• Stukgescheurde sluiers van het bestaan

    Stukgescheurde sluiers van het bestaan

    Hoofdpersoon Asher knutselt bomvesten in elkaar. ‘Hij heeft nog geen concrete doelen gekozen’ maar overweegt dat ‘buitenlanders en andere Papoea’s’ een goed doelwit kunnen zijn. Evenals het Koninklijk Huis trouwens, ‘voor driekwart Duitsers.’ Schrijver Rob Verschuren geeft hiermee in ‘Vrolijk knallen de bomvesten’, het eerste verhaal uit de bundel Buitenlanders en andere Papoea’s, duidelijk zijn visitekaartjes af. Asher is een cynicus die niet meer in de goedheid van mensen gelooft. Hij is een boze nihilist en kritisch antikapitalist geworden, die na zijn ontslag uit de psychiatrische inrichting Dennenvreugd huisloos van Van der Valkhotel naar Van der Valkhotel trekt – er zijn er volgens dit verhaal 63 in Nederland – waar hij in anonimiteit zijn bomvesten maakt.
    De ‘hele wereld is een gekkenhuis’ en ‘iemand moet de mensheid wakker schudden’ vindt hij. Op tv ziet hij hoe de koning de eerste Elfstedenwinnaar van Papoea-Nieuw-Guinese afkomst feliciteert. Tien korte verhalen bevat de bundel en in vele daarvan is sprake van bizarre, absurde of op z’n minst vreemde personages en gebeurtenissen in een wereld vol waanzin en onverschilligheid.

    Rob Verschuren (geb. 1953, woonachtig in Vietnam) is pas op late leeftijd gedebuteerd. Hij heeft korte verhalen gepubliceerd in de literaire tijdschriften Tirade en Extaze (inmiddels ter ziele) en schrijft regelmatig mooie blogs voor Elders Literair die gewoon gratis online toegankelijk zijn. Verschuren heeft vier romans op zijn naam staan en deze uitgave is zijn derde verhalenbundel. Van de tien verhalen in deze bundel zijn er vier eerder verschenen in de genoemde tijdschriften en in een boekenweekeditie ‘Zin en Waanzin’ uit 2015.

    Zin en waanzin zijn ook thema’s in de verhalen in zijn nieuwe verhalenbundel. Een stukje waanzin bleek al bij Asher. Een ander hoofdpersonage, uit het verhaal ‘Epifanie’, is een schrijver die worstelt met een schrijfopdracht. ‘Wat wij de waarheid noemen’, laat Verschuren hem zeggen, ‘is iets wat te groot is om in zijn geheel te zien en iedereen ziet er een stukje van en het is de opdracht van de schrijver om al die stukjes te vertellen. Dit denk ik, en als gedachte lijkt het me diep genoeg.’ Verschuren schotelt ons in tien verhalen die zich afspelen op allerlei plaatsen in de wereld de nodige prikkelende stukjes werkelijkheid en waarheid voor.

    Worsteling met waarheid en waanzin

    In het langste verhaal, ‘De stem van de Roos’, wordt deze worsteling met waarheid, waanzin en onbegrip vormgegeven door Basel Lund die bij zijn ontslag uit de gevangenis een vreemde Jeroen Boschachtige stoet voorbij ziet komen. Hij kijkt naar de optocht ‘met een fascinatie die alles wil begrijpen’, maar het is ‘alsof het vermogen om te denken hem ontglipte’. Gevangen door de blik van de beenloze voorganger Chokhamela die zich verplaatst op een plank met wieltjes kan hij niet anders dan zich bij de groep aansluiten. Basel is dichter. Hij weet weinig ‘van de dingen van de wereld, maar alles van de zaken van het hart.’ Zijn eerste herinnering is die aan zijn moeder die hem voorleest uit een gedichtenbundel van Fakhr-al-Din Iraqi. Daaruit citeert hij een gedicht dat spreekt van ‘de stem van de Roos’, een motief dat verwijst naar liefde en de zoektocht naar geluk. Het gedicht staat in een verboden boek van een verboden dichter, begrijpt de jonge Basel later. Wat hij toentertijd vooral zag was de opvallend glimmende ogen en zoete stem van zijn moeder en wat hij nu verwoordt is woede over ‘seniele machthebbers’ en een ‘goddeloze God van het kapitaal’.

    De stoet trekt langs Bharuch in West-India naar Dost jo Tor, de Witte Woestenij, waar ze hevige ontberingen lijden. Een groteske karavaan terreinwagens bereikt hen daar met overbodige westerse consumptieartikelen en met een CNN-reportageploeg. Een rantsoen lauwe cola houdt de volgelingen nog even op de been maar als de filmploeg hen verlaat en ‘profeet’ Chokhamela komt te overlijden valt het ergste te vrezen. Overwegingen over de waarde van kunst, zoals Basels poëzieliefde, zijn ook beschreven in ‘Pietà’. Dit verhaal is gebaseerd op de waargebeurde en bizarre geschiedenis van de aanval van de Hongaarse Laszlo Toth in 1972 op Michelangelo’s Pietà, het wereldberoemde beeld dat het moment weergeeft waarop Christus van het kruis gehaald is en op de schoot van Maria ligt. Alle grote kunst roept meta-emoties op, legt curator Robert uit aan de ik-persoon, die kunstenaar is. Robert is bevlogen. ‘Grote kunst verandert ons’, zegt hij. De kunstenaar is wat nuchterder. Eén emotie die kunst oproept is agressie, zoveel weet ik ervan, overweegt hij.

    In veel verhalen wordt een defaitistische, nihilistische of nare werkelijkheid beschreven. In ‘Rumbonen’ is dat het ongeluk van hoofdpersoon Bella die zich niet meer aan de buitenwereld durft te vertonen en geregeerd wordt door angsten en eetzucht. In ‘Er is mij verteld dat u op zoek bent’ wordt een corrupte adoptiepraktijk beschreven en ‘Het dorp, de aardappelen, de oorlog’ beschrijft bloederig oorlogsgeweld. ‘Het dagelijks leven loert ons […] aan met zijn lelijke ironie’, beweert Verschuren zelf in een interview. Daar zijn veel van zijn verhalen een weerslag van.

    Zielen die het daglicht verdragen

    De weerbarstige werkelijkheid is soms pijnlijk, vaak bizar, maar de personages wekken ook sympathie door hun kwetsbaarheid en door een soort onverschrokken en uitgesproken onbevangenheid die hen siert. Het zijn mensen wier ziel het daglicht kan verdragen. Dat geldt voor Hai uit China, de schilder die het portret van zijn vrouw in ‘De Abrikozenzomer’ na haar overlijden nóg mooier wil maken, en ook voor Phan Than Gian uit ‘Riviermist’. Eigenlijk zou hij de Franse vijand moeten bestrijden in de Mekong Delta maar dat lijkt hem een zinloze missie. Na zijn ‘desertie’ gaat hij vasten en schrijft hij gedichten in de wetenschap dat hij door zijn keuze de keizer verraadt en dus een zekere dood tegemoet gaat. De Nederlandse gewezen wetenschapper en Nobelprijswinnaar Karel Steenveld uit het verhaal ‘Zeven x 6’ is nu met zijn ‘grootste project ooit’ bezig namelijk zeven keer zes gooien met een dobbelsteen. Deze Steenveld woont in het verzorgingshuis bij tante Corrie die met een handgebaar ‘de buitenwereld afkapte met al zijn waanzin en onverschilligheid en de rest.’ Zo dus.

    De bundel heeft een citaat van de Russische schrijver Isaak Babel meegekregen. ‘[…] alleen de wijze scheurt de sluier van het bestaan aan flarden met gelach.’ Dat is precies wat Verschuren zijn personages in de verhalen in deze bundel laat doen, met de nodige humor en in een verzorgde en poëtische stijl. Rob Verschuren zegt dat hij ondanks zijn buitenlandse bestaan een onavontuurlijk en kalm leven leidt. In zijn verhalen toont hij zich een schrijver die over grenzen en culturen kijkt. Het is een wijde blik, die ieders denken kan verruimen.

     

     

  • Zoektocht van een toeschouwer

    Zoektocht van een toeschouwer

    In Het witte land van Rob Verschuren ontvlucht een man zijn midlifecrisis en de moderne wereld door op zoek te gaan naar een hem onbekende vrouw in een uithoek van de aarde. Reclameman Bobby West heeft zojuist zijn vriendin verloren. In een fotoboek ziet hij een afbeelding van een vrouw in een onbekend Aziatisch land. Iets in de foto raakt hem diep en de vrouw op de foto fascineert hem. Omdat hij verder niks te verliezen heeft stapt hij op het vliegtuig om haar te vinden. Zonder verwachtingen vertrekt hij, op zoek naar mysterie in het verre Azië. Vergezeld door Don Quichot op zijn e-reader.

    Bij aankomst wordt hij begroet door een troosteloos front van goedkope hotels aan een boulevard en bussen vol Bulgaren. In de eerste bar die hij binnen gaat treft hij alleen buitenlanders. Waaronder de pragmatische Patrick, die voor de vrouwen is gekomen en de liefde beschouwt als een kwestie van vraag en aanbod. Opvallend is dat veel van de personages die Bobby ontmoet sterkere meningen hebben dan hij, zoals de Duitse Rosa die hem probeert te werven voor haar doel. Rosa geeft kinderen gratis Engelse les en is naar het land gekomen om de islam te ontvluchten, ‘dat achterlijke geloof waar je respect voor moet hebben’. Bobby beziet het van een afstand en stemt toe om een van haar lessen bij te wonen om van haar af te zijn. Rosa’s lesmethoden roepen afkeer op bij Bobby die een hekel heeft aan alle vormen van macht en beïnvloeding. In de omgang met anderen beperkt hij zich tot ironie en afstand. Zijn ex verwijt hem in een brief dat hij ‘ironie gebruikt om elk gevoel buiten te houden en serieuze gesprekken te vermijden’. Hij geeft haar gelijk, maar is niet van zins om dit te veranderen.

    Vlucht voor de wereld

    Dat Bobby’s zoektocht een veel breder doel heeft dan alleen de vrouw vinden blijkt als hij rondreist door de stad waar de foto van de vrouw genomen is. Hij wil door het ‘land dwalen als door een abstract schilderij’ waarbij hij altijd toeschouwer blijft. Hij is zich bewust van het absurde van zijn fantasie de vrouw te kunnen vinden. Toch was het geen wanhoopsdaad maar eerder een weloverwogen beslissing om het roer om te gooien. De sleur van het bedrijfsleven verveelde hem en hij had niets of niemand om voor te blijven. Zijn grootste genoegen bestond uit het lezen van de krant en zich vrolijk maken over de ellende van anderen. Er ontbrak een diepere laag van betekenis in zijn leven. Waar hij die hiervóór vond in zijn kunstboeken, als vlucht voor de wereld, is dat na het zien van de foto van de vrouw niet meer voldoende.

    Ondertussen gaat Bobby op in het stadse straatleven. Zijn maaltijden eet hij bij de vele stalletjes langs de weg en zijn zoektocht leidt hem langs de excessen van de stad. Zonder richting of doel dwaalt hij rond, niet op zoek naar begrip of contact.
    Het land zoals het wordt beschreven is een land van uitersten. De bevolking is verdeeld in twee groepen: de Roden en de Blauwen, beide met een ander godsbeeld, wat de reden vormt voor hun eeuwigdurende strijd. Het verdeelde land met ongerepte natuur en mistroostige communistische architectuur doet vreemd aan. Toch lijkt Bobby zich er steeds meer thuis te voelen, afgaande op zijn dieper wordende fascinatie. 

    Bleke Orchidee

    Op zoek naar het hart van de stad trekt Bobby door de straten. Door de chaotische vismarkt en een gruizig industrieterrein komt hij bij een loods waar een vrouw in het wit op een chaise longue transacties afhandelt. Ze wenkt hem binnen, waar hij gaat zitten op een stapel opgevouwen karton en begint te observeren. Verschillende vrouwen brengen hun afval dat gewogen wordt en waarvoor de vrouw in het wit betaalt.  De vrouw fascineert hem, en hij verbaast zich over het hele gebeuren. Bij het afscheid vraagt ze om geld, Bobby stemt toe. Vanaf die dag komt hij dagelijks in de loods om het spel te observeren, de vrouw noemt hij zijn ‘Bleke Orchidee’.
    Elke dag ontvouwt zich hetzelfde tafereel. De loods doet Bobby denken aan een kathedraal en de vrouw in het wit aan een priesteres. Voor religie heeft Bobby geen aanleg, maar hij is bereid om alles te offeren aan de vrouw in het wit die een soort Piëta voor hem wordt. Terwijl hij wacht op een wonder treft hem op een dag iets heel anders als hij onder het rolluik doorloopt.   

    Anti absolute standpunten

    In het boek zit ook een zekere spanning tussen de westerse idealen en de Aziatische manier van leven. Verschuren laat Bobby de komende opkomst van het Aziatische continent overdenken: ‘de nieuwe veroveraars uit het Oosten zouden komen op de stormwind van een economische omwenteling.’ Het Westen heeft afgedaan, vandaar dat Bobby het ontvlucht. Het gemakkelijke idealisme van wereldverbeteraars, vertolkt door Rosa en Don Quichot, is voor Bobby geen oplossing. Hij verfoeit alle absolute standpunten. Ondanks zijn zogenaamde open houding is Bobby wel snel met zijn oordeel. Hij heeft een behoorlijk eurocentrisch wereldbeeld, andere landen zijn een ‘negorij’ en in zijn hoofd is hij wel erg snel bereid om de motieven van anderen zwart te maken.  

    Het witte land is een onderhoudende en prettig geschreven novelle met mooie metaforen en reflecties over kunst. Bobby heeft een zwak voor het abstract expressionisme van kunstenaars als Rothko en De Kooning. Voor hem spreekt een schilderij meer tot de verbeelding dan woorden kunnen. De vergelijkingen zijn hier ook naar. Een lichtspel is een ‘chiaroscuro’ en als Bobby de steegjes doorwandelt wonen de bewoners van dit doolhof in de etsen van Piranesi. Verschuren bereist de ‘provincies van de verbeelding’ die niet per se ergens heen voeren. Het is een cliché, maar in dit geval is de reis zeker meer de moeite waard dan de bestemming. De reis van Bobby leidt hem naar de vrouw in het wit en uiteindelijk het grote onbekende. De orchidee, die bloeit uit afval, vormt een passend beeld bij de weg die Bobby aflegt op zoek naar zijn bestemming.  

     

     

  • Stilistisch geslaagde vertelling

    Stilistisch geslaagde vertelling

    Tyfoon is het romandebuut van Rob Verschuren (1953) die eerder de verhalenbundel Stromen die de zee niet vinden publiceerde. Het is het verhaal van drie jonge mensen: Duc, Vinh en Mai die wonen in een niet bij naam genoemd Zuidoost-Aziatisch land. In hun omgeving wordt gespeculeerd wie van de twee jongens later met Mai zal trouwen. Uiteindelijk vertrekt Vinh als hij net volwassen is naar het noorden van het land om zich bij de communistische rebellen aan te sluiten die de monarchie omver willen werpen. Duc en Mai blijven achter in de plaats van hun jeugd. Duc voorziet in zijn onderhoud met het plukken van vogelnestjes op de naburige eilanden. Waar Vinh een belangrijk man onder de zegevierende rebellen wordt, zoekt Duc andere manieren om een zinvolle invulling aan zijn leven te geven. Hij voelt zich verbonden met de spirituele tradities van de regio en ontwikkelt zich tot een zwijgzame man die enig ontzag oproept bij de mensen in de visserwijk waar hij en Mai wonen.

    Kosmopolitisch

    Verschuren komt met een eigen geluid. Het is moeilijk hem te situeren in het Nederlandse literaire landschap. Hij woont al decennia in het buitenland, de laatste jaren in Vietnam, en dat is te merken in de thematiek van deze dunne roman. Tyfoon past niet bij een nationale traditie van calvinistisch spruitjesproza en misschien ook niet bij de tijdgeest in Nederland (en elders in Europa), waar nog maar weinig belangstelling lijkt te zijn voor wat er buiten de landsgrenzen gebeurt. Mensen met vooral liefde voor het eigene zullen niet geboeid zijn door deze roman. Maar dat ligt meer aan hen dan aan het boek, dat wonderlijk is in de positieve zin van het woord.

    Mengeling van sprookje en realiteit

    Tyfoon is een mengeling van sprookje en realiteit. Het verhaal is een vertelling, misschien meer dan een roman. Dat is de kracht en de zwakte van dit boek. De kracht omdat het vertelde afwijkt van de literaire norm in Nederland, zich er in positieve zin van onderscheidt, juist doordat Verschuren zich niet bezighoudt met de geijkte verhalen in de Nederlandse literatuur over tuttig overspel, sores in een Vinex-wijk of over de verwerking van een beklemmende protestantse jeugd. Niet dat zulke boeken geen bestaansrecht zouden hebben, maar het is prettig als een Nederlandse schrijver eens wat verder kijkt dan de polder.
    Maar er zit ook een zwakte in deze vertelling. De personages lijken soms meer typen dan psychologisch uitgewerkte personen.

    Dit is geen boek waar een lezer snel ontroerd door zal raken omdat door de gekozen vorm niet per se empathie wordt opgewekt.
    Het is een soort sprookje, dat echter niet in een ver verleden is gesitueerd, maar in de bijna-realiteit van het heden of het recente verleden. In het verhaal wordt de monarchie, een sprookjesachtig restant dat naar ‘vroeger’ en tradities verwijst, verdreven door het communisme dat het oude ongelijkheidsbeginsel wil vervangen door eenheidshap. Verschuren laat zien dat beide maatschappijvormen mensen kunnen beknellen. Maar uit zijn beschrijving spreekt een voorkeur voor de oude cultuur die wordt weggevaagd. Hij laat zien wat er kan gebeuren als idealisme zich vermengt met de realiteit, wat er kan gebeuren als ‘historisch materialisme’ belangrijker is dan de menselijke maat.

    In zekere zin is Vinh door zijn politieke keuzes ontmenselijkt, wat blijkt uit de volgende passage: ‘Vinh was niet langer de idealistische dromer van vroeger. Hij was begonnen zijn dromen waar te maken. Het maakte zijn mond hard, zijn blik, die eens de wereld en alles erin met woeste gretigheid had opgenomen, berekenend en behoedzaam.’ (72) Dit is een psychologische uitdieping die Tyfoon niet overal kenmerkt. Maar Verschuren heeft er waarschijnlijk bewust voor gekozen dergelijke uitdiepingen beperkt te houden. Het is geen psychologische roman, waarin je de harten van de personages voelt kloppen, hun geest voelt bruisen of ontsporen, maar dus eerder een vertelling die aansluit bij de traditie, bij exotische vertelcultuur.

    Stijl

    Een sterk punt van Tyfoon moet zeker vermeld worden: de stijl. Arnon Grunberg keerde zich ooit tegen een te nadrukkelijke stijl. Volgens hem is goed proza dat proza waarvan het lijkt dat iedereen het zou kunnen schrijven, dat niet toont dat de schrijver iets moois of geleerds heeft willen bijdragen. Hier lijkt Grunberg zijn eigen literaire praktijk tot norm te verheffen. Bij zijn eigen thematieken past zijn stijl goed, maar het is de vraag of dit advies leidraad zou moeten zijn voor andere schrijvers. Misschien leidt de keuze voor een sobere stijl bij andere (mindere) schrijvers dan Grunberg wel tot saai gestandaardiseerd ‘literaire workshop’-proza zonder persoonlijkheid.

    Persoonlijkheid zit wel in de stijl van Verschuren. Neem een passage als deze: ‘Ze keken omhoog naar de woestenij van rotsblokken, de dwergachtige, kromme bomen die zich in de spleten vastklampten, de verpletterende chaos die uit de hemel op hen neer leek te vallen. De branding kabbelde als een dompteur die sussende woorden spreekt tegen een grauwende tijger.’ (21). Dit is proza dat de aandacht op zichzelf vestigt en dat door Grunberg bekritiseerd zal worden omdat er stilistische ambitie uit spreekt. Een heel boek met dergelijke taal zal de lezer mogelijk vermoeien, maar Verschuren doseert goed. Mario Vargas Llosa meent dat stijl vooral een gevoel van noodzakelijkheid moet oproepen zodat de lezer ‘ervan overtuigd raakt dat het verhaal alleen op die manier, met die woorden en zinnen en in dat ritme verteld kon worden.’ Dat is bij Verschurens proza het geval.

    Een vertelling als de zijne moet hier en daar op smaak worden gebracht, gekruid, met stijl waarmee schoonheid wordt nagestreefd en die afwijkt van bijvoorbeeld ambtelijke stukken, newspeak of gelikt marketing jargon. De linguist Steven Pinker stelt het volgende: ‘what is style, after all, but the effective use of words to engage the human mind?’
    Als Verschuren zich had geconformeerd, in stijl (maar ook in thematiek en locatie) aan wat in de Nederlandse letteren gebruikelijk is, hadden we een passage als deze moeten missen: ‘Lang nadat de trein was verdwenen, konden ze hem nog horen loeien als een verre krijgshoorn die ten aanval riep, en daarna, toen alle achterblijvers waren vertrokken en ze alleen op het perron stonden in de bleke lichtplas van een lamp die zwaaide in de wind, als een langzaam uitdovend gejammer op een verlaten slagveld bij het vallen van de nacht. (53) Dit is stilistiek die iets van de lezer vraagt, omdat deze zin zijn geheimen niet meteen prijs geeft.

    Het zijn in Tyfoon de stijl en de thematiek, en ook de gekozen vorm, die het gemis aan psychologische diepgang, ruimschoots compenseren.

     

  • Oogst week 27- 2018

     

     

    Tyfoon

    ‘Mensen op drift’. Zo omschreef Reinier van Houwelingen de hoofdpersonages in de verhalenbundel van Rob Verschuren, Stromen die de zee niet vinden

    Dat zou ook wel eens kunnen gelden voor de hoofdpersonen in zijn nieuwe boek Tyfoon waarin drie kinderen afspreken altijd bij elkaar te zullen blijven. Dat loopt natuurlijk anders. Een burgeroorlog voorkomt dat, en alle drie maken ze een andere keuze. Maar de verbinding blijft.

    Tyfoon speelt zich af in een fictief land, dat veel overeenkomsten vertoont met Vietnam. Het is verhaal over een bijzondere driehoeksverhouding, maar tegelijkertijd een kroniek van een veranderende samenleving, waarin traditionele waarden goedschiks of kwaadschiks plaats moeten maken voor nieuwe.

    Rob Verschuren woont en werkt in Vietnam. Op de website Trefpunt Azië waar hij aan bijdraagt wordt hij als volgt geïntroduceerd: ‘In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.’

    Tyfoon
    Auteur: Rob Verschuren
    Uitgeverij: Uitgeverij In de Knipscheer

    Vrouwen en macht

    Mary Beard ontdekte al vroeg dat de kansen in het leven voor mannen en vrouwen niet gelijk zijn. Ze ging niet naar de universiteit van haar keuze omdat de mogelijkheden voor vrouwen daar beperkt waren.

    Inmiddels is zij een van de bekendste classici in het Verenigd Koninkrijk. In haar boek Vrouwen en macht toont ze ‘hoe in de geschiedenis machtige vrouwen behandeld zijn.
    Haar voorbeelden komen uit de klassieke oudheid en het hier en nu, en ze leggen de culturele pijlers onder een eeuwigdurende misogynie bloot.’

     

    Vrouwen en macht
    Auteur: Mary Beard
    Uitgeverij: Athenaeum

    Briljante man

    Michael Tedja is een Nederlandse kunstenaar. Hij schildert, tekent, maakt installaties en is schrijver. Zijn nieuwe boek, Briljante man schreef hij parallel aan de productie van de tekeningen voor zijn tentoonstelling Hypersubjective, een solovoorstelling in het Centraal Museum in Utrecht.

    Op de website van het Museum staat dat Hypersubjective ‘wordt gevormd door een overweldigende installatie, bestaande uit honderdvierendertig grote tekeningen. In deze installatie onderzoekt Tedja de mogelijkheden van zijn beeldtaal op papier. De reeksen tekeningen laten zich vergelijken met hoofdstukken uit een boek.’

    Briljante man laat met eenzelfde energie en scheppingsdrang als in de tekeningen thema’s opborrelen. Een greep: racisme, kunst, kunstenaarschap, schrijverschap, maatschappelijke chaos. Dit alles in een experimentele, hoogst oorspronkelijke en associatieve stijl. In de tentoonstelling is het originele handgeschreven manuscript te zien.’

    Briljante man
    Auteur: Michael Tedja
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer
  • Het verlangen elders te zijn

    Het verlangen elders te zijn

    Het creëren van een ‘perfect bevroren moment’, dat is het doel van de Amerikaanse fotograaf Gregory Crewson. Hij is een van de bekendste exponenten van de geënsceneerde fotografie. Dagenlang kan hij, samen met een grote crew en met behulp van een opgebouwde set, aan één foto werken. Het resultaat wordt vaak filmisch genoemd, vanwege de combinatie van narratieve en visuele elementen: in een enkel beeld vertelt het werk van Crewson een heel verhaal. (Overigens beschouwde de grote cineast Andrei Tarkovsky ritme juist als de essentie van filmkunst. Hij noemde het verstrijken van tijd binnen een frame ‘sculpting in time‘.)

    Het korte verhaal kan je eveneens zo’n ‘perfect bevroren moment’ noemen. De nadruk ligt vaak op compositie en sfeer, op het momentane en het zintuiglijke. Daarom is het kortverhaal een zelfstandige literaire vertelvorm die, ondanks de gelijkenissen, niet aangezien moet worden voor een roman in miniatuur.

    Rob Verschuren (1953) brengt met Stromen die de zee niet vinden zijn eerste verhalenbundel uit. Vier van de elf verhalen werden al eerder gepubliceerd, onder meer voor het literaire tijdschrift Extaze. De hoofdstukken variëren in lengte van zo’n acht tot 25 pagina’s.
    De titel van de bundel is ontleend aan een van J.R.R. Tolkiens ‘wandering songs‘, in de vorm zoals die staat opgetekend in The Hobbit (1937):

    Roads go ever ever on,
    Over rock and under tree,
    By caves where never sun has shone,
    By streams that never find the sea.

    In dit lied klinkt het gevoel door van de doler, de mens die op weg gaat maar zich afvraagt of hij zijn bestemming wel zal bereiken (als er al een bestemming is). De verhalen uit Stromen die de zee niet vinden dragen eenzelfde gevoel uit. Vaak leven de personages om wie het draait niet in harmonie met de tijd en de plaats waar ze zich bevinden. Sommigen zijn buitenbeentjes op hun geboortegrond, anderen gingen op reis, weer anderen emigreerden. Ze zijn ontheemd, of verlangen naar iets anders. Het zijn kortom mensen op drift.

    De zee is in deze bundel derhalve een symbool voor een lokkend doel achter de horizon, maar speelt ook op een letterlijke manier een rol. Meermaals vinden de karakters de zee wél. In het eerste stuk trekt de kantoorwerkende ik-figuur zich hiervoor nog terug op een zoldertje dat hij zijn kraaiennest noemt. Daar kan hij ‘Verlichting’ vinden door zijn innerlijke blik te richten op witte zandstranden, ver weg van de schroeven- en boutenfabriek waar hij werkt. Andere karakters pakken gewoonweg de bus naar het strand of stellen hun schildersezel op in een kustplaatsje met uitzicht. In de metaforische betekenis, als doel of vervulling van het leven, blijft het bereiken van de zee echter voor alle hoofdpersonen een utopie, zelfs wanneer ze tot hun knieën in de branding staan.

    Na het openingsverhaal, getiteld ‘Schroeven’, wordt de setting van de bundel exotischer. De omgeving varieert van Zuid-Frankrijk tot een niet nader aangeduide woestijn waar kamelen een boot door het zand trekken en doet verder vooral Aziatisch aan (landen waar ‘gouden draken vliegen’). Kosmopolitisch zijn Verschurens verhalen echter niet. Het meerendeel is gesitueerd in een dorpse of landelijke, op zichzelf betrokken omgeving. Het slothoofdstuk speelt zich af in de gevangenis. Evenals de ik-figuur uit Schroeven heeft de hoofdpersoon hier een klein uitzichtpunt, in de vorm van een raam in zijn cel waardoorheen hij de dochters van de gevangenisdirecteur bespiedt.

    De stijl van Stromen die de zee niet vinden is behoorlijk rijk. Vooral de precieze (natuur)beschrijvingen vallen op. Alles krijgt een naam of een bijnaam, in regels waarin het aan bijzinnen en opsommingen niet ontbreekt:

    ‘Johnny slaat zijn glas achterover en steekt zijn hand uit naar de fles. Hij is thuisgekomen, deze oude legionair, geworteld in de rotsbodem waaraan zijn voorvaderen omineuze namen hebben gegeven: Piek van de Dansende Heksen, Verloren Berg, Nobele Vallei. Zoals de kromme eiken heeft hij geen andere keus dan te blijven, zoals de wind moet ik verder gaan.’

    Frequent worden er verhalen binnen verhalen opgevoerd door Rob Verschuren. Bijvoorbeeld via een  bijfiguur die een oude historie uit de doeken doet, of door een droom. Alsof fotograaf Gregory Crewson een schilderij heeft opgehangen op het middenplan van een van zijn tableaus. Door de gedetailleerde schrijfstijl en de volle compositie voelen sommige stukken zelfs bijna overladen aan, vooral in het begin van de bundel.

    De meeste verhalen eindigen onbestemd, met een natuurbeeld of een vergezicht. Er is geen pointe en geen boodschap. Het gaat vooral om de sfeer die telkens knap wordt opgeroepen. Verschuren schetst elf keer trefzeker een kleine wereld en laat die wereld nadien weer achter zich. De personages zijn ondertussen niet verder gekomen, of toch niet merkbaar. De rust van een thuis, waarover de excentrieke hobbit Bilbo Baggins zong in het tweede deel van het wandelliedje, is voor hen niet weggelegd:

    Roads go ever ever on
    Under cloud and under star,
    Yet feet that wandering have gone
    Turn at last to home afar.

    Eyes that fire and sword have seen
    And horror in the halls of stone
    Look at last on meadows green
    And trees and hills they long have known.