• Geschiedenis uit een duister verleden

    Geschiedenis uit een duister verleden

    Recensie door Lodewijk Lasschuit

    Als in 2013 in Nederland de afschaffing van de slavernij wordt gevierd is er eigenlijk weinig feestvreugde maar des te meer te herdenken. De verhalen over de slaventransporten krijgen gedurende dit jaar meer aandacht. Dan Sleigh en Piet Westra hebben er een boek over geschreven. De Verenigde Oost-Indische compagnie organiseerde de slaventransporten. In sommige documenten wordt gesproken over de ‘loffelijke compagnie’ en ook is er sprake van de ‘achtbare compagnie’. Heden ten dage is het moeilijk te bevatten wat er eigenlijk zo loffelijk of achtbaar aan deze onderneming was.

    Het verhaal over de reis met de Meermin weerspiegelt het gebrek aan compassie en de ongebreidelde zucht naar geldelijk gewin. In het jaar 1717 werd er onderzoek gedaan naar de mogelijke inzetbaarheid van Aziatische en Afrikaanse slaven. De bewindvoerders van de VOC waren van mening dat zij goedkoper waren dan Europese arbeiders. Ook waren zij inschikkelijker en meer bereid om minder aangename en zwaardere taken te verrichten.

    In de praktijk bleek echter dat de slaven zorgden voor een voortdurende staat van onrust en ondanks zware straffen bleven ontsnappen en vreselijke misdaden begingen als reactie op hun onmenselijke behandeling. Er werden proclamaties uitgevaardigd waarin werd vastgelegd dat een slaaf die zijn hand ophief tegen zijn eigenaar ter dood zou worden gebracht en een slaaf die zich luidruchtig gedroeg tijdens een kerkdienst zou worden gegeseld. Dit was de achtergrond waartegen het drama van de slavenopstand op de Meermin zich in 1766 afspeelde.

    Onder commando van Schipper Gerrit Christoffel Muller zette men koers naar Madagaskar. Met de plaatselijke heersers werd onderhandeld over de prijs die moest worden betaald voor de slaven. Om de handel vlot te laten verlopen en om de plaatselijke bevolking gunstig te stemmen werden geschenken overhandigd bestaande uit messen, lappen stof, kralen, arak (sterke drank), pijpen en tabak. Soms werd na veel loven en bieden de prijs van een slaaf bepaald op twee geweren, honderd kogels en honderd vuurstenen terwijl over de hier nog aan toe te voegen hoeveelheid buskruit nog verder werd onderhandeld. Overigens werden regelmatig de prijzen verhoogd doordat er hevige concurrentie ontstond tussen Hollandse en Franse kooplieden. Eenmaal aan boord van het schip dat ze zou vervoeren naar Kaap de Goede Hoop, werden de slaven kaal geschoren en paarsgewijs geboeid. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden. Om te voorkomen dat messen of andere wapens werden verborgen, was het enige kledingstuk dat de slaven mochten dragen een doek om hun naaktheid te bedekken. Er breekt scheurbuik uit onder de slaven en op aanraden van de scheepsarts worden de slaven bevrijd van hun boeien om ziekte en dood te voorkomen. De slaven maken zich meester van een aantal assegaaien en een zwaard en komen in opstand. Drieëntwintig officieren en manschappen worden gedood. Sommigen werden levend in zee gegooid, anderen eerst met een assegaai, een bijl of een hamer vermoord. Negenentwintig bemanningsleden hebben de ramp overleefd en van een aantal van hen zijn in het boek getuigenverklaringen opgenomen. Uiteindelijk worden de leiders van de opstand gestraft. De gezagvoerder van de Meermin en zijn stuurman worden wegens nalatigheid en plichtsverzuim ontslagen, zij worden verantwoordelijk gehouden voor het verlies van het schip dat aan hen was toevertrouwd.

    De in het boek opgenomen opsommingen van onder meer de inventaris van goederen die zijn geborgen uit de Meermin en op een openbare verkoping werden geveild, komen de leesbaarheid van het boek niet ten goede. Heel gedetailleerd zijn een bouwplan en een zeilplan van het schip opgenomen hetgeen de in maritieme historie geïnteresseerde lezer zeker zal plezieren. De als bijlage opgenomen chronologie draagt er toe bij dat een helder overzicht van de gebeurtenissen wordt verkregen. Deze chronologie is vooral belangrijk omdat door de uitvoerige uiteenzettingen over bijvoorbeeld de getuigenverhoren de aandacht van de lezer wel eens zou kunnen verslappen.

    Nergens in het boek wordt een moreel oordeel gegeven over de slavernij of de handelswijze van de Europese bemanningsleden. De schrijvers hebben zich onafhankelijk opgesteld en geven op een academische wijze de feiten weer.

     

    De opstand op het slavenschip Meermin

    Auteurs: Dan Sleigh en Piet Westra
    Vertaald door: Riet de Jong-Goossens
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 206
    Prijs: € 21,90

  • ‘… zo wilden de goden het …’

    ‘… zo wilden de goden het …’

     

    ‘Darius en Parisatis hadden twee zonen. De oudste was Artaxerxes, de jongste Kuros. Toen Darius vermoedde dat hij niet lang meer te leven had, wilde hij hen allebei in zijn nabijheid hebben. De oudste was bij hem, maar Kuros moest hij laten komen uit Ionië aan de westkust van Azië, waarover hij hem tot satraap had gemaakt. (….) Kuros reisde met satraap Tisafernes, die gestuurd was om hem te halen, naar de hoofdstad, met zijn eigen lijfwacht van driehonderd gehuurde Grieken. Na de begrafenis en nadat Artaxerxes in zijn vaders plaats was gekroond, beschuldigde Tisafernes prins Kuros van samenzwering tegen de koning. Artaxerxes liet zijn broer gevangennemen om hem te doden en alleen de tranen van hun moeder weerhielden hem hiervan; de prins kreeg toestemming terug te gaan naar zijn provincie. Maar door dit levensgevaar en de vernedering van zijn gevangenneming was prins Kuros vastbesloten ervoor te zorgen nooit meer in handen van hun koning Artaxerxes te vallen. Integendeel, hij wilde zelf koning worden en over het Rijk regeren. (…)
    Hij had ervoor gezorgd dat zijn onderdanen een hoge dunk van hem kregen en hij had hen geleidelijk voorbereid op een opmars tegen de hoofdstad van zijn broer. De tienduizend Grieken had hij in het geheim gehuurd.’, zo lezen wij helaas pas op bladzijde 575-576 de aanleiding voor de lange tocht!

    De lange tocht neemt ons terug naar het jaar 401 vóór Christus. De namen ‘Griekenland’ en ‘Grieken’ voor Hellas en Hellenen zouden de hoofdpersonen Nagri, Xenofon of iemand van de Tienduizend (de 10.000 huurlingen) niet kennen. De Helleense staat werd immers pas in 148 vóór Christus voor het eerst Griekenland genoemd, als provincie van het Romeinse Rijk.

    In 582 bladzijden beschrijft Dan Sleigh tot in het kleinste detail, de lange aftocht van de tienduizend Griekse soldaten onder aanvoering van Xenofon van Athene begeleid door zijn dienaar Nagri, een deserteur uit het Perzische leger. Deze aftocht duurde ongeveer twee jaar en begon na de nederlaag van de Tienduizend bij Kunaxa, dichtbij Babylon, en de dood van hun generaal Kuros. Deze veldslag was van hele korte duur en beslaat in het boek ook maar een tiental bladzijden. Kuros wordt gedood, terwijl zijn broer Artaxerxes slechts een lichte verwonding oploopt.

    Na deze roemloze nederlaag begint de lange ‘aftocht’ die nagenoeg chronologisch, bijna van dag tot dag, soms zelfs van uur tot uur verteld wordt door Xenofon en Nagri. De lezer volgt hoofdzakelijk het verhaal en de gedachten van de buitengewoon intelligente en wijze Nagri die ook nog vele talen spreekt. Hij is daardoor de aangewezen persoon om te vertalen, toevallige gesprekken op te vangen, te bemiddelen op hachelijke momenten en Xenofon te adviseren omdat hij ‘de Perzen’ van binnenuit kent. En het feit dat hij het Griekse, Egyptische en Perzische schrift beheerst is een groot voordeel. Dat moge een wonder heten in die tijd waarin het lezen en schrijven slechts was voorbehouden aan een kleine elite.

    Nagri ziet zijn weldoener Xenofon als de Verlosser, de lichtdrager en vergelijkt hem met Mozes, denkende aan de passage in de Bijbel: ‘vuur valt uit de hemel en een stem zegt: Sta op. Red mijn volk hieruit.’ Xenofon heeft een soortgelijk visioen gekregen bij de rivier de Zapatas om het Griekse leger terug te brengen naar Byzantium (het huidige Istanbul).

    Nagri ziet zichzelf als de profeet, de boodschapper, door God geroepen. De Verlosser van de Joden zou immers als prins in een land aan de Westelijke Zee geboren worden, in het land van de Grieken. Nagri voelt zich geroepen ‘om op weg te gaan naar Jeruzalem om het goede nieuws te brengen naar dat wat van Gods verloren volk was overgebleven.’ ‘Verheug jullie (…) jullie verlossing uit de slavernij is nabij’, m.a.w. het einde van het grote Perzische Rijk. Zo hadden de Vaderen de eunuch Nagri voorgezegd…

    Xenofon en Nagri: de tweekoppige leiding van deze aftocht. Ze spreken onderling weinig maar hun samenwerking is voortreffelijk. De een is de generaal, de andere de spindokter, zou je in 2012 zeggen. Maar er is één groot verschil. Xenofon brengt dankoffers (met jonge ossen, rammen, stieren, ooien, lammetjes en andere dieren) aan Zeus, aan Apollo, aan Heracles, en aan Poseidon. Nagri roept slechts één God aan, zijn eigen God, de God van Israël, die hem de oplossing voor het probleem vaak in dromen aanbiedt. Deze roman staat bol van de vele dankoffers.

    We maken ontelbare veldslagen mee met roven, plunderen, bloedig uitmoorden, in brand steken van dorpen, enzovoort. De wreedheden, vooral van de Perzen, worden onbarmhartig beschreven. Twee voorbeelden:
    ‘… stond er een bebloed hoofd met een zilveren hoofdband op een speer (…). De soldaten probeerden het dode gezicht te herkennen, maar de baard met aangekoekt bloed en het masker van kruipende brom- en vleesvliegen maakten het onmogelijk.’ (blz. 104).
    ‘De vermoeide patrouilles vonden wit gebleekte palen waaraan schedels hingen die wellicht vroeger de gekroonde hoofden van de stad waren, nu huilde de nachtwind door hun ooggaten en klaagde door hun open monden.’ (blz. 206).
    Maar gelukkig, de rode papavers zijn ook alom tegenwoordig, zelfs met menselijke eigenschappen en zij bieden troost! ‘Overal langs de wegen knikten rode papavers als hij langsliep.’ (blz. 561).
    De allesoverheersende kleur in deze roman is dus rood.

    Er zijn tijden van grote ontberingen vanwege hevige koude en immense honger. De kritische lezer vraagt zich wel af waar toch het voedsel en het geld vandaan komen voor een dergelijk groot leger.
    De liefde komt nauwelijks aan bod. Nagri heeft, als eunuch, geen verstand van vrouwen en Xenofon krijgt wel jonge vrouwen aangeboden, maar weet er toch eigenlijk niet goed raad mee. Scènes van openlijke sodomie, homoseksualiteit binnen het leger worden nauwkeurig beschreven. ‘De zondigheid ten top’, vindt Nagri en walgt ervan.

    We leren de karakters van de welbespraakte Xenofon en van de schrijver Nagri goed kennen door de uiterst gedetailleerde verslaggeving.
    De vele beschrijvingen van de natuur zijn als schilderijen van een klassieke grootmeester. De omslag van het boek met de Episode de la retraite des Dix Mille van Adrien Guignet  (1816-1854) geeft een goed beeld van deze onmenselijke tocht.

    Kijkend naar de schrijfstijl, valt het op dat alleen het gedeelte van de opmars tot aan de veldslag moeizaam leesbaar is door de overvloed aan flashbacks en flashforwards over de vele personen. Dat werkt verwarrend. Een lijst met belangrijke personen ontbreekt helaas, net als een verklarende woordenlijst voor de vele specifieke Griekse termen. Woorden als merkavah, pardah, xenon, obolos, satraap, paean, enzovoort moeten door hun context begrepen worden. Gelukkig is er wel een duidelijke kaart van de afgelegde tocht van de Tienduizend.

    De schrijver Dan Sleigh heeft met dit werk aangetoond de Klassieke Oudheid goed te kennen en het lijkt wel of hijzelf meevocht en ooggetuige was in deze beroemde tocht van de Tienduizend. Sleigh vond zijn inspiratie in de Anabasis van Xenofon. Het verschil is dat De lange tocht van Sleigh meer de tocht van de profeet/prediker Nagri is dan die van Xenofon. Bevestiging hiervan is te lezen op bladzijde 570. De titel van het boek zou eigenlijk moeten zijn (volgens Nagri!): ‘Het hart van het Kwaad. Het boek van de lange tocht. De sterren en de rode, rode papavers. Het Evangelie van Nagri’.
    Al te gemakkelijk gaat hij dan wel voorbij aan de goden, de dankoffers en vooral de heldenmoed van Xenofon!

    De lange tocht is in een rijk, prachtig proza geschreven, zoals je het zelden meer leest.
    Riet de Jong-Goossens verdient een groot compliment voor haar vertaling uit het Zuid-Afrikaans. Deze roman is zeker een aanrader voor de liefhebbers van historische romans. Maar let op, de eerste 200 bladzijden vormen wel een uitdaging om doorheen te komen, zelfs voor diehards! Notitieboekje erbij!

    Dan Sleigh
    Daniel (Dan) Sleigh (1938) is een Zuid-Afrikaans historicus, met name gespecialiseerd in de Nederlandse koloniale geschiedenis. Hij woont in Pinelands, Kaapstad, met zijn vrouw Dewetia.
    Hij schreef onder meer Eilande, in het Nederlands vertaald als Stemmen uit zee, over de ontwikkelingen in de Kaapkolonie ten tijde van het Nederlands bewind.
    Sleigh schreef eerder Die Buiteposte. VOC-buiteposte onder die Kaapse bestuur, 1652-1795, (Pretoria, 1993).

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Fonkelend proza uit de binnenlanden van Zuid-Afrika

    Het eerste verhaal Eens was ik begint met de zin: ‘In mijn vorige leven was ik een Strandloper.’ Hiermee wordt niet de watervogel bedoeld, maar – volgens het begrippenlijstje achterin – mensen die aan de zuid- en westkust van Zuid-Afrika woonden op het moment dat de blanken daar arriveerden.
    Ook de volgende zinnen zijn veelzeggend:
    ‘Daar komt mijn aardsheid vandaan, mijn drang tot overleven.
    En mijn liefde voor dit land.’

    Dit zijn precies de ingrediënten die de smaak van dit boek bepalen: de band met de aarde, die zo van belang is voor de boeren in dit land met wrede klimaten en vijandigheid tussen de verschillende bevolkingsgroepen.

    Scheepers weet de sfeer treffend over te brengen. Ook door het gebruik van woorden als oubaas en plaas. Vertaalster Riet de Jong-Goossens, die in 2011 de Martinus Nijhoffprijs krijgt voor haar vertalingen uit het Afrikaans, heeft dit soort kenmerkende woorden behouden en legt ook begrippen uit als sontweni (kerk), Mfundisi (predikant).

    De laatste term slaat op opa Lewies die zij in het verhaal Een oog dat niet wijkt een kluns van een boer noemt, die de werkzaamheden op het boerenbedrijf overliet aan zijn vrouw, oma Willemien. Naar haar is het kleine blanke meisje vernoemd door wiens ogen wij hun geschiedenis zien voltrekken.

    Oma Willemien krijgt in Nachtschade visioenen over naakte, zwarte kinderen die lachend in haar geopende schort vallen. Ze klimmen in haar armen en zij houdt hen vast, ontelbaar veel kinderen die vanuit alle uithoeken van het korenveld op haar toe blijven komen en die staan voor alle hulp die zij, aan de zijde van haar man, aan de zwarte bevolking zal geven. Helaas moest ze daardoor haar eigen kinderen achterlaten bij de zwarte vrouw Juba, waardoor ze verwilderd opgroeien. Haar kleindochter Willemien neemt haar dat zeer kwalijk, maar later leest ze in een ingelegd velletje in een geërfd kookboek, dat haar oma veel moeite heeft gedaan om haar kinderen weer op te sporen.    

    Behalve deze familiegeschiedenis, in soms evocerende taal, worden in dit boek ook andere  verhalen verteld, waarvan sommige helaas alleen een aanzet zijn en snel wegebben. Dat is niet het geval met het verhaal Vonkelfontein over een dikke vrouw met autopech die vanwege de hitte gaat zwemmen in een reservoir lang de weg en denkt aan haar vervelende schoonmoeder. Het is een verhaal dat in het geheugen blijft gegrift. Dat geldt ook voor het titelverhaal Katvoet, waarin een kat de plaats van de vrouw in het echtelijk bed heeft ingenomen en de vrouw zich als een kat gaat gedragen om haar plaats terug te veroveren.
    Ook in veel andere verhalen komen poezen voor, zoals de verwilderde Smurrie op de boerderij van de grootouders.

    Scheepers schrijft met veel verbeelding in een mooie, eenvoudige taal. Als ze in Polen is vindt ze dat de daken van de schuren lijken op de kleur van bittere sinaasappelen.
    Scheepers weet de lezer met krachtige beelden te ontvoeren naar het Zuid-Afrikaanse binnenland met zijn overweldigende natuur, de karigheid en wreedheid van het leven.

    In het laatste verhaal komt ze terug op haar familie, op de oude kliek zoals haar grootouders en tante Marja, die befaamd was om haar stroopbereiding. Het waren mensen met een sterk geloof, ook in de Opneming, zoals het Laatste Oordeel genoemd wordt, lieden die visioenen kregen en geesten konden zien. De schijfster betreurt het dat die bijzondere mensen uit het geheugen verdwijnen en zegt over zichzelf dat haar eigen kleinkinderen over haar geen enkel verhaal met schrik en verwondering zullen kunnen overdragen en dat ze zich daarvoor doodschaamt.

    ‘We behandelen onze dieren als dieren, we verzorgen onze kinderen naar behoren. We gedragen ons vreselijk beschaafd en fatsoenlijk. We zijn gewoon niks geworden.’

    Wellicht zullen de kleinkinderen haar verhalen lezen en begeesterd worden door de zeggingskracht van de taal en de rijke verhalen van hún oma. 

    Katvoet

    Auteur: Riana Scheepers
    Verschenen bij: Uitgeverij Ailantus (september 2010)
    Vertaald door: Riet de Jong-Goossens
    Prijs: € 18,95