• Dit smaakt naar meer

    Dit smaakt naar meer

    De titel De verlossing van Jacob Smallegange was niet wat hij bedoelde, liet schrijver Rinus Spruit in een interview weten. Hij had het De verlossingen van Jacob Smallegange willen noemen, maar toen zijn uitgeverij het enkelvoud voorstelde had hij daarmee ingestemd. Om daar later toch wat spijt van te krijgen. Want de titel gaat over een vroedmeester en de al dan niet moeilijke verlossingen die hij doet. En dat zijn er heel wat meer dan één. Het akkoord gaan met zo’n wijziging typeert de bescheidenheid van Rinus Spruit die pas op zijn drieënzestigste, in 2009, debuteerde met de roman De rietdekker, over het leven van zijn vader.

    De verlossing is inmiddels zijn vierde roman en de Zeeuwse schrijver blijft steeds dicht bij huis in zijn onderwerpen. Want ook deze roman speelt zich af in Zeeland, en de hoofdpersoon heeft veel kenmerken van de schrijver zelf. De gelijkenis gaat zo ver dat de hoofdpersoon ook een verhaal gaat schrijven, waardoor deze roman een verhaal-in-een-verhaal wordt.

    Twee glazen wijn

    Gerard Strobrand is een alleenstaande zestiger die leeft volgens een vaste regelmaat.  Drie keer per week rijdt hij  naar een wegrestaurant waar hij twee glazen wijn drinkt, met de rug tegen de vlammenwand, uitzicht op het parkeerterrein en een grasvlakte waar geregeld een ooievaar te zien is. Hij drinkt twee glazen wijn, verlangt sterk naar een derde, maar gaat toch altijd braaf weer terug naar huis zonder dat derde glas te bestellen. Dat uurtje in het wegrestaurant gebruikt hij om na te denken over zijn leven en plannen te maken om iets te schrijven. Dat laatste wordt een studie naar de wereld waarin zijn grootmoeder leefde. Zij was geboren in 1874 en vierennegentig jaar oud geworden. Gerard had haar nog gekend toen ze – dementerend – door zijn vader in huis was gehaald en neergeplant in de voorkamer.

    ‘Haar geheugen had ze achtergelaten in haar oude huisje. Ze was blijmoedig, lachte veel en breide. Lezen deed ze graag, ze las steeds hetzelfde boek, want na één regel was ze de vorige alweer vergeten. (..) Bij grootmoeder was het altijd genoeglijk en gezellig. Grootmoeder had een hoge aaibaarheidsfactor. Maar je moest voorzichtig zijn, haar gerimpelde en doorleefde huid was breekbaar, want dunner dan papier.’ 

    Als Gerard een artikel leest over de hoge zuigelingensterfte in de tijd die zijn grootmoeder had overleefd, komt bij hem het plan om een boek te schrijven over de dood die toen al dreigde bij de geboorte van zuigelingen, en in hun eerste levensmaanden. Hij koos voor een studie van het werk van de vroedmeesters die destijds de moeilijke bevallingen deden na een studie van vier jaar. Dit in tegenstelling tot de vroedvrouwen die na twee jaar studie de bevallingen deden waar geen problemen te verwachten vielen. Het waren zware tijden voor de vroedmeesters, die eigenlijk alleen een verlostang als hulpmiddel hadden, moesten werken in moeilijke omstandigheden, vaak met de zwangere vrouw in een alkoof met weinig licht en soms zelfs onder de deken. Ze moesten 24 uur per etmaal bereikbaar zijn. Veel vroedmeesters begonnen te drinken, wat hun werk niet ten goede kwam. 

    Vroedmeester van de goede soort

    Na veel studie en het raadplegen van een aantal dagboekjournaals die de vroedmeesters bij hielden over hun werkzaamheden, besluit Gerard Stroband een verhaal te schrijven over het leven van Jacob Smallegange, een fictieve Zeeuwse vroedmeester van de goede soort. Jacob werkt hard, drinkt geen alcohol maar melk en slaagt er in veel geboorten goed te laten verlopen, mede dankzij de hulp van zijn vrouw die thuis fungeert als crisiscentrum. Hij heeft één zonde, hij merkt in de loop van de tijd dat hij zijn vrouw niet meer liefheeft, misschien nooit heeft liefgehad. Hij heeft haar nodig en ze doet geweldig werk, maar hij vindt haar niet aantrekkelijk. Dan wordt zij ziek en overlijdt. Pas dán beseft Jacob hoe belangrijk ze voor hem was en begint met terugwerkende kracht van haar te houden. Hij mist haar erg en begint zijn werk te verwaarlozen. Ook raakt hij aan de drank, en dan gebeurt er iets moois… 

    Als Gerard dit verhaal af heeft huurt hij een al wat oudere typiste in om zijn handschrift uit te typen. Hij dicteert haar de tekst en begint al doende gevoelens voor haar te krijgen. ‘Hij dacht aan zijn vader. Die had jaren geleden met lede ogen aangezien dat Gerard geen vrouw kon vinden. “Jongen, jongen,” had hij vaak wanhopig geroepen, “jongen, jongen, maak er toch werk van. Pak toch eens door!” Gerard voelde dat het nu zover gekomen was.’ Maar als hij dan eindelijk wil doorpakken stuit hij op een probleem… 

    Doeltreffend vertellersproza

    Spruit is een verteller die zijn lezers bijna zonder dat ze het merken mee neemt in zijn wereld. Dat komt door de eenvoud van zijn schrijfstijl waarin geen woord te veel wordt gebruikt. Omdat dat ook niet nodig is. Groots en meeslepend leven is er niet bij in Spruit’s wereld. Het leven is wat het is en men probeert er het beste van te maken. De dagen verstrijken in een rustig ritme. Er wordt nagedacht, er wordt herinnerd, er worden voornemens gemaakt om het leven meer inhoud te geven. En die voornemens worden in kalm tempo uitgevoerd. Er is lichte weemoed om vervlogen tijden. Er is vooral ook eenzaamheid die zonder pathos wordt gedragen. 

    De onopvallende voortreffelijkheid van simpel maar doeltreffend vertellersproza zoals Spruit dat schrijft, is zeldzaam in de Nederlandse letteren. Het smaakt naar meer.

     

  • Oogst week 45 – 2021

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann

    Afgelopen zaterdag zijn er twee uitgaven over en van Louis Lehmann gepresenteerd . Allereerst is er een biografie door Jaap van der Bent onder de titel De dichter die het niet wilde zijn. De auteur zegt in een interview:  ‘Ik zou hem niet een homo universalis willen noemen, zoals sommigen doen. Hoewel hij natuurlijk wel heel veelzijdig was: hij schreef poëzie en proza, recenseerde literatuur en vertaalde, was jurist en archeoloog, componeerde en speelde muziek en was een goed danser. Ook maakte hij collages en tekende. Een multitalent was hij zeker. Ik zou hem de perfecte amateur willen noemen, althans in zijn beeldende werk’.

    Lehmann overleed in 2012 toen hij 92 was. Kort daarvoor kreeg hij een eigen website. Hoewel hij niet op publiciteit uit was schijnt hij er toch wel trots op te zijn geweest.
    Tegelijk met de biografie verscheen Gij zult niet bloemlezen!, een keuze uit de gedichten van Lehmann door Erik Bindervoet. Hij verzorgde ook een nawoord. Veel gedichten van Lehmann zijn licht van toon en gebaseerd op woordspelletjes. Zoals het bekende Gesprek tussen twee muizen:
    Piep. / Piep. / Piep? / Piep. / Piep. / Piep, piep! / …Piep? / Piep. / Piep, piep, piep. / Lievier tierks dien pieps / Jiep! Piep, piep, piep? Piep…

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann
    Auteur: Jaap van der Bent
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers

    de verschroeiden

    In de eerste zinnen van de verschroeiden (inderdaad zonder hoofdletters) van Antonio Ortuño wordt Gloria, een sociaal werkster in Santa Rita, vlakbij een migrantenopvangcentrum neergeschoten: ‘De politie had geen goede naam bij de inwoners van Santa Rita. Als iemand de moeite zou nemen een lijst op te maken van klachten over de plaatselijke agenten, zouden in geen geval ontbreken: afpersing (van winkeliers en prostituees), verkrachting (van prostituees en hier en daar een willekeurige passant), mishandeling (van de zwervers die in de buurt van het station bivakkeerden, en alweer, prostituees) en diefstal (de politie had de gewoonte cola te drinken bij de buurtwinkel en zonder te betalen te vertrekken)’.
    Geen wonder dat niemand onder de migranten die getuige zijn geweest van de schietpartij iets tegen de politie wil zeggen. Als er brand uitbreekt in het centrum trekt sociologe Irma op onderzoek uit. Ze raakt verstrikt in het web van geweld en corruptie.

    de verschroeiden
    Auteur: Antonio Ortuño
    Uitgeverij: Podium

    De verlossing van Jacob Smallegange

    Rinus Spruit is een laatbloeier in de literatuur. De in 1946 geboren Zeeuw baarde in 2009 opzien met zijn lovend gerecenseerde debuut De rietdekker. In 2013 volgde Een dag om aan de balk te spijkeren, in 2019 De wonderdokter (naar het dagboek van een Zeeuwse plattelandsarts) en nu is er De verlossing van Jacob Smallegange. Alle romans (en zijn korte verhalen) spelen in Zeeland. In de nieuwe roman doet Gerard Stroband onderzoek naar de hoge zuigelingen- en kindersterfte op de Bevelanden rond 1900. Hij verwerkt zijn bevindingen in een boek over vroedmeester (de mannelijke beroepsgenoot van de vroedvrouw) Jacob Smallegange die in Sabbingedijk werkt: Stroband ‘zag Smallegange lopen met over zijn schouder een juten tas met daarin de twee helften van de verlostang en nog wat andere apparatuur. Zoals alle vroedmeesters noemde Smallegange zijn verlostang ‘de ijzers’.
    Rinus Spruit is op 14 november te gast in het boekenprogramma Brommer op zee (NPO 2, 19:25)

    De verlossing van Jacob Smallegange
    Auteur: Rinus Spruit
    Uitgeverij: Cossee
  • Ontwikkelingen van een plattelandsdokter

    Ontwikkelingen van een plattelandsdokter

    Op een dag onderging Albert Willem van Renterghem (1845-1939), zoals hij in zijn Autobiografie schreef, ‘de gedaantewisseling van zeeofficier tot plattelandsdokter’. De marine had hij vaarwel gezegd en een baan als arts in Heinkenszand (Zeeland) aangenomen. Hij was jong, als arts, als echtgenoot van Hélène en als vader van hun drie maanden oude dochtertje Antoinetje.

    Rinus Spruit vond deze autobiografie in het archief van de Gemeente Goes en stelde het samen tot dit boek. Van Spruit zelf verschenen eerder drie romans, alle drie in Zeeland gesitueerd, maar dat niet alleen: in allemaal valt ook, net als in dit boek, de nadruk op wat Van Renterghem noemt ‘kleine burgers, boeren en boerenarbeiders’, met, zoals hij het omschrijft, alle soms ‘kleinzielige gedoe’ van dien. Alle kleine luiden worden sprekend opgevoerd en spreken dialect.

    Vooruitstrevend

    Van Renterghem weet de armoedige omstandigheden van Heinkenszand, zo’n tien kilometer van Goes, raak te treffen: ‘Toen ik de uit één kamer bestaande stulp’ van een vrouw ‘die van de gemeente vrije woning genoot’ binnentrad, ‘zagen mijn ogen een kale stenen vloer, naakte, wit gekalkte muren, een vierkante, groen geschilderde tafel en een open bedstee zonder gordijnen waarin een strozak met een zogenaamde paardendeken lag. Verder een open schouw waarin aan een ijzeren ketting een aardappelketel hing van hetzelfde metaal. Een enkele stoel met een doorgesleten biezenmattenzitting voltooide de aankleding van het vertrek’. De vrouw heeft een niet passende baarmoederring (pessarium), die wordt vervangen. De beschrijving hiervan komt modern over. Het boek zou echter aan informatiewaarde hebben gewonnen, als in een voetnoot was aangegeven sinds wanneer een dergelijke behandeling wordt toegepast, zoals ten aanzien van bijvoorbeeld medische termen wel voetnoten zijn toegevoegd.
    Dat Van Renterghem best wel eens vooruitstrevend genoemd zou kunnen worden, blijkt uit het feit dat hij over zijn behandelwijze publiceerde in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en een ziekenfonds voor minvermogenden oprichtte, wat op het platteland toen onbekend was.

    Hypnose en suggestietherapie

    Na enige tijd nam hij, in 1881, de praktijk van zijn vader in Goes over. Dat ging niet helemaal van harte, want hij had oud willen worden in Heinkenszand, ‘maar de mens wikt en God beschikt’ en Albert Willems ouder wordende moeder ontving graag zijn medische zorg.
    In Goes vindt Van Renterghem tijd om zich in de hem tot nu toe onbekende wereld van de psychiatrie te verdiepen. Hij kwam op het spoor van de hypnose, suggestie en aanverwante behandelingen. Hij reisde naar Nancy om dr. Liébeault te ontmoeten en enkele van diens sessies bij te wonen. Dit zette zijn hele kijk op geneeskunde op zijn kop: ‘Ik had een beter inzicht verworven in de pathologie van de geest’. Zijn collega-artsen in Goes probeerden hem belachelijk te maken en de apothekers vonden het ‘al te zot’ dat hij nauwelijks medicijnen meer voorschreef. Een uitzondering was dr. Du Pree, die vol lof over diverse genezingen sprak, waaronder die van zijn vrouw. Deze verschillende opvattingen over hypnose spelen nog steeds, getuige de reacties op de herinneringen aan incest die bij de schrijfster Griet Op de Beeck al dan niet door hypnose boven kwamen.

    Van Renterghem kreeg het zo druk, dat hij publieke seances voor suggestietherapie bij hem aan huis organiseerde. ‘Onder hen waren ook enkele snurkers’, vermeldt de dokter droog. De beschrijving van de door het inmiddels hele huis slapende patiënten is vermakelijk, net zoals de beschrijving van de eerste vliegtocht die hij met zijn vrouw in 1921 naar Parijs maakte kostelijk is.

    Frederik van Eeden

    De genezingen trokken de aandacht van de toen zevenentwintigjarige Frederik van Eeden, die op dat moment arts in Bussum was en al De kleine Johannes op zijn naam had staan. Van Eeden stelde zijn collega voor, samen een kliniek voor therapeutische hypnotisme in Amsterdam op te zetten. De praktijk liep als een trein en Van Renterghem liet zijn vrouw en kinderen over komen, terwijl ook zijn inmiddels weduwnaar geworden vader besloot naar Amsterdam te verhuizen.
    Interessant is wat Van Renterghem over Frederik van Eeden schrijft. Terwijl zijn eigen patiëntenkring aanzienlijk groeide, bleef die van Van Eeden achter. ‘Hij was niet meer met hart en ziel bij de zaak, gaf meer aandacht aan zijn literaire werk en aan zijn vooruitstrevende denkbeelden op maatschappelijk gebied’. Voorts meldt de auteur in zijn autobiografie, dat zij weinig met elkaar gemeen hadden. In 1893 scheidden hun wegen.

    Duiden van Jung en Freud

    In 1906 werd A. van der Chijs als assistent benoemd aan de kliniek die inmiddels aan de Van Breestraat 1 was gehuisvest, een nieuw huis in de al even nieuwe Concertgebouwbuurt. Dit gaf Van Renterghem de vrije hand om een congres voor psychoanalyse in Weimar te bezoeken, waar hij Jung en Freud ontmoette. Hij besluit zich in het werk van Freud te verdiepen en zich in Zürich door Jung te laten analyseren. De brieven die hij gedurende die periode aan Van der Chijs schreef, zijn gedeeltelijk in deze uitgave opgenomen. Ook een dergelijke genrewisseling doet modern aan, hetgeen helemaal bij de auteur past.

    Van Renterghem is meteen al in staat het verschil tussen de psychoanalyse van Jung en Freud te duiden: Freud beziet in tegenstelling tot Jung het begrip ‘libio’ uitsluitend in seksuele zin. De brochure die Van Renterghem in 1913 schreef onder de titel Freud en zijn school is nog steeds antiquarisch te verkrijgen. Een jaar later zou hij in Wenen Freud bezoeken. De herinneringen daaraan werden overschaduwd door de dreiging van de Eerste Wereldoorlog.
    Niet dat Van Renterghem meteen alles naar waarde wist te schatten; Van der Chijs’ bezoek aan Van Gogh, die hij behandelde, wordt alleen vermeld, terwijl wij daar als lezers best meer over hadden willen weten. Bijvoorbeeld op de manier waarop de auteur zijn eigen kortstondige depressie overdenkt en analyseert en uiteindelijk oplost, hoewel we dit waarschijnlijk moeten relativeren, net als de vele succesverhalen van genezingen. Op advies van zoon Charles besluit Van Renterghem na allerlei problemen tot dissociatie met Van der Chijs. Hij zet de praktijk alleen voort en sluit zijn autobiografie op 9 juni 1927.

    Een autobiografie die een interessant, soms ook geestig beeld geeft van de sociale en medische situatie in die tijd. Niet alleen mensen die daarin zijn geïnteresseerd zullen deze door Rinus Spruit bezorgde keuze met veel interesse lezen, de vele anekdotes zijn überhaupt leuk. Het boek leest, zoals Spruit in het nawoord en de verantwoording terecht schrijft, ‘als een roman en geeft boeiende informatie (…), vaak ontroerend en humoristisch’.

     

  • Over de grenzen tussen feit en fictie

    Over de grenzen tussen feit en fictie

    Wie louter op zoek is naar spannende plotwendingen, dynamische dialogen, seks en geweld, moet Broeder, schrijf toch eens! van de Zeeuwse schrijver Rinus Spruit (1946) niet lezen. Voor mensen met een voorkeur voor gelaagde subtiliteit en geslaagde stilistiek biedt deze dunne roman echter veel. Het is een boek over herinnering en geschiedenis, natuur en eenzaamheid, Heimat, Heimwee en melancholie en over de grenzen tussen feit en fictie. In hoeverre kun je in je herinneringen leven, in hoeverre is de geschiedenis van je eigen voorouders relevant voor wie jezelf bent, in hoeverre ook snakt iedere mens ernaar voort te leven in de herinnering van nageslacht? Dergelijke vragen houden het romanpersonage Rinus Spruit bezig. Het personage, dat wel enige gelijkenis zal vertonen met de romancier van die naam, is een eenzame bejaarde man die na de dood van zijn ouders zijn intrek heeft genomen in hun huis, het huis van zijn eigen jeugd. Hij mijmert, spit in het familie-archief, probeert contact te leggen met verre verwanten en -niet erg succesvol- met vrouwen.

    Spruits boek staat dus vol mijmerende herinnering en is misschien te typeren als nostalgisch. In de wereldliteratuur zijn Marcel Proust en Vladimir Nabokov de beroemdste auteurs die als nostalgisch zijn te kenschetsen. In de vakliteratuur over nostalgie wordt echter een onderscheid tussen beiden gemaakt. Proust, of zijn alter ego zou passief zijn overvallen door stromen van herinneringen, terwijl Nabokov zijn personages het (eigen) verleden actief laat reconstrueren, het verleden door hen zou laten maken tot hoe het geweest zou moeten zijn. Spruit doet iets interessants in zijn interpretatie van het leven van een van zijn verre familieleden, de zus van zijn opa. Eerst beschrijft hij wat er in archieven en in de hoofden van haar nabestaanden over haar te vinden is, daarna geeft hij een fictionele interpretatie van hoe hij fantaseert hoe haar verleden geweest zou kunnen zijn. In die zin sluit zijn benadering meer aan bij Nabokov dan bij Proust.

    Het is echter de vraag of Spruit nostalgisch is, of eerder weemoedig. Hij mist zijn vader, kan diens dood geen plaats geven en graaft in het verleden om zichzelf en zijn voorouders te duiden. De geijkte kritiek op mensen die veel met het verleden bezig zijn, is dat ze niet in het nu zouden leven. Dat is ook wat een van de vrouwen met wie Rinus kennismaakt hem zegt. Spruit, de romancier, maakt het verleden niet mooier dan het was, maar maakt wel zichtbaar hoe iemand kan snakken naar zingeving in dat verleden. De publicist Paul Scheffer heeft er ooit op gewezen dat het eren van het verleden voor veel mensen de plaats heeft ingenomen van religie: het verleden zou in zekere zin een vervanging bieden van godsdienst, omdat in de omgang met het verleden, duiding wordt gegeven aan de grenzen tussen leven en dood.

    Waar nostalgie het gloedvol kleuren van het verleden is, zit er in weemoed een soort van berusting dat ‘vroeger’ nooit werkelijk kan terugkeren.  Uiteindelijk komt Spruit, het romanpersonage, tot inzicht dat hij, ook als bejaarde man, tot verandering in staat is, dat hij niet per se in het verleden hoeft te leven, dat hij zijn weemoed achter zich moet laten. Hoe hij tot dit inzicht komt, wordt in deze roman overtuigend getoond.

    De stijl is sober, uitgepuurd. In die zin past deze bij wat er in de hedendaagse Nederlandse literatuur gebruikelijk is: we zien geen woordbarok of magisch realistische vertelkunst in de trant van Gabriel Garcia Marquez. Dit is niet een boek van een nobelprijswinnaar in de literatuur, omdat daarvoor de in de Nederlandse letteren vrij algemeen gehanteerde stijl misschien iets te sober, of karig is, waarvan het effect deels verloren gaat in vertaling. In Broeder, schrijf toch eens! slaat Spruit stilistisch nergens de plank mis. Het boek past in de Nederlandse literaire traditie van karig proza, waar niets op aan te merken is, buiten misschien een gebrek aan stilistische ambitie. Hoe dan ook: het levert mooie teksten op. Bijvoorbeeld het begin van de roman:

    Het land is in het najaar geploegd en heeft de winter over zich heen laten komen. Regen, vorst, sneeuw. Nu, februari, ligt het er kaal en grauw bij. Het lijkt wel of de grond na de winter wat lichter is geworden, lichter en doffer. De klei glimt niet meer. Soms strijkt er een groepje kauwen op neer, heel af en toe loopt er een haas. Een paar meeuwen, een houtduif, een fazant. Het land ligt daar als een toneel zonder decor. Het ligt geduldig te wachten tot de boer er wat in gaat zaaien.’ (7)

    Deze dunne roman gaat ook over iets als een ‘Heimat’, Zeeland, en over de vreugde die de natuur aan een eenzame man kan geven, mogelijk ter compensatie van het ontbreken van een sociaal leven in een gemeenschap van mensen. Broeder, schrijf toch eens! is een intiem en kwetsbaar boek, dat mensen die moeite hebben met de verharding van het maatschappelijk verkeer kan leren hoe de psyche van een vriendelijke, in niets botte, man eruit ziet.

    De in het boek opgenomen brieven van verre familieleden van Spruit die naar de Verenigde Staten waren vertrokken (en waarnaar de titel van de roman verwijst) voelen authentiek aan. Spruit speelt ermee een spel met de grenzen tussen feit en fictie, een thema dat in tijden van ‘alternative facts’ aan relevantie heeft gewonnen. Psychologisch interessant zijn de passages waarin Spruit zijn vader hoort praten, vertellen: ‘hij vertelt zo mooi dat ik het jongetje dat mijn vader was zie rondlopen in het Zuid-Beveland van 1925’ (43). In deze passages vermengen het perspectief van vader en zoon zich, zodat de lezer zich afvraagt of zijn vader werkelijk voortleeft in Rinus Spruit.

    Al met al is dit een rijk boek met een relevante thematiek, waarvan het enige minpunt is dat het eigenlijk te kort is.

     

     

  • Sympathiek boek 

    Sympathiek boek 

    Na De Rietdekker, een documentair boek over het vak van zijn vader, heeft Rinus Spruit nu een roman geschreven, Een dag om aan de balk te spijkeren. In een chronologisch verteld verhaal volgen we Maarten Rietgans, van zijn ontwikkeling van een verlegen jongste bediende bij de Boerenleenbank in Goes tot een vijftiger die niet kan aarden in werk en relaties. Zijn ouders leven op een kleine boerderij in een gehucht in Zeeland, maar het is al snel duidelijk dat dit leven niet voor Maarten is weggelegd. Hij wil meer; ‘Hij wil zich nog onderscheiden. Hij wil iets presteren dat vóór hem nog nooit iemand is gelukt.’ Naast de persoonlijke beslommeringen van Maarten weet Spruit ondertussen op een prachtige manier het kleine boerderijleven en het Goes van de jaren zeventig en tachtig tot leven te wekken.

    Maarten kiest voor een opleiding als verpleegkundige en slaagt als beste van zijn jaar. Toch zwerft hij daarna van baan tot baan. Zodra er teveel van hem wordt verwacht, wordt hij onzeker en vertrekt hij. Hetzelfde geldt voor zijn relaties met vrouwen. Hij heeft hoge verwachtingen van anderen, maar kan er niet tegen als anderen iets van hem verwachten. Zo selecteert hij de reacties die hij krijgt op zijn contactadvertenties onder andere op foutloos taalgebruik, omdat ook het taalgebruik van zijn toekomstige vriendin perfect moet zijn. Met dit soort eigenaardigheden weet Spruit regelmatig een glimlach om de lippen van de lezer te toveren.

    Het personage Maarten Rietgans doet denken aan enkele hoofdfiguren in de boeken van Thomas Rosenboom. De personages vertonen gedrag dat ten nadele is van henzelf en je zou ze toe willen roepen: ‘Doe dat nou niet!’ Maar ze zijn niet in staat zichzelf te helpen of te veranderen, omdat de auteurs vasthouden aan het karakter dat zij de personages hebben toebedacht. Het gedrag van Maarten Rietgans wekt daardoor zelfs nu en dan irritatie. Zoals zijn vader zegt in de hoop dat hij eens doorzet; ‘Jongen, jongen. Je krijgt de pap in je mond en je slikt het niet door.’

    De verhouding van Maarten met zijn vader is een van de sterkste onderdelen van de roman. Na de dood van zijn moeder gaat hij steeds meer van de man houden. Hij is zijn rots in de branding, de enige die voor hem betrouwbaar en bijna onveranderlijk is. Zijn vader is tevreden met zijn leven dat alleen met de seizoenen verandert. Maarten verlangt daar ook naar, maar kan daarmee tegelijkertijd niet tevreden zijn. ‘Hij zou willen dat hij iemand zonder problemen was. Dat hij werk had naar zijn zin. Dat hij een vrouw had van wie hij hield. Hij zou dat willen, al was het alleen maar voor zijn vader.’

    Het belang van de vader, de getroebleerde hoofdpersoon, gecombineerd met de aandacht voor natuur en het simpele, nu en dan poëtische, taalgebruik doen denken aan Boven is het stil van Gerbrand Bakker. Er is inderdaad een overeenkomst in sfeer en een aantal verhaalelementen in beide boeken, maar Spruit geeft er zijn geheel eigen draai aan.

    Een dag om aan de balk te spijkeren is een boek over een moeilijke man, moeilijk voor zichzelf en voor anderen, verteld in een prachtige stijl waarin vooral de verhouding met de vader, zijn tegenpool, prachtig wordt beschreven. Het is ook een boek dat af en toe zelfs irritatie opwekt vanwege het moeilijke karakter van de hoofdfiguur, maar waarom ook weer onverwacht kan worden geglimlacht. Schijnbaar moeiteloos heeft Spruit het allemaal vastgelegd in Een dag om aan de balk te spijkeren. Maar bij nadere beschouwing is het zeer knap gedaan.