• Jo Otten – Kritisch en verhalend proza – Verzameld werk deel 2

    Gesignaleerd door de redactie

    De Rotterdamse auteur Jo Otten (1901-1940) heeft tijdens zijn leven verschillende genres beoefend (verhalen, essays en kritieken) waarin hij zijn pessimistische kijk op een modernistische wijze vorm gaf. Otten gebruikte intuïtie, droom en verbeelding in zijn werk om zich staande te kunnen houden in een wereld die aan wetten en conventies onderworpen was. Als mens protesteerde Otten tegen een samenleving waarin men elkaars ideeën en opvattingen deelde. Zo’n wereld van eensgezindheid en gebrek aan spanning was in zijn optiek er een van een dodelijke saaiheid. En in een starre wereld van gelijkvormigheid weigerde hij te leven.

    In Ottens verhalend proza hangt de angst als een waas over het onzekere bestaan van zijn verhaalfiguren. Angst bepaalt het grondthema van zijn diverse verhalen en daarmee feitelijk het spectrum van Ottens onrust. Maar hoe tegenstrijdig het mag liijken, angst ervoer hij tevens als troost, als een ‘dierbare vijandin’, die sturing gaf aan zijn leven. In dit verzameld werk deel 2 treedt de authenticiteit en eigenheid van Otten sterk naar voren.

    Victor E. van Vriesland (1892-1974) benoemde het aldus: ‘De angst is voor deze auteur een ongeneeslijke, wurgende ziekte en tegelijk een soort huisdier waar hij niet meer buiten kan.’

    Dit verzameld werk werd bezorgd en ingeleid door Rob Groenewegen die ook de biografie Te leven op duizend plaatsen van Jo Otten publiceerde.

     

    Jo Otten, Kritisch en verhalend proza
    Verzameld werk deel 2

    Blz.: 248
    Prijs: 18,50
    Uitgeverij In de Knipscheer

     

  • Vijf eeuwen politieke inspiratie

    Vijf eeuwen politieke inspiratie

     Het afgelopen jaar was in Nederland politiek ongekend woelig. Het kabinet viel, politieke carrières braken en bloeiden op en meerdere politieke partijen lagen in- of extern onder vuur. De leugen – of het ontmaskeren ervan – speelde een geheel nieuwe hoofdrol tijdens of na de verkiezingen en een nieuw kabinet kwam in een ongekend tempo tot stand. Zonder rol voor de vorstin ditmaal. En juist in dit politiek enerverende jaar zijn twee vertalingen van Niccolò Machiavelli’s (1469-1527) meest bekende werk, De Vorst, bijna vijf eeuwen oud, opnieuw uitgebracht. Eerst de vertaling van Jo Otten uit 1940 (voor het eerst met complete inleiding), daarna die van Paul van Heck uit 2006 (opnieuw bewerkt en geactualiseerd). Bovendien kwam in dit jaar de Nederlandse vertaling uit van Machiavelli’s biografie van Miles J. Unger (Ambo). Is het toeval dat al deze boeken juist nu uitkwamen of is het een teken van de blijvende waarde van Machiavelli’s adviezen als politiek kompas?

    Zowel Otten als van Heck leiden hun vertaling uitgebreid in, waarbij een duidelijk verschil in visie naar voren komt. Voor Otten is Machiavelli ‘sleutel van onze tijd’ en verklaart zijn oeuvre zowel de verdeeldheid van Europa als de gewenste koers voor de toekomst. Voor Van Heck is Machiavelli vooral een Italiaans denker uit de Renaissance, die in zijn eigen context begrepen moet worden, en voor het heden wel inspiratie maar geen verklaring biedt.

    Otten gebruikt zijn inleiding om kritiek te leveren op de politiek van zijn dagen, die van Europa een verdeeld continent had gemaakt. Deze visie leverde echter ook direct problemen op. Toen De vorst na de dood van Otten in 1940 werd gepubliceerd vond men een al te grote nadruk op het verdeelde Europa onwenselijk (Nederland viel inmiddels onder Duits regime). Het eerste hoofdstuk van Otten’s inleiding, waarin de verdeeldheid van Europa centraal stond, werd geschrapt. Pas nu, ruim zeventig jaar later, verschijnt dit hoofdstuk voor de eerste maal in druk. De boodschap die in dit hoofdstuk centraal staat is dat het leven een strijd is. ‘De hele beschaving is een strijd tegen agressie’. Na een korte periode van hoop in het interbellum bleek Europa verdeelder dan ooit, waarbij Machiavelli’s naam meer en meer werd gebruikt als legitimatie voor politiek handelen. Het aan Machiavelli toegeschreven (maar nooit door hemzelf gehanteerde) maxime dat het doel de middelen heiligt had volgens Otten in de internationale politiek meer en meer gelding gekregen.

    Een citaat in Otten’s inleiding onderstreept de relevantie van Machiavelli voor de twintigste eeuw: ‘Ik stel vast dat de leer van Machiavelli, na meer dan vier eeuwen, vitaler dan ooit is, omdat, hoewel de uiterlijke verschijningsvormen van ons leven zeer zijn gewijzigd, zich geen diepgaande veranderingen in de geest der individuen en volken hebben voltrokken’. Deze woorden zijn echter niet van Otten, maar van Mussolini, uit zijn Preludio al Machiavelli (1924). Een wrang bewijs dat twintigste eeuwse politici, in ieder geval Mussolini, Machiavelli als ‘eigentijdse’ adviseur waardeerden. Het verklaart mede  waarom Otten Machiavelli ‘sleutel van zijn tijd’ vond. Omdat het handelen van politici, bewust of onbewust, was geworteld in Machiavelli’s politieke lessen.

    Van Heck hanteert een ander vertrekpunt. Zijn inleiding is minder gericht op de relevantie van De vorst voor het heden. Sterker nog, hij verzet zich tegen het uit de context halen van Machiavelli’s politieke stellingname en het zo maar verbinden ervan aan een andere tijd. Hij licht dat zelf in een gesprek als volgt toe: ‘Werkelijk begrip van een denker of schrijver kun je m.i. alleen verwerven als je diens werk en ideeën beziet in de de context waarin zij tot stand kwamen en waarop zij een reactie vormden. Er is niet zoiets als een ‘absolute’ Machiavelli, een context-onafhankelijke Machiavelli. Er bestaat alleen een Machiavelli die leefde van 1469 tot 1527, in Florence, in een tijd dat het Italiaanse schiereiland werd overspoeld door buitenlandse legers, enzovoort. Die omstandigheden hebben Machiavelli’s identiteit als schrijver en denker bepaald, en dienen dus in elk betoog over Machiavelli verdisconteerd te worden.’ Het zijn ook die omstandigheden die kunnen verklaren waarom het voor Machiavelli zo belangrijk was te vertrouwen op de kracht van de eigen wil, non dependere da nessuno. Hij heeft dit zijn hele leven nagestreefd, om overeind te blijven in een tijd waarin er steeds andere machthebbers waren en zijn eigen fortuin als gevolg daarvan hoge pieken, maar ook diepe dalen kende. In die context een eigen onafhankelijkheid behouden, dat was Machiavelli’s belangrijkste doel. Zowel voor zichzelf als voor Italië, zo blijkt uit het laatste hoofdstuk van De vorst. Dat is volgens van Heck misschien wel belangrijkste les uit zijn werken.

    Ook in een interview in Trouw (31 oktober 2012) benadrukt van Heck de betrekkelijkheid van Machiavelli voor het heden: ‘Wat ik zijn belangrijkste les vind, is dat beleid altijd gericht moet zijn op de context. Bepaalde situaties vroegen om bepaalde oplossingen en bepaalde leiders. Adviezen voor de ene situatie kun je niet zomaar extrapoleren naar een andere situatie. En met dromen over een ideale wereld schiet je al helemaal niets op.’
    Wat overigens niet wegneemt dat Van Heck vindt dat Machiavelli, net als andere grote denkers uit het verleden, voor het heden relevant kunnen zijn. Zolang we ons maar bewust blijven dat onze context niet die van Machiavelli is.

    Hoe dan ook, of we De vorst lezen als historisch waardevol pamflet dat ons helpt het Italië van de Renaissance te begrijpen, of als sleutel van onze eigen tijd, het blijft een intrigerend politiek kleinood, dat met plezier gelezen wordt. Want wie wil nu niet lezen waarom mensen gewaardeerd worden, of leiders wel of niet mogen liegen en of een gehaat leider beter zal leiden of niet. De context waarin de lessen geschreven zijn moge bepalend zijn voor de boodschap ervan, dat doet niets af aan de tijdloze inspiratie die je eraan kunt ontlenen, ten goede of kwade.

    Het zal toeval zijn dat de publicatie van twee nieuwe Nederlandse uitgaven van De vorst in 2012 gepaard gaan met politiek woelige baren. Als Machiavelli’s lessen echt dagelijkse kost zijn voor Nederlandse politici dan had Diederik Samsom zijn politieke opponent Mark Rutte waarschijnlijk niet met een ‘Nu doet u het weer’ tot de orde geroepen, maar met een ‘Het doel heiligt niet alle middelen, meneer Rutte’. Maar dat Machiavelli en zijn De vorst na bijna vijf eeuwen nog steeds relevant en stimulerend zijn wordt door de twee nieuwe uitgaven meer dan onderstreept.

     

  • Extaze nr. 1 – droom op ander leven

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    In oktober 2010 legden Cor Gout en Els Kort (redactie) de basis voor het literaire tijdschrift Extaze vanuit de behoefte de literaire kring van Den Haag weer op de kaart te zetten. Maar ook Nederlandstalige schrijvers buiten Den Haag publiceren in Extaze, wat in deze tweede editie een mooie melange oplevert. Hiervoor ons ligt de nr. 1 editie en onlangs kwam in januari Extaze nr. 2 uit.

    Aan Extaze nr. 1 werkten twintig auteurs mee waarvan er acht in Den Haag woonachtig zijn of anderszins met deze stad verbonden zijn. En Couperus komt erin voor, opgevoerd door de Haagse schrijfster Christien Kok die het verhaal Rondleiding schreef. Vertelster en bedenker van de literaire rondleiding – de Couperusronde – heeft deze georganiseerd om de zoon van haar overleden vriend een zinniger bestaan te bieden. Maar dat pakt anders uit. Nadat ze een gezelschap bij elkaar heeft gekregen waarmee die zoon zijn eerste rondleiding kan houden, belt hij af. Er zit voor haar niets anders op dan het zelf te doen, daarbij ontdekt ze hoe gruwelijk vervelend zo’n rondje literatuur door Den Haag kan uitvallen. Vier heren en acht dames wachten haar op. Niets van wat ze tijdens de ronde over Couperus en zijn werk vertelt is aan deze groep besteed. Wanneer ze vraagt wie er Eline Vere heeft gelezen wordt er plotseling  geklaagd over moeilijk ter been zijn. Dan laat Kok het verkeer van de Laan Copes van Cattenburch ‘spottend ruisen’. (Prachtig, dat is nog eens een ‘dijk’ van een Haagse laan om in een verhaal op te nemen.) Een deel van het gezelschap drijft de spot met de hysterische personages die in de verhalen van Couperus voorkomen. Dan loopt het uit de hand. Een deelnemer uit luid zijn ergernis waarop drie vrouwen hem beginnen uit te schelden. De gids heeft geen enkele invloed meer op de groep en gaat er als een haas vandoor, terwijl de man hysterisch om zich heen maaiend, op de grond eindigt. Een schijnbaar luchtig verhaal waarin de Haagse sfeer verleidelijk werkt.
    Verder verhalen van Ronnie Krepel, Jan Paul Bresser, Ezra de Haan, Nina Roos, Anneloes Timmerije, Murat Tuncel en Jaap Harten, die in een ver verleden ooit de ogenschijnlijk onbereikbare dichter A. Roland Holst bij een banketbakker te Amsterdam de volgende vier woorden hoorde uitspreken: ‘Twee ons marsepeinen aardappeltjes’. Alsof hij God zelf hoorde.

    Serieuzere bijdragen zijn er van Leo Samama (componist en musicoloog). De opgenomen (verkorte versie van de) lezing Het belang van kunst en cultuur en waarom deze ondersteund moeten worden werd eerder gehouden voor Home Academy in januari 2011. Een doorwrocht essay over hedendaags kunstbeleid gehouden tegen het licht van de achttiende eeuw. Samama maakt onderscheid tussen kunst en cultuur en toont aan waarom het ene (kunst) door het andere (cultuur) ondersteund dient te worden. Daarbij kunst definiërend als: ‘Kunst valt niet samen met cultuur, maar vormt er een onderdeel van, volgens velen een ‘hoger’, meer verheven onderdeel, met een publiek bereik dat selectiever wordt naarmate de verhevenheid ervan toeneemt.’ Sanama eindigt met te zeggen dat het hoog tijd is, ‘dat er in Nederland beleid ontwikkeld wordt waarin wordt vastgelegd wie er verantwoordelijk is voor het in stand houden van kunst, (…) Dat beleid moet op zijn minst het belang en de waarde van kunst en cultuur onderkennen en moet worden opgesteld door mensen die daartoe in staat zijn doordat ze verstand van zaken hebben.’

    Rob Groenewegen, auteur van de in september 2011 uitgekomen biografie over Jo Otten, Te leven op duizend plaatsen (waarvan hier een recensie) schreef een stuk over de onrust in het leven van deze Rotterdamse schrijver, getiteld: Altijd maar weer in beweging. Ook zijn er twee teksten van Jo Otten zelf opgenomen. Het eerste, Onmacht (onvoltooid, ca. 1934) is geschreven op de toon van een dominee die van de kansel preekt, een wanhopige preek. Gevolgd door Lianen. Een tijdsbeeld waarin Otten ook min of meer (zede)predikt tegen het tijdsbeeld (ca. 1936). Flink gedateerde teksten die interessant zijn voor wie de biografie kent.

    Tom Dommisse (filosoof) zet zijn essay: Het streven naar menselijke waardigheid, Een kleine thymotiek van Goethe’s Faust, die hij in het 0-nummer begon, in deze uitgave voort, een beschouwing van de twee meest recente toneeluitvoeringen van Goethe’s Faust in Nederland.
    Van Jaap Goedegebuure het essay Onteigend, ontheemd, ontaard over de personages in het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Marlene Niekerk. Karel de Vey Mestdagh schreef het essay It’s not cricket, Wat is cricket en wat is ‘not cricket’?

    De ondertitel van dit nummer – droom op ander leven – geeft een indruk van verlangen en komt uit het eerste van de hierin opgenomen Drie gedichten van Pieter Boskma. Een dichter die de pathetiek niet vreest, beschrijft in drie gedichten, waarin de taal steeds groffer wordt en de ‘daad’ steeds gruwelijker. Het eerst gedicht begint met: ‘Mocht men willen neuken, dan is dat aan te raden, mocht men willen sterven, doe dat dan nog niet vandaag.’  Waarna in het tweede gedicht de rauwheid van dezelfde zoektocht naar lijfelijke liefde zich uit in het drinken van ‘(…) het sobere wondvocht’. Om dan in het laatste gedicht, dat zich zo verdicht heeft dat het meer proza is dan een gedicht,  de liefdesdaad met de dood te vergelijken: ‘(…) een geraamte dat een dode komt bevredigen.’  Indrukwekkende gedichten waarin wanhoop en verzet, de dood en de liefde een verbond met elkaar sluiten.
    Een gedicht van Wim Brands, In memoriam Carlos Westerhout, is speciaal geschreven voor Carlos Westerhout (1945-2011) en voorgedragen tijdens Eenzame uitvaart nummer 131 te Amsterdam. Een man zonder vaste woon- of verblijfplaats en een postadres in Zaandam. Brands geeft in het gedicht een beeld van een man die bestaan heeft, maar zich nooit zichtbaar opstelde. In het gedicht plaatst hij hem in de stationsrestauratie van Den Haag waar hij zwijgend en rokend zijn tijd doorbrengt en laat hem lopen in de Passage. Het gedicht begint aldus: ‘Ik kende in Den Haag een man die elke avond in de stationsrestauratie zat;’ En de laatste regel: ‘Wie was je? Dit spookt door mijn hoofd: dat je post naar Zaandam ging. / Dat heet post apart.’

    Theo van der Wacht schreef een speels gedicht: Drieluikje op de schilder Adriaan Coorte, (Nederlands kunstschilder 17e eeuw). Al dichtend wordt fruit herschikt en ververst. Het schilderij zo levensecht dat: ‘ (…) een vlieg (…) dat ik subiet / aan doodslaan denk (…)’.
    Meer poëzie van Maaike Klaster, Jaap Harten en stadsdichter van Zuthpen Hans Mirck.

    Elke editie is geïllustreerd met werk van een beeldend kunstenaar. In dit nummer zijn dertien tekeningen (houtskool/inkt?) van de Friese kunstenaar Tjibbe Hooghiemstra opgenomen. In de in grijstinten uitgevoerde afbeeldingen, verbergt de kracht zich in het onzichtbare door de streperige en uitgeveegde beelden waaruit toch steeds een beeld naar voren komt, zoals bij de Rorschachtests die in de psychologie gebruikt worden. En het werkt, de illustratie past bij de tekst en als je goed kijkt, komt er een beeld naar voren.

    Extaze nr. 1 richt een kritische blik op de huidige tijd en kunst in het algemeen met een aantal  goed vertelde verhalen en veelzeggende poëzie. Maar de boventoon is er vooral een van: ‘Wij zullen doorgaan’; doorgaan met het maken van literatuur, ongeacht het beleid van de huidige regering; doorgaan om te laten zien wie je bent, doorgaan omdat je niet anders kan, doorgaan, maar nooit tegen beter weten in. Want de redactie van Extaze weet wat ze doet.

     

    Extaze

    Losse nummers € 15,00
    Jaarabonnement (4 nummers per kalenderjaar) € 60,00
    Voor de eerste volledige jaargang, te beginnen met nummer 1, geldt een kennismakingsabonnement van € 50,00.
    Uitgegeven bij: In de Knipscheer

     

  • Overal een buitenstaander

    Overal een buitenstaander

    Te leven op duizend plaatsen is een biografie met ambitie. Ruim 800 bladzijden lang doet Rob Groenewegen zijn best Jo Otten gestalte te verlenen en zijn waarde voor literair Nederland recht te doen. Ondanks degelijk onderzoek, leesbare tekst en royale context lukt hem dat niet echt. Niet de biografie is mislukt, maar het leven van Jo Otten.

    Jo Otten was een matig getalenteerde, stilistisch zwakke, vaak haastige schrijver. Hij was arrogant en egocentrisch, humorloos en bang. Hij maakte twee vrouwen diep ongelukkig en was het zelf ook. Veel biografisch materiaal ging verloren in de Tweede Wereldoorlog en weinig collega’s schreven over hem na zijn dood (met Constant van Wessem als uitzondering). Ondanks de grondigheid van de biograaf vertoont het levensverhaal van Otten dan ook grote gaten.

    Desondanks is Te leven op duizend plaatsen het lezen zeker waard. Bijvoorbeeld omdat Groenewegen alle moeite doet om de wereld van de schrijver tot leven te wekken. Hij geeft een beeld van Rotterdam in de eerste decennia van de twintigste eeuw, dat zich schoksgewijs ontwikkelde tot wereldhaven. Hij beschrijft het culturele leven: het was de tijd van de filmliga, de charleston en de grammofoonplatenfeestjes, de tijd ook van nieuwe zakelijkheid, vitalisme en futurisme. Groenewegen schetst de gecompliceerde veelvormigheid van de Nederlandse literatuur uit die tijd, met allerlei avant-gardebewegingen die over elkaar heen tuimelen. En hij doet een verdienstelijke poging de waardering van Otten en vele anderen voor het fascisme en andere autoritair-populistische stromingen te begrijpen in de context van hun tijd.

    De vraag is echter in hoeverre Otten een kind was van die tijd. Zijn hele leven lang was hij een buitenstaander, zowel binnen als buiten de republiek der letteren. En dat was tragisch. Want hij wilde zo graag en hij probeerde zoveel. Hij was de zoon van een geslaagde architect in Rotterdam, groeide op in herenhuizen met personeel en behoorde tot de plaatselijke elite. Maar Rotterdam had groeistuipen en was één grote bouwput, van de havens tot de arbeiderswijken. Veel oude glorie werd gesloopt. Bioscopen, danszalen en winkelstraten verdrongen chique wandelpromenades en concertzalen. Rotterdam verpauperde ook, door de grootscheepse import van berooide plattelanders die aan de slag konden in de uitdijende haven. Otten was een gevoelige en introverte jongen. Je krijgt de indruk dat hij bang was voor die massa, die herrie en die dynamiek. Hij droomde achter gesloten gordijnen weg in teksten vol 19e-eeuwse verfijning: Wilde, Gide, Baudelaire en andere ‘elitaire’ en ‘decadente’ schrijvers.

    Tussen Baudelaire en Bordewijk
    Otten wilde kunstenaar worden, en natuurlijk was zijn vader daartegen. Die stuurde hem naar de plaatselijke hogeschool (nog net geen universiteit), die juristen en bedrijfskundigen leverde aan de Rotterdamse industrie. Otten was geen geliefd corpslid, maar debuteerde wél in de Rotterdamsche Studenten Almanak, met teksten die meer met Baudelaire dan Bordewijk van doen hadden. En hij vulde zo’n beetje in zijn eentje het kwakkelende Rotterdamsch Studentenblad. Even leek het de goede kant op te gaan, toen Joris Ivens en Arthur Lehning zich in het studentenleven begaven en de Rotterdamsche Studenten Federatie werd opgericht, die de kloof tussen corpsleden en ‘anderen’ zou moeten overbruggen. Maar al snel verlieten ze de stad, om de wereld te veroveren: Ivens als filmmaker, Lehning als Bakoenin-archivaris en oprichter van internationaal avant-garde tijdschrift i10.

    Zijn leven lang bleef Otten zoeken naar geestverwanten en kringen waar hij bij kon horen, maar dat lukte zelden. Forum wees hem af, De Stem en Vrije Bladen publiceerden hem wel. Als bestuurder van de Filmliga mocht hij meedoen met de grote jongens als Ter Braak, Van Wessem en Ivens, maar hij maakte zich er onmogelijk. Otten trok op met Wagener, Stroman, Schuitema en andere Rotterdamse vertegenwoordigers van Nieuwe Zakelijkheid en socialisme, maar kon zich niet vinden in hun politieke program. Otten mocht bij uitgeverij Stols een prachtuitgave maken van liefdesbrieven van Keats, maar kreeg groot gedonder met illustrator John Buckland-Wright (nu was dat ook een onmogelijke man). Het is een constante in Ottens chaotische leven: hij kreeg gedoe, en werd afgewezen of trok zich terug.

    Literaire beulen
    Otten werd geen aanhanger van een van de vele avant-garde bewegingen, die probeerden het moderne leven te vangen in steeds weer nieuwe vormentalen; van abstract tot fotomontage, van sociaal-realistisch tot vitalistisch, van nieuw zakelijk tot expressionistisch, van reportage tot prozagedicht. Wie dat in een of andere vorm wél deden waren van Ostaijen, Marsman, Van den Bergh, Van Wessem en Bordewijk. Zelfs Nijhoff, met zijn Baudelarisme en klassieke literaire vormen, stond evident in contact met de tijdgeest. Otten zweefde er zo’n beetje tussendoor, met teksten die noch roman, noch verhaal waren, die zwenkten tussen de 19e en 20e eeuw, en tussen fictie en ego-document. Tot in de titels toe is die tweeslachtigheid te marken: Bed en wereld, Mobiliteit en revolutie, Muizen en demonen. Groenewegen betoogt dat Otten het slachtoffer werd van Ter Braak en Du Perron (de harde kern van het tijdschrift Forum), de literaire beulen van het interbellum: de ‘romantische’ Otten versus de cerebrale en rationalistische Forum-mannen. Maar de afwijzing en het gebrek aan succes lagen ook aan de kwaliteit van zijn werk.

    Opstand der horden
    Otten bleef een overgevoelige telg uit de elite die bevangen door angst neerziet op de oprukkende arbeidersmassa.

    Dat brengt een andere constante in het vizier: de enige ideologische positie die Otten blijft fascineren is die van het fascisme. Hij keurde de terreur af waarmee het in de praktijk gepaard ging, maar hij vond het wél een geschikt politiek-bestuurlijk systeem om de maatschappelijke spanningen in goede banen te leiden. Lees: om ‘de massa’ te disciplineren (en zijn eigen angst voor die massa te bezweren). Otten wijdde zijn proefschrift aan het fascisme. Desgevraagd verklaarde hij geen fascist te zijn, maar ‘internationalist’. Wél zou hij er – op zoek naar een publiek – over publiceren in niet altijd even koosjere blaadjes en erover spreken op rechts-populistische bijeenkomsten. Daar weet hij overigens maar weinig enthousiasme los te weken, want hij blijft een afstandelijke, arrogante, té goed geklede intellectueel met een zwakke stem. Zijn angst voor de massa en zijn vrees voor een grote oorlog van allen tegen allen maken hem tot geestverwant van cultuurpessimisten als Spengler (Untergang des Abendlandes) en Ortega y Gasset (Opstand der horden).

    Wat hem in het maatschappelijke leven niet lukte, mislukte ook privé. Otten trouwt met Dity en krijgt een dochter waar hij dol op is. Het huwelijk mislukt echter en hij hertrouwt jaren later met Jetty, zonder met haar te gaan samenwonen. Hij krijgt opnieuw een dochter, waar hij opnieuw dol op is, maar neemt om de haverklap en onaangekondigd de wijk naar het buitenland – Parijs, Berlijn en god-weet-waar. Het is tot op heden een raadsel waar hij precies uithing en wat hij dan deed. Da’s vreemd. Dezelfde raadselachtigheid omhult de informele vriendenclub tijdens zijn studiejaren: een groep vrienden die bijeenkwam in ‘het Prieel’; een ‘Byroneske’ locatie aan de Leuvenhaven, waar het volgens buitenstaanders niet pluis was. Men dweepte met literatuur, met het fin de siècle en de decadentie, en deed ‘dingen die het daglicht niet altijd konden verdragen’. Maar wat precies blijft onduidelijk. Groenewegen suggereert drugsgebruik, maar misschien spelen ook seksualiteit in enige vorm een rol, gezien de cultus van Wilde, Couperus en Casanova, en het werk van ‘de wereld-eroticus’ Hanns Heinz Ewers, die opzien baarde met artikelen en boeken over (homo)seks, drugsgebruik en zelfs een biseksuele vamp.

    Aan Ewers wijdde Otten een van zijn vele artikelen over een baaierd aan onderwerpen. Hij publiceerde onder meer in Den Gulden Winckel, De Nieuwe Rotterdamsche Courant en het (antidemocratische) Haagsch Maandblad. Otten werkte ook als vertaler en tolk bij de rechtbank. Hij schreef boeken over Keats, en Machiavelli, en waagde zich aan een nooit verfilmd scenario, dat hij omwerkte tot de mislukte roman De schat van de Lutine. Zelfs als broodschrijver met bijbanen had hij de financiële steun van zijn vader nodig om het hoofd boven water te houden.

    De mensen dwingen goed te zijn
    Rob Groenewegen heeft het allemaal grondig uitgezocht, opgeschreven en met gulle hand van illustraties voorzien. Da’s mooi, maar het is wrang dat je je afvraagt of Otten wel een schrijversbiografie waard is. In een afsluitend hoofdstuk gaat Groenewegen daar uitgebreid op in. Jazeker, zegt hij, want Otten is literair-historisch misschien niet zo belangrijk, maar wel echt een kind van zijn tijd, en juist in figuren van het tweede garnituur wordt een tijdperk, een culturele code en een literaire stroming vaak veel beter weerspiegeld dan in de gezichtbepalende hoofdfiguren (zoals Marsman, Ter Braak, Du Perron, Nijhoff) die zelf hun stempel drukten op die tijd, in plaats van andersom. Je zou willen dat het waar was.

    Ottens dood was wrang. Hoewel hij financieel aan de grond zat, leek hij eindelijk volwassen te worden. Het huwelijk met Jetty was minder labiel, hij had als tweede secretaris van De Vereeniging van Letterkundigen een positie binnen het literaire establishment, en vertoonde een grote productiviteit: recensies voor het Haagsch Maandblad, een ‘essayistisch-biografische schets’ Machiavelli. Sleutel van onzen tijd, inclusief een vertaling van De vorst, en het kinderboek De avonturen van Jammerpoes. Dat laatste was een jolig verhaal dat zich afspeelt in Muizenland, dat wordt beheerst door ene Muizolini….  In het Haagsch Maandblad waarschuwde hij nog in 1940 voor ‘de dwaaste oorlog van alle oorlogen’ en in een lezing combineerde hij ideeën van Mussolini, Machiavelli en Multatuli om te pleiten voor een machtsuitoefening die de mensen zou ‘dwingen goed te zijn’. Dat was een duidelijke stap weg van het fascisme, dat er van uitgaat dat de mens slecht is en ‘bedwongen’ moet worden.

    De laatste maanden van zijn leven werd Otten geplaagd door nachtmerries: ‘Ik kan je wel zeggen dat ik vannacht de bom al op mijn kop heb gevoeld’ zei hij tegen Jetty. Een paar maanden later was het zover. Op 10 mei 1940 werd Otten in Den Haag getroffen door een Duitse bom. Hij was al duizend doden gestorven.