• Een stom gedicht

    Het was in de Renaissance een van de meest geliefde bezigheden van Leonardo da Vinci en Michelangelo: een partijtje artistiek worstelen om te bepalen welke kunstvorm het belangrijkst was. Schilderkunst, beeldhouwkunst, of toch de poëzie? Waarbij de laatste geen hoge oogen gooide, ondanks de vaak geciteerde Simonides, die poëzie een sprekend schilderij en een schilderij een stom gedicht noemde. Maar dit kon niet voorkomen dat de poëzie het aflegde tegen de beeldende kunsten. Zoals bij Leonardo, die de schilderkunst de ‘moeilijkste wetenschap’ noemde, ‘die met de meeste waarachtigheid de werken der natuur kon weergeven’.
    Ik moest aan deze wedijver tussen de verschillende disciplines in de kunsten denken, toen ik tijdens beeldhouwles aan een nieuw project begon. Het zou nu eens niet de zoveelste vrouwenfiguur worden, maar een kudde nijlpaarden in het water. Ik had zo’n  in brons gegoten kudde in de etalage van een kunstgalerie zien staan en was meteen verkocht.

    Nu valt het ‘waarachtig weergeven van de natuur’ in de praktijk tegen. Althans in mijn geval. Zelfs een prachtige foto van een kudde badende nijlpaarden van Frans Lanting als inspiratiebron mocht niet baten. Ik kon de klei maar moeizaam in het keurslijf dwingen dat ik voor ogen had. Mijn gedachten dreven regelmatig af en ik begon mezelf af te vragen waarom in de beeldende kunst de natuur zo opgehemeld wordt en in de geschreven kunst niet. Want laten we wel wezen, waar in de beeldende kunst de natuur de hoofdrol kan opeisen, is dat in de literatuur haast nooit het geval. De IJsbeer van François Pompon of De bedreigde zwaan van Jan Asselijn kent in de literatuur geen evenknie. Natuurlijk komt ook in boeken natuur voor, maar altijd in een bijrol, als achtergrond voor het verhaal van deze of gene mens. Ja, zelfs als je denkt dat in een boek natuur de hoofdrol speelt, zoals in Waterschip Down van Richard Adams, Animal Farm van George Orwell of Barkskins van Annie Proulx, blijkt die literaire natuur vaak niet meer dan een vrijbrief om het toch weer over de mens te hebben, in al zijn onhebbelijkheden.

    Nee, in literatuur is de natuur altijd bijzaak, dus waarom zou ik me daar zo druk om maken? Kon ik toch niet beter weer een menselijke figuur gaan maken? Terwijl ik aan het einde van de les mijn eerste poging nog eens goed bekeek begon ik een beetje mee te voelen met Simonides. Mijn eerste beeldhouwpoging van een kudde nijlpaarden was niet verder gekomen dan een stom gedicht. Maar ik geef het nog niet op. Want de waarachtigheid in de natuur wil ik blijven zoeken. Volgende week is er weer een les. Eens kijken of ik dan wat poëzie uit de klei kan halen.

     

     

     

  • Stoorzenders

    Stoorzenders

    Het is makkelijk om cynisch te doen over hoe mensen reageren op het overlijden van sterren. Ook ik ben niet onschuldig: de hysterische berichten over het overlijden van het ene na het andere muzikale kanon irriteren me, de wedstrijd om het hardst schreeuwen hoe vreselijk 2016 was vind ik dodelijk vermoeiend. Tegelijkertijd snap ik het mechanisme heel goed, ik doe het zelf ook. Op de radio klinkt het nieuws van Richard Adams’ overlijden, ik hoor het tijdens de Top2000. Direct wordt er een stukje uit Bright Eyes gedraaid, de door Art Garfunkel gecomponeerde soundtrack van Watership Down – u weet wel, de wereldberoemde, nachtmerrieachtige verfilming van Adams’ bekendste boek. Het gaat bij de berichtgeving over zijn overlijden op de radio dus niet zozeer om Adams zelf, maar om de ‘oorwurm’ die zijn roman opleverde. Dat stoort me: ik vind het een prachtig nummer, een geweldige film, Adams een briljante schrijver die zoveel meer was dan alleen die schrijver van dat konijnenverhaal.

    Er is nog een boek van zijn hand verfilmd, The Plague Dogs. Jaren geleden stuitte ik op de titel in een blog over de meest duistere tekenfilms ooit gemaakt. Ik zocht de film op, bestelde het boek en inderdaad: het verhaal over Rowf en Snitter, twee honden die uit een dierproevencentrum ontsnappen en worden opgejaagd omdat buurtbewoners bang zijn dat ze de pest bij zich dragen, is een van de zwaarste dingen die ik ooit tegenkwam. Adams was niet vies van moralisme, bij zowel Watership Down als The Plague Dogs ligt het er behoorlijk dik bovenop allemaal. De pas verschenen film I, Daniel Blake is ook zo’n recht-in-je-gezicht-voorbeeld: vanaf de eerste minuut is al duidelijk hoe het gaat aflopen en de achterliggende gedachte wordt vet en met uitroeptekens in het gezicht van de kijker gesmeerd. Wegkijken is geen optie. Het werkt uitstekend.

    Dat geldt ook voor de verhalen van Richard Adams en voor de verfilmingen ervan. In een tijd waarin kunst zo subtiel mogelijk moet zijn, alles tussen de regels moet gebeuren en ‘moraal’ een vies woord is, vond ik het heel inspirerend om werk tegen te komen dat volledig in dienst staat van wat de maker ermee wil zeggen – zeker als die boodschap zo urgent is. Richard Adams werd 92 jaar, een mooie leeftijd voor een inspirerend schrijver. Ik zal er geen traan om laten, maar het raakt me wel. Daar is makkelijk cynisch over te doen. Maar waarom zou ik? Misschien voelen we ons graag verbonden met de wereldberoemden, of met het drama, misschien hangen we onze kleine levens graag op aan dat van de groten. Is dat erg? Ik weet het niet. Wie zegt wanneer een reactie oprecht is – of terecht? Wanneer eigen je je een dood toe en wanneer overtreed je daarmee de regels? Wie bepaalt die regels eigenlijk? Muzikanten eer je door naar hun muziek te luisteren, acteurs door het (her)zien van hun mooiste films, schrijvers eer je door te lezen. Ik pak The Plague Dogs uit de kast en wapen me voor wat komen gaat.