verrijking voor het boek. De komische passages zijn eveneens geslaagd: bij het beschrijven van het groepje vroegoude vriendjes van Eline en Olivier houdt de verteller voortdurend zijn gezicht in de plooi. Ook hier is de stijl van levensbelang: één slechtlopende zin en de zorgvuldig opgebouwde sfeer is om zeep.
    Uiteindelijk komen we niet te weten wat er precies met Eline is gebeurd. Geeft ook niet; we hebben tenslotte weer een landerige zomer lang over de schouder van de virtuoze Robbert Welagen mogen meekijken.