• Fotosynthese 18 – Een schim van tweehonderd jaar geleden

    Fotosynthese 18 – Een schim van tweehonderd jaar geleden

    klik op de foto om de achtergrond te zien


    Als Stendhal op 22 januari 1817 de Santa Croce in Florence zou zijn binnengelopen – ik verbeeld het me even – om te schuilen voor een plotselinge regenbui die hem overviel terwijl hij op zoek was naar een dokter die hem kon helpen aan een ontstoken kies, zouden we dan van het naar hem genoemde syndroom hebben gehoord? Het is mogelijk, maar minder waarschijnlijk. Althans niet op die vrijdag, denk ik.

    De dag voor zijn 34ste verjaardag, sprak Stendhal in Florence een monnik aan die hem de kapel in de Santa Croce binnenliet waar hij de fresco’s van Baldassare Franceschini (‘Il Volterrano’) wilde zien. Eenmaal binnen raakte hij in extase bij het plotselinge besef dat hij hier stond tussen de graven van Michelangelo, Galilei, Macchiavelli, Rossini en zoveel andere kunstenaars en met zoveel schoonheid om zich heen. Hij werd overdonderd door sensations célestes, hemelse sensaties. Hij kreeg hartkloppingen – ‘wat ze in Berlijn de zenuwen noemen’, legt hij uit – en stond te trillen op zijn benen.

    Het kan in fictie een stuk erger. In De gevangene, het vijfde deel van de cyclus Op zoek naar de verleden tijd, laat Proust zijn Bergotte zelfs overlijden aan duizelingen als hij naar het stukje gele muur met een puntdak op Gezicht op Delft van Vermeer staat te kijken.

    Trillende benen

    Er staat me een onuitwisbaar moment voor ogen waarop ik zelf op zijn minst duidelijke symptomen van het syndroom ervoer. Dat was bij het schilderij Black, Red over Black on Red van Mark Rothko in het Centre Pompidou. Ik heb elders werk van hem gezien. In het Gemeentemuseum (tegenwoordig Kunstmuseum) in Den Haag zag ik in 2014 zijn overzichtstentoonstelling. Ik maakte ‘Rothko en ik’ mee in het Stedelijk Museum in Schiedam. Beide verliet ik teleurgesteld. Ik weet waarom. In Den Haag moest ik laveren tussen schuifelende lijven waaruit hinderlijke commentaren opstegen. Stilte was er daarentegen voldoende in de kamer waarin ik in Schiedam tien minuten alleen mocht zijn met Grey, Orange on Maroon, No. 8. Mensen verlieten soms huilend de ruimte, had ik vooraf gelezen. Ik bleef zelf betrekkelijk onberoerd. Te hoge verwachtingen barricadeerden bij voorbaat elke spontane emotie.

    Dat in het Centre Pompidou een Rothko hing wist ik niet. Het was vooral die argeloosheid van me die de schok veroorzaakte toen ik een hoek omging en overspoeld werd door het volle licht van het schilderij. In de ruimte was geen ander publiek. Ik voelde mijn adem stokken, stond te trillen op mijn benen. Iets vergelijkbaars is de ‘historische sensatie’ van Johan Huizinga. In een befaamd artikel in De Gids in 1920 schreef hij:

    ‘Het kan zijn, dat zulk een historisch détail, in een prent, maar het zou evengoed kunnen zijn in een notarisacte, terwijl het mij toch als zodanig onverschillig is, mij opeens het gevoel geeft van een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot, een bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mij zelf te wezen, van over te vloeien in de wereld buiten mij, de aanraking met het wezen der dingen, het beleven der Waarheid door de historie’.

    Zonder verwachtingen

    Lang geleden maakte ik een rondreis door Griekenland met een vaag verlangen naar een sensatie zoals Edward Gibbon die op de verweerde stenen van het Capitool in Rome ervoer. De enige plek waarop ik in Griekenland een bescheiden glimp van verbondenheid met het verleden ervoer was het oude stadion in Olympia. Er waren nauwelijks mensen. Er ruiste een zachte wind. Ik was er niet op bedacht. Ik heb het blijkbaar nodig leeg te zijn, zonder verwachtingen. Net als Stephen Greenblatt in zijn essay Resonance and Wonder, ‘Looking may be called enchanted when the act of attention draws a circle around itself from which everything but the object is excluded, when intensity of regard blocks out all circumambient images, stills all murmuring voices’.

    Er zijn schrijvers die mij als lezer zowel de symptomen van het syndroom van Stendhal, alsook de ontroering van een historische sensatie kunnen bezorgen. Dat zijn de groten, zoals de Brit Richard Holmes. Hij is het meest bekend van zijn biografieën over schrijvers als Samuel Taylor Coleridge en Percy Bysshe Shelley. In 1986 las ik van hem Voetsporen. Daarin beschrijft hij hoe hij te werk gaat. Dat doet hij in zo’n grootste stijl en met zo’n sterke verbeeldingskracht dat ik het boek af en toe aangedaan moest wegleggen. Toen ik het een paar jaar later niet meer in mijn boekenkast terugvond (te enthousiast uitgeleend en nooit teruggekregen?), sloeg dat een pijnlijk gat. Ik schafte het onmiddellijk opnieuw aan. 

    Volledig ingepalmd

    Holmes slaagde erin mij totaal in te palmen en mee te nemen naar de mensen over wie hij schreef en de tijd en omstandigheden waarin zij leefden. Het was alsof ik met hen meewandelde, met hen at, met hen ademde. Holmes bereikte dat door zelf volkomen op te gaan in de schrijvers over wie hij vertelt. Een veelzeggende zin van hem: ‘Voor mij begint mijn leven als biograaf op de dag dat mijn bank een cheque weigerde omdat die per ongeluk 1772 was gedateerd’. De wegen van Shelly nawandelend maakte hij een foto van de achtertuin van Casa Bertini in Bagni di Lucca. In 1818 woonde Shelly, 26 jaar, daar met zijn eenentwintig jarige tweede vrouw Mary, baby Clara en vierjarige zoon William. Dood en ellende achtervolgden hem. Baby Clara stierf dat jaar, William een jaar later, Mary kreeg een zenuwinzinking. ‘De schim van de kleine William Shelly komt te voorschijn achter de plataan rechts’, noteerde Holmes bij de door hem zelf gemaakte foto.
    Ik zag het ook.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Lijstjes maken

    Lijstjes maken

    Ik hou van lijstjes. En tegelijk zijn ze me een grote ergernis. Rond de decemberdagen noemen recensenten in hun krant de toppers van het jaar. En altijd zijn er bij die ik wantrouw omdat ik het gevoel krijg dat een boek gepusht moet worden. Maar ook altijd mis ik boeken op zo’n lijst.

    Een aparte vorm van lijstenmakerij is die waarin je zelf wordt gevraagd om de Top zoveel samen te stellen. Of om je op z’n minst het gevoel te geven dat je iets in te brengen hebt. Daarvan vielen me er de afgelopen maanden twee op, één die me blij maakte en één waarbij ik weer aan het mopperen sloeg. Kanttekeningen bij Hitler

    Ik begin met de laatste, zodat ik de lezer hopelijk aan het slot toch een goede nasmaak kan laten overhouden.

    Al eens de lijst voor boeken bekeken die voor de websitebezoeker van het VARA-programma De Meesterwerken is voorgekookt? Die lijdt aan het manco waardoor erg veel publieksprogramma’s smakeloos worden. In een oeverloze zucht om iedereen te behagen en vooral niet elitair over te komen wordt van alles in de grabbelton gegooid dat niet meteen in de ramsj is beland. Mij lijkt dat iedereen daarbij het gevoel moet krijgen dat het totaal de middelmaat is. Wie iedereen te vriend wil houden heeft het immers bij niemand meer echt warm.

    Het onderdeel Boeken is te vinden op http://programma.vara.nl/demeesterwerken/boeken. Ik geef toe dat er meesterwerken op de lijst staan, maar het is natuurlijk al vreemd dat 10 van de 25 voorgeselecteerde boeken van Nederlandse auteurs zijn. En dan niet eens van Multatuli. Of van Couperus.

    Ook al vind ik de meeste van die Nederlandse vertegenwoordigers op zichzelf de moeite waard, ik heb er toch moeite mee om in de strijd tussen Erik de Noorman en De gebroeders Karamazov om de hoogste eer een serieuze competitie te zien. En dan verzwijg ik nog maar dat Don Quichote niet eens aan de competitie mee mag doen. Net als Shakespeare.

    De tijd van verwonderingMaar genoeg ergernis. Soms gebeurt er ook iets moois. Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan zette het Historisch Nieuwsblad 250 geschiedenisboeken op zijn site (https://www.historischnieuwsblad.nl/beste-geschiedenisboeken/index.html) waaruit het publiek een Top 10 kan samenstellen. Het zijn er natuurlijk honderd keer meer dan bij De Meesterwerken en bovendien hebben die 250 ook nog eens een Bloedlandenverwantschap (de geschiedenis) die er voor zorgt dat je niet met een mand vol appels en peren zit, maar wat mij er vooral aan bevalt is dat het een ware speeltuin is. De lijst is allereerst niet bekrompen neerlandocentrisch, al kan ik wel een enkel boek aanwijzen dat ik, afgezet tegen de mondiale geschiedenis, wel wat licht van gewicht vind (Provo!), maar ook: ik herken een groot aantal boeken die ik niet snel zal vergeten. Kanttekeningen bij Hitler vond ik verbluffend, Doodgewone mannen bleef me (ook na herlezing) verbazen, Bloedlanden blies me van de sokken. En Tijd van verwondering: zelden een mooier boek over wetenschapsgeschiedenis gelezen.

    Maar misschien wel het mooiste van de lijst van 250: er staat zoveel op dat ik nog moet inhalen. Dat onrustwekkende gevoel ken ik mijn hele leven al wel, maar hier staan zoveel prachtboeken op een rij, dat ik er bijna blindelings op kan vertrouwen dat er mensen achter de lijst zitten die niet probeerden iedereen te vriend te houden, maar die werkelijk opkomen voor een overtuiging: ‘dit moet je lezen!’ Ik heb mijn stem op mijn tien voorkeuren uitgebracht. Dat zal ik bij De Meesterwerken niet doen.

  • Vakantierubriek 2014 – een persoonlijke top 3

    Zoektochten naar personen

    door Adri Altink

    Reizen kun je niet alleen fysiek, maar ook in je geest; onderzoekend. En misschien is wel het mooiste een combinatie van die twee: reizen in geografische zin en in de geschiedenis. Dat brengt me op drie boeken die mij erg veel leesgenot verschaften.

    Frans van Dooren (1934-2005) is vooral bekend als vertaler van Italiaanse literatuur. Daaronder de Divina Commedia van Dante. Van Dooren hield ook van fietsen en reizen. Zo ging hij onder andere per auto in tientallen tochten de gangen van Dante na. Waar zijn sporen van hem te vinden? Wat weten Italianen van hem en van zijn magnum opus? Verrassend veel soms, blijkt uit het lichtvoetige verslag van zijn rondreis Met Dante door Italië. Het verscheen in 2004.
    Verschenen bij Uitgeverij Ambo

    Richard Holmes, geboren in 1945 in Engeland, deed iets dergelijks, en deels te voet. Hij liep de sporen na van vier schrijvers uit de Romantiek: R.L. Stevenson, Mary Wollstonecraft, Shelley en Gérard de Nerval en deed er verslag van in Voetstappen, dat in 1986 in Nederlandse vertaling verscheen.Voetsporen
    Holmes schrijft zo invoelend dat de lezer de geportretteerden erg dicht nadert. Ondertussen kom je ook veel te weten over de problemen waar biografen tegenop lopen.
    Verschenen bij Uitgeverij Pandora

     

     

    Van veel recentere datum is Het been in de IJssel  van de Nederlandse journalist Joris van Casteren (geboren in 1976). Bij van Casteren speelt de nieuwsgierigheid op als in 2005 een onderbeen in de IJssel wordt gevonden waar lang onduidelijkheid over blijft bestaan. Het been in de IJsselVan wie is het? Zit er een moord achter? Een ongeluk? Is het verslag van Van Casteren, dat in 2013 verscheen, een reisboek? Het ligt niet voor de hand het zo te categoriseren, maar ik doe het wel. Het is het zelfs in dubbel opzicht. Van Casteren achterhaalt de weg die het been stroomafwaarts heeft afgelegd en maakt in de tweede helft van het boek een wandeltocht een tegengestelde richting. Prachtig.
    Verschenen bij Uitgeverij Prometheus