• Postmodern meesterwerk uit Schotland

    Postmodern meesterwerk uit Schotland

    De roman Poor Things (1992) van Alasdair Gray, vertaald door Robbert-Jan Henkes als Arm ding, werd beroemd door de veelbekroonde verfilming van Yorgos Lanthimos in 2023 met Emma Stone in de hoofdrol. Alasdair Gray (1934-2019) was een bijzonder interessant auteur die voor een ware renaissance van de Schotse literatuur zorgde met zijn omvangrijke romandebuut Lanark. A Life in Four Books (1981). Hij was een van Schotlands belangrijkste beeldend kunstenaars en alleen al om de illustraties en de typografie is zijn literaire werk een waar genoegen. Dat geldt ook voor Arm ding. ‘Voorvallen uit het vroege leven van Archibald McCandless M.D. van de Schotse Dienst Volksgezondheid, bezorgd door Alasdair Gray.’

    Arm ding is zijn belangrijkste boek, meer nog dan in zijn debuut laat hij hierin zien hoe cruciaal de rol van de stad Glasgow in de Britse geschiedenis was. Eind negentiende eeuw stond Glasgow in wetenschappelijk en economisch opzicht boven Londen op nummer een in the British Empire.

    Verdronken vrouw tot leven gewekt

    Met Arm ding schreef Gray een verhaal over een anonieme vrouw in het victoriaanse Glasgow die zichzelf verdronk. Ze wordt door de geleerde Godwin Baxter gevonden en met het brein van haar ongeboren dochter weer tot leven gewekt en opgenomen in zijn huis. Hij noemt haar Bella Baxter. Baxter ontfermde zich ook over Archibald McCandless (Archie), een boeren bastaardkind dat op de universiteit gepest werd om zijn accent en kleding. Bella, die aanvankelijk de motoriek van een peuter heeft alsook het bijbehorende taalgebruik, ontwikkelt zich snel. Baxter laat Archie nauwkeurig Bella’s vorderingen noteren. Archie wordt verliefd op haar en Baxter besluit dat ze later met elkaar zullen trouwen.

    Ondertussen laat Bella zich ‘ontvoeren’ door de charmante losbol, advocaat Duncan Wedderburn, voor een tour door Europa. Tijdens haar afwezigheid ontvangen Archie en Baxter korte levenstekens van haar. Ondertussen beweegt Bella zich zowel geestelijk als fysiek steeds soepeler en begint ze na te denken over de samenleving.

    Wedderburn wil ook met Bella trouwen, maar zij is niet van plan haar belofte aan Archie te verbreken. De teleurgestelde advocaat vlucht in drank en gokken, waarna ze berooid stranden in Parijs. Om geld te verdienen werkt Bella een tijdje in een bordeel en maakt via een collega kennis met het socialisme.

    De werkelijkheid over Bella

    In Alexandrië wordt ze geconfronteerd met verschrikkelijke armoede en raakt overstuur, ook omdat ze plotseling aan haar dode dochtertje moet denken. Als ze uiteindelijk thuiskomt, vertelt ze over de ellende in Alexandrië en vraagt zich af wat zij kan doen. Baxter raadt haar aan de problemen dicht bij huis te bestrijden door arts te worden in het arme deel van Glasgow.

    Als Archie en Bella gaan trouwen worden ze in de kerk verrast door een gezelschap van vijf mannen. Ene Sir Aubrey de la Pole Blessington beweert dat Bella, Victoria heet en zijn vrouw is. Ook Bella’s vader, een steenrijke spoorwegmagnaat, is aanwezig, evenals een lijfarts, een advocaat en een privédetective. Baxter nodigt het gezelschap uit om in zijn woning van gedachten te wisselen. Dan blijkt Blessington zijn echtgenote jaren geleden aan clitoridectomie wilde onderwerpen. Ondertussen ging hij vreemd met een dienstmeisje. Als Bella vervolgens onthult dat Blessington de gemaskerde, prematuur ejaculerende ‘mister Spankybot’ uit haar Parijse bordeel is, wordt het de man te veel en pleegt hij zelfmoord.

    Bella en Archie krijgen drie zoons. Archie wordt voorzitter van de Glasgowse Burgerlijke Verheffingstrust en Bella leidt een kraamkliniek en schrijft pamfletten voor de beroemde Fabian Society en het vrouwenkiesrecht.

    ‘FINIS’

    Maar dan kennen we Gray niet: er volgen nog 35 bladzijden met kritische en historische kanttekeningen van bezorger Alasdair Gray, die ons al vergastte op een inleiding van acht pagina’s voor het relaas van Archie.

    Postmoderne trukendoos

    Zowel de inleiding als de kanttekeningen rammelen verdacht. Want Gray gebruikte voor Arm ding de hele postmoderne trukendoos. Verschillende ‘authentieke’ teksten die elkaar opzettelijk lijken tegen te spreken, plus de daarbij behorende typografie. Zo te zien komt het officiële cv van Blessington, de dertiende baronet van die naam, uit Who is Who? uit 1883. Maar de manier waarop het cv vermeldt hoe het latere parlementslid in alle mogelijke uithoeken van het koloniale Britse Imperium heeft huisgehouden, is zelfs voor die dagen hoogst overdreven en onwaarschijnlijk. Laat staan de locaties van sommige van zijn veldslagen: Fumuckenugger, Bullubgur.

    De intertekstualiteit gebruikt Gray dan ook op allerlei manieren. Hij verwijst indirect naar een hele reeks auteurs, van Dostojewski – De speler – en Dickens tot Arthur Conan Doyle. Ook speelt hij met de namen van zijn personages. Zo verwijst de tweede voornaam van Godwin Bysshe Baxter naar Percy Bysshe Shelley. Shelly trouwde met Mary Wolstonecraft, dochter van de politieke filosoof William Godwin en auteur van Frankenstein; or, The Modern Prometheus (1818). Het verhaal dat werd geconcipieerd in Byrons Villa Diodati bij het meer van Geneve. Daar denken we aan Lady Blessingtons uiterst populaire Conversations of Lord Byron (1834).

    Gray’s eigen scenario

    De verfilming is werkelijk bijzonder: ‘Frankenstein meets Pygmalion’, met een beetje ‘steampunk’. Maar Gray zou zeker teleurgesteld zijn geweest dat scenarist Tony McNamara de locatie heeft verplaatst van Glasgow naar Londen. Er is bewijs dat de auteur dat zelf nooit zou hebben gedaan. Namelijk Gray’s eigen scenario dat in zijn bundel A Gray Play Book (2009) staat.  Tijdens het schrijven van die roman wist Gray ‘zeker’ dat hiermee een carrière zou beginnen als schrijver voor het bioscoopscherm. Want Frankenstein en horror gothic waren destijds populairder dan ooit en hij had zijn roman met ruime hand voorzien van een negentiende-eeuwse sfeer en de bijbehorende kostuums.

    Een filmscenarioschrijver ziet een ander medium voor zich en moet daardoor afwijken van de gelaagde, postmoderne structuur van een tekst (en in dit geval, ook beeld). Vooral het probleem van de opzettelijke inconsistenties en contradicties oplossen. Wat te doen met de verschillende versies van de werkelijkheid? In dit geval: wie sprak de waarheid? Archie of de weduwe Victoria? Bovendien blijken vanuit het scenario-perspectief de dialogen in Arm ding soms wel er lang en de (bijna-) herhalingen tamelijk overbodig. Zo is Godwin Baxter in zijn sociale en politieke betogen langdradig, net als het lange verhaal van de spoormagnaat. Sterker is dat het geval bij de ‘missionarissen’ zoals Gray ze noemt, Hooker en Astley. Hun ellenlange redevoeringen om Bella te overtuigen, worden spoedig saai en vervelend als je ze door acteurs ziet uitspreken.

    Het boek vertaald naar een filmscenario

    De wanhopige en razende brief van Wedderburn in het boek heeft Gray ‘vertaald’ in een bezoek van twee artsen aan het gesticht waarin de advocaat verblijft. De man begint te vertellen en we zien hem, maanden eerder, opgewekt het huis van Baxter binnengaan en vervolgens Bella het hof maken. Dan zien we de reis van de minnaars door Europa, soms afgewisseld met scènes uit het gesticht, meestal met Wedderburns voice-over. Hetzelfde procedé hanteert Gray voor het weergeven van Bella’s lange reisverslagen.

    Na de zelfmoord van Blessington toont Gray een serie film stills, als uit een fotoalbum: Archie in zijn kantoor; Diens echtgenote in een geanimeerd gesprek met de Fabians Shaw, Wells en Webb; Victoria die de Royal Albert Hall toespreekt over vrouwenkiesrecht; Met haar assistentes in de geboortekliniek; Met haar drie kinderen.

    Arm ding in vertaling van Henkes leest prettig, al had de titel natuurlijk moeten zijn Arme dingen, zoals het origineel in meervoud. Het vertalen leek soms niet eenvoudig. Bella heeft bijvoorbeeld de gewoonte om voor- en achternamen in te korten waardoor ze een dubbelzinnige betekenis krijgen: God, Candle, Bell en Wed. Ze gebruikt ‘wed’ ook als werkwoordelijke aanduiding voor de geslachtsdaad. Maar wat moet de lezer met ‘Kaars’ en ‘huwen’? Blessingtons posh lost Henkes op door hem te laten spreken als corpsleden: ‘polisie’ en ‘justisie’. ‘Lame vrouw los, mneer’. Dat werkt niet altijd goed, maar we mogen Koppernik en Henkes dankbaar zijn dat een prachtboek als Arm ding nu in waardig Nederlands beschikbaar is voor de lezer.

     

     

  • Carnavalesk en absurd

    Carnavalesk en absurd

    Liefhebbers van James Joyce zullen zich in de handen wrijven met Het Dalkey-archief van Flann O’Brien, dat nu, zestig jaar na zijn verschijningsdatum, voor het eerst in het Nederlands vertaald is. Flann O’Brien (pseudoniem van Brian O’Nolan, 1911-1966), is naast James Joyce en Samuel Beckett, de derde grote naam van het twintigste-eeuwse Ierse schrijversfirmament, al mogen we Oscar Wilde en Brendan Beehan ook niet vergeten. De grote Joyce zelf was lovend over O’Brien en noemde hem ‘een echte schrijver, met de ware humoristische geest’. Niets is minder waar: naast zijn columns in de Irish Times viel O’Brien vooral op met zijn hilarische absurdistische romans, waarvan At Swim-Two-Birds (1939) ongetwijfeld zijn meesterwerk is.

    O’Brien schreef slechts vijf romans en overleed vrij vroeg, geplaagd door alcoholisme en kanker. Bij ons is het werk van O’Brien minder bekend, ook al omdat het net als Joyce’s werk minder toegankelijk is of minder begrepen werd. De vertaling van Het Dalkey-archief door Robbert-Jan Henkes mag dan ook als een krachttoer gezien worden, al had deze natuurlijk al wat ervaring door zijn vertalingen van Joyce. Uitgeverij Kopernik nam een risico door dit werk nu uit te geven, maar het zal de voor velen onbekende en vergeten topauteur misschien opnieuw in de belangstelling brengen.

    Kroegvrienden

    Plaats van handeling, zoals de titel al aangeeft, is het kleine kustplaatsje Dalkey, ongeveer twintig kilometer ten zuiden van Dublin. Twee kroegvrienden Mick en Hackett bezoeken regelmatig de bar van hotel Colza, waar ze bediend worden door mevrouw Lavetry, die ze vaak smalend ‘Lavatory’ of toiletpot noemen. Na een zwempartijtje ontmoeten de twee vrienden de excentrieke De Selby en worden ze uitgenodigd in zijn verborgen stulpje. Bij zelfgestookte whiskey doet deze theoloog en uitvinder hen uit de doeken hoe hij de tijd kan doen stilstaan en de wereld kan vernietigen met een zelfuitgevonden substantie. Daarenboven is hij ook in staat terug te gaan in de tijd en voert hij diepfilosofische en theologische gesprekken met heiligen en kerkvaders. De volgende dag zijn Mick en Hackett daar ook zelf getuige van in een onderwatergrot.

    Mick wil De Selby weerhouden van het vernietigen van de wereld en doet een beroep op brigadier Fottrell, een man die steeds met de fiets aan de hand loopt omdat hij bang is dat hij anders met zijn fiets zal vergroeien door metaalmoleculenuitwisselingen. Om anderen hiervoor te behoeden prikt hij ook constant banden van fietsen stuk. Om afleiding te vinden voor De Selby wil hij hem in contact brengen met James Joyce. Mick is namelijk te weten gekomen dat de grote James Joyce nog zou leven in Skerries, een dorpje even ten noorden van Dublin. Hij gaat op zoek en ontmoet de schrijver, die nu barman is. Hij probeert hem te confronteren met zijn grote werk Ulysses, maar daar schijnt Joyce geen oren naar te hebben. Hij veracht het werk zelfs. Uiteindelijk vraagt hij Micks hulp om in te treden bij de jezuïeten.

    Absurdisme

    Het
    Dalkey-archief lijkt niet alleen één en al chaos, maar is het ook. Structuur en een lijn hoeft de lezer er niet in te zoeken. Dat was ook niet de bedoeling van Flann O’Brien, voor wie de wereld ook één en al chaos was, al dan niet gelinkt aan zijn overmatig drankgebruik. Er wordt overigens nogal wat afgedronken in Het Dalkey-archief: elk gesprek gaat gepaard met talloze rondjes alcohol, waardoor de gesprekken vaak ontaarden in krachttermen en absurde uitspraken. Het boek moet het vooral hebben van de flamboyante en aparte stijl die O’Brien eigen was. Zijn cynische uitlatingen over wetenschap, intellectuele hoogmoed en religie zijn zijn handelsmerk. Hij spot met alles waarmee gespot kan worden en schuwt blasfemische uitspraken niet. Zijn personages zijn carnavalesk en absurd, maar daardoor juist zo aanstekelijk.

    O’Brien tracht de grenzen van de werkelijkheid steeds uit te rekken en laat zijn fantasie de vrije loop. Wie daarin meegaat, kan ontzettend genieten van zijn boeken. In het boek zitten ook verwijzingen naar The Third Policeman, geschreven in 1940, maar postuum uitgegeven in 1967. De grandioze vertaling van Het Dalkey-archief kan meteen ook een uitnodiging zijn om dit werk en andere van O’Brien opnieuw te lezen. Hoewel Het Dalkey-archief niet zijn beste boek is, kan het gerust ook een hoogtepunt van surrealisme en absurdisme genoemd worden. Wie vermakelijkheid en het absurde hoog in het vaandel voert, zal genieten van begin tot eind.

     

     

  • Oogst week 21 – 2024

    Kafka voor beginners

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Franz Kafka stierf. Hij werd niet ouder dan 40 jaar en publiceerde tijdens zijn leven weinig. Toch worden begrippen als ‘kafkaësk’ en ‘kafkaiaans’ voor situaties waarin een individu wordt vermalen in bureaucratie en instituties, wijd en zijd gebruikt. Dat is vooral te danken aan zijn vriend Max Brod die tegen de wens van de schrijver na zijn dood al zijn geschriften, waaronder zijn drie romans, toch uitgaf. In Nederland is onder andere schrijver-dichter Willem van Toorn een groot ambassadeur voor Kafka. Hij vertaalde al zijn werk. Ter gelegenheid van de herdenking van de sterfdag van de auteur verzorgde hij nu ook twee uitgaven die prachtige inleidingen vormen op het oeuvre en de gedachtewereld van de ‘tovenaar uit Praag’. In Kafka voor beginners geeft hij een beknopt overzicht van zijn leven van zijn vroegste inspiratie tot zijn latere romans, zijn rake beschrijvingen, zijn ziekte en zijn vriendschappen en zijn humor.

    Hoewel velen bij Kafka vooral denken aan de romans ‘Het proces’, ‘Het slot’ en ‘Amerika’ of aan zijn korte verhalen als ‘De gedaanteverwisseling’ en ‘Een hongerkunstenaar’ zijn daarnaast zijn vele brieven indrukwekkend. Ook uit die brieven maakte Van Toorn een selectie in Ik moet u zo ontzettend veel schrijven. De brieven zijn uit de jaren  1900 tot 1920 en door Van Toorn voorzien van een toelichting.

    Kafka voor beginners
    Auteur: Willem van Toorn
    Uitgeverij: Athenaeum

    Walvistij

    Walvistij is de debuutroman van de Engelse  Elizabeth O’Connor (geb. 1992), die daarvoor bekend was van haar korte verhalen. De roman speelt zich af in de laatste vier maanden van 1938, kort voor de oorlog dus, op een afgelegen eiland voor de kust van Wales. Er wonen maar twaalf gezinnen, waaronder dat van de 18-jarige Manod, haar zus en haar vader (hoe het zit met de moeder wordt later in de roman duidelijk). Ze is geboren op 20 januari 1920, maar haar geboorteakte vermeldt 30 januari ‘omdat mijn vader niet eerder bij het bevolkingsregister op het vasteland kon zijn’.
    De komst van twee antropologen, Edward en Joan, die de bevolking en de geschiedenis van het eiland willen bestuderen, maakt dat Manod nieuwsgierig wordt naar het vasteland en ze ziet er een kans in om aan de bekrompenheid van haar omgeving te ontsnappen.
    Het verhaal krijgt een onheilspellende wending als een walvis aanspoelt waarvan de bewoners zich niet lijken te kunnen ontdoen:  ‘De walvis strandde ’s nachts op een van de platen voor het eiland. Hij dook op uit het water als een kat die onder een deur door kruipt. Hij werd door niemand opgemerkt, niet door de lichtcirkel van de vuurtoren op het water, niet door de vissers die ’s nachts op hun wijting en tong visten, niet door de boeren die bij zonsopgang hun vee over de heuvel leidden (…) Volgens enkele ouderen was het een teken, hoewel ze het er niet over eens waren of het een goed of slecht teken was. Meneer Jones, de dominee, las bijna elke week de Engelse kranten, maar volgens hem was er niets dat de komst van het dier kon verklaren’.

    Walvistij
    Auteur: Elizabeth O'Connor
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Het Dalkey-archief

    De boeken van de Ier Flann O’Brien (1911-1966) worden bevolkt door bizarre figuren en de setting is meestal absurdistisch. In het in 2010 in het Nederlands verschenen Op twee-Vogel-Wad voerde O’Brien bijvoorbeeld een schrijver op die personages schept die tegen hem in opstand komen en in De derde politieman, dat in 1972 in het Nederlands verscheen pleegt een schrijver een roofmoord omdat hij een wetenschappelijk commentaar wil uitgeven op de natuurkundige theorieën van een waanzinnig geleerde, De Selby. Deze zelfde De Selby duikt op in Het Dalkey-archief, O’Briens roman uit 1964 (Dalkey is een slaperig kuststadje op 20 km van Dublin). De geleerde probeert deze keer de wereld te vernietigen door alle zuurstof uit de lucht te halen en whisky te laten rijpen door toepassing van de relativiteitstheorie: de drank kan dan in een paar uur decennia ouder worden. In de roman figureren verder Sint Augustinus, in gesprek met De Selby, en James Joyce die zijn overlijdensbericht vervalst heeft. En voor wie de verwikkelingen nog niet absurd genoeg zijn is er het klankrijke taalgebruik: ‘In deze landstreken, merkte De Selby op, wemelt het wonderbaarlijk van klaplopers, kwistenbiebels en kusmekloten’. Laat dat soort vertalingen maar over aan Robbert-Jan Henkes. Hij verzorgde ook een nawoord bij de roman.

    Het Dalkey-archief
    Auteur: Flann O'Brien
    Uitgeverij: Koppernik
  • Henkes herleidt en vermaakt

    Henkes herleidt en vermaakt

    Bij de samenstelling van de bundel van Russische kindergedichten vanaf de 17de eeuw, Bij mij op de maan, stuitte vertaler Robbert-Jan Henkes op een gedichtje waarvan hij niet zeker wist wie de schrijver was. Wel vermoedde hij dat het van Daniil Charms kon zijn, omdat hij het al eerder was tegengekomen in diens kindergedichten. Na lang speuren naar de herkomst ontdekte hij dat het gedichtje afkomstig was uit een Russische bundel uit 1937 met veertig heel korte verhalen voor kinderen, in dichtvorm, geschreven bij plaatjes. De auteurs waren Nikolaj Radlov, Daniil Charms, Nina Gernet en Natalja Dilaktorskaja, maar nergens stond vermeld wie wat geschreven had.

    Henkes besloot hierop twee projecten te starten: een ‘Charms Research Project’, om te kijken welke gedichtjes van Charms afkomstig waren, en een ‘Cursus Charmsiaans Vertalen’, om te kijken of hij alle gedichten kon overzetten op een manier die Charms waardig was. Om te bepalen welke gedichten van Charms waren, gebruikte hij de negatieve uitsluiting: ‘Soms zijn ze (de gedichten) flauw, soms al te beschrijvend, soms moralistisch, educatief of geschreven vanuit een stakkerig volwassen standpunt, soms zijn ze met opgelegde, onbijzondere rijmen of een saai ritme, stoplappen en ander vulsel, of spreken ze nodeloos de lezer aan en wemelen ze van de uitroeptekens – allemaal kenmerken die Charms vrijwel zeker uitsluiten als auteur.’

    Charmante poëzie

    Daniil Charms (1905-1942) was een Russische schrijver van absurdistische verhalen met een gebrek aan logica, vol met vreemde wendingen. Onder het regime van Stalin werd Charms als een bedreiging gezien en daarom werd hij verbannen naar Koersk. Hij schreef na zijn terugkeer alleen nog kinderliteratuur, maar kon daarmee niet voorkomen dat hij in 1941 gevangen werd genomen en krankzinnig werd verklaard. Hij stierf in 1942, vermoedelijk door uithongering, in een psychiatrische inrichting. Niemand weet waar hij begraven ligt, maar zijn faam ging de wereld over nadat een vriend in Charms’ woning manuscripten ontdekte en deze publiceerde.

    De titels van Henkes’ projecten klinken behalve hoogdravend weliswaar grappig, zijn grondige werkwijze verraadt juist eerbied. Het resultaat is een prachtig vormgegeven boek, waarin zowel het Russische origineel van de veertig gedichten wordt gegeven, de fonetische weergave daarvan, als het bijbehorende plaatje. Ook staat vermeld welke versmaat en rijmschema’s gehanteerd zijn. Voordat Henkes zich aan de vertaling wijdt, geeft hij weer wat er letterlijk staat. Daarna vergelijkt hij de vertalingen die bestaan in het Engels, Frans, Duits en de Nederlandse versies uit 1938 en 1958. Voor de duidelijkheid zijn deze alle in het rood afgedrukt.

    Kinderlijk hoeft nog niet tuttig te zijn

    Slechts weinig vertalingen dragen Henkes’ goedkeuring weg. Ze zijn te braaf, te moralistisch, ze hebben een rammelend metrum of ze slaan de plank mis wat betekenis betreft. Ook vindt hij ze te onthullend, want voorgelezen kinderen moeten juist zelf concluderen wat er gebeurt aan de hand van de plaatjes. Dat mag niet in de tekst al verklapt worden. Zoals bij een plaatje waar een hond een stapel houtblokken beklimt om een gebraden kip uit de vensterbank te stelen en daardoor naar beneden tuimelt. Een ongepubliceerde vertaling van de Vlaamse auteur Liesbeth Elseviers is toch heel geslaagd:

    Ik pik die kip, als ik niet val.
    Als ik niet val, pik ik hem snel.
    Ik pik die kip, ik pak hem al,
    Als ik niet val. Ik wist het wel.

    2

    Henkes maakt er zelf van:
    Ik krijg dat kippertje – op het nippertje.
    Nu moet ik het niet verknallen…
    Ik wist het wel, dat ik zou vallen!

    Hij schrijft erbij: ‘Is niet heel goed Nederlands, maar het is een hond hè, moet je maar denken…Wie heeft ooit een hond goed Nederlands horen spreken?’ Een zwak verweer van Henkes, die alle vertalingen van andere auteurs genadeloos neersabelt. Alleen de versies van de eerder genoemde Elseviers en de Engelse Helen Black kan hij nog wel waarderen. De laatste maakte van hetzelfde gedichtje:

    “Now I’m going to steal that pan
    With the chicken, if I can.
    Just my luck! Well, I can say
    I don’t want it anyway.”

    Werk wijzer met een werkwijzer

    Henkes vertelt in het voorwoord dat hij bij het vertalen uitgaat van de 13 geboden van de kinderdichter Kornej Tsjoekovski (1882-1969). Hierin stelt hij dat kindergedichten vooral klankvolle eindrijmen moeten gebruiken, actie moeten benadrukken en kinderen niet moeten onderschatten: ‘Volwassenen kun je voor de gek houden, kinderen nooit.’ Er hoeven geen motieven, geen beweegredenen en geen gepsychologiseer in de gedichten voor te komen, volgens Henkes. Maar wel moet een vertaler proberen het leuker te maken door meerdere lagen aan te brengen. Dat daarbij af en toe van het origineel moet worden afgeweken, vindt Henkes geen bezwaar, het hoeft geen ‘platte navertelling’ te worden.

    Henkes geeft een mooi inkijkje in hoe hij tewerk gaat bij het vertalen. Soms schrijft hij letterlijk zijn hele gedachtegang van het begin tot het einde op, een andere keer doet hij alsof hij met zichzelf praat. Als lezer volg je het proces dat met alle struikelblokken, probeersels, overwegingen en alternatieven uiteindelijk leidt tot een bevredigend resultaat. Zijn vondsten zijn origineel en verrassend en hoewel zijn gedichtjes soms lijden aan dezelfde kwalen die hij de vertalingen van anderen verwijt, is de bundel een genot om te lezen en door te bladeren. het is heel bijzonder om naast de gedichten ook de vertalingen ervan te lezen.

    Soms iets te lollig

    Maar hoe knap de vertalingen ook zijn, het taalgebruik dat Henkes bezigt om zijn gedachten weer te geven is net als zijn humor nogal flauw. Popiejopie, om in de stijl te blijven. Die kan het beste omschreven worden met typeringen uit vroegere ‘meisjesboeken’: tof en jofel. Alsof je Joop ter Heul hoort spreken. Zo schrijft hij zinnen als: ‘Blèr!’ en ‘Krijg nou tieten!’, terwijl hij eerder gesteld heeft dat uitroeptekens ‘onmachttekens’en ‘uitpoeptekens’ zijn. Als hij over een Engelsman spreekt, komen daar een ‘Amerikaansvrouw, een Duitsvrouw en een Fransvrouw’ bij. En hij heeft het over collega’s uit ‘bidden- en boughtenland’. En: ‘Mogen die kindertjens dat niet zelf uitvinden met hun eigen bolle ogen?’ Er zijn nog meer voorbeelden van uitdrukkingen die enorm storen bij het lezen, alsof je op een prachtig aangelegde sierbestrating elke keer je teen stoot aan een uitstekende stoeptegel. Alsof de schrijver zijn eigen werk niet serieus neemt. En dat is jammer, want deze bundel is een prachtige verzameling van gedichten die met groot vakmanschap vertaald zijn. Dat had Henkes ook kunnen laten zien zonder zich te gedragen als Swiebertje.

  • De gorgel van de smeerlap briezelen

    De gorgel van de smeerlap briezelen

    Vertaler Robbert-Jan Henkes vraagt zich in zijn nawoord bij de bundeling van vier romans van Sergej Dovlatov af of je bij een levensschets van deze auteur moet beginnen met zijn leven of zijn werk: ‘Want zijn leven was zijn werk. En zijn werk was zijn leven’. Henkes noemt zijn nawoord dan ook ‘Dovlatovs autobiografictie’. En wij als lezers mogen daarom de woorden van het hoofdpersonage, ook Sergej Dovlatov genaamd, wel toepassen op de auteur: ‘Ik was zoals dat heet “alles bij elkaar opgeteld” op de keien gezet (…) In de journalistiek is het iedereen toegestaan één ding te doen. In één iets de principes van de socialistische moraal met voeten te treden. Dat wil zeggen, de een is het toegestaan te drinken. De ander herrie te schoppen. De derde politieke moppen te vertellen. De vierde jood te zijn, de vijfde geen partijlid. De zesde een amoreel leven te leiden (…) Je kan niet tegelijkertijd jood en dronkenlap zijn. Herrie schoppen en partijloos zijn… En ik was rampzalig universeel’.

    Deze terugblik op hoe hij op straat werd gezet is te vinden in de eerste van de vier romans, Compromis uit 1981. Die roman bestaat uit twaalf hoofdstukken die genummerd zijn als ‘Compromis’ (gevolgd door een nummer) en een voorbeeld beschrijven van een reportage die Dovlatov moest maken, de omstandigheden waaronder dat gebeurde – vooral gelardeerd met flink veel drank en gelal – en de greep van de Partij op het eindresultaat. In ‘Compromis 5’ is dat bijvoorbeeld het hilarische verhaal dat hij in 1975 moest schrijven voor de krant Sovjet Estland over de geboorte van de 400.00ste inwoner van Tallinn. Wie het ook zou worden, de 400.000ste moest in het artikel geboren zijn aan de vooravond van Bevrijdingsdag en gepresenteerd worden als een gelukkig mens. En: ‘Geen gebreken, niks treurigs, Geen keizersneden. Geen alleenstaande moeders. Complete set ouders. Een gezond, sociaal volwaardig jongetje’.
    De reportages die Dovlatov maakt leiden om uiteenlopende redenen tot gefoeter van zijn chef Toeronok: Vader een chocoladebruine Ethiopiër? Kan niet. Jood? Afgekeurd. Kind heet Volodja? Dwing de ouders dat te veranderen in Lembit, want dat is in elk geval folkloristisch.

    Zetfout

    In de tweede roman, Die van ons, de kortste in deze bundeling, beschrijft Dovlatov de wederwaardigheden van zijn familie vanaf zijn overgrootvader tot aan zijn dochter – en zelfs die van zijn hond. Bijna altijd zijn het verhalen van twaalf ambachten, dertien ongelukken, niet vanwege de onbekwaamheid van de betreffende personen, maar omdat het communistische regiem altijd wel een stok vond om te slaan als het daar zin in had. Met als gevolg ontslag maar soms ook gevangenis of werkkamp. Tussen die lotgevallen door loopt Dovlatovs persoonlijke geschiedenis. Hij vindt zichzelf maar een kluns, niet alleen in zijn schrijverij, maar ook in de verhouding tot zijn vrouw of in de opvoeding van zijn dochter. Zijn stijlregister is breed. Hij schetst op een kolderieke manier het leven van zijn grootvader Isaak en laat dat dan ineens weer volgen door een liefdevol portret van zijn tante Mara.
    Verschillende leden van de familie (onder andere Mara en Dovlatovs moeder) waren een tijd corrector bij een uitgeverij. Een gevaarlijk beroep. Elke zetfout (bijvoorbeeld een d in plaats van een w in het tweede woord van Bolsjewistische verworvenheden) kon je een gevangenisstraf opleveren.
    In Die van ons etaleert Dovlatov zijn enorme veelzijdigheid: humor, cynisme, ironie, grof taalgebruik, maar ook vertedering zoals in zijn beschrijving van zijn dochter Katja. Van haar jeugd staat hem weinig meer bij, waarna subtiele zinnen volgen als: ‘Ik herinner me de naar binnen gedrukte achterlip van haar piepkleine schoentje’ en ‘Ik herinner me het gevoel van een bewegende kleine handpalm. Zelfs door de want heen voelde je de gloed’.

    Marionetten

    De derde roman, Ambacht, bestaat uit het twee delen, Het onzichtbare boek en De onzichtbare krant. In het eerste deel is een heel feitelijke illustratie te vinden van wat vertaler Henkes bedoelt met autobiografictie. Dovlatov schrijft daar dat hij op 4 oktober 1941 is geboren. Dat was echter 3 september. In verschillende verhalen krijgt de tweede vrouw van Dovlatov minstens twee verschillende namen (Elena en Tatjana) en de schrijver geeft op drie verschillende plaatsen liefst drie verschillende manieren waarop ze elkaar hebben leren kennen.
    Het eerste deel van Ambacht beschrijft ‘de avonturen van mijn manuscripten’. Dovlatov verhaalt – zoals hij het zelf formuleert – ‘wanordelijk, breedvoerig en mompelend’ over zijn ervaringen met uitgevers en de geheime dienst. Hoe de ingrepen van die organisaties werkten valt het meest uitvoerig te lezen in het gedoe over zijn manuscript van Zone, dat gaat over zijn tijd als (gedwongen) kampbewaker. Hij probeerde te achterhalen hoe het ooit in handen van de KGB was beland en waarom iedereen die hij sprak ervan bleek te weten behalve hij zelf. Op zijn vragen draaide iedereen om de brij heen. Niemand was verantwoordelijk: er opereerden louter ‘marionetten, spoken, schaduwen…’. Collega-schrijver Maramzin vatte de absurditeit sarcastisch samen als volgt: ‘Als je je manuscript aan Brezjnev geeft, leest die het en zal zeggen: “Persoonlijk bevalt het me. Maar wat denken ze hogerop?!”’

    Luilekkerland

    In deel twee woont Dovlatov in Amerika. Daar probeert hij met enkele andere dissidenten een tweede Russische krant van de grond te krijgen die ‘De Spiegel’ wordt genoemd (in werkelijkheid heette die krant overigens ‘De nieuwe Amerikaan’). Het leidt tot een hoog oplopende ruzie met de al bestaande Russische krant, want ze zijn voor hun levensvatbaarheid afhankelijk van dezelfde lezers. Maar naast de financiële kwesties zijn er de ideologische discussies. Henkes karakteriseert dit tweede deel als inzicht gevend in ‘het wezen van hoop, verwachtingen en daarop volgende teleurstellingen’. De Russische emigranten hadden zich van Amerika een Luilekkerland voorgesteld. Dat beeld bleek al snel niet te kloppen. Dovlatov zelf: ‘Jullie moeten weten dat Amerika niet het paradijs is. Hier is, zo blijkt, alles – slecht en goed. Omdat vrijheid geen ideologie heeft. Vrijheid is in gelijke mate bevorderlijk voor het goede en het slechte. Vrijheid is als de maan, die onverschillig het pad verlicht voor roofdier en prooi…’
    De krant gaat na een brand (aangestoken door de concurrent? De KGB? Iemand anders?) ter ziele, maar Dovlatov zelf boekt wel literaire successen als er twee verhalen in de ‘New Yorker’ verschijnen en hij zijn eerste boekcontract krijgt.

    Brandy’s

    Filiaal is de titel van de vierde en laatste roman. Ook die speelt zich, net als Ambacht, af in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Amerika en weeft twee verhaallijnen door elkaar. De eerste gaat over het warrige verloop van een symposium over ‘Nieuw Rusland’ en de tweede over het weerzien van Dovlatov met zijn allereerste Russische vriendin Tasia. Zowel het symposium als dit weerzien staan bol van de absurdistische gesprekken. Maar zoals Dovlatov een keer verzucht (juist op het moment dat hij op zijn hotelkamer overdenkt dat hij al vijfenveertig is en normale mensen zich allang hebben doodgeschoten of zich aan lager wal hebben gezopen, belt  de barman dat hij vier – niet door Dovlatov bestelde – vier brandy’s komt brengen): ‘In elke situatie moet een flinter absurdisme zitten’.
    Zijn eerste romans zijn in Amerika verschenen, maar de herinneringen, en zelfs herbeleving, van zijn mislukte relatie met Tasia overheersen in deze vierde roman.

    Kwistenbiebel

    Het is een genot om Dovlatovs belevenissen te lezen in al hun absurditeiten, associatieve afdwalingen, prachtige anekdotes en talloze literaire verwijzingen. Daar moet meteen aan worden toegevoegd dat vertaler Henkes daar groots aan bijdraagt. Dovlatov dwaalt soms ongeremd af als hem weer eens iets te binnen schiet. Hij legde zichzelf ter verhoging van zijn concentratie daarom de beperking op dat geen twee woorden in één zin met dezelfde letter mochten beginnen. Henkes verklaart dat het een hels karwei is om dat ook in het Nederlands te doen. Neem alleen al de lidwoorden ‘de’ en ‘een’ in onze taal waar het Russisch geen lidwoorden heeft en maar weinig voorzetsels in tegenstelling tot het Nederlands. Toch heeft Henkes dit ‘non-alliteratieverdrag’ zoveel mogelijk proberen na te volgen (Het doet misschien wel daarom des te komischer aan dat één van de eerste zinnetjes in Compromis is: ‘Ha. Hoe is het?’).
    Daarnaast is Henkes een taalvirtuoos zoals hij samen met Erik Bindervoet bijvoorbeeld onnavolgbaar bewees in Finnigans Wake van James Joyce. In zijn vertaling van Dovlatov grijpt hij naar Bargoense woorden als een ‘jatteneur’, ‘kwistenbiebel’ en ‘miesgasser’. Maar de mooiste is toch wel: ‘Ik briezel die smeerlap z’n gorgel!’.

     

     

  • Oogst week 13 – 2023

    Omtrekkende bewegingen

    De Russische schrijver Sergej Dovlatov (1941-1990) schreef korte verhalen en romans met een veelal autobiografisch karakter. Hij groeide op in Leningrad waar hij ook een paar jaar Finse taal- en letterkunde studeerde. Zijn militaire dienstplicht vervulde hij als bewaker in een goelagkamp, daarna ging hij journalistiek studeren. Schrijver Joseph Brodsky zegt dat Dovlatov van dat goelagkamp terugkwam als ‘Tolstoj uit de Krim met een bundel verhalen en een zekere verbijstering in zijn blik’.

    Dovlatov bleef verhalen schrijven, waarvan het hem niet lukte die uitgegeven te krijgen. Pas in 1978 werden twee boeken van hem gepubliceerd, bij een uitgeverij in New York waarheen hij – met toestemming van de Sovjetautoriteiten – met zijn gezin was verhuisd. In 1990 overleed hij aan een hartstilstand. Kort daarop werd hij een van de populairste schrijvers van Rusland.

    Zijn stijl doet eenvoudig aan en heeft een laconieke, soms hilarische toon. Niet zelden komen er pechvogels, verschoppelingen of criminelen in voor, maar vooral maakt Dovlatov zijn eigen leven tot onderwerp. Omtrekkende bewegingen bevat vier romans. Compromis gaat over zijn mislukkingen bij een Estlandse krant; Die van ons vertelt zijn familiegeschiedenis, van zijn grootvader uit Vladivostok tot zijn in New York geboren zoon; Ambacht bevat zijn ervaringen met afwijzingen van zijn werk van Leningradse uitgevers en met de krant die hij in New York begon. Filiaal tenslotte handelt behalve over zijn eerste huwelijk over een conferentie met geëmigreerde Russische schrijvers in Californië.

     

    Omtrekkende bewegingen
    Auteur: Sergej Dovlatov
    Uitgeverij: Van Oorschot 2023

    Huisgenoten – Insecten in en om je eigen huis

    Entomoloog, schrijver en spreker Aglaia Bouma is onderzoeker bij Naturalis en heeft een veelgelezen column over insecten in de NRC. Wie niet wist dat kakkerlakken sociaal zijn en oorwurmen zorgzaam doet er goed aan zich te verdiepen in HuisgenotenInsecten in en om je eigen huis van Bouma. In 2020 schreef zij het boek Insectenrijk. Dertig jaar eerder overleefde zij nauwelijks een steek van een grote wesp met een fobie tot gevolg. Daarop besloot ze zich grondig in insecten te verdiepen.

    Uit Huisgenoten blijkt dat er veel meer diertjes in en rond je huis vliegen, rennen, kruipen en scharrelen dan je ooit had gedacht. ‘We wonen gemiddeld samen met ongeveer honderd verschillende soorten geleedpotigen, al willen de meesten het vermoedelijk niet weten.’ schrijft Bouma. Insecten zijn niet populair, de meeste mensen houden er niet van en schromen niet ze te doden wanneer ze er in huis een tegenkomen. Bouma laat zien hoe fascinerend de kleine kriebelige beestjes zijn en welke er leven in alle hoeken en kieren van je huis, in de potten met kruiden in je keuken en in je tuin. Je leert ze kennen en gaat begrijpen hoe één bedwants of één limonadewesp het voor de hele groep verpest.

    Net als de film Onder het maaiveld – over wormen en microscopisch kleine beestjes op en in de aarde onder onze voeten – leert Huisgenoten over gedrag en belang van de allerkleinste dieren, de wezens zonder aaibaarheidsfactor. Bouma verandert door begrip en kennis de menselijke blik van wegkijken in begroeten.

     

    Huisgenoten - Insecten in en om je eigen huis
    Auteur: Aglaia Bouma
    Uitgeverij: Atlas Contact 2023

    Siciliaanse brieven – Berichten van Ortigia

    Ze doen denken aan dagboekaantekeningen, de 25 brieven van Geerten Meijsing in Siciliaanse brieven (Berichten van Ortigia). De auteur schrijft over Sicilië en zijn woonplaats Ortigia, het schiereiland en historisch centrum van Syracuse. Hij geniet van zijn appartement met dakterras, dwaalt door kleine steegjes, langs oude gebouwen, langs vissersboten, zwemt in zee en geniet van de natuur. Aan wie hij de brieven richt wordt niet duidelijk. De ontvanger zou een ‘verloofde uit het noorden’ zijn. Tien eerder verschenen brieven zijn ook in deze bundel opgenomen.

    Als oudere schrijver laat hij de ouderdom niet onvermeld, andere onderwerpen zijn onder meer de maffia, filosofie, literatuur, zijn werkster. Ook zijn oudere, in 2012 overleden zuster Doeschka Meijsing wordt gememoreerd als hij mijmert over een bezoek van haar: ‘Nu kon ik haar verzorgen en behoeden. Ik sliep op de bank en zij in mijn bed, en buiten bonkte de winterzee tegen het bastion.’ En in het kader van de oudheid vertelt hij over zijn dochter die dit tot onderwerp van haar studie heeft gemaakt. Eén brief is helemaal gewijd aan Siciliaanse schrijvers. Ondanks de wat weemoedige toon is duidelijk dat Meijsing geniet van het leven op Sicilië.

    Siciliaanse brieven - Berichten van Ortigia
    Auteur: Geerten Meijsing
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 10 – 2023

    Moeder en pen

    Moeder en pen is het derde deel van de dagboeken van Mensje van Keulen. Eerder verschenen in 2006 Alle dagen laat (uit 1976) en in 2018 Neerslag van een huwelijk (uit de jaren 1977-1979). Dit derde deel bestrijkt de periode 1979-1983. Het huwelijk van Mensje van Keulen staat op springen omdat haar man L vreemd gaat en zich totaal niet bemoeit met de opvoeding van zoontje Aldo. Hoe de verhoudingen liggen blijkt uit deze passage: ‘Ik mag dan geen waarde hechten aan dromen, de droom die me vannacht kwam plagen blijft rondspoken. Van Aldo’s schedeltje zou een plakje worden gehakt. Het was iets wat moest, zoals amandelen knippen. Ik smeekte een dokter het te doen, bang dat L er te veel vanaf zou hakken. De dokter hakte er te weinig af en moest nog eens hakken. Ik snikte het uit.
    Gisteren, toen we weer thuis waren, hield ik het niet meer. Een monoloog, een huilbui. Het quasi-gezellige kaartenhuis stortte in. Weer dat hij geen kinderen wilde, dat ik dat had moeten respecteren en omdat ik dat niet had gedaan was daar zijn ontrouw uit voortgekomen. De verwijten over en weer, de wrede, vernederende woorden. Mijn hoofd bonkte steeds harder. Ik schold hem uit zonder nog naar hem te kijken, zag mijn tranen druppen op mijn pizza.
    Hij ging weg, zogenaamd naar een verjaardag, hij zal de fruitboom bedoeld hebben, al heeft hij het niet meer over haar gehad’.

    Moeder en pen
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Je zult terugkeren naar Ragión

    De Spaanse schrijver Juan Benet (1927-1993) is in Nederland nauwelijks bekend. Er kwam alleen werk van hem uit bij uitgevers als IJzer en Kievenaar, die zich toeleggen op (her)uitgaven van literatuur die meer aandacht verdient dan ze ooit kreeg. Zo konden Nederlandse lezers in 2007 kennis maken met In de schemer en in 2021 met de novellen Een graf en Numa, een legende. In 2002 verscheen bij de nog kleinere uitgever De Leguaan (met speciale aandacht voor Spaanse literatuur) ook nog Dertien en een halve fabel en fabel veertien. Het is nu tijd voor een omvangrijker werk, zijn roman Je zult terugkeren naar Región, die dateert uit 1968. Het is een lastige roman omdat het als het ware aan de lezer wordt overgelaten om te bedenken wat het verhaal (en de waarheid ervan) nu eigenlijk is. Als hulp daarbij is een essay opgenomen van vertaler Vanderzee. Toen vertaler Spaans Maarten Steenmeijer de verschijning van dit boek vorig jaar in de Volkskrant aankondigde wees hij er op dat Faulkner Benets grote voorbeeld was. Die voerde de wereld niet op als ‘overzichtelijk en hapklaar, maar als een veelstemmige ervaring. Een ervaring die vanwege de complexiteit van de werkelijkheid én vanwege het menselijk onvermogen haar te doorgronden niet anders dan ondoorzichtig, labyrintisch en mysterieus kan zijn. De werkelijke werkelijkheid is, aldus Benet, een mysterie’.

    Je zult terugkeren naar Ragión
    Auteur: Juan Benet
    Uitgeverij: Kievenaar

    Scherven

    Heel wat bekender in Nederland is Bret Easton Ellis, zeker na zijn bestseller American Psycho uit 1991, dat in 2000 ook als verfilming succesvol was. Daarin werd de wereld beschreven vanuit de yup en seriemoordenaar Patrick Bateman. Geen seriemoorden in Scherven (in het Engels The Shards), zijn eerste roman na een stilte van dertien jaar. Het is een autofictioneel verslag van Ellis’laatste jaar op de Buckley highschool in Los Angeles in 1981. Het idee voor het boek drong zich al twintig jaar eerder aan Ellis op toen zijn herinneringen aan vreselijke gebeurtenissen die hem en zijn vrienden op Buckley zich zozeer opdrongen dat hij er wakker van lag. Hij kon er toen echter, wonend in New York, geen vorm voor vinden en drukte alles weg. Toen hij twintig jaar later terugkeerde naar Los Angeles en vond dat hij het aan moest kunnen, kreeg hij een angstaanval: ‘De angstaanval, en de mislukking, vonden plaats precies op het moment dat ik over de Treiler wilde schrijven, een seriemoordenaar die in het late voorjaar van 1980 de San Fernando Valley onveilig begon te maken en zich daarna, in de zomer van 1981, nog heftiger liet gelden, en die angstaanjagend genoeg op een of andere manier met ons verbonden leek – en ik werd op de avond dat ik aantekeningen begon te maken overspoeld door zo’n enorme golf van stress dat ik letterlijk kreunde van angst bij de herinneringen, de tequila die ik achterovergeslagen had weer uitkotste en op de grond in elkaar stortte’. Dat was in 2006. De angstaanval bleek alles te maken te hebben met de belevenissen in 1981. In 2020 klopte het boek opnieuw bij hem aan: ‘Ik moest het boek schrijven, ik moest ophelderen wat er gebeurd was – eindelijk was het tijd’.

    Scherven
    Auteur: Bret Easton Ellis
    Uitgeverij: Ambo Anthos
  • Oogst week 24 – 2022

    Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen

    In de serie Privé-domein is Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen van de Russische romancier, toneelschrijver en dichter Anatoli Mariëngof (1897-1962) uitgegeven. Het zijn de prachtig en soms humoristisch geschreven memoires van zijn kindertijd en zijn volwassenwording aan de beginjaren van de revolutie. ‘Mijn ouders kleden mij op hoogst krenkende wijze: niet in een broek, zoals het een man betaamt, maar in jurkjes, blauwe en roze,’ zo begint Mijn eeuw…

    Mariëngof kwam uit een adellijke familie en stond bekend als een dandy en een nihilist. Hij was bevriend met de populaire dichter Sergej Jesenin met wie hij de ‘imaginistische school’ oprichtte, een Russische poëziestroming en dichtersgroepering waarin de inhoud van de poëzie ondergeschikt was aan het beeld. Door fricties hield de beweging na een paar jaar op te bestaan. Het laatste imaginistische product was Mariëngofs boek Roman zonder leugens (1927), een schandaalroman omdat hij veel details over het vrije liefdesleven van Jesenin bevatte, die inmiddels zelfmoord had gepleegd. Daarna volgden nog twee schandaalromans.

    In de flaptekst van Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen staat onder meer dat het een wonder is dat Anatoli Mariëngof de Stalinterreur overleefde; hij noemde de Rode Revolutie een gehaktmolen en tijdens de proletarische gelijkschakeling wandelde hij in maatpak en hoge hoed door Moskou. De Sovjetautoriteiten zagen hem als subversief en er werd nog nauwelijks iets van hem gepubliceerd. Hij werd vergeten. Eind jaren tachtig werd zijn werk herontdekt.

     

    Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen
    Auteur: Anatoli Mariëngof
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De toekomst van het sterven

    Marli Huijer, arts, filosoof en columnist, schreef een voorlichtingsboek over dood gaan: De toekomst van het sterven. Dat sterven is aan het zicht onttrokken, concludeerde de gepensioneerde hoogleraar publieksfilosofie. Zij ziet dat ouderen graag gezond willen doorleven tot hun honderdste en dan in een klap overlijden, in dat idee gesteund door verouderingsdeskundigen en transhumanisten. In de praktijk gaat het zo niet, de aftakeling begint meestal kort na het pensioen en duurt gemiddeld een jaar of vijftien. Maar mensen hebben niet meer geleerd hoe goed te sterven.

    In Trouw van 31 mei zegt Huijer, zelf 67: ‘Ik houd niet van het woord zin − dingen hebben geen zin. Betekenis is wat je met elkaar ontwikkelt, (…) Het draait om nabije relaties. Vandaar dat heel oude mensen, van wie de vrienden, kinderen soms ook, overleden zijn, er geen zin meer in hebben. De betekenis is weg.’

    In haar boek probeert ze antwoord te geven op hoe we omgaan met de laatste levensfase, met ziektes en aftakeling en de vraag of mensen zich daarmee (willen) voorbereiden op de dood. Ze hecht waarde aan het zoeken naar het juiste moment van sterven. En als de hele samenleving steeds ouder wordt, zijn de kosten van de zorg dan nog op te brengen? Huisartsen en wijkverpleging zijn overbelast en van de 80-plussers voelt twee derde zich eenzaam. Behalve naar wat de laatste levensfase voor individuen en hun omgeving betekent kijkt Huijer ook naar de consequenties op het maatschappelijke en het politieke vlak.

     

    De toekomst van het sterven
    Auteur: Marli Huijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Toen wij vogels waren

    Toen wij vogels waren is de eerste roman van Ayanna Lloyd Banwo, Trinidadiaans schrijfster met een graad in creatief schrijven van de Universiteit van East Anglia. In een interview met Pen Transmissions zegt zij dat ze het boek schreef ‘met een inheems gevoel voor religie en spiritualiteit, waar de tijd niet lineair is, waar de levenden en de doden niet zo ver van elkaar verwijderd zijn als we misschien denken.’ Dus bevat het tijdloze thema’s als liefde, romantiek, magisch realisme, traditie en fantasie.

    In het fictieve Port Angeles, gelijkend op Port of Spain, de hoofdstad van Trinidad en Tobago, arriveert Darwin die als grafdelver gaat werken, het enige werk wat hij kan vinden en nodig heeft om zijn zieke moeder te ondersteunen. Zij hangt het rastafarigeloof aan waarin de doden de doden moeten begraven. Graf delven gaat daar regelrecht tegenin.
    Op de uitgestrekte oude begraafplaats, vol met geheimen en problemen, ontmoet Darwin Yejide. Hun beider lot zal onuitwisbaar met elkaar verbonden raken.

    Yejides moeder stamt af van de corbeaux, zwarte vogels die bij zonsondergang naar het oosten vliegen met de zielen van de doden. Zij kan met de doden communiceren en hen helpen vrede te vinden. Als haar moeder sterft, erft Yejide dit ‘geschenk’ waarvan ze niet weet of ze het wel wil. Haar grootmoeder vertelde haar verhalen over de tijd voor de tijd, toen de dieren konden praten en vredig met elkaar samenleefden. ‘Maar op een dag loopt een krijger het woud in. Hij ziet dat er volop dieren zijn om op te jagen en vruchten om te eten. Wanneer hij naar de bomen kijkt, ziet hij alleen de huizen die hij kan bouwen en (…) het land (…) ziet hij alleen wat hij kan nemen. De dieren proberen met hem te praten (…) maar hij kent hun taal niet en dus kan hij ze niet verstaan.’ Er komen meer krijgers, en boeren, en priesters. Oorlog volgt. De dieren verdwijnen en vele van hen veranderen in vogels. Volgens The Guardian echoot Dickens in dit liefdesverhaal over een doodgraver en een medium. The Observer noemt het een meesterlijk debuut en de New York Times Book Review roemt het mythische en boeiende.

     

    Toen wij vogels waren
    Auteur: Ayanna Lloyd Banwo
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Oogst week 14 – 2021

    De verdwenen piano's van Siberië

    De Britse reisjournalist Sophy Roberts begeeft zich bij voorkeur naar extreme bestemmingen, naar daar waar anderen niet zo snel zullen gaan. Toen ze van een Mongoolse concertpianist dan ook hoorde over een unieke, verloren gewaande piano in Siberië, was dat voor Roberts reden ernaar op zoek te gaan. De zoektocht duurde drie jaar, de uitkomst was De verdwenen piano’s van Siberië dat op 13 april verschijnt.

    Siberië roept vooraleerst de gedachte op aan ijzige kou, onherbergzaamheid, verlatenheid, ballingschap en strafkampen. In dit immense gebied vindt Roberts talloze oude piano’s, van prachtige oude vleugels uit de hoogtijdagen van de negentiende eeuw tot vormelijke piano’s uit de tijd van de Sovjetunie. Met de piano’s als leidraad vertelt Roberts hoe pianomuziek omarmd werd door het volk dat zoveel ontberingen moest doorstaan, waarmee ze ook de geschiedenis belicht. Catharina de Grote was de aanjager waardoor pianomuziek werd opgenomen in de Russische cultuurgeschiedenis. ‘Dit boek is een persoonlijk en literair avontuur,’ schrijft Roberts. ‘Als mijn definities eenzijdig zijn, komt dat doordat ik geen historicus ben. Als ze Eurocentrisch zijn, komt dat doordat ik Engels ben; al mijn reizen naar Siberië gaan van west naar oost – fysiek, cultureel, muzikaal.’

    Paul Theroux noemt De verdwenen piano’s van Siberië ‘een elegante reis door literatuur, geschiedenis en muziek maar ook langs revolutie, moord en verbanning.’ De Sunday Times vindt het boek ‘Een bijzondere kennismaking met een fascinerend deel van de wereld waar we opvallend weinig van weten.’

     

    De verdwenen piano's van Siberië
    Auteur: Sophy Roberts
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De grijzen

    Geheimzinnigheid, raadsels, dood, onbeantwoorde vragen, het zijn geliefde thema’s van Vincent Merjenberg. Zijn korte verhalen laten de lezer weifelend achter. Ook in zijn debuutroman De grijzen die 15 april verschijnt, vormen mysterie en de onmacht van het individu de hoofdmoot. Er is een grensstad, waar ‘hopelozen’ zich in buitenwijken voorbereiden op een gevaarlijke oversteek naar de ander kant van de grens. In de buitenwijken zijn ook de ‘vondsten’, lichamen van mannen, vrouwen en kinderen die rechtop in de aarde worden aangetroffen. In een appartement kijkt een oude man terug op de tijd dat hij pas in de stad woonde. Hij weet meer van de vondsten: ‘De herinneringen komen uit de diepte. Sinds de eerste vondsten werden gedaan en ik er voor het eerst over las – ondertussen alweer maanden geleden – worden ze scherper, pijnlijk scherp, en ze komen steeds vaker bovendrijven, of ik het nou wil of niet. Ik weet dat het komt door wat ik lees, doordat ik lees. Dat het daar in ieder geval mee begint. En toch volg ik de berichtgeving over de gruwelijkheden op de voet: de speculaties, de zogenaamde ooggetuigenverslagen, de beschuldigingen die steevast volgen op iedere nieuwe ontdekking.’

    De jonge journalist Lena lijkt steeds meer te weten te komen over betrokkenen, over het kwaad waartoe mensen in staat zijn. Maar juist als een antwoord op de vragen toch ver weg is, stuit Lena op een verdwenen schrijver en zijn verdwenen manuscript. Brengt dat haar dichter in de buurt van de oplossing van de raadselen?

     

     

    De grijzen
    Auteur: Vincent Merjenberg
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De hond die durfde te dromen

    Van de Zuid-Koreaanse schrijfster Sun-mi Hwang (1963) zijn in eigen land meer dan veertig boeken verschenen. Vanwege het sprookjesachtige karakter worden ze gelezen en gewaardeerd door zowel volwassenen als kinderen. In Nederland is nu De hond die durfde te dromen verschenen, het derde boek van Hwang in een Nederlandse vertaling.
    Hond Kroezel ligt niet goed bij andere honden omdat ze nogal temperamentvol is en een lange vacht heeft. Ze doet niet veel meer dan op de binnenplaats rondhangen en haar baas gezelschap houden. Toch droomt ze van een beter leven. Deze dromen geeft ze ook niet op als ze ’s winters ten prooi valt aan de donkerte. Daarvoorbij weet ze geluk, vriendschap, moederschap, maar dan moet ze wel de kansen die zich voordoen durven grijpen en de moed hebben om te zijn wie ze is.

    De hond die durfde te dromen gaat over fouten maken en daarvan leren, over de speciale band tussen mens en dier, over liefde en verlies, over vertrouwen hebben, kortom over levenswijsheid en troost.
    Van Sun-mi Hwang zijn Het huis met de kersenbloesem en De kip die dacht dat ze kon vliegen eerder in het Nederlands vertaald. Van het laatste boek is in Zuid-Korea een succesvolle animatiefilm gemaakt. De schrijfster is er erg geliefd en won met haar boeken vele prijzen.

     

    De hond die durfde te dromen
    Auteur: Sun-Mi Hwang
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Een ode aan de taal

    Een ode aan de taal

    Het boek Tractatus Logico-Philosphicus van filosoof Ludwig Wittgenstein uit 1921 staat bekend als onbegrijpelijk. Hetzelfde kan worden gezegd over de roman Wittgensteins minnares, geschreven door de Amerikaanse auteur David Markson (1927-2010), in 1988 verschenen en nu pas vertaald naar het Nederlands door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Lieke Marsman schreef een nawoord waarin ze de inhoud van de roman met de filosofie van Wittgenstein vergelijkt. 

    In Wittgensteins minnares is hoofdpersoon Kate de enige overgebleven mens in de wereld, of althans, dat gelooft ze zelf. Ze woont op een strand en bij gebrek aan anderen om mee te spreken tikt ze alles waar ze aan denkt op een typmachine. Ze is kunstenares en in haar gedachten komen verschillende prominente denkers, schrijvers en schilders langs. Kate weet echter niet zeker of de feiten die ze opschrijft kloppen en verbetert zichzelf regelmatig, soms pagina’s later nog. Deze onzekerheid komt de hele roman lang terug:
    ‘Het is moeilijk voor te stellen dat de bewoners van twee zulke naburige huizen allebei daadwerkelijk geld zouden uitgeven voor hetzelfde boek over honkbal.
    Aan de andere kant, als er een exemplaar van Wuthering Heights in beide huizen had gestaan, is het misschien twijfelachtig of ik zou hebben gespeculeerd dat er in beide huizen mensen woonden die Emily Brontë kenden.’

    Plotloos verhaal

    Wittgensteins minnares heeft geen plot, al is dat geen gemis. De gedachten van Kate zijn de eerste pagina’s namelijk al boeiend, maar daarna nestelen ze zich in je hoofd en kun je niet anders dan je eraan overgeven. Bij een ik-perspectief plaatst een schrijver een lezer heel dicht bij de hoofdpersoon, Markson trekt dit zo ver door dat de lezer Kate wórdt. Wanneer zij een reeks namen van filosofen of kunstenaars noemt, verdwijnt dit effect even en maakt het plaats voor de vraag wie die mensen zijn, waarvan je die namen ook alweer kent, maar Kate zorgt ervoor dat je nooit te lang afgeleid blijft. De misschien werkelijke, misschien verzonnen bespiegelingen worden afgewisseld met humor, bijvoorbeeld wanneer Kate vertelt dat ze met haar auto in het water belandde:  

    ‘Toch begreep ik dat het in deze omstandigheden verstandig zou zijn om het portier te openen en de auto te verlaten.
    Ik kon mijn deur niet open krijgen.
    Ik zat trouwens de hele tijd op het dak van de auto.
    Ik bedoel op de binnenkant van het dak natuurlijk. Met de rubberen automat die boven op me was gevallen.
    Ik weet niet meer in wat voor auto ik reed.
    Nou ja, je kon het hoe dan ook op dat moment amper nog rijden noemen.’

    Ode aan de taal

    Juist in de meer eenvoudige zinnen in het boek, zonder intertekstualiteit of dubbele laag, is deze schrijfstijl het sterkst:
    ‘Toch maakte het hele voorval me doodsbang.
    Ik besef dat ik net heb gezegd dat ik helemaal niet bang was.
    Feitelijk ging het zo dat ik pas bang werd toen het voorbij was.’

    Hier rijst geen vraag op over waarheid of leugens of over de mentale gesteldheid van Kate, haar kwetsbaarheid is oprecht. Aan de andere kant illustreert dit citaat Kates obsessie om wat ze vertelt, góéd te vertellen. Ze zoekt secuur naar de juiste woorden, typt die en bedenkt daarna dat het beter kan, en zichzelf weer verbetert. Juist dat precieze zorgt ervoor dat Wittgensteins minnares geen gimmick wordt, integendeel, het zegt meer over het personage Kate dan alles wat ze zelf vertelt. Dat maakt dat dit boek een ode aan de (on)mogelijkheden van taal is.

    Namen als reddingsboeien

    Kate vergelijkt zichzelf regelmatig met Helena van Troje. Ze benoemt onjuistheden in de Griekse mythologie en legt aspecten bloot die volgens haar vooral zijn toegevoegd om er een beter verhaal van te maken. Het gevaar dreigt dat Wittgensteins minnares te erudiet wordt voor de gemiddelde lezer, zeker doordat er veel namen van filosofen, kunstenaars en schrijvers langskomen. Kate noemt de namen echter niet omdat ze met haar kennis wil pronken, de namen functioneren namelijk als reddingsboeien. Dat past prima bij het personage dat op de universiteit vooral aandacht besteedde aan de niet-verplichte academische literatuur.

    Door de vele intertekstualiteit, de niet-betrouwbare hoofdpersoon en het ontbreken van een klassieke vertelstructuur is het lezen van deze roman een uitdaging. Doorzetten wordt gelukkig beloond: Wittgensteins minnares is hypnotiserend geschreven. Het ik-perspectief wordt hier maximaal benut. Lieke Marsman geeft in het interessante en enthousiaste nawoord handvatten om het verhaal op waarde te schatten. Het is een wereldprestatie dat Markson ruim tweehonderd pagina’s aan feiten zo betoverend heeft kunnen beschrijven, het is even knap dat de vertalers erin zijn geslaagd om Wittgensteins minnares zo vloeiend naar het Nederlands te vertalen.

     

  • Oogst week 9 – 2019

    Uiterste dagen

    De verhalen van zijn Finse grootmoeder over haar vader in een oorlog uit een ver verleden en zijn fascinatie voor ‘geschiedenis en geweld, en vooral de ambivalentie van geweld’ (interview De optimist), vormen de basis voor het debuut Uiterste dagen van Ferdinand Lankamp (1989).

    Een historicus bereist het land van zijn familiegeschiedenis en vertelt het – al dan niet ware – verhaal.

    Uit het eerste hoofdstuk:

    (…) ‘De lente dreigt vooral zwaar te worden vanwege de brief die hij vrijdag heeft gekregen. Die brief had hij al verwacht, hij had haver apart gehouden voor het geval er een beroep op hem zou worden gedaan. De veearts van het leger was in de herfst langsgekomen. Hij bekeek Edvards merries, noteerde hun gewicht, hun leeftijd, stelde vragen over hun karakter. Toen de Russen een paar weken later aanvielen begreep Edvard dat het een kwestie van tijd was. In de brief die hij vrijdag ontving stond het onvermijdelijke: de Finse krijgsmacht vordert Ida, zijn merrie van zeventien jaar, de lieveling van het gezin en vooral van zijn dochter Cecilia. Op maandag, vandaag, zou hij nadere instructies ontvangen. Hij tilt de melkbussen van de kar. Op het licht achter de vensters van de boerderij na is het donker, maar toch denkt hij, kijkend naar het noorden, de boomtoppen in de verte te zien, de heuvel waarover de weg richting de stad loopt en waarvandaan hij vandaag een bode verwacht. Een lente zonder Ida. Wat moet hij zonder Ida?’

    Uiterste dagen
    Auteur: Ferdinand Lankamp
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    Salomons oordeel

    De nieuwe roman van Robert Vuijsje geeft weer stof tot nadenken en discussie. Het thema identiteit wordt vanuit alle hoeken aanschouwd en beschreven. Het is een eigentijdse roman waarmee Vuijsje de huidige tijd afzet tegen die van een kleine 10 jaar geleden toen zijn boek Alleen maar nette mensen verscheen en zeer uiteenlopende reacties teweegbracht.
    Salomons oordeel gaat over Max en Alissa. Max is een jood uit Amsterdam-Zuid, Alissa is zwart en komt uit de Bijlmer. Hun zoon Salomon is 17 en wil rapper worden.

    ‘Ik heet Salomon, en dan ook nog Cohen?’ vraagt hij aan zijn ouders. ‘Wat denk je dat mijn vrienden daarvan vinden?’ 
    Max en Alissa denken dat ze alle moderne valkuilen van racisme en antiracisme hebben doorstaan. Salomon staat voor de keuze: hoor ik bij de mensen die op mijn vader lijken of bij de kinderen die zwart zijn, net als ik? Max en Alissa denken dat ze op dezelfde manier naar de wereld kijken, tot Salomon door zijn vriendinnetje wordt beschuldigd van verkrachting.

    Salomons oordeel
    Auteur: Robert Vuijsje
    Uitgeverij: Lebowski (2019)

    Vos 8

    In 2017 ontving de Amerikaan George Saunders (1958) de Man Booker Prize voor zijn roman Lincoln in de bardo dat de jury ‘geestig, intelligent en een diep bewegende vertelling’ noemde.
    Saunders vooralsnog vooral bekend om zijn korte verhalen schrijft ook romans en novellen, essays en kinderboeken.

    Vos 8 gaat over een vos die een dromer is. ‘Zijn medevossen nemen hem niet altijd even serieus. Maar hij spreekt mooi wel Mens, een taal die hij zichzelf heeft geleerd door bij een raam naar verhaaltjes voor het slapengaan te luisteren. Vos 8 heeft dus best wat in zijn mars. En wanneer het nieuwe gebouw VosZichtStaete de leefwereld van de vossen bedreigt, vindt hij het geen tijd meer voor dromen maar voor daden.’

    Vos 8
    Auteur: George Saunders
    Uitgeverij: De Geus (2019)

    Als de tijd daar is

    Maurice Blanchot (1907-2003) is zijn leven lang ziekelijk geweest en de dood, zijn eigen of die van de mensen om hem heen, is altijd aanwezig geweest in zijn leven en werk.

    Blanchot lijkt een weinig toegankelijk schrijver. Over Als de tijd daar is schrijft uitgeverij Vleugels: ‘een radicale en bevreemdende roman, die een aantal conventies van de literaire roman doorbreekt. Zelden zal een lezer van een boek zo moeilijk kunnen doordringen in wat de taal beschrijft. En zal deze daardoor beseffen dat taal niet zo’n directe verbinding heeft met een werkelijkheid als men doorgaans denkt. De eerste dertig pagina’s gaan bijvoorbeeld over iets wat misschien drie seconden in beslag neemt: de verteller komt een huis binnen. Hij neemt zoveel tijd om alle indrukken, gedachten én hypothetische mogelijkheden te benoemen dat de taal hier de geschetste werkelijkheid geheel overwoekert. De taal, het vertellen, de manier waarop iets wordt verteld is duidelijk veel belangrijker dan het vertelde zelf. De taal speelt dus eigenlijk de hoofdrol in dit boek, zoals in alle boeken van Blanchot – en de nouveau roman in het algemeen. Het lijkt alsof er meer taal is dan werkelijkheid.’

     

    Als de tijd daar is
    Auteur: Maurice Blanchot
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    De Hollandse reis

    De Hollandse reis verscheen als Le voyage de Hollande voor het eerst in 1964 in Frankrijk en was voorzien van een tekening van Jongkind, een typisch Hollands landschap met windmolens, beemden en scheepjes onder een lage wolkenlucht.
    Het werd een jaar later al herdrukt, en daarna in 1981 en 2005 opnieuw uitgegeven.

    In de zomer van 1963 verbleven Louis Aragon (1897-1982) en zijn vrouw Elsa Triolet (1896-1970) een maand in Nederland. Tussen 29 juli en 26 augustus bezochten ze onder meer Texel, Zuid-Holland (Wassenaar) en Utrecht. De neerslag van die reis vinden we terug in De Hollandse reis, een dichtbundel die bestaat uit zes delen van wisselende lengte (twee tot twaalf gedichten).

     

     

    De Hollandse reis
    Auteur: Louis Aragon
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • Een aforisme is een waarheid als een kalfje (C. Buddingh)

    Een aforisme is een waarheid als een kalfje (C. Buddingh)

    Des Duivels Woordenboek van Ambrose Pierce is de door het bekende duo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes vertaalde verzameling van 1851 alfabetisch geordende lemma’s van de satirische en cynische Amerikaanse schrijver Ambrose Bierce (1842 – vermoedelijk 1914).  Om een indruk te geven van het karakter van dit woordenboek, hier drie van de vele definities die er in te vinden zijn, met daaronder het Engelse origineel:

    Geduld – Een lichtere vorm van wanhoop, vermomd als deugd
    Patience – A minor form of despair, disguised as a virtue

    Toekomst – De tijd waarin onze zaken goed gaan, onze vrienden trouw zijn en ons geluk verzekerd is
    Future – That period of time in which our affairs prosper, our friends are true and our happiness is assured

    Plan – Zich druk maken om de beste methode om een toevallig resultaat te bereiken
    Plan – To bother about the best method of accomplishing an accidental result.

    Veelzijdig schrijver

    Ambrose Bierce vocht als jongeman in de Amerikaanse Burgeroorlog en had tot zijn 24e een militaire carrière. Daarna werd hij één van de bekendste schrijvers van zijn land, met korte verhalen, poëzie en satire, maar kreeg ook grote bekendheid als journalist door zijn reportages en columns. Zijn motto was ‘nothing matters’ en die cynische levenshouding drong nergens beter in door dan in de lemma’s van The Devil’s Dictionary, waarvan de afleveringen onregelmatig in Amerikaanse kranten verschenen.
    Deels zijn het aforismen, zoals het drietal voorbeelden hierboven. In vileine gevatheid doen ze denken aan wat Dorothy Parker een halve eeuw later in The New Yorker publiceerde. Maar Bierce hield het niet bij aforismen, hij gooide er net zo makkelijk een kort essay tegenaan of maakte het begrip duidelijk met een korter of langer gedicht.

    Onvertaalbaar geacht werk

    Onder de titel ‘Leven en werken van een beminnelijke sluipmoordenaar’ geven Bindervoet en Henkes na de bijna 400 pagina’s van de vertaling de lezer een overzicht van Bierce’s druistige bestaan. Dat eindigde toen hij op 71-jarige leeftijd genoeg had van alles en naar Mexico vertrok waar de Mexicaanse Revolutie was uitgebroken. Het was de tijd van Zapata en Pancho Villa. In dat geweld verdween hij en wordt geacht ergens in 1914 te zijn overleden of gesneuveld.
    Hij liet een oeuvre van 5 miljoen woorden achter. Het woordenboek omvat daar maar een procent of drie van, maar het zijn niet de eenvoudigste teksten. In ‘Leven en werken van..’ geven Bindervoet en Henkes ook een beeld van de problemen die ze bij het vertalen ontmoetten. Onder meer omdat Bierce graag met woorden speelde die in het Engels een dubbele of driedubbele betekenis hebben, maar in het Nederlands niet:
    ‘(..) arrest’ dat stoppen en arresteren betekent en waarin we tegelijk de ‘rest’ van de heilige rustdag ontwaren. Ga er maar aan staan! Rust kan je wel enige tijd op je buik schrijven als je hieraan begint. Gekkenwerk!

    Gelukkig had het duo bij het vertalen van Ulysses van James Joyce al aardig wat ervaring opgedaan met het in het Nederlands omzetten van onvertaalbaar geacht werk. De Sisyphus-arbeid die zij bij ‘Des Duivels Woordenboek’ hebben verricht, vergde na de vertaling nog 80 pagina’s extra aan notities en varianten. Een bewonderenswaardig werkstuk is het in elk geval geworden. En voor liefhebbers van vertalingen, of van Ambrose Bierce of van aforismen, natuurlijk een must.