• Leeskring Zuid-Afrikahuis zoekt nieuwe enthousiastelingen

    Leeskring Zuid-Afrikahuis zoekt nieuwe enthousiastelingen

    Het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam is een centraal informatiepunt over Zuid-Afrika en beheert de omvangrijkste bibliotheek over Zuid-Afrika in Nederland. Sinds 2002 is er een actieve leeskring die bijeen komt in de bibliotheek van het Zuid-Afrikahuis en daar Zuid-Afrikaanse literatuur bespreekt.

    De besproken boeken zijn romans en een enkele keer wordt er een thriller, biografie of dichtbundel besproken. Eens in de twee maanden komt de leeskring bijeen om een van tevoren gekozen titel in het Nederlands, Engels of Afrikaans te bespreken. Elke bijeenkomst wordt ingeleid door een historicus en/of kenner van het desbetreffende onderwerp.

    Deelname staat open voor iedereen. Het gelezen boek wordt ingeleid door de gastvrouw of gastheer van de avond. Daarna wordt er met elkaar gepraat. Iedereen die geïnteresseerd is in de Zuid-Afrikaanse literatuur is van harte welkom. Enige vereiste is dat het boek gelezen wordt: de leeskring is geen lezing, maar een gezamenlijke boekbespreking.

    Deze maand wordt er in ieder geval op 24 juni Die onsigbare van P.J.O. Jonker, besproken, gespreksleider Rob van der Veer.

    Wie deel wil nemen aan de leeskring, kan zich hier aanmelden.

     

     

  • Over de familie Swart, doodnormale witte Zuid-Afrikaners

    Over de familie Swart, doodnormale witte Zuid-Afrikaners

    Het is 1986 en ‘Ma’ is in het eerste deel van De belofte, waarmee de Zuid- Afrikaanse Damon Galgut de longlist van de Booker Prize haalde, overleden. ‘Oom Ockie en tante Marina vangen Amor, de jongste dochter op. Zij is al bijna geen kind meer.’ Dergelijke korte zinnen worden afgewisseld met beschrijvingen in beeldend taalgebruik,  zoals die van oom Ockie: ‘Bruine broek; geel overhemd en glimmende schoenen’. Hij heeft flaporen en rookt sigaretten. Het huis waar ze wonen is ‘als een dronkaard die een samenraapsel van kledingstukken draagt’.      

    De ziekelijke moeder, Rachel Swart was niet geliefd bij haar zuster Marina. Moeder Rachel en dochter Amor worden – tot de dood van Ma – verzorgd door Nanny Salomé, ‘die zat bij de koop van het land inbegrepen’; een terloops zinnetje dat inslaat als een bom. Ook Amor voelde zich soms, net als de zwarte Salomé, onzichtbaar. Salomé was erbij toen Rachel haar laatste adem uitblies, maar ze telt als getuige uiteraard niet mee. Die getuige had Amor moeten zijn, vindt haar aan anorexia lijdende zus Astrid.
    Rachel was joods, haar man Manie is Nederduits Gereformeerd en wordt ondersteund door ds. Simmers, die eigenlijk niet meer gelooft, slecht ziet (mooie metafoor) en wordt geleid door een predikant in opleiding. Salomé is ook Nederduits Gereformeerd. Conform dit geloof meent ze, dat God Rachel ‘dit grote lijden heeft gegeven’ zodat ze voor haar kon zorgen. Als dank heeft Rachel aan Salomé het huisje beloofd waarin ze woont.

    Familieperikelen in Zuid-Afrikaanse geschiedenis geplaatst

    De verschillen tussen de personages worden treffend en tot in de détails uitgedrukt. Zo zit Manie tijdens het rouwbeklag op een stoel en niet – volgens joods gebruik – op een laag krukje, zo dicht mogelijk bij de grond. Het geeft de zorgvuldigheid aan waarmee Galgut te werk is gegaan en die je ook als langzame lezer zou moeten betrachten, al schrijft de auteur soms een tussenzin als: ‘Let op de nautische term’.

    Grote gebeurtenissen in Zuid-Afrika worden door het familieverhaal gestrooid: ‘Een kleefmijn in Johannesburg, troepen in de townships’, terwijl de racistische houding van Marina en Ockie tegenover Salmomé uitvoeriger aan bod komt: ‘Onvergeeflijk, zo lui is ze, (…) ze moet als een soort rotsblok voortgeduwd worden, de hele tijd bevelen geven is een uitputtingsslag’. Die afwisseling in stijl geeft het boek iets ritmisch, waarin ook de kosmos meedoet: ‘Het is nacht, dezelfde nacht, maar later, de sterren hebben zich verplaatst’. Zo verschuift het verhaal ook in de tijd, steeds dichter naar het heden toe.
    Naast Amor en Astrid is er nog een broer, Anton. Ook een naam die begint met de eerste letter van het alfabet. Hij zit in het leger en wordt op weg naar huis geraakt door een steen van een ‘oproerige inboorling’.

    De vertaler, Rob van der Veer, heeft zijn woorden zorgvuldig gekozen. Zo speelt hij bijvoorbeeld met de gevoelswaarde van ‘blank’ en ‘wit’ en met verschillende taalregisters, zoals ‘flatulentie’, ‘vlietende momenten’, Bijbels taalgebruik (‘lankmoedig’) en Zuid-Afrikaans.

    Niet naast elkaar leven, maar wel sterven

    Het tweede deel van het boek gaat over Pa, die door een cobra uit zijn eigen reptielenpark in een slagader is gebeten. Hij ligt bewusteloos in het ziekenhuis, naast een zwarte man die kreunt in ‘de taal van de pijn’, een universele taal. De ‘apartheid is gevallen, we sterven tegenwoordig naast elkaar, in intieme nabijheid. Alleen naast elkaar leven is nog iets wat we onder de knie moeten krijgen’, denkt zoon Anton. Pa sterft en Salomé hoopt dat Amor de belofte van haar ouders aangaande het huis gestand zal doen. Dit is echter niet het geval. Nog niet.

    In het derde deel, ‘Astrid’, zijn we weer verder in de tijd, de periode van Mbeki’s bewind. Astrid heeft zich bekeerd en is rooms-katholiek geworden. Kort na de bekering wordt ze bij een roofmoord gedood. Het huis voor Salomé speelt nog steeds een rol. Haast letterlijk: als een personage dat telkens stilzwijgend opduikt. 

    In het laatste deel volgen we Anton, die het hele boek door, al zo’n twintig jaar aan een roman over het menselijk tekort werkt. Hij heeft alle vertrouwen in Zuid-Afrika verloren, hoewel hij er zelf aan meewerkt door een verkeersboete vanwege dronkenschap af te kopen. Hij doodt zichzelf met een geweerschot, ‘een vernederend incident’, aldus zijn vrouw Desirée. Tijdens de crematie wordt al dan niet terecht benadrukt, dat Anton waarheidlievend was; de macrokosmos van de waarheidsvinding in Zuid-Afrika wordt in de microkosmos weerspiegeld.

    Onvoltooid manuscript over menselijk tekort

    Als Amor in de werkkamer van Anton slaapt, vindt zij het onvoltooide manuscript van zijn veelgenoemde roman. Het zouden, net als Galguts boek, vier delen moeten worden, naar de vier seizoenen. In beide gevallen, zowel bij Antons roman als die van Galgut, kun je je afvragen: ‘Is het een familiesage of een plaatsroman?’ In beide gevallen is alles ‘gescheiden door tussenpozen van grofweg tien jaar’. Maar er is ook een verschil: de natuur doet bij Galgut als een personage of als een koor in een Griekse tragedie mee, geeft commentaar: ‘Onweersgerommel in de verte, als een menigte die in een vreemde taal schreeuwt’. Niet universeel, zoals die van de pijn. Het bouwvallige huisje gaat na eenendertig jaar met een fors geldbedrag naar Salomé en haar zoon. De reactie is anders dan Amor had gedacht. ‘Verbonden maar niet verbonden’, zo voelt het.
    Ondanks alle geweld, lijkt het land momenteel op een keerpunt te staan. De naam Amor lijkt dit uit te drukken en houdt een belofte voor de toekomst in. 

     

  • Oogst week 22 – 2021

    Fantasii

    Op een dag ontwaakt een meisje in een letter en spreekt ze geen mensentaal meer, maar de taal van de bomen. Als ze uiteindelijk terug naar huis wil gaan, heeft ze geen thuis meer en is haar enige bezit haar handschrift. Daarover gaat de dichtbundel Fantasii van Ineke Riem (1980).

    In 2013 debuteerde ze met de roman Zeven pogingen om een geliefde te wekken, die haar de Bronzen Uil en een nominatie voor de Libris Literatuur Prijs en de Academica Literatuurprijs opleverde. Momenteel is ze een van de drie schrijvers die in het Witsenhuis verblijft, waar auteurs maximaal vijf jaar lang gratis kunnen wonen en werken.

    Fantasii
    Auteur: Ineke Riem
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Virgula

    Sasja Janssen (1968) schrijft proza en poëzie. In 2001 debuteerde ze met de absurdistische roman De kamerling, over een jongen die is ondergebracht in de bibliotheek van zijn leraar Nederlands, die niet bepaald vriendelijk met hem omgaat. Haar dichtbundel Ik trek mijn species aan leverde haar een nominatie op voor de VSB Poëzieprijs.

    In het juryrapport werd dit werk ‘een perfect aan elkaar geregen korset van woorden’ genoemd. Daarnaast is Janssen poëziedocent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam en bij CREA. In haar nieuwe dichtbundel Virgula, vernoemd naar het Latijnse woord voor ‘komma’, strijdt ze met gedachten en taal tegen stilstand.

    Virgula
    Auteur: Sasja Janssen
    Uitgeverij: Querido

    De belofte

    De Zuid-Afrikaanse auteur Damon Galgut (1963) schreef op zijn zeventiende al zijn eerste boek. Hierna volgden er meer titels, waarvan enkelen naar het Nederlands zijn vertaald. Zijn roman In een vreemde kamer (2011) werd genomineerd voor de Man Booker Prize.

    In zijn nieuwste roman, De belofte, staat een familiegeschiedenis centraal. Een stervende vrouw dwingt haar man te beloven dat de zwarte hulp na jarenlang trouwe dienst haar eigen huis zal krijgen. De man komt deze belofte niet na. Hun kinderen gaan hier alle drie anders mee om: de een is laf en durft geen keuzes te maken, de ander denkt alleen aan zichzelf en hoofdpersoon Amor hoopt, geleid door schuldgevoel, dat zij het verschil kan maken.

    De belofte
    Auteur: Damon Galgut
    Uitgeverij: Querido
  • Doorreis naar het niemandsland

    Doorreis naar het niemandsland

    Nicole Krauss, zo stelt The New York Times, is één van de meest prominente Amerikaanse auteurs en een internationale literaire ster. Ze debuteerde in 2003 met Man komt kamer binnen, dat door de Los Angeles Times werd verkozen tot Book of the Year. Krauss publiceerde verhalen in The New Yorker, Esquire en Best American Short Stories. In 2020 kwam de verhalenbundel Een man zijn uit, in het Nederlands vertaald door Rob van der Veer. De 46-jarige auteur woont in New York, de plaats die naast Tel Aviv meermaals het decor vormt voor de verhalen in Een man zijn.

    Moment van omslag

    De verhalenbundel bestaat uit tien verhalen die los van elkaar staan. De hoofdpersonen in de verschillende verhalen hebben verschillende leeftijden en zitten in verschillende levensfases, waarmee Krauss toont dat haar schrijverschap niet gebonden is aan het schrijven over één bepaald type personage, alhoewel het wel opvallend is dat ze voornamelijk schrijft over hoogopgeleide mensen; in bijna elk verhaal wordt wel genoemd dat er een periode aan de universiteit voorbij is of voor de deur staat. Wat veel van de verhalen ook met elkaar gemeen hebben, en wat een belangrijke motor lijkt te zijn in de verhalen van Krauss, is dat de hoofdpersoon een heel duidelijk omslagpunt ervaart of heeft ervaren. Voor het ene personage is dat het besef te moeten stoppen met haar intensieve danscarrière, voor een ander het inzicht dat ze wellicht niet altijd bij haar vriend zal blijven, voor weer een ander de onderkenning dat hij niet veel langer als privésecretaris voor de grootste landschapsarchitect van Latijns-Amerika kan blijven werken. Een erg mooi verhaal waarin zo’n omslagpunt ook zit, gaat over Tamar, wier moeder ineens bezoek krijgt van een buitenlandse man die volgens de sociale dienst haar echtgenoot is. Alhoewel Tamars moeder zeker weet dat dat niet waar is, omdat haar man begraven ligt op de Yarkon begraafplaats, ontstaat er toch een band tussen haar en de vreemde ‘echtgenoot’. Tamar vertrouwt de vreemdeling niet en laat dat ook merken. Als een familielid, een baby, in het ziekenhuis belandt, is het echter de vreemdeling die zachtjes voor de zieke baby zingt. Tamar realiseert zich op dat moment dat de man een geschenk is voor haar moeder en voor de familie: ‘samen met het inzicht dat de mensen die vanuit het niets en nergens bij ons arriveren altijd alleen maar dat zijn: een geschenk dat we hebben ontvangen zonder er willens en wetens om te hebben gevraagd, met alleen de verwondering dat het leven telkens weer geeft en geeft’ (p. 241).

    Naderend onheil

    De titel van de verhalenbundel doet vermoeden dat de verhalen draaien om man-vrouwverhoudingen en alles wat daarbij komt kijken. En ja, liefde, seks en relaties spelen een grote rol in de verhalen: ‘[…] en probeerden te midden van alle verwarring binnen hun generaties iets te zeggen over wat het was om een man te zijn en wat het was om een vrouw te zijn, en of er van beide gevallen gezegd kon worden dat ze gelijk waren, of verschillend maar gelijk, of niet’ (p. 252). De vrouw wordt hierin vaak neergezet als krachtig en onafhankelijk, waarbij zij meerdere malen macht heeft over de man. Toch gaan de verhalen over veel meer dan over man-vrouwverhoudingen. Het gaat namelijk ook over geweld en wanorde. Door de hele bundel heen voel je gevaar naderen. Waar in het ene verhaal gasmaskers aan het Amerikaanse volk worden uitgedeeld, daar laait in het andere verhaal een ernstige bosbrand op. In het ene verhaal lezen we over een vluchtelingenkamp, en in een ander verhaal worden (vermoedelijk) joden in het geheim onder een laag beton begraven. De Holocaust is aanwezig in de gedachten van veel personages: ‘of het vreemd was om als Duitse man in bed te liggen met een Joodse vrouw wier grootouders de Holocaust hadden overleefd’ (p. 253).
    Dit naderend onheil is een interessant motief in de bundel.

    Een joods betekeniskader

    Dat beide ouders van Nicole Krauss joods zijn, laat ook zijn sporen na in haar verhalen. De verklarende woordenlijst achterin de bundel met woorden als ‘bat mitswa’, ‘rebbe’ (rabbijn), ‘talles’ (gebedsdoek) getuigt daar al van. Het joodse geloof speelt veelvuldig een onopvallende rol en veel is symbolisch te lezen. Dit geeft een interessante dimensie aan het werk, omdat de thema’s zoals man-vrouwverhoudingen en geweld nu in interactie met religie zijn. Krauss laat een aantal van haar verhalen afspelen in Israël, met name in Tel Aviv. Alhoewel de religieuze laag veelal op de achtergrond speelt in de verhalen, biedt het joodse kader de verhalen een extra betekenis die verder reikt dan wat je na oppervlakkige lezing zou vinden. Gebeurtenissen en reacties krijgen op die manier meer inhoud. Een belangrijk citaat ter illustratie is dit: ‘[…] maar als je de harde feiten buiten beschouwing laat, is het de gedachte van iemand die geworteld is op twee plaatsen en dus in geen van beide echt kan aarden’ (p. 229). Hiermee wordt de notie van de diaspora opgeroepen, de verspreiding van de joden over de wereld, waarbij zij geen vaste plek hebben kunnen vinden en dus ‘ontaard’ zijn. Dat gevoel van ontworteling komt bij verschillende personages in de verhalen terug. Zo werkt een vrouw in New York, maar voelt ze zich thuis in Israël, ook al was het een bewuste keuze om er vandaan te gaan. De ontworteling van de personages blijkt uit het verlangen van de personages het over een andere boeg te gooien, onder invloed van naderend onheil. Een verteller spreekt ook van: ‘de doorreis naar het niemandsland waar je volslagen weerloos staat’ (p. 270), waaruit ook die ‘ontaardheid’ blijkt.

    Korte ontmoetingen

    Krauss’ schrijfstijl is prettig en leest vlot, met hier en daar wat humor: ‘Brodman was twee weken dood, maar helaas, na twee weken keerde hij terug naar deze wereld’ (p. 33). De verhalen roepen wel een hele hoop vragen op, waar je geen antwoord op krijgt. Het blijven immers ook korte verhalen, waarin de lezer zich maar even kan hechten aan de personages, en al weer snel afscheid van ze moet nemen. Dat afscheid gaat niet zonder pijn in het hart, maar het is knap dat het Krauss lukt je snel weer een nieuw verhaal in te zuigen. Voor literaire vernieuwing of enorme originaliteit hoef je de bundel niet te lezen, maar Krauss’ verhalen zullen dankzij de universele thema’s zonder twijfel menigeen aanspreken.

     

     

  • Oogst week 50 – 2020

    Een man zijn

    Wat betekent het een vrouw te zijn, wat betekent het een man te zijn? Kunnen vrouwen zich beschermen tegen de slechte kant van mannen? Waarin schuilt de menselijke zwakte? Na vier romans laat de Amerikaanse schrijfster Nicole Krauss met de bundel Een man zijn zien hoe lastig het is licht op deze hachelijke vragen te werpen. Beeldende en soms vervreemdende verhalen spelen zich af in de huidige tijd en overal ter wereld. De mannen zijn verleiders, minnaars, vaders, kinderen en zelfs echtgenoot. Een oude professor neemt zijn pasgeboren kleinkind mee naar het dakterras van een appartementengebouw. Een jong meisje heeft van een zakenman een briefje van 500 franc gekregen waarop het nummer van zijn hotelkamer vermeld stond. Een danseres is zo verregaand gefascineerd door de acteur Homayoun Ershadi in zijn rol in de film Taste of cherry dat ze ervan overtuigd is hem te moeten behoeden voor de zelfmoord die hij in die film pleegt. Krauss plaatst haar personages overal, van Zwitserland tot Japan en  Zuid-Amerika. Alle leeftijden zijn paraat, evenals levenservaringen met macht, sex, zelfkennis, passie en ouder worden. Sommige van deze meeslepende verhalen verschenen eerder in tijdschriften als Esquire en The New Yorker.

    Een man zijn
    Auteur: Nicole Krauss
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Walging

    Jean Paul Sartres wereldberoemde Walging (La Nausée) verscheen voor het eerst in 1938 en is sindsdien vele malen herdrukt en heruitgegeven. De belangstelling voor filosoof Sartre en het existentialisme is nog altijd groot. Uitgeverij Atheneum heeft Walging nu opnieuw uitgegeven.
    De verteller, historicus Antoine Roquentin, heeft zich uit de wereld teruggetrokken om een studie te schrijven over een achttiende-eeuwse markies. Teruggeworpen op zichzelf ziet hij zich geconfronteerd met niet alleen zijn eigen existentie maar met het hele bestaan, de hele wereld. Alles roept walging bij hem op, een walging die Sartre zintuiglijk beschrijft. Illusies heeft Roquentin na een bewogen leven al lang verloren. In zijn isolement gaat hij twijfelen aan zijn eigen gewaarwordingen, aan het verschil tussen dingen en mensen en aan de betekenis van het menselijk bestaan. Zijn zelfherkenning is hij kwijt. Het verhaal over de markies verdwijnt naar de achtergrond en Roquentin geeft zich over aan observaties van anderen. Het trachten te duiden van alles en iedereen doet hem tot de conclusie komen dat de mens een overtollig wezen is. Sartre schreef het werk na bestudering van de fenomenologie.

    Walging
    Auteur: Jean-Paul Sartre
    Uitgeverij: Athenaeum

    Het lichtje in de verte

    Ook eenzaam en alleen in een totaal verlaten bergdorp leeft Antonio Moresco’s hoofdpersoon in Het lichtje in de verte (2013). De dakpannen van zijn onderkomen vallen van het dak, deuren in leegstaande woningen sluiten niet meer, luiken klapperen. In huis hoort de man vreemde geluiden, hij voelt de aarde bewegen. Hij is nietig tegenover het universum en heeft daar vrede mee. Zwervend door het bos voert hij een dialoog met bomen, luchtwortels, vogels, dassen, vuurvliegjes en alle andere levende wezens en vraagt hij zich af wat mens en dier bindt. Hij piekert over het bestaan. ‘Waar kan ik heen om die ravage niet langer te zien, die onherstelbare, blinde wringing die ze leven hebben genoemd?’ Maar iedere nacht ziet hij op hetzelfde tijdstip aan de andere kant van de vallei een lichtje branden. Het intrigeert hem en uiteindelijk gaat hij op onderzoek uit, om een jonge jongen, een kind nog, te vinden die alleen in een huis in het bos woont. Wie of wat is dit kind? Op ontroerende en bespiegelende wijze toont Moresco de pijn van de wereld, en het niets, het absolute en het mysterieuze. In 2018 werd het boek verfilmd. Antonio Moresco speelde zelf de hoofdrol.

    Het lichtje in de verte
    Auteur: Antonio Moresco
    Uitgeverij: uitgeverij Oevers
  • ‘Aan de vruchten zullen ze gekend worden, niet aan hun wortels’

    ‘Aan de vruchten zullen ze gekend worden, niet aan hun wortels’

    Koos Lotriet mag dan al zestien jaar dood zijn; hij is de onbetwiste hoofdpersoon van de Kroniek van Perdepoort van Anna Louw. Koos Nek, zoals zijn bijnaam luidde, was een blanke Zuid-Afrikaanse landeigenaar. Een echte Hollandse heer, die bij zijn komst naar de Perdepoort rijkdom, luxe en hoogmoed had meegebracht. Vijf zonen hadden hij en zijn vroeg gestorven vrouw gekregen en van elk van hen had hij hoge verwachtingen. Maar het leven liet Koos Nek uiteindelijk in de steek. Hij, die erfelijke terugslag in zijn stoeterij altijd zelf afschoot, voelde zich aan het einde van zijn leven in zijn eigen nakomelingen teleurgesteld.

    De auteur van de Kroniek van Perdepoort, Anna Louw (1913-2003), wordt gezien als één van de grote schrijfsters van Zuid-Afrika. Ze heeft zo’n zeventien titels op haar naam staan, die ze schreef vanaf de jaren vijftig tot de jaren negentig van de vorige eeuw. Kroniek van Perdepoort schreef ze halverwege haar oeuvre en leverde haar veel waardering op. Ze ontving er drie literaire prijzen voor.

    De centrale thematiek van Kroniek van Perdepoort is het verval en de geleidelijke desintegratie van de familie Lotriet zestien jaar na het overlijden van Koos Nek. Hun landgoed is nog steeds het middelpunt van de streek, maar met het afschaffen van de apartheid en het verscheiden van Koos Nek is de glorie van weleer verdwenen. Zijn kinderen oogsten niet dezelfde waardering van de dorpelingen als Koos Nek zelf ooit deed. Het zal niet lang meer duren of zijn nalatenschap zal tot stof vergaan.

    Deze ’tweede dood’ van Koos Nek wordt gesymboliseerd door zijn dramatisch verlopende herbegrafenis. De hebzucht van Attie Hardehand, de tweede zoon, had deze herbegrafenis nodig gemaakt. Hij wilde het vruchtbare land waarop het grote graf van zijn ouders gelegen was weer gaan gebruiken als landbouwgrond. Dit was onderdeel van zijn persoonlijke wens om de eenheid van de Perdepoort weer te herstellen. Hij vond dat de Perdepoort na het overlijden van zijn vader en na zijn vermaledijde testament versnipperd was geraakt. Daar was volgens Attie elke zoon wel zo’n beetje mede debet aan, nou ja, behalve hijzelf dan.

    Naast Attie was Jan, de oudste, nog het meest begaan met het wel en wee van de boerderij. Maar Jan was te onbezonnen, filosofisch en gevoelig. En hij maakte te veel schulden. Nee, Attie was financieel handiger. Die liet altijd anderen voor kosten opdraaien. De andere broers waren steevast dronken en gulzig (Kobus) of domweg aartslui (Klaas). En dan had je nog de jongste Chris, de wellustige predikant in opleiding, die bijna altijd weg was en als hij wel op de boerderij was vooral de vijftienjarige dochter van zijn broer Attie achterna zat. Kortom, geen familie die de nalatenschap van Koos Nek zou doen opbloeien. En een familie die ook duidelijk maakt dat de geschiedenis mensen vooral waardeert om wat er op hen volgt en niet om wat er aan hen was voorafgegaan: ‘Aan hun vruchten zullen ze gekend worden, niet aan hun wortels.’

    Louw schetst de teloorgang van de Lotriets tegen de achtergrond van een Zuid-Afrika dat zijn weg na het afschaffen van de apartheid nog moet vinden. Het onderscheid tussen blank en bruin is overal en altijd aanwezig. Zelfs in de omgang met de dood, omdat op de dag van de herbegrafenis van de Lotriets ook een Filies begraven zal worden, de zoon van de bediende van Kobus. Alhoewel beide begrafenissen totaal anders zijn, is er ook een parallel. Ze kunnen beiden pas hun beslag krijgen na het nodige gebedel. Bij de Lotriets gaat dat om de kosten voor de nieuwe steen, bij de dorpelingen om planken voor de kist van Filies. En er zijn meer verbanden, aangezien gaandeweg duidelijk wordt dat Filies ook blank bloed door zijn aderen had stromen.

    Wat jammer is, is dat de context van het zoekende Zuid-Afrika van na de apartheid in Kroniek van Perdepoort nooit het niveau van decor ontstijgt. De gekleurde dorpelingen komen nooit echt tot leven en er ontwikkelt zich om hen heen geen rijpe, eigenstandige verhaallijn. En dat is jammer. Want daarmee blijft de relatie tussen de blanke en gekleurde Zuid-Afrikaners in Louws roman wat eendimensionaal. Maar wel een onomwonden gespannen relatie. Haar beschrijvingen op dit punt laten altijd een ongemakkelijk gevoel achter. Zoals wanneer Kobus zijn bediende een ‘oude bosnegerin’ noemt. Of als Attie Hardehand als hij weer eens een verzoek van een dorpeling wil afwijzen zegt dat een mens af en toe wel eens een grapje met een bruintje wilde maken, omdat dat de goede gezindheid bevorderde.

    Wat niet wegneemt dat er prachtige passages en zinnen in de Kroniek van Perdepoort staan, die je als lezer de nodige gelukzalige momenten brengen: ‘Kobus zat adem te halen; en probeerde de gedachten te verjagen die wilden neerstrijken: zacht, zoals steekvliegen, je had het pas in de gaten als het pijn deed.’ Literaire schoonheid van grote kwaliteit, die echter schade wordt berokkend doordat Louw vrijwel dezelfde metafoor later herhaalt: ‘Herinneringen die als blinde insecten neerdaalden; je had ze pas in de gaten wanneer ze venijnig staken.’ Dergelijke herhaling maken dat de Kroniek van Perdepoort soms wat gemaakt overkomt. De voortdurende verwijzingen naar de Christelijke hoofdzonden maakt dat er niet beter op. Het is allemaal een beetje veel van het goede en leidt ertoe dat de spanning in het verhaal zoek raakt. En dat is jammer.

     

  • ‘De natuur is geen krans madeliefjes’

    ‘De natuur is geen krans madeliefjes’

    Zoals de klimop zich om een boom windt, zo trekken de zinnen in Clair-Obscur (originele titel: An Arrangement of Light) de lezer het verhaal binnen. Nicole Krauss, onder andere bekend van de psychologische roman Het grote huis (Great House) brengt met Clair-Obscur een kort, maar prachtig werkje. Net als in haar vorige werken speelt de schrijfster ook in dit werk met de identiteit van haar personages. De kunstige manier van schrijven en gebruikte verteltechniek maken deze personages geheimzinnig en de sfeer gespannen. Clair-Obscur is een klein boekje met grote nadruk op detail.

    De verteller in Clair-Obscur wordt niet bij naam genoemd. Zijn werkgever evenmin. Deze laatste is ‘de grootste landschapsarchitect van ons land’ en is in staat de mooiste dingen te creëren, zolang hij zijn eigen gang kan gaan. Dat is ingewikkeld, want het zijn moeilijke tijden in het land zonder naam. De landschapsarchitect, de natuur, het land waarin de hoofdpersonages leven, ze hebben één ding gemeen: ze kennen allen een duistere kant die eens tot uitbarsting komt. Deze wordt subtiel besproken, hier en daar uitgelicht en benadrukt door middel van mooie, knap geformuleerde zinnen. Vrijwel iedere zin kent een dubbelzinnigheid, die pas tot uiting komt bij tweede of derde lezing van Clair-Obscur. Wanneer de landschapsarchitect praat over de natuur, lijkt hij deze te vergelijken met zijn land: ‘Ze is agressief en verbazend dodelijk. De zwakken worden gedood, eerst gemarteld en daarna om het leven gebracht, en de sterken worden gevoed door bederf en verrotting.’  Zo wordt de ogenschijnlijk vredige natuur een metafoor voor de wereld waarvan de twee hoofdpersonages zich proberen af te sluiten.

    In eerste instantie lijkt alles mooi. De verteller schildert zijn land, zijn werkgever en de natuur af als de mooiste dingen in de wereld. De lezer weet niet meer dan datgene wat de verteller mee wil delen. Tijd, plaats, namen, ze zijn onbekend. Krauss zei ooit in een interview dat ze in haar verhalen vooral belang hecht aan beelden. Ook in Clair-Obscur zijn het de beelden die een indruk op de lezer achterlaten. Beelden vol poëzie die de harde realiteit verbergen. Bij een eerste lezing is het vooral de beschrijving van de weelderige natuur als een oase van rust en vrede die bijblijft. Maar, bij een volgende lezing vallen de uitbarstingen van de landschapsarchitect op, de verwijzingen naar de wrede werkelijkheid en blijkt ook: ‘De natuur is geen krans madeliefjes’.

    Als de nerven in een blad laat Krauss beeldspraak door het verhaal vloeien om uiteindelijk te ontspringen in een waaier van mogelijkheden. Het open eind is als een kers op de taart; een volmaakt slot voor Clair-Obscur, een verhaal waarbij de kracht ligt in die mix van vredige, lichte beelden en donkere, dubbelzinnige beschrijvingen.

     

  • Vreemde verhalen en buitenmaatschappelijke figuren

     

    Hari Kunzru (1969) ontving voor zijn eerste roman, De poseur, de prestigieuze John Llewellyn Rhys Prize. Ook Coyote werd door de buitenlandse pers met lof overladen.

    Kunzru behoort volgens insiders tot de ‘beste aanstormende Britse auteurs.’ Reden om dit boek, zijn vierde roman, maar eens onder de loep te nemen. Zijn vader was afkomstig uit Kashmir en zijn moeder uit Engeland.

    Kunzru vertelt het verhaal van Jaz, een wiskundespecialist, en zijn vrouw Lisa, die van Joodse afkomst is. Jaz werkt voor de beurs in New York op het moment dat the sky the limit is en allerlei vreemde figuren onzinnige doldwaze theorieën uitstorten over de hoofden van de onwetende, naïeve beleggers. Jaz en Lisa krijgen een zoontje, Raj, die autistisch blijkt te zijn.

    Kunzru laat ons allerminst achterover leunen. Hij weeft een tapijt aan vreemde verhalen waarin vooral buitenmaatschappelijke figuren de hoofdlaag vormen. Zo is er de geflipte Capaldi (er was in de jaren ’60 een echte Capaldi, van de groep Traffic), die plaatopnames maakt, maar tijdens de sessies wegloopt omdat hij gebrek aan inspiratie heeft. Hij gebruikt peyote, LSD, mescaline en doet aan groepsseks, maar vindt er al lang niets meer aan. We krijgen een kijkje in de keuken van de Ashtars, de zogenaamde afstammelingen van vliegende schotelwezens, die een commune hebben gesticht in de woestijn bij een plateau. Hun leider is verbrand toen hij een stalen kist onder stroom liet zetten om contact met de Ufo’s te leggen. Een nabijgelegen dorpje in de Californische woestijn voert een harde strijd om de commune weg te krijgen. Tevens circuleren er geruchten dat de communeleden nevenactiviteiten hebben in de prostitutie en de drugshandel.

    De verknipte beursgoeroe’s doen inmiddels Jaz de das om. Omdat hij kritische vraagtekens gaat zetten verliest hij z’n baan. Zijn vrouw Lisa drijft steeds meer af naar orthodox Joodse kringen, die de Kabbala lezen en zichzelf ook als een voorpost van een Nieuwe Wereldregering zien. En rond zoon Raj, die veel ernstiger autistisch blijkt te zijn dan iedereen dacht, is een wirwar van zorgverleners opgedoken, therapeuten en andere vreemde figuren, die Raj willen helpen.

    Het meesterlijke aan het boek is dat de doldrieste vreemde freaks uiteindelijk minder gek blijken te zijn dan we denken. Omgekeerd blijkt het establishment echt krankzinnig en ook nog eens gevaarlijk.

    Nadat Jaz is ontslagen bij zijn beursbedrijf besluit het echtpaar er met zoon Raj maar eens even uit te gaan. Ze moeten reizen van motel naar motel omdat Raj teveel huilt en de andere gasten wakker maakt. Uiteindelijk belanden ze in de woestijn vlakbij de commune van Ashtar, maar dat weet alleen de lezer.

    Lisa gaat een avond stappen en Jaz leert Capaldi kennen die in hetzelfde afgesleten motel logeert en op de vlucht is voor pers en fans. Plotseling is zoon Raj verdwenen. En er ontstaat een klopjacht op de eventuele ontvoerders. De geheimzinnige figuur Coyote, heeft zich in een grot verstopt onder de rotsen nabij de commune van Ashtar. Heeft hij wat met de ontvoering te maken? En er is de legende uit de 18e eeuw van een kind dat verdwijnt en na een maand half verlicht terugkeert. Allemaal in de buurt van de rotspartij in de woestijn, waar iedereen koortsachtig zoekt naar Raj. Het huwelijk staat op scherp, de echtelieden verwijten elkaar van alles en de politie tast in het duister en neemt de arme Capaldi maar mee omdat ze een verdachte willen. Hij heeft met de zaak niets te maken. En we krijgen ook nog te maken met de praktijken van een Franciscaner ontdekkingsreiziger, die al in de 18e eeuw de geheimen van het stukje woestijngrond zou hebben opgelost.

    Wanneer Raj plotseling weer opduikt zijn de rapen pas goed gaar. Wat is er met hem gebeurd? Wie heeft hem ontvoerd?

    De lezer blijft in vertwijfeling achter? Of ook weer niet? Kunzru vraagt of diezelfde lezer als een echte Sherlock Holmes met hem mee wil denken en dat maakt dit boek tot een meesterlijk – maar niet eenvoudige-  leeservaring.

     

  • Op weg naar het onbekende

    Op weg naar het onbekende

    Recensie door Laura Schans

    De Zuid-Afrikaanse auteur Damon Galgut (1963) met een aardige staat van dienst (hij wordt vergeleken met Coetzee en regelmatig genomineerd voor literaire prijzen). In een vreemde kamer wordt bevolkt door corrupte douanebeambten en menselijk contact is in al zijn vormen gedoemd te mislukken. Afstand en eenzaamheid voeren de boventoon.
    De verteller, de Zuid-Afrikaan Damon (het lijkt aannemelijk dat het de schrijver is) doet niet echt zijn best om er het beste van te maken. Hij blikt terug op een drietal reizen dat hij eerder maakte, en doet af en toe een poging te doorgronden waarom de dingen zijn gelopen zoals ze zijn gelopen. Vanaf de eerste pagina is de mislukking van elke menselijke relatie al voelbaar. ‘Hij is intens gelukkig, iets wat mogelijk voor hem is als hij loopt en alleen is’.

    De eerste grote reis maakt Damon met Reiner, een Duitser van zijn eigen leeftijd, die hij tijdens een eerdere wandeling heeft ontmoet. De mannen besluiten een trektocht te maken met het doel zo veel mogelijk te lopen en zo weinig mogelijk mensen te ontmoeten. Reiner blijkt hier ontzettend vasthoudend in te zijn. Met Reiner lijkt het sowieso alsof alles een strijd om macht en het laatste woord is. De verhouding knapt, Damon keert alleen terug.
    Tijdens een volgende reis, een tocht door verschillende landen van Afrika, sluit Damon zich aan bij een groepje Europese reizigers dat hij ergens in een hotel tegen het lijf loopt. Hierbij bevindt zich de Zwitserse Jerome, met wie Damon een vreemd spel van aantrekking en afweer beleeft. Geen van beiden durft rond voor zijn verlangens uit te komen, er worden slechts een paar minieme pogingen gedaan. Damon zoekt Jerome later zelfs nog op bij zijn familie in Zwitserland, maar nooit wordt de afstand tussen hen werkelijk doorbroken. Ook deze verhouding mislukt.
    Tenslotte, in het derde deel van In een vreemde kamer, onderneemt Damon een reis naar India samen met de manisch-depressieve Anna, een reis die de bedoeling heeft ‘haar goed te doen’. Goh, hoe zou dat toch aflopen? Galgut lijkt zich niet erg te bekommeren om de voorspelbaarheid van zijn verhaallijnen.

    Wanneer er wordt nagedacht over het doel van de tweede reis, die aanvangt in Zimbabwe, gaat dat zo: ‘Wat hij er zoekt, weet hij zelf niet. Na zo’n lange tussentijd zijn zijn gedachten nu voor mij verloren geraakt en toch kan ik hem beter duiden dan mijn huidige ik, hij zit onder mijn huid begraven’. In de manier van terugkijken blijkt al de afstand, de vervreemding die het hele boek kenmerkt. Het gebruik van ‘hij’ en ‘ik’ in dezelfde passage om naar dezelfde persoon, de verteller in heden en verleden, te verwijzen, is een techniek waar Galgut zich in het hele boek van bedient. De vervreemding en afstand die zijn ontstaan door het verlopen van de tijd worden erdoor weergegeven.

    Een andere techniek die de schrijver graag gebruikt is het weglaten van handige interpunctie. In de hele roman zijn geen aanhalingstekens te bekennen, en ook vraagtekens ontbreken. Het vreemde effect van dit geëxperimenteer blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage: ‘Dan gaat hij in de zon zitten, luistert, leest. In een vreemde kamer moet je je legen voor het slapengaan. En voordat je leeg bent, wat ben je dan. En als je leeg bent voor de slaap, dan ben je niet. En als je vol bent met slaap, dan ben je nooit geweest. Deze woorden komen van heel ver op hem af.’ De situatie, gesprekken, gedachten, alles loopt zonder duidelijke grenzen in elkaar over. Het effect is dat de situatie die wordt beschreven vlak, verstild en kleurloos wordt, zoals in een herinnering die niet veel meer voor je betekent.

    Galgut kijkt als verteller terug op zijn reizen, de ontmoetingen en zijn herinneringen daaraan. Hij beleeft een afstand tot zijn vroegere ik, een afstand die de reiziger ook voelt bij ontmoetingen met mensen. Hij kijkt met bevreemding naar de mogelijkheden tot intimiteit die er zijn geweest en die niemand wist uit te buiten.
    De halve beloftes en vage doelen, lijken telkens vanaf het begin al gedoemd op niets uit de draaien of de situatie zelfs erger te maken. En, warempel: alle gestelde doelen en mogelijkheden worden niet gehaald, omdat men vertrekt of sterft of niet zegt wat hij zou moeten zeggen. Galgut houdt niet van verrassingen. Hij zoekt in zijn beschrijvingen slechts bevestiging van het pessimistische levensgevoel dat al vanaf de eerste pagina uitgeademd wordt.

    Toch is juist deze volledigheid van thematiek en schrijfstijl de kracht van In een vreemde kamer. ‘De wereld waar je doorheen trekt vloeit over in een andere, inwendige wereld, niets blijft nog langer opgedeeld, het een staat voor het ander, weersgesteldheid voor stemming, landschap voor gevoel, voor ieder voorwerp is er een corresponderend innerlijk gebaar, alles verandert in beeldspraak. De grens is een lijn op een kaart, maar wordt ook ergens in hemzelf getrokken.’ De stemming wordt verweven met de natuur, met de gebeurtenissen, met de ontmoetingen, en wordt opgetekend op een manier die dit alleen maar versterkt. Het is aan alle kanten onmogelijk om te ontsnappen aan het wereldbeeld van de roman. Wat kun je dan anders doen dan reizen? Op weg gaan naar het onbekende, met een diep van binnen weggestopt miniem sprankje hoop dat je uiteindelijk een klein beetje liefde zult vinden?
    In Galgut’s wereld zul je dat, evenals zijn alter ego Damon, stiekem blijven proberen, ondanks de wetenschap dat achter de volgende berg of over de volgende rivier toch de mislukking weer lonkt. Maar gelukkig weet je ook dat je na de laatste bladzijde weer terugkeert naar je eigen werkelijkheid. Wat een opluchting.

     

     

  • Uiteenlopende reacties op een extreme situatie

    Uiteenlopende reacties op een extreme situatie

    Het boek begint fascinerend. De negenendertigjarige Keith Neudecker is net ontsnapt uit de Twin Towers en wankelt te midden van andere verdwaasden door Manhattan. Hij heeft glassplinters in zijn gezicht, zit onder het roet en lijkt nog het meest op een grijze robot. Aan het eind van het eerste hoofdstuk beseft hij waarheen hij op weg is. In het volgende hoofdstuk weet de lezer dat ook. Niet naar zijn eigen appartement dat in de gevarenzone ligt, maar terug naar Lilianne, met wie hij samen een kind heeft, de jongen Justin. Lilianne brengt hem naar het ziekenhuis. Daarna herstelt hij in haar huis.

    Klein en groot ongeluk geven elkaar in dit boek de hand: relationele onzekerheid speelt zich af tegen de achtergrond van de aanval op het hart van het westerse financiële centrum. De spanning wordt vergroot als Keith een aktetas opent die hij op de trappen van de Twin Towers in zijn handen kreeg gedrukt. De tas blijkt van ene Florence, die daar eveneens werkte en de ramp overleefde. Keith bezoekt haar enkele malen. Florence praat veel om de gebeurtenissen te verwerken. Keith gaat met haar naar bed en houdt dat voor Lilianne verborgen.

    Het gaat in dit boek over het omgaan met verscheurende situaties, de uiteenlopende reacties erop. Keith voelt zich vervreemd sinds hij niet meer werkt.
    ‘Hij begon zijn gedachten te richten op de dag, op de minuut. Dat kwam doordat hij hier was, alleen in de tijd, weg van de gebruikelijke prikkels, van de stroom uiteenlopende kantoorgesprekken. De dingen leken roerloos, ze leken scherper voor het oog, vreemd genoeg, op een manier die hij niet begreep.’

    Na zijn herstel wordt hij een maniakaal pokeraar.Lilianne gaat de onzekerheid over haar relatie met Keith uit de weg door haar aandacht te richten op een groep dementerenden die door het schrijven van verhalen de aftakeling proberen uit te stellen. Zoon Justin speelt met vriendjes een spel waarbij ze met verrekijkers de omgeving afspeuren naar terroristen en niet geloven dat de torens al zijn ingestort.

    De drie delen dragen de namen van geheimzinnige personen, die in die delen ontrafeld worden, zoals de straatartiest David Janiak, die voor vallende man speelt en onverwacht in het straatbeeld opduikt. Elk deel wordt afgesloten met een hoofdstuk over Hammad, een van de terroristen die zich in Hamburg voorbereidt op de operatie. Deze hoofdstukken zijn nogal voorspelbaar en schematisch. Ook komen we een en ander te weten over Nina, de moeder van Lilianne, die zich heeft laten scheiden van haar man en bevriend is met Martin, een internationale kunsthandelaar die banden had met de Rote Armee Fraktion.

    DeLillo kruipt met gemak in het hoofd van zijn personen, maar het verhaal raakt nogal versnipperd omdat hij om de haverklap van Keith naar Lilianne heen en weer springt. Vaak is het aan het begin onduidelijk over wie het fragment gaat. Het wordt teveel een maniertje om steeds op dezelfde manier de lezer tegemoet te treden.
    De sfeer doet sterk denken aan de indringende documentaire over de brandweerlieden, die de torens ingingen. Het eind is niet echt bevredigend met mijmeringen van Lilianne over het wel of niet bestaan van God, maar misschien daarom juist indringend. Er blijft iets in de lucht hangen, dat je niet loslaat.