• Bloemlezing als zelfportret

    Bloemlezing als zelfportret

    Marga Minco (1920), een van onze meest succesvolle naoorlogse schrijfsters, heeft een kleine bloemlezing uit haar oeuvre samengesteld die onder de titel Na de sterren is verschenen bij Van Oorschot. Het is het derde deel in de mooi uitgevoerde serie ‘Gedundrukt door Van Oorschot’. Simon Carmiggelt en Annie M. G. Schmidt gingen haar voor. Opnieuw een auteur die niet tot het eigen fonds van deze uitgever behoort. Wat hebben deze uitverkorenen gemeen. Ongetwijfeld dat ze niet ‘exclusief’ zijn, niet voor de ‘happy few‘ schrijven, toegankelijk voor iedereen. Karel van het Reve heeft eens van Toergenjevs verhalen gezegd dat ze geschikt zijn voor zowel de lezers van Libelle als die van Tirade, en dat geldt ook voor deze auteurs. Verder hebben ze alle drie hun naam gevestigd in de jaren vijftig en hoorden ze niet bij een stroming of tijdschrift. Het zijn autonome grootheden. Een schrijver moet veel in zijn mars hebben om zo’n breed publiek aan te spreken.

    Verhalen en romans

    Na de sterren is als volgt samengesteld: eerst negen verhalen uit de periode 1940-1965, dan de roman Een leeg huis (1966), daarna dertien verhalen uit de periode 1968-2007 en tot slot het verhaal ‘Namen’ (1979). De eerste afdeling eindigt- en de laatste afdeling begint met een sprookje. ‘Namen’ is uit de chronologie losgemaakt. Het wordt bovendien als enige bijdrage voorafgegaan door een blanco pagina. Dat wijst op een doordachte compositie van de hele bundel. Wat valt daaruit op te maken. Het is de moeite waard daar stil bij te staan, want wie op hoge leeftijd een keuze uit eigen werk samenstelt, zegt toch eigenlijk zoveel als: ‘Dit ben ik’. De bloemlezing als zelfportret.

    ‘Namen’ gaat over de kindertijd. Dat Minco in een deels traditioneel Joods gezin in de provincie opgroeide, komt amper ter sprake. Wél dat ze als baby een kasplantje zou zijn geweest en dat ze tot afschuw van haar moeder bijna op 1 april was geboren en dat ze om haar naam, Sara, werd uitgejouwd. Ze ging zich Selma noemen, naar Selma Lagerlöff. Al voor de oorlog publiceert ze in de plaatselijke krant, onder pseudoniem. En dan komt de bezetting en daarmee de verklaring van de naam waaronder we Marga Minco kennen: ‘In de jaren van mijn onderduik was ik voor al mijn vrienden Marga en bij die naam heb ik het verder gehouden’.

    Met deze woorden eindigt niet alleen het verhaal maar tevens het hele boek en ook de lezer die niets van Marga Minco wist, begrijpt dat de verwijzingen naar bezetting en jodenvervolging niet zomaar een decor zijn, zoals de Tweede Wereldoorlog dat bijvoorbeeld voor W.F. Hermans kon zijn, maar een door de auteur aan den lijve ervaren werkelijkheid.

    Voer voor schriftgeleerden

    ‘Namen’ vertelt van kwetsbaarheid, de drang of noodzaak je schuil te houden en van een beginnend schrijverschap, en het verklaart de auteursnaam: geboren uit nood, een schrijversleven lang aangehouden. Ook uit de eerste afdeling, ’40-’65, blijkt die weloverwogen ordening. Minco zet daar het sprookje ‘Het lelijke knikkertje werd mooi’ (1940), aan het eind in plaats van aan het begin. Het is niet eerder in boekvorm verschenen en het is geen meesterstuk, oppervlakkig gezien een variatie op ‘Het lelijke jonge eendje’ van Andersen. Toch mocht het kennelijk in deze bundel niet ontbreken, en het moest kennelijk op deze plaats staan, dus net als ‘Namen’ niet op chronologische volgorde. Wat wil Marga Minco ons met de compositie van deze bundel, dit zelfportret, zeggen? Voer voor schriftgeleerden.

    In ruim de helft van de verhalen en ook in de roman spelen de gevolgen van antisemitisme, bezetting, vervolging, onderduik, deportatie en Jodenmoord een rol. Dat verbaast niet, want daarin heeft Minco haar onderwerp gevonden en daar is ze beroemd mee geworden. Haar debuut Het bittere kruid is alleen al in Nederland bijna een half miljoen keer gedrukt.

    Let wel, we lezen voornamelijk over de gevolgen voor de overlevenden, voor wie de wereld geschonden is en vaak onherbergzaam lijkt. Voor wie de doden juist door hun afwezigheid aanwezig zijn, en wier leven aanvoelt als een ‘leeg huis’. Misschien heet deze bundel ook daarom Na de sterren: na de bezetting, na de jodenster. De roman Een leeg huis is het middendeel van de bundel en vertelt van het ontregelde bestaan en zieleleven van twee overlevers van de onderduik. Het schuldgevoel jegens de gestorvenen. Het onvermogen het leven te hernemen. De moeizaamheid van relaties. De ene vrouw redt het niet, de andere ploetert voort. De roman eindigt heel terughoudend in majeur.

    Afwezigheid van oorlog

    Er zijn tien verhalen waarin de oorlog niet voorkomt. ‘Een voetbad’, laat een Roald Dahl-achtige humor en wreedheid zien. Het oergeestige ‘Vlinders vangen op Skyros’, waarin een schilder die te weinig meetelt in de bohème zijn status opkrikt met verzinsels die hij vervolgens tegen zijn zin, gedwongen is ten uitvoer te brengen. Het hartverscheurende ‘Iets anders’, over een huisvrouw die na een winkeldiefstal op het politiebureau ondervraagd wordt. Deze voorbeelden komen allemaal uit het gedeelte 1940-1965, waaruit blijkt dat Marga Minco, anders dan haar reputatie zou kunnen doen geloven, niet uitsluitend de schrijfster van de Jodenvervolging is en dat ook in de jaren vijftig al niet was.

    De verhalen uit deze periode zijn sterker dan de latere. Vergelijk bijvoorbeeld ‘Iets anders’ (1957), met ‘Om zeven uur’ (1974), dan maakt het latere verhaal een wijdlopige indruk. Beide keren gaat het over een middelbare vrouw in moeilijkheden, maar in het oudere verhaal is de vertelling veel strakker gecomponeerd en daardoor veel aangrijpender. Ook blinkt dat verhaal uit door de feilloze aandacht voor ogenschijnlijk triviale details om de ontregelde gemoedstoestand van de hoofdpersoon te kenschetsen, een wonder van suggestiviteit.

    Eén onderwerp is er in deze bundel dat vrijwel alle verhalen en ook de roman verenigt: de vrouw en haar eenzaamheid. Eenzaam in het huwelijk, eenzaam als vrijgezel. Met of zonder oorlogsleed. Soms op het radeloze af, meestal in de vorm van het besef, overdrachtelijke gesproken, een leeg huis te bewonen. Dit boek is een verademing, geen geschreeuw, veel wol. De verteltrant is helder, onopgesmukt, trefzeker. Zware stof wordt ingehouden verteld of slechts omzichtig aangeduid. Op haar best is Marga Minco een schrijfster ‘con sordino’. Dat geeft haar verhalen een grotere indringendheid dan trommels en trompetten.

     

     

  • Goed nieuws, slecht nieuws

    Goed nieuws, slecht nieuws

    Herinnert u zich de Salamanders? Een uitgestorven diersoort. Ooit kon je in elke boekwinkel terecht voor schrijvers en titels van vroeger, en vaak waren dat Salamanderpockets van Querido. Terwijl buiten de zomerjurken opwoeien en de regenwulpen overtrokken, ging je binnen fijn op zoek naar een Topper van Toen:  Marcellus Emants of Jan Mens, Daum of Menno ter Braak, Bordewijk of Willy Corsari, Vestdijk, Multatuli. Hoge en lage literatuur, ooit bestsellers, dan wel de minder bekende titels van schrijvers die ooit Groot waren.

    Contemporaine schrijvers vond je trouwens ook als Salamander, maar dan met de minder bekende titels: Mulisch met Drie verhalen, Doeschka Meising met Robinson. Het merendeel van de uitgaven was oorspronkelijk Nederlands. In 1996 was het gedaan met het sympathieke beestje.

    Waar kunnen we nog terecht voor de boeken van weleer? Enkele auteurs zijn gewoon nog verkrijgbaar (Elsschot, Nescio; wanneer is een auteur eigenlijk van vroeger?). Af en toe verschijnt met de nodige tamtam een ‘ontdekking’ (Ida Simons, Dola de Jong), de actie Nederland Leest van de Openbare Bibliotheken blaast eens per jaar een al of niet ten onrechte vergeten titel nieuw leven in (De grote zaal van Jacoba van de Velde). Maar een permanente beschikbaarheid van de boeken waarover je hoort op school en leest in de literatuurgeschiedenissen, om maar een simpel criterium te noemen voor de selectie, kennen we in Nederland niet.

    Nu het goede nieuws. Uitgeverij Aspekt is begonnen met een Klassieke Reeks. Daarin is als deel 1 verschenen De opstand van Guadalajara van J. Slauerhoff.

    Slauerhoff: de scheepsarts, de zwerver, de verdoemde dichter, bewonderd door grote namen als Ter Braak, Hermans en Nooteboom. De laatste heeft bij deze uitgave een nawoord verzorgd, waarin hij o.m. de historische achtergrond van het verhaal schetst.

    Waarom is juist voor deze kleine roman gekozen? Het gegeven is prachtig: een ontwortelde zwerver, gedroste zeeman, doorkruist als glaszetter het barre Mexicaanse platteland en wordt op een dag aangezien voor de Messias. Hij laat het zich welgevallen en valt ten prooi aan de hartstochten en de machinaties van de sloebers die van de komst van de Verlosser beter hopen te worden. Dat loopt niet goed af. Een vernietigende natuur, een achterlijke kerk, corrupte politici, revolutionairen met een dubbele agenda, heimwee naar een mythisch Mayaverleden – Slauerhoff kwam nooit verder dan de Mexicaanse havens maar hij wist zijn stof te kiezen.

    Aanvankelijk zou het boek ‘Christus in Guadalajara’ heten.

    In een nawoord bij de vijfde druk van De opstand… (1983) vertelt Kees Lekkerkerker, de bezorger van Slauerhoffs Verzameld Werk, hoe de schrijver aan zijn materiaal kwam. Slauerhoff putte voor zijn Mexico in de jaren ’20 met name uit een vervolgverhaal in De aarde en haar volken uit 1880 over Colombia. Eveneens ging hij te rade bij een ‘Mexicaanse revolutieroman’ die hij aan het vertalen was. Lekkerkerker merkt droog op: ‘geografische nauwkeurigheid mogen we van Slauerhoff allerminst verwachten’ en ‘Historische precisie streefde hij evenmin na’. Hij staaft zijn uitspraken met afdoende voorbeelden.

    We hebben hier dus te maken met de werkwijze van Karl May: een exotisch verhaal op basis van populaire lectuur, gangbare stereotypen en de dikke duim van de schrijver. Kan het resultaat iets anders zijn dan kitsch? Het veelvuldig gebruik van Spaanse woorden ter verhoging van de couleur locale maakt het er niet beter op (een verklarend woordenlijstje ontbreekt).

    Nooteboom op zijn beurt stelt dat Slauerhoff ‘een feilloos instinct (had) voor het tegelijkertijd archaïsche en anarchistische, corrupte en revolutionaire Mexico van de jaren twintig’. Zó feilloos was dit instinct, aldus Nooteboom, dat Slauerhoff ‘intuïtief het monsterverbond (heeft) aangevoeld dat zich na zijn dood in verschillende vormen zou herhalen (het Molotov-Ribbentrop-pact, mei ’68, toen de communisten weigerden de studenten te steunen (…).’

    De eerste druk van De opstand van Guadalajara verscheen nadat Slauerhoff was overleden, in 1937. Hij had er veel werk aan gehad maar, het hoge woord moet er nu maar uit, het was en blijft een mislukking. Toen hij het aanbood voor publicatie in Groot Nederland gaf Greshoff niet thuis, en terecht. De taal is lelijk, hakkelend, en niet doeltreffend. Dat laatste wreekt zich onder meer in het feit dat bij verwijzingen telkens opnieuw niet meteen duidelijk is naar wie wordt verwezen (‘Hij wist niet…’ Wie ís die ‘hij’? Even teruglezen. De priester of de hereboer? O nee, het is de glaszetter.)

    Deze vertelling lijkt niet meer dan een uiterst schetsmatige kladversie. Het verhaal bevat onvolkomenheden, Nooteboom wijst erop, en voor hem behoren ze tot ‘de aantrekkingskracht van zijn werk’ en hij wijt ze aan Slauerhoffs ‘notoire slordigheid’. Dat was inderdaad Slauerhoffs reputatie: ‘slordigheid van compositie’, waarmee hij overigens ‘bijzondere effecten’ teweegbracht, aldus Albert Helman in diens voorwoord bij het Verzameld Proza. Maar die reputatie leeft niet meer en de hedendaagse lezer ergert zich alleen maar aan het onverklaarbare gedrag van de bisschop van Guadalajara omdat niemand hem heeft verteld dat de arme man een beroerte heeft gehad, een verteltechnische stommiteit die Nooteboom grootmoedig onder de ‘bewonderenswaardige ongerijmdheden’ van het werk schaart.

    Had Slauerhoff het maar kunnen herschrijven, dan hadden we mogelijk werk gekregen van het kaliber van Het leven op aardeHet verboden rijk en Schuim en As.

    Want het centrale gegeven mag er zijn: het uitzichtloze bestaan van de verworpenen der aarde, een sprankje hoop, illusies, moedwil en misverstand, een volslagen deceptie. Van dit verhaal zou een prachtige film zijn te maken.

    De volgende delen in deze reeks zijn nog niet bekend. Laten we hopen dat het er vele zullen zijn en dat de reeks een commercieel succes wordt. Misschien dat een iets mooiere verzorging en wat minder drukfouten daaraan kunnen bijdragen. En op voor- en achterkant níet viermaal de naam van de schrijver van het nawoord tegen slechts tweemaal de naam van de auteur a.u.b.

     

     

    De opstand van Guadalajara

    Auteur: J. Slauerhoff
    Nawoord door: Cees Nooteboom
    Verschenen bij: Uitgeverij Aspekt
    Aantal pagina’s: 122
    Prijs: € 17,95

  • Het leven vliedt gelijk het vloot

    Het leven vliedt gelijk het vloot

    De laatste jaren heeft A.L. Snijders een reputatie opgebouwd als schrijver van wat hij zelf ‘Zeer Korte Verhalen’ (ZKV) noemt. Hij publiceert veel en treedt overal in het land op. Hij leest voor op de radio.

    Hoe kort is ‘zeer kort’? Korter dan Carmiggelt, nog korter zelfs dan Herman Pieter de Boer? In De libelleman, het hier te bespreken boek, staat een enkel stukje van twee bladzijden en af en toe eentje van amper een halve pagina. ‘Stukje’, want zoveel is wel duidelijk: het zijn geen verhalen. Een verhaal immers heeft een kop en een staart en een plot; er zit een touwtje om dat het geheel bijeen houdt en het biedt vaak een verrassing aan het eind. En dat alles kun je met geen mogelijkheid zeggen van Snijders ZKV’s, die zich in de meeste gevallen juist onderscheiden door het ontbreken van alle verhaaltechnische hulpmiddelen.

    Wat zijn het dan wel? ZKV’s zijn: waarnemingen, gedachtesprongen, overwegingen, citaten, herinneringen, wederwaardigheden. Lang geleden, toen de columnistenvloed ons nog niet had overspoeld, heetten dit soort stukjes cursiefjes.
    De libelleman is een staalkaart van wat er in het hoofd van de schrijver omgaat. Wát zich ook voordoet, het is kennelijk waard er even bij stil te staan. Niet om het te analyseren, maar domweg om het vast te leggen. ‘Alles heeft zijn verhaal’, zegt de schrijver.
    Of het nu gaat om zijn vele optredens, zijn ontmoetingen met onbekenden, zijn kleinkinderen, de dieren die hij houdt, watersport, literatuur, zijn levensloop, doe-het-zelven, autorijden, motoronderhoud, wonen in het oosten van het land, elk onderwerp zet hij in het licht van zijn scepsis, verbazing en onverstoorbaarheid. Nergens doet hij lollig, nooit is hij weemoedig en aan psychologiseren doet hij niet.

    Het Japanse begrip ‘Ukiyo-e’, een term die de vluchtigheid van het bestaan aanduidt en die in verband met de Japanse prentkunst wel wordt vertaald met ’taferelen van het vlietende leven’, valt een paar maal. Snijders ZKV’s zijn precies dát: registraties van waarnemingen, zowel van de uiterlijke als van de innerlijke wereld, zonder gemoraliseer op papier gezet.
    ‘Registraties’, maar wel altijd gekleurd door zijn persoonlijkheid – of door het enigszins laconieke personage dat hij al schrijvend van zichzelf maakt – en door zijn woordkeus, zijn eruditie en niet te vergeten zijn leeftijd, want deze ZKV’s zijn onmiskenbaar het werk van een man die een lang leven achter zich heeft, een man die doet denken aan die twee kerels in een beroemd ZKV van Nescio: ‘Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. “Het leven heeft me veel geleerd”, zegt de oude sok’. Snijders heeft iets van beiden.

    Een voorbeeld:

    Ik bezocht de bijeenkomst. Voor de pauze legde een knappe milieudeskundige uit hoe we er voorstaan en wat er moet gebeuren. Na de pauze zou ik mijn steentje bijdragen. Mij was gevraagd naar stukjes die over de huidige crisis gaan, maar na een wanhopige zoektocht bleek dat ik nooit over zulke dingen schrijf, ik ben niet bepaald een geëngageerde schrijver.
    Maar een kwartier voor mijn vertrek naar de protestbijeenkomst vond ik iets in mijn computer waar het woord graaien in voorkomt.

    FAZANT

    Ik hoor de fazant vaker dan dat ik hem zie. Zijn schreeuw bestaat uit scherven, glas in een omvallende kast. Er gaan verhalen over de fazant, het zou geen echte, wilde vogel meer zijn, hij zou gekweekt zijn, vetgemest en losgelaten. Hij zou zijn vluchtinstinct verloren hebben en een kermisprooi zijn voor heren als Rijkman Groenink, die na het graaien van de bonus de weerloze fazant in het vizier hebben. Ik weet niet of dat waar is, de fazant die ik vaak hoor en soms zie, is behoorlijk schuw.

    Ooit werd hem gevraagd of er een overkoepelend thema in zijn werk was. Nee, was zijn antwoord, ‘de verhalen (…) ontstaan in een baaierd van toeval en willekeur’. Later formuleert hij toch een thema: ‘Alles verandert, niets blijft op zijn plaats’ en hij verwijst naar Herakleitos. Wat die ermee te maken heeft moet de lezer overigens wel zelf bedenken (‘Panta rhei‘), want Snijders houdt niet van uitleggen. Zo noemt hij ergens ‘mystiek uit het Zoniënwoud’ zonder te vertellen dat dat op Ruusbroec slaat, laat staan dat hij uitlegt wat die veertiende-eeuwer in het stukje te zoeken heeft. Hij heeft kennelijk het leraarschap achter zich gelaten en hoeft niet steeds te worden begrepen. Dat past bij de ietwat ongenaakbare houding die hij af en toe ten toon spreidt.

    Hij was ooit leraar op een politieschool. Zou hij daar dat karakteristieke gebruik van de komma hebben opgepikt, toen hij zijn leerlingen bijbracht hoe ze een proces-verbaal konden schrijven? (‘Beperk je tot de feiten, jongens! Niet interpreteren!’) Heel vaak vinden we namelijk komma’s waar andere auteurs voegwoorden zouden gebruiken of een punt zouden zetten om een nieuwe zin te beginnen.

    Een citaat ter illustratie (een overpeinzing over vertrokken kampeerders): De rest van het jaar fiets ik ’s morgens langs met een verweesd gevoel, ik denk aan ze, ik weet niet waar ze wonen, ik ken hun particuliere eigenaardigheden niet, maar ik weet dat ze samen de ruggengraat van onze samenleving vormen, de onontbeerlijke middenklasse, ik vertrouw op ze, alles komt goed. Eén keer ‘maar’; verder staat alles nevengeschikt in een opsomming zonder rangorde. Het versterkt de indruk van een gedachtestroom: een oude heer mompelt wat voor zich uit. Daar is op zichzelf niets tegen.
    De samenstelling van het boek is vergelijkbaar: de volledige productie van 2013 en 2014 is chronologisch afgedrukt, alles is kennelijk even belangrijk.

    Is alles ook even geslaagd? Was een selectie niet beter geweest?
    In veel van deze stukjes beleven we de spanning tussen enerzijds het niet-buitengewone onderwerp en anderzijds de formulering die dat gegeven dient op te heffen tot een buitengewone leeservaring. Snijders slaagt vaak.
    Sommige stukjes bestaan uit niet meer dan een citaat plus bronvermelding, andere bestaan uit een inleiding op een citaat uit eigen werk. Soms is dat citaat weer een compleet ZKV, zoals dit bijzonder mooie en piepkleine, overigens a-typische, stukje: De oude kok (93) zit met betraande ogen aan de keukentafel. Hij huilt omdat hij beseft dat hij het woord “zwezerik” voor altijd vergeten is. Hij begrijpt dat je het gerecht niet meer kunt klaarmaken als je het woord vergeten bent.
    Eerst verdwijnt het woord, daarna het gerecht.
    Hier komen we in de buurt van de ZKV’s uit de zeventiende eeuw: de teksten van de emblemata.

    Al met al is dit een boek en een genre voor de liefhebber, de fijnproever, je kunt er kriegelig van worden, je kunt er door aangestoken worden je eigen gedachten te gaan observeren, het bevat stukjes die je kunt herkauwen alsof je een brevier leest, je kunt met komma’s gaan strooien, drie maal daags een ZKV lijkt de juiste dosis.

    De uitgave tenslotte is zeldzaam goed verzorgd: ingenaaid, mooi papier, elegant formaat, ‘ballongooijenrood’ als steunkleur. En het bevat ook nog eens plaatjes – die geen illustraties zijn maar misschien wel voorbeelden van de ‘outsider-kunst’ waar de schrijver van zegt te houden. Heel mooi is die op bladzijde 169: een foto van een stapel hoog opgetaste bakstenen in vele schakeringen groen en roze, een beeld waar Mondriaan rond 1913 nog naar op zoek was.

     

  • Goede wegwijzer

    Goede wegwijzer

    De meesten van ons weten weinig tot niets van Marcel Proust en zijn grote roman À la recherche du temps perdu. We hebben er wel van gehoord en kennen het verhaal over dat koekje dat de verteller in de thee doopt waarna een stroom van herinneringen op gang komt. Sommigen hebben voornamelijk een vóóroordeel: Proust was een geparfumeerde estheet die oeverloos kon zeuren in ellenlange zinnen.
    Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep is begonnen met de uitgave van een nieuwe vertaling. Deel 1, Swanns kant op, ligt in de winkel. Een zomer met Proust is een korte en degelijke introductie tot de geheimen, de genietingen en de moeilijkheden die Op zoek naar de verloren tijd te bieden heeft.

    Het is een klein boekje, zoals het een gids betaamt. Het wijst de weg maar gaat niet in de weg staan. Het is bijzonder rijk aan uitleg en achtergronden.
    Het bestaat uit acht delen, geschreven door acht verschillende auteurs. Elk deel (op één na) bestaat uit vijf hoofdstukjes. Die zijn allemaal op dezelfde manier opgebouwd: titel, een kort citaat van Proust, een gecursiveerde inleiding, de centrale tekst waarin het door de titel aangekondigde onderwerp wordt besproken en tot slot een substantiële passage uit de roman. De centrale tekst is telkens het langst en alle hoofdstukjes zijn bescheiden van omvang, steeds zo’n vijf of zes bladzijden.

    In eerste instantie ben je geneigd hoofdstukken netjes op volgorde te lezen. Maar in Een zomer met Proust is dat niet per se noodzakelijk. Je kunt ook ‘hinkelend’ door het boek gaan, elk hoofdstukje laat zich zelfs ook van achteren naar voren lezen, althans wat de laatste twee onderdelen betreft, dus eerst het lange fragment van Proust en daarna pas de beschouwing. Op die manier loop je als lezer wat minder aan de hand van de schoolmeester. En óók laat het zich bij stukjes en beetjes lezen als begeleidende tekst bij de roman, dus niet als voorafje maar terwijl je Proust zelf leest. De samensteller heet niet voor niets Compagnon.

    Waarom zou je een inleiding tot een roman lezen? Wat is er met Prousts romancyclus dat ons zou kunnen afschrikken of dat het lezen zou bemoeilijken? De samensteller zelf waarschuwt ons: ‘(…) slechts de helft van de kopers van Swanns kant op koopt het tweede deel, In de schaduw van de bloeiende meisjes, en slechts de helft van de kopers van In de schaduw van de bloeiende meisjes koopt De kant van Guermantes, het derde deel. Maar hierna haken lezers niet meer af: (de volgende vier delen) worden allemaal uitgelezen’.
    Hoe zou dat komen? Compagnon geeft drie verklaringen: de lange zinnen, de mondaine avondjes die uitentreuren worden beschreven én het feit dat mensen ‘bang zijn voor boeken die de lezer veranderen’. Elders in het boek wordt gewag gemaakt van rond de vijfhonderd personages. Drieduizend bladzijden. Vermelding in het Guinness Book of Records.
    Al met al zou deze poging om lezers te winnen dus gemakkelijk een averechts effect kunnen hebben, want als een boek zozeer een onneembare vesting lijkt, wordt een mens al gauw achterdochtig.

    Waar schrijven de inleiders over? Over de personages, Prousts wereld, de kunsten, Proust en de filosofen. Concrete onderwerpen. We krijgen veel interessants te horen. Ook lezen we over de liefde, het denkbeeldige en de tijd, veel abstractere onderwerpen dus.
    Uit alle bijdragen blijkt wel dat de tijd een centraal onderwerp is, zoals de titel van de roman al aangeeft. De tijd, dat wil zeggen: het verlangen en de herinnering; de werkelijke tijd en de beleefde tijd; de onverbiddelijke tijd en de tijd die als bij toeval wordt teruggevonden; de berusting en de opstand.
    We leren ingewikkelde begrippen kennen, zoals ‘het intermitterende hart’, ‘de essentie van de temporaliteit’, ‘het pluriforme ik’ en ‘het onwillekeurige geheugen’ (daar heeft dat koekje bij de thee mee te maken, wie heeft nìet slechts de klok horen luiden; op bladzijde 117 vindt u de ware toedracht).

    De beschouwingen zijn doorwrocht en niet steeds gemakkelijk te volgen. De schrijvers zijn liefhebbers, kenners én geleerden. Mogelijk zijn ze trots op het feit dat zij behoren tot degenen die het boek de baas zijn geworden? Bestaat er een Proust-elite? In Frankrijk denkelijk wel.
    Hoe het ook zij, hun inleiding tot deze twintigste-eeuwse klassieker geeft stof tot nadenken én maakt nieuwsgierig.

    Wat heeft Proust bewogen tot het construeren van deze ‘kathedraal’, zoals hijzelf het boek karakteriseerde? Ook daarover komen we veel te weten. De kiem lag in een gesprek met zijn moeder en bijna was het een filosofisch betoog geworden, in reactie op zijn lectuur van Bergson, de filosoof die veel over de tijd heeft geschreven. Onvoorstelbaar: Prousts roman was bedoeld als vehikel voor ideeën!

    Dat was trouwens een verrassing: Proust was veel méér dan een decadente dandy, hij was een erudiet en een denker. Hij bewonderde en vertaalde Ruskin, hij bestudeerde de filosofie en de sociologie van zijn tijd en was bijzonder goed thuis in de beeldende kunst.

    Op zoek naar de verloren tijd is geen vakantieboek. Een maximum aan introspectie en zinnen waarin je gemakkelijk halverwege verdwaalt: een hedendaagse lezer zal zijn ‘leeshouding’ moeten aanpassen, gewend als hij is aan snelheid en oppervlakte. Waarschijnlijk heeft Een zomer met Proust op dit ene punt dus ongelijk: Op zoek naar de verloren tijd is geen boek voor één zomer. Het lijkt eerder een boek voor een heel leven. Een boek om je langdurig en ‘intermitterend’ mee af te zonderen. Misschien moeten meer mensen er toch eens aan beginnen.


    Een zomer met Proust

    Auteur: Antoine Compagnon e.a.
    Vertaald door: Maartje de Kort
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 216
    Prijs: € 15,00