• Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Een Tirade waardig…

    Een Tirade waardig…

    Wie plaats neemt in de redactie van een literair tijdschrift, doet dit om de schitteringen in de literatuur mede prijs te mogen geven. Aankomend schrijvers die ‘het’ in zich hebben voor het voetlicht te schuiven. Zelfs als ze volledig onbekend zijn. Alles uit liefde voor de literatuur. Want voor een dagelijks goed belegde boterham (of biologische salade) hoef je het niet te doen. Zo liet ook Jeroen Brouwers in 1979 (Kroniek van een karakter, Dl. 1) weten in een lange brief  aan Geert van Oorschot. Een van de redenen dat hij niet in de redactie wilde plaatsnemen was dat er niet genoeg mee te verdienen valt. Een andere, meer doorslaggevender lijkt het, is dat Brouwers niet tevreden is over de koers die Tirade vaart. Hij verwijt Van Oorschot onder meer dat er in Tirade stukken worden opgenomen die evengoed in welk ander blad hadden kunnen staan; Tirade onderscheidt zich te weinig van andere bladen was de grote kritiek van Brouwers. Het was in de volgende bewoordingen dat Brouwers het verzoek van Van Oorschot afwees:
    “Ach Geert! Ik ambieer dat niet, maar ik zou het wél kunnen.(…) Mijn opvattingen zijn anders dan jouw opvattingen. Alle achting en alle vriendschap voor jou, dat weet je wel – maar als ik ‘Tirade’ zou doen, dan zou ik ‘Tirade’ doen, en niet jij-en-ik.”

    Hoe Brouwers dat zou doen, welke bijdragen hij het keurmerk Tirade waardig vindt, zullen we nooit weten. Wel wat de huidige redactie als keuze criteria heeft; Het gaat om het werk en niet om de (gevestigde) naam, schrijft Anja Sicking in een redactioneel stukje. De mailbox van de redactie stroomt elke keer weer vol met werk van debutanten, gevestigde schrijvers en van ‘mensen die nooit zullen worden uitgegeven’. Waarbij opgemerkt wordt dat die laatste categorie het grootst is. Iemand afwijzen is niet een fijn ding, maar wel noodzakelijk. Wat er dan uiteindelijk uit die berg teksten gefilterd wordt en in Tirade verschijnt zijn stuk voor stuk teksten die, zoals gewenst, een Tirade waardig zijn.

    Editie 468 is een nummer met literaire sciencefiction. Zes verhalen van o.a. Anoek Nuyens, Wytske Versteeg, Said El Haji, Renée van Marissing. De verhalen zijn geschreven in opdracht tijdens de workshop De geschiedenis van morgen (februari dit jaar), en georganiseerd door SLAA en Monnik. Mooie verhalen, zelfs voor wie niet van sciencefiction houdt. Van de dichter en prozaschrijver Ian McLachlan (Londen) een zestal (sciencefiction) gedichten in vertaling van Maarten Buser. Die zo prettig lezen dat je je afvraagt of we niet nu al in de tijd vooruit leven, in sciencefiction. 

     

    In Tirade 467 een verhaal, Eindhoven, van Rob van Essen (gevestigd schrijver en recensent) en het essay; Olaf Hendriks, Een essay in de derde persoon, van Tiemen Hiemstra (onbekend). Door de redactie aangemerkt als ‘origineel’. Over een wereld waarin aanslagen en bedreigingen als standaard worden gezien. Horror scenario’s op het netvlies van de jongeman Olaf die lijdt aan hyperventilatie en hartkloppingen en die het woord ‘gootsteen’ gebruikt om zijn angst te bezweren. Want ja, de kans is groter dat je bij het ontstoppen van een gootsteen gewond raakt (‘bij het lostrekken van de plopper achterovervallen en met je hoofd op de rand van het een of ander terechtkomen.’) dan dat je een terroristische aanslag meemaakt. Waarin een voetbalwedstrijd het qua belangstelling, wint van een boekpresentatie. Het leven zoals we dat kennen in beschouwingen en meldingen in de media en inderdaad zeer origineel  in voorbeelden en .
    Een ronduit prachtig verhaal is Meneer Sjandoor van student aan de schrijversvakschool, Ilona Barsony; een zo goed verteller , dat je voor de duur van het verhaal bent weggevoerd.

    In de rubriek Zestig jaar Tirade, verschijnt deze jaargang ter gelegenheid van het zestig jarig jubileum in elke editie van Tirade, een essay of verhaal dat teruggrijpt op de geschiedenis van het blad. In nr. 468 reageert Julie Benschop met het essay De opwaartse kracht van J.J. Voskuil op Hanny Michaelis’ artikel ‘Mirakuleuze herrijzenissen’ uit Tirade 300, over de heropleving van een boek, zoals Bij nader inzien (1963) van Voskuil, dat in 1985 een heropleving kende. Benschop vraagt zich af of herrijzenissen wel zo mirakuleus zijn als Michalis wil doen geloven.

    Schrijver Marijn Sikken inspireerde haar bijdrage, Notities over Huub, in deze rubriek op het stuk Notities, van K. Schippers uit Tirade 200. De koppen boven de (elf )stukken zijn van Schippers. Het verhaal met de titel ‘Geluid’ begint zo: “Het eerste wat wij meekrijgen van Huub, zijn z’n schoenen. Huub draagt gewone sneakers, wit met grijze streep, broer en ik vermoeden dat ze een maat te klein zijn.” Waarmee Sikken de lezer meeneemt  en niet stopt voor de laatste punt is gezet.
    Een mooie Kroniek van een roman van Carel Peeters, die Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells samenvat als, een roman ‘over de gevolgen van het op jonge leeftijd verliezen van je ouders’. Het mooiste verhaal uit beide edities is het toekomstverhaal van Maurits de Bruijn, Het geheugen van smartphones. Waarin de geschiedenis van alles wat we weten verwijderd wordt en de geschiedenis herschreven wordt. Misschien is er nog een weg terug, Na dit gelezen te hebben wens je bijna dat er nog een weg terug is. Misschien wordt dat wel de sciencefiction van de toekomst; een weg terug.

    En De Tirade van… is van Roos van Rijswijk, waarin ze haar enthousiasme over optreden bij leesclubs toelicht en dat je daat eigenlijk niet enthousiast over mag zijn; ‘(…) er zijn lezers die dingen opvallen waar ik zelf helemaal niet aan gedacht had. (…) soms zijn er tien mensen van wie er vijf het boek enigszins hebben gelezen, en van die vijf mensen is er dan altijd één iemand die het helemaal niks vond en de hele tijd heel zuur zit te kijken met haar ogen rolt.’

    Twee edities Tirade, het lezen meer dan waard want, andere inzichten! Te koop bij de betere boekhandel, (de nieuwe editie Nr. 469, ligt overigens al weer klaar), maar misschien is een abonnement beter. En kijk vooral ook op: Tirade.nu.

     

  • Minder streng

    Minder streng

    Onlangs las ik het boek Hoe lees ik? van Lidewijde Paris. Met, volgens de ondertitel, ‘inspirerende voorbeelden uit de literatuur.’ Dat laatste is niets teveel gezegd! Die kreeg ik in één moeite door cadeau.

    Eén van die voorbeelden was wat Paris: een ‘schitterend verhaal’ noemt, uit Hier wonen ook mensen van Rob van Essen. Ik ken de auteur van naam, maar kan me niet herinneren iets van hem te hebben gelezen. Die kans was er nu.
    Paris behandelt het verhaal ‘Terug naar huis’ in het kader van het thema ‘Metaforen.’ Er zit een grote metafoor in dit verhaal, ‘zo groot dat je hem niet ziet’ zegt zij. Het draait daarbij om een radiogesprek dat één van de hoofdpersonen, Daniël op een ochtend had gehoord. Daarin was een mevrouw aan het woord geweest die Bach met Mozart vergeleek. Bach was volgens haar te perfect en ze wilde van Mozart gaan houden.  De mevrouw op de radio vertelde over Bach dat ze ‘de laatste tijd het idee had dat die muziek iets miste, nee, dat die muziek haar buitensloot omdat hij zo perfect was dat hij ook wel zonder luisteraars kon.’

    Hier zit wat in, want ook Wikipedia stelt: ‘de vraag of de Kunst der Fuge ook daadwerkelijk voor uitvoering bestemd was en niet een illustratie was van wat mogelijk is op het gebied van contrapunt (…).’ Er zijn musicologen die volgens Wikipedia het stuk gortdroog en academisch vinden klinken. Kort geleden hoorde ik een prachtige uitvoering van delen uit Bachs Musicalisches Opfer. Gespeeld door Els Biesemans op het orgel van de Grote of St. Bavokerk in Haarlem. Ik kon het eerlijk gezegd op sommige momenten niet helemaal droog houden. Dus een vraagteken is zeker op z’n plaats.

    Maar Mozart, ja, dat is andere koek. Diens muziek is volgens de mevrouw in het verhaal van Van Essen ‘minder streng, menselijker, ze had het idee dat Mozart haar goed zou kunnen doen, ze zou er een ander mens door kunnen worden, vrijer, meer in evenwicht met haar omgeving.’
    Imperfecter misschien ook, omdat hij dwars tegen de regels in, als een thema eigenlijk vier maten zou moeten zijn, er doodleuk een maat aan toevoegt. Ik mag die recalcitrantie wel.

    Maar die mevrouw slaagde er niet in tot Mozart door te dringen, om ervan te houden. Hoe ze ook haar best deed. Voor mij staat de imperfectere Mozart ook voor imperfecte momenten in het leven wanneer zijn muziek mij toeviel, als troost. Telkens weer was, en is het Mozart. Misschien lukt het die mevrouw eens, als Van Essen haar als personage weer terug laat komen in een ander verhaal, gelijk Peter Terrin in zijn roman De bewaker met Renée uit Post mortem doet.

     

     

  • Verrassende verhalen

    Verrassende verhalen

    De eerste J.M.A. Biesheuvelprijs voor het korte verhaal, een genre dat de beroemde naamgever Maarten Biesheuvel goed lag, is tijdens de vierde Week van het Korte Verhaal, februari 2015, uitgereikt aan de succesvolle schrijver Rob van Essen, die al wat titels heeft gepubliceerd. De jury – Arjen Fortuin, Esther Kuijper, Maarten Moll, Roos van Rijswijk en Edith Vroon –  loofde zijn grote fantasie, de variatie in sfeer binnen zijn korte verhalen en zijn uitstekende techniek.

    De Week van het Korte Verhaal is een bedenksel van een van de juryleden, die in een boekhandel werkt en daar, door hard te roepen dat het de Week van het Korte Verhaal is, dat ook werkelijk voor elkaar heeft gekregen. Een commercieel succes of niet? Rob van Essens prijs bedraagt het wat zuinige en tevens wonderlijke bedrag van € 4.867,- plus het lievelingsboek van Maarten Biesheuvel The Wind in the Willows, een tekening door Biesheuvel zelf gemaakt en twee stenen boekensteunen.

    Het prijswinnend boek Hier wonen ook mensen is Van Essens korte verhalenbundel uit 2014, met verhalen die soms al elders zijn gepubliceerd, in De Gids of De Revisor bijvoorbeeld of in verzamelbundels en één ook op Van Essens eigen blog Reddend zwemmen.

    De jury heeft gelijk. De situaties waarin de verhalen spelen, zijn zeer wisselend en verrassend. Het eerste verhaal al waarin God, op onverwacht bezoek kan je wel zeggen bij de meest rabiate godloochenaar van dit moment, de bestsellerauteur Richard Dawkins, de personen wisselt, belooft de lezer een paar leuke uren met Van Essen.

    Edgar Allen Poe, de vader van het genre, vond dat een kort verhaal toch wel in een half tot twee uur kon worden gelezen. Dat lukt met Van Essens verhalen uitstekend. Ze zijn heel verschillend van lengte, het langste van de vijftien is veertig bladzijden, het kortste drieënhalf.

    Andere eigenschappen die Poe aan het korte verhaal toeschreef, waren dat het zomaar ergens kon beginnen en dat het geconcentreerd was op een persoon binnen een bepaalde, centrale gebeurtenis. Het karakter van die persoon kwam daarin duidelijk aan het licht. Als het goed was, ging het daarbij ook nog over een algemeen herkenbaar, wezenlijk probleem.

    Nu gaat het in Van Essens verhalen zeker om herkenbare problemen, zoals toch erbij willen horen terwijl je jezelf maar een onbeduidend iemand vindt bijvoorbeeld, ontoereikend contact in een voortsudderende relatie, compleet verkeerde inschattingen, of wanneer mensen zomaar uit iemands leven verdwijnen. Hoe wezenlijk echter die problemen zijn,  kan je een punt van discussie noemen. Omdat ze in gewone omgevingen spelen, die Van Essen heel verrassend heeft gekozen en fantasierijk heeft benut en hij je af en toe mooie beelden voortovert, word je toch als nieuwsgierige lezer voortdurend meegesleept.

    Opvallend is daarbij dat Van Essen de meeste verhalen vanuit een ik vertelt. Dat stelt hem in staat makkelijk van tijd binnen het verhaal te switchen. Regelmatig geeft hij aan dat wat hij nu in het verhaal vertelt nog staat te gebeuren of eigenlijk al verleden tijd is. Toch wordt het niet onbegrijpelijk postmodern. Bij de beschrijving van een film zegt de ik in het verhaal bijvoorbeeld ‘dit is een vergelijking die ik pas later kan maken’. Hij speelt ook met formuleringen en herinneringen, zoals in ‘Ik weet bijna zeker dat ik die man heb verzonnen, ook al zie ik hem nog haarscherp voor me.’

    Toch lijkt er iets wezenlijks aan Van Essens verhalen te ontbreken. Ze zijn te vergelijken met dure, kunstige bonbons, die echter, nogal dwaas geformuleerd, een stevige afdronk missen –  wat je natuurlijk ook niet van bonbons kan verwachten. Beter gezegd, de combinatie van ingrediënten is verrassend, de verteltechniek is kunstig, maar de impressie die het geheel achter laat is ijl, vervliegt zo snel. De noodzaak van die lekkere bonbons blijkt niet uit wat ervan overblijft. Wellicht dat Van Essens stijl en het verrassende element van de gebeurtenissen sterker zijn dan de dwang van de problematiek binnen de verhalen.

     

     

     

  • Muziek voert de boventoon

    Muziek voert de boventoon

    De gepensioneerde componist Peter Els is op de vlucht. De politie heeft bij hem thuis, in zijn zelfgebouwde lab, genoeg aanwijzingen gevonden om hem te beschuldigen van bioterrorisme. Zijn ex en dochter kunnen niet begrijpen waarom hij juist nu, net na de aanslagen van 11 september, DNA probeert te manipuleren. Toch is het, wanneer je meegaat in zijn redeneringen, niet helemaal onlogisch waarom de hoofdpersoon uit Orfeo van Richard Powers dit doet.

    Peter Els heeft geen besef van ruimte of tijd. Hij leeft voor de muziek. Al van jongs af aan wordt hij bezeten door een drang om alle tonen, ritmes, patronen te vangen in een muziekstuk. Van muziek kun je niet leven, is zijn gedachtegang en hij gaat scheikunde studeren, totdat hij Clara leert kennen. Zij wijst hem erop dat niemand zijn muzikaal talent kan evenaren en stimuleert hem om te gaan componeren. Peter gaat op in zijn werk als componist van experimentele, hedendaagse muziek. Hij wordt verliefd op zangeres Maddy, trouwt met haar en is gek op de muzikale dochter Sara die ze krijgen. Maar, houdt hij van de mensen zelf of van hun band met de muziek?

    Wanneer Maddy en Sara zich gaan interesseren voor andere dingen dan muziek, vindt Peter een partner in crime in de choreograaf Richard Bonner die hem vraagt muziek te componeren voor verschillende projecten. Maddy wil haar ongenoegen laten blijken, maar het is de vraag of ze door haar man wordt gehoord:

    ‘”Kom op”, zegt Els. “Het is echt geld. Een prestigieus project in New York”. Maddy zucht in de opstijgende stoom. “Als pianostemmer zou je per uur meer verdienen. (…)” Vanuit de andere kamer klinkt een Roemeens volksliedje, geharmoniseerd in een modale tegenbeweging. De melodie treft Peter als de essentie van hunkering. Misschien moet hij inderdaad een baan als pianostemmer gaan zoeken. (…)”Maddy, hij betaalt me…” “Echt, Peter?” Ze draait zich oom en kijkt hem aan. “Duizend dollar? En daar gaat je reisgeld naar New York nog van af? Treinkaartjes, restaurants, hotelkamer…?”
    Wat is de klankkleur van dit stuk? Twee zachte instrumenten, zeg hobo en hoorn; hun intervallen druppelen door de open ramen neer op de lege herfstige binnenplaats. Twee ouders die gedempt praten om het landelijke wijsje niet te verstoren dat hun dochter in de aangrenzende kamer zit te tingelen.’ (180)

    Peter Els neemt de opdracht aan en breekt zo de relatie met vrouw en kind. Zijn composities blinken uit in extravagantie en worden niet door iedereen gewaardeerd. Totdat hij een opera componeert gebaseerd op een historisch evenement. Maar het publiek ziet iets anders: de weerspiegeling van een gruwelijk gewelddadige gebeurtenis in het heden. Voor Els zijn de overeenkomsten tussen zijn opera en de actualiteit te beangstigend en hij vlucht weg naar Pennsylvania waar hij universitair muziekdocent wordt.

    Op een dag merkt hij dat zijn gehoor anders wordt. Hij gaat de dingen anders ervaren, hoort nieuwe geluiden en beseft zich dat de wereld gevuld is met klank. De chemische reactie die muziek teweeg kan brengen in een mens trekt hem zodanig dat hij fanatiek alles gaat lezen rondom biocompositie. Het zijn ritmes en geluiden uit de natuur die tot in de eeuwigheid bestaan. Els krijgt het idee een muziekstuk te componeren dat nooit zal vergaan en altijd gehoord kan worden door de klanken vast te leggen in het genetisch materiaal van een bacterie. Diezelfde dag nog gaat hij aan de slag met zijn thuislaboratorium.

    Orfeo neemt je mee naar een andere wereld. Een wereld van zuivere klanken, maar grimmige stemmingen. Tijdens het lezen word je één met de hoofdpersoon, je gaat mee in zijn gedachten en opeens lijkt het bijna logisch dat hij DNA manipuleert. Richard Powers schrijft geen verhaal, hij componeert een muziekstuk. In adagio komt het verhaal langzaam op gang met de beschrijving van de jeugd van Peter en hoe zijn liefde voor de muziek opbloeide, tot al de mooie dingen die hij creëerde, inmiddels in allegro, toen hij omringd werd door vrienden en geliefden om te eindigen in een andante. De wetenschap speelt een vrij kleine rol in het boek vergeleken met de rol die toebedeeld is aan de muziek en aan het geluid. Hoewel muziek de hoofdpersoon vaak in euforische stemming brengt, zijn het zeker geen vrolijke composities waar hij naar luistert. Kindertotenlieder van Mahler, gebaseerd op de gedichten van Rückert die twee kinderen had verloren of het Quartet for the End of Time van Messaie, geschreven in de concentratiekampen. Peter Els vindt zijn bondgenoot in de muziek, waarmee hij uiting weet te geven aan zijn gevoelens van onbegrip en eenzaamheid. Orfeo is een waar meesterwerk die je de muziek laat horen, voelen en van dichtbij meemaken.

     

  • Moord op een cliniclown

    Sinds enige weken ligt het boek in de winkel en ik heb het boek al aan veel mensen aangeraden: Visser van Rob van Essen. De roman is jaloersmakend goed geschreven; het verhaal is humoristisch en ontroerend tegelijk.
    De hoofdpersoon Jacob Visser is een geschiedenisleraar in een op Zwolle lijkende plaats. Hij maakt op school een ongelukkige opmerking over het leven in de kampen tijdens de oorlog die erop neerkomt dat je, als je dan toch in een kamp zit, beter kampbewaarder kunt zijn dan slachtoffer. Dat gegeven zet een maalstroom aan gebeurtenissen in gang. Hij wordt vrijwel direct geschorst. Enkele jongeren zien Visser opeens als het ideale rechtse boegbeeld. Er komt zelfs een Visserjeugd.
    Daarnaast speelt het normale gezinsleven van Visser die in een wat deprimerend huwelijk zit. Een dochter van hem staat op het punt te trouwen. Een andere dochter is jaren geleden op jonge leeftijd overleden. Visser staat er alleen voor in dit boek. De vrienden die hij had, is hij in de loop der jaren kwijtgeraakt. De nieuwe ‘vrienden’ die hij krijgt dankzij zijn domme opmerkingen die in de regionale krant zijn gekomen, zijn niet helemaal de juiste types.
    Het knappe van dit boek is dat de hoofdpersoon in feite erg weinig doet en erg weinig zegt. De dingen overkomen hem. Eigenschappen, drijfveren en opvattingen worden hem door anderen opgedrongen: zelf neemt hij nauwelijks initiatief. Hij raakt het hele boek door verzeild in situaties waardoor het van kwaad tot erger wordt, maar de sympathie van de lezer (althans deze lezer) blijft bij de hoofdpersoon omdat de ander continu botter en dommer is.
    Het knappe van dit boek is dat het Van Essen lukt om je binnen een hoofdstuk te ontroeren door de beschrijving van een doodziek jongetje dat Visser tegenkomt in het ziekenhuis en bij wie hij aan bed gaat zitten én je daarna te laten lachen in een slapstickachtige scène waarin cliniclown in elkaar wordt geslagen en je daarna weer weet te ontroeren. Het gebeurt in nog geen tien bladzijden en het zijn tot nu toe de mooiste bladzijden die ik dit jaar heb gelezen. En zo zijn er veel scènes te noemen die door de rare mengeling van ironie en treurigheid een volstrekt unieke leeservaring creëren. Visser is een prachtige roman.

    Coen Peppelenbos

    Rob van Essen ? Visser. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 189 blz. €15,50

  • Een schrijver die het metier goed beheerst

    Een schrijver die het metier goed beheerst

    Schrijver en vertaler Rob van Essen (1963) schreef eerder vier romans waarvan vooral Kwade Dagen de nodige publiciteit genereerde. Hij heeft een christelijke achtergrond en dat wordt in dit nieuwe werk Het jaar waarin mijn vader stierf uit de doeken gedaan. Toch zou ik Van Essen absoluut geen typisch christelijke schrijver willen noemen. Hij zet zich niet af tegen zijn achtergrond, maar plaatst er wel de nodige vraagtekens bij. De vader van de auteur was in de Here en Van Essen schreef een roman in de vorm van dagboeknotities, waarin zijn vader een allesoverheersende rol speelt. Maar er is duidelijk meer.

    Van Essen heeft een gezond gevoel voor humor en dat geeft het boek ondanks de gitzwarte achtergrond de broodnodige luchtige noot mee. Het boek doet af en toe denken aan de mooiste werken van de te vroeg overleden Henk van Teylingen, die zich na een gereformeerde opvoeding bekeerde tot de Hare Krishna. Zo ver zal het bij Rob van Essen wel niet komen, want tussen de regels door deelt hij af en toe ferme tikken uit aan het New Age-gezweef. Aan de andere kant trakteert hij ons op humoristische, filosofische uitstapjes en kleine overpeinzende observaties. (‘Hij was zo overgevoelig, dat hij zich nog het liefst zou verontschuldigen als hij over iemands schaduw fietste.’)

    Het geloof staat ver van hem af, maar de vragen over de inhoud van het leven zijn duidelijk gebleven. Af en toe krijgen we de indruk dat de wapens hem uit handen zijn geslagen. Wat nu? Gelukkig doet hij ook aan zelfspot en schetst zichzelf als een onhandige knaap waar het vrouwen betreft, iemand die een drankverslaving wist af te zweren en nu aan de Prozac is. Zou dat allemaal waar zijn? Van Essen volgt behoedzaam het spoor terug. Hij spreekt zijn spijt uit over de vroege verhuizing van het gezin van Amstelveen naar het platteland. Als het gezin in Amstelveen zou zijn gebleven, hoe anders was de jeugd van Rob en zijn broers en zus dan verlopen? Rob – blijkt later – heeft zich uiteindelijk  gevestigd in Amsterdam, maar is hij daar niet zelf een buitenstaander, iemand die het gewoel van de stad maar al te graag verruilt voor lange fietstochten langs Ouderkerk, kortom langs de boorden van diezelfde stad.

    Vader was schoolmeester, later hoofdonderwijzer bij de School met den Bijbel en het gezin volgde hem steeds naar zijn nieuwe werkplek. Verder schreef vader kinderboeken, kindertoneelstukken en veel columns in o.a. het Reformatorische Dagblad. Een aantal jaren zwoer hij het geloof af, maar waarom dat precies was en ook vooral waarom hij later terugkeerde in de moederschoot der kerk wordt niet duidelijk. Het is een van de raadsels, die Rob van Essen graag had willen oplossen maar wanneer zijn vader gestorven is, blijkt dat hij verzuimd heeft de goede vragen te stellen toen het nog kon. Zou de cynische man er überhaupt op hebben geantwoord, wanneer het hem zou zijn gevraagd? De band tussen vader en zoon bestaat uit het samenwerken aan kleine projecten, Rob maakt enkele illustraties bij een kinderboek van zijn vader en zal later met zijn computerkunde op de proppen komen om verhalen voor hem te rubriceren. De illustraties worden door de uitgever geweigerd maar het boekje verschijnt toch. Dat is opvallend omdat Van Essens vader eerder had uitgeroepen: ‘Ze publiceren het maar met jouw tekeningen of helemaal niet!’ Een dubbele moraal?

    Aandoenlijk zijn de momenten waarin Van Essen citeert uit het werk van zijn vader. Een poging achter de persoon en de drijfveren van de gesloten man te komen, die maar ten dele slaagt. We zien de vader in – wat later zal blijken – zijn laatste levensjaar, snel achteruit gaan. Rob van Essen maakt dat proces, bewust en van heel dichtbij mee. Zelfs zo dichtbij, dat hij bij zijn vader in bed gaat liggen om over hem te waken in het ziekenhuis. Maar of hij hierdoor echt dichterbij komt blijft de vraag.
    De gedichten van zijn vader zijn nergens meer te vinden, ook niet nadat Rob alle spullen uit de studeerkamer van zijn vader nog eens heeft uitgezocht. Waren daarin niet juist de gevoelens van zijn vader vervat? Van Essen vraagt zich na de dood van zijn vader af waarom het hem zo weinig doet. Hij komt niet echt bij zijn emoties. Lijkt hij wellicht op zijn vader? Rob zelf wilde eerst dominee worden, maar waarom hij dat niet werd komen we niet te weten.

    Hilarische momenten beleven we verder tijdens een kunstweek op een camping, waarin Van Essen gestrikt wordt deel te nemen aan diverse activiteiten, waar hij niet op zit te wachten. De buitenstaander moet naar voren treden, maar wordt gered door de bel.
    De grote dilemma’s van het leven, hoe we met de dood omgaan, met roem, met ons verleden, met naastenliefde, vergeving, spelen luchtig door het boek heen, maar zijn er wel degelijk. Dat Rob van Essen deze thema’s niet uit de weg gaat is zeer in hem te prijzen, dat hij zichzelf op een badinerende wijze neerzet zo mogelijk nog meer. Ook de beschrijvingen van de natuur zijn van een ingehouden, haast metafysische kracht. De fragmenten uit popsongs en uit de filosofie, de ontmoetingen met andere schrijvers, alles staat in het teken van de eerdergenoemde thematiek. Het wordt tijd dat Van Essen met dit puntgave boek doorbreekt naar de plek in de Nederlandse literatuur die hij verdient. Een vakman, die het metier zo goed beheerst als hij, verdient dat. Zijn vader zou er om geglimlacht hebben.