• Een antikrimi

    Een antikrimi

    Wat een opluchting om eens een misdaadverhaal te mogen lezen zonder schreeuwerige cover of LITERAIRE THRILLER in koeien van letters op de kaft. En wat een heuglijk nieuws: le nouveau Dürrenmatt est arrivé, nadat eerder al De verdenking in het Nederlands verscheen. Als u deze Duitstalige Zwitserse auteur (1921-1990) nog niet kent, en u leest bijvoorbeeld wel eens graag een Maigret, dan kunnen we hem van harte aanbevelen.

    De verwijzing naar Maigret is niet toevallig: Georges Simenon en Friedrich Dürrenmatt waren ongeveer in dezelfde periode actief, en ook al was de productie van de Zwitser veel bescheidener dan die van zijn Belgische vakgenoot, toch is het opvallend hoe beide heren graag misdaadverhalen schreven waarin de psychologische ontwikkeling van de personages centraal stond en het er nou niet echt toe doet wie de misdaad pleegde. Ze hanteerden daarvoor een afgemeten, uitgebeende stijl zonder overbodige franjes. De meeste van Dürrenmatts personages zijn zwijgzame mannen – het moet gezegd: vrouwen zijn, anders dan bij Simenon, grotendeels afwezig in dit boek. Ze worden getypeerd door hun handelingen en door kleine details; eigenlijk gunt de verteller de lezer maar zelden een blik in hun hersenpan. Typerend is een omschrijving als ‘een dik, pafferig, niet onmarkant maar enigszins simpel gezicht boven een elegante smoking.’

    De rechter en zijn beul speelt zich kort na de Tweede Wereldoorlog af. In het Zwitserse dorp Twann wordt in een auto aan de kant van de weg het lijk aangetroffen van Ulrich Schmied, politie-inspecteur van de stad Bern. Het onderzoek naar de moord wordt gevoerd door commissaris Bärlach, Schmieds superieur, een ‘oude man’ die ernstig ziek is en behoorlijk cynisch en levensmoe overkomt. Hulp krijgt hij van Tschanz, een jonge ambitieuze collega (en dat was nog geen cliché toen Dürrenmatt dit boek schreef). Het spoor leidt al snel naar een mysterieuze rijke man die chique feestjes voor kunstenaars, industriële en notabelen uit het binnen- en buitenland organiseert, maar het onderzoek wordt op alle mogelijke manieren gedwarsboomd door machtige hoogwaardigheidsbekleders.

    In tegenstelling tot wat u uit de voorgaande beschrijving zou kunnen opmaken, is De rechter en zijn beul geen lineair, conventioneel misdaadverhaal dat naar een logische ontknoping leidt. Al op bladzijde 12 zegt Bärlach zijn chef bijvoorbeeld in bedekte termen dat hij eigenlijk al weet wie de moord pleegde. Een whodunit is dit boek dus eigenlijk niet, veeleer een onderzoek naar de aard van het kwaad. De beklemmende film-noirsfeer van het boek, met veel regen en scènes in het donker, draagt daar zeker toe bij. Memorabel is vooral de magistrale scène van Schmieds begrafenis: ‘Maar toen de mensen om het graf van hun verbijstering waren bekomen en kwaad wilden worden om het incident, en toen de stadsmuzikanten, om de plechtigheid te redden, weer wanhopig begonnen te blazen, groeide de regen aan tot zo’n de taxussen geselende storm dat iedereen van het graf wegvluchtte; alleen de doodgravers bleven achter, zwarte vogelverschrikkers in het geloei van de wind, in het gekletter van de wolkbreuken, en ze deden hun best de kist eindelijk te laten zakken.’ Ook de krachtmeting van Bärlach en zijn aartsvijand, die niet met wapens, maar met verbaal vuurwerk wordt beslecht, zal de lezer zeker bijblijven (‘Slechts één gedachten had hem jarenlang beheerst: de man vernietigen die nu in deze kale, grijze ruimte aan zijn voeten lag, door het omlaagvallende gips als met lichte, spaarzame sneeuw bedekt’).

    Volgens het nawoord van Gerhard P. Knapp worden de conventies van het misdaadgenre in dit boek bewust doorbroken omdat de auteur zijn afwijzing van de logische, lineaire opbouw van de politieroman (en dus waarschijnlijk bij uitbreiding van de werkelijkheid) wilde uiten: de literatuur moet de lezer dwingen tot confrontatie met een poly-interpretabele werkelijkheid. Vandaar wellicht het dubbele slot van het boek: na de eerste, vermeende ontknoping volgt de échte oplossing van het mysterie, als er tenminste al sprake kan zijn van een echte ‘oplossing’. In zekere zin hebben we hier dus te maken met een antiroman, of beter gezegd, een antikrimi. Kortom, De rechter en zijn beul is een aanrader, zelfs als u niet dol bent op het misdaadgenre, want dit boek overstijgt het genre ruimschoots.

  • Oogst week 23

    Aan een onbekende god

    Hoofdpersoon Joseph Wayne vertrekt naar de Salinas Vallei in Californië, een streek met een overweldigend mooie natuur waar auteur Steinbeck als kind zelf heeft gewoond. Onder de grote eikenboom bouwt hij een huis. Joseph verbeeldt zich dat de geest van zijn vader in de boom woont. Ook zijn broers komen naar de boerderij. Alles gaat voorspoedig, totdat de regen uitblijft. Zal Joseph ondanks de droogte trouw blijven aan zijn land? Ook als hij daarvoor een hoge prijs moet betalen? ‘Een intense en zintuiglijke roman vol natuurbeleving en mystiek.’

    Uitgeverij Bint bestaat nog geen jaar, maar heeft mooie plannen. In de reeks Bint Klassiek verschenen eerder de romans De kern van de zaak van Graham Greene en Thérèse van François Mauriac. Daar is nu dus Aan een onbekende god bijgekomen van John Steinbeck. De reeks zal worden uitgebreid met titels van o.a.Stefan Zweig, Isaac Bashevis Singer en Czesław Miłosz.

    Aan een onbekende god
    Auteur: John Steinbeck
    Uitgeverij: Uitgeverij Bint

    Geen kunst

    Peter Esterházy (1950-2016) is een van de belangrijkste hedendaagse Hongaarse literaire auteurs. Maar volgens hem was hij ‘allereerst voetballer en pas daarna schrijver’. Hij had het van geen vreemde. Zijn vader voetbalde, een van zijn broers kwam uit voor het Hongaarse elftal en over zijn moeder zei hij: ‘Voetbal is haar hele leven, in het hoofd van mijn moeder heeft de wereld de vorm aangenomen van een voetbalveld.’

    In Geen kunst brengt hij zijn gestorven moeder tot leven. Hij gaat met haar het gesprek aan, over voetbal, over het gezin en over Hongarije in de jaren vijftig. Steeds vertelt ze nieuwe verhalen.

    Peter Esterházy is vooral bekend geworden met zijn postmoderne familiekroniek Harmonia Caelestis (2000), twee jaar nadat zijn vader was gestorven. Het moest een ode zijn, maar in het jaar dat zijn boek verscheen ontdekte hij dat zijn vader vanaf 1957 informant was geweest voor de Hongaarse geheime dienst en dat hijzelf door zijn vader was bespioneerd.

    Geen kunst
    Auteur: Péter Esterházy
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    Ongebaande paden

    Sylvain Tesson is een man die van extremen houdt en daar over schrijft. In Zes maanden in de Siberische wouden beschrijft hij hoe het is om als kluizenaar te leven, in een hut bij het Baikalmeer midden in het Siberische bos. In Berezina, met Napoleon in de zijspan volgt hij op de motor het winterse, terugtrekkende spoor van Napoleon en zijn Grande Armée nadat het, dan exact 200 jaar geleden, door tsaar Alexander I is verslagen.

    Een van die avonturen kostte Tesson bijna het leven. Hij beloofde zichzelf dat hij dwars door Frankrijk zou gaan lopen als hij voldoende zou herstellen. Dat deed hij en in augustus 2015 begon hij in het uiterste zuidoosten van Frankrijk aan een wandeling die hem ver wegbracht van de bewoonde wereld en onze alomtegenwoordige technologie. Zijn tocht voerde, door de zelfopgelegde restrictie dat hij alleen over onverharde wegen mocht lopen, dwars door de ongerepte natuur, over soms nauwelijks begaanbaar terrein en langs barre uithoeken. Een kleine drie maanden later eindigde zijn voetreis aan de noordwestkust.

    Ongebaande paden
    Auteur: Sylvain Tesson
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    De familie Mann

    De familie Mann is het tragische verhaal van een gezin dat volledig wordt beheerst door de literaire roem van de vader, Thomas Mann. Maar in De familie Mann draait het echt om de familie Mann. Niet allèèn maar over de beroemde schrijver uit het gezin.

    Aan een familie wordt het staatsburgerschap ontnomen. “Onwaardig om Duitsers te zijn’”schrijven de kranten. In december 1936 worden de Manns beschouwd als “schadelijke elementen in de samenleving”. De familie woont dan drie jaar in het buitenland. Drie jaar heeft Thomas Mann geaarzeld en geweifeld, nu heeft hij eindelijk “zijn hart gewassen” zoals hij het noemt, zich openlijk uitgesproken voor de emigratie en zich daarmee tegen het Hitler-regime gekeerd. Zijn familie heeft reikhalzend uitgezien en op hem ingepraat, agressief zoals dochter Erika, duidelijk zoals zoon Klaus, of zacht en beslist zoals zoon Golo en echtgenote Katia.

     

    Auteur: Tilmann Lahme
    Uitgeverij: uitgeverij De Arbeiderspers
  • Geen tijd gehad om te schreeuwen

    Geen tijd gehad om te schreeuwen

    ‘Altijd wanneer de zondag, zoals vader zei, aan de hemel verscheen, vond vader de splinters in zijn soep’. De zin is de opening van Het lied van het marcheren, een verhaal van amper drie pagina’s. Een poging om het ‘samen te vatten’ kan gemakkelijk uitlopen op meer woorden dan het verhaal zelf telt. Jaarlijks tijdens een feest bij tante zingen de mannen, die allemaal hebben gevochten in de oorlog. Zodra het donker wordt laten ze met trillende stem het lied horen dat hen bindt: het lied van het marcheren. Hun vrouwen luisteren huilend. Op elk volgend feest zijn er weer minder mannen over om mee te zingen. Tot de laatste is gestorven. Op het feest dat dan volgt zetten de vrouwen, zodra het weer donker wordt, de bandrecorder aan en klinkt ‘het lied van het marcheren’.
    Eigenlijk is het niet eens een verhaal. Het is meer een impressie door de ogen van de dochter.

    De heruitgegeven bundel Barrevoetse februari (eerder in vertaling verschenen in 1987) van Herta Müller telt 27 stukken. Er zijn er bij van nog geen halve pagina en een enkel verhaal haalt bijna de 30. Maar in zekere zin zijn ze allemaal kort. En kaal. Müller houdt van emotieloze, louter registrerende taal. Het zijn staccato zinnen, kil bijna, die zorgen dat tragiek des te dieper doordringt.

    Meteen al in het tweede stuk, De grote zwarte as, ontvouwt zich een veelheid aan indrukken van een afgelegen dorp door de ogen van een jong meisje. In haar verbeelding, gevoed door oude verhalen, draaien de gestorvenen onder de aarde aan de grote zwarte as die het leven voortwentelt tot onherroepelijk de volgende sterft. Verder wordt er het zwijgen toe gedaan. Het dorp loopt uit voor zigeuners die een toneelvoorstelling – er is duidelijk de legende van Genoveva van Brabant in te herkennen – komen geven, maar ze worden met achterdocht bejegend omdat ze stelen, zelfs kinderen. De rode kip is al zoek en de jurk die de actrice draagt zal ook wel gestolen zijn.
    Het jonge meisje wordt door de moeder op pad gestuurd om een ketting te laten repareren bij de smid en haar wandeling naar hem toe suggereert ons verschillende verzwegen geschiedenissen. Kijkend naar de toneelvoorstelling raakt ze haar ketting kwijt. Aan de lezer dringen zich ondertussen parallellen op tussen de legende en het verhaal dat we lezen.
    Zo wordt in nauwelijks 20 pagina’s de beklemmende sfeer van het dorp geschetst, zonder dat Müller sentimenten opdringt.

    Dezelfde benauwing stijgt op als Müller vertelt over het vertrek van een zoon naar de oorlog. Tegen de wil van de beide ouders, die echter niet het vermogen hebben hun vrees voor een fatale afloop met elkaar te delen.
    Of in de gedachten van een vrouw die bij het graf van haar grootmoeder haar zwangerschap overdenkt.

    Alle boeken van Müller zijn niet los te zien van de achtergrond waarin zij als kind opgroeide, als lid van Duitse minderheid in een Roemeens dorp onder de communistische dictatuur. Het leven was er sober en je moest op je woorden passen. Ze studeerde Germanistiek en Roemeens, maar werkte in een machinefabriek. Daar werd ze ontslagen omdat ze weigerde met de Securitate samen te werken. In Roemenië kreeg ze al snel een publicatieverbod.
    In Nederland bleef ze lang tamelijk onbekend. Haar Barrevoetse februari werd door De Geus in 1987 uitgegeven, gevolgd door drie romans, maar ze bleef een onbekende voor het grote publiek. Dat veranderde toen ze in 2009 de Nobelprijs voor Literatuur won. Boeken als Ademschommel en de bijtende essaybundel De koning buigt, de koning moordt maakten op een groter wordende kring lezers diepe indruk.

    Vaste thematiek in alle stukken is het leven van gewone mensen onder druk van een dictatuur. De verhalen kennen steeds uitgebeende zinnen waarin de schrijfster van de hak op de tak lijkt te springen, maar die een consistent verhaal opleveren over een kleine Duitse gemeenschap in een Roemeens dorp rond de Tweede Weereldoorlog. Wat er precies gebeurde weten we niet uit dit boek – Müller geeft alleen impressies zonder erg concreet te worden – maar uit de andere boeken en het leven van Herta Müller zelf.

    Opvallend is hoe vaak de schrijfster werkt met repeterende zinnen en associatieve sprongen. Dat maakt sommige stukken moeilijker toegankelijk dan andere. Het titelstuk Barrevoetse februari bijvoorbeeld: ‘Dit is de tijd vlak na de dood van een vriend.
    De lange reis was een spoorlijn, het ijzer van de instanties. De coupé reed. Het raam joeg beelden voor zich uit. Alleen zijn kaakbeen was stukgeslagen. Alleen zijn blik bevroren van de kille verhoren. Alleen zijn brieven en gedichten naakt en uitgelachen.’
    Waarover gaat dit feitelijk? Müller noemt geen naam, geen datum, geen arrestatie. Maar het intense verlies en de repressie zijn voelbaar.

    Tussen de merendeels barse taal duiken soms plotseling poëtische beelden op. Hoe prachtig wordt niet de ontheemdheid (in Müllers werkelijke leven is die er als lid van een Duitse minderheid in Roemenië) neergezet in één zin: ‘Wat is dat voor een land, dat aan je vingers rukt, als je je koffer optilt’. Of in het laatste verhaal: ‘Aangekomen en er niet zijn’.
    En zie het schitterende beeld van de jager die met een veer van een wild hoen op zijn hoed huiswaarts keert. Het verhaal beslaat maar twaalf regels waarvan de laatste drie: ‘De veer staat zo stil dat het is alsof het wilde hoen, in de struiken van het bos of in het vlakke veld, midden in een zomer geen tijd meer heeft gehad om te schreeuwen’.

    Lezers, die houvast zoeken in concrete feiten, zullen vaak op bijna hermetische teksten stuiten. Voor hen schrijft Herta Müller niet. Ze legt geen verklaringen af maar slaat des te harder toe door alles kaal te houden.

     

     

  • Recensie: Wij doden Stella – Marlen Haushofer

    Recensie door: Carolien Lohmeijer

    Vorig jaar verscheen bij Van Gennep het boek De wand, de fascinerende roman van de Oostenrijkse schrijfster Marlen Haushofer. Wij doden Stella verscheen in Oostenrijk in 1959, De wand verscheen vier jaar later en in Nederland pas in 1988.

    Net als De wand is Wij doden Stella een boek dat je grijpt. Haushofer schrijft heel direct en maakt niks mooier dan het is.

    Mooi is het ook niet wat er in deze novelle gebeurt. Als haar echtgenoot een weekend met de kinderen bij zijn moeder logeert, maakt Anna, de ik-persoon, van de gelegenheid gebruik om haar herinneringen van zich af te schrijven. ‘Ik wilde ook helemaal niet over die ongelukkige vogel schrijven, maar over Stella. Ik moet over haar schrijven voordat ik haar ga vergeten. Want ik zal haar moeten vergeten als ik mijn oude kalme leven weer wil oppakken.
    Want dat is wat ik echt graag zou willen, in alle rust kunnen leven, zonder angst en zonder herinnering. Voor mij is het voldoende om net zoals vroeger mijn huishouden te doen, de kinderen te verzorgen en uit het raam de tuin in te kijken.

    Dan schrijft ze het verhaal op van het meisje Stella dat tijdelijk bij hen in huis komt wonen, een verhouding begint met haar echtgenoot om vervolgens door diezelfde echtgenoot verstoten te worden en omkomt door een auto-ongeluk.

    Ze schrijft genadeloos eerlijk. Als een alwetende verteller observeert, analyseert en ontleedt ze haar gezinsleden. Ze is daarin keihard. Ze denkt precies te weten hoe iedereen in elkaar zit en waarom iedereen doet zoals ze doen. Ook zichzelf spaart ze niet. Ze is niet gelukkig en wordt gefrustreerd door haar onvermogen om het heft in eigen hand te nemen en haar leven zinvol in te richten. Gesproken wordt er nauwelijks in het gezin. Ieder gaat zijn gang. En iedereen lijkt vrede te hebben met deze verstikkende harmonie.

    Als één van de thema’s van Marlen Haushofer wordt vaak o.a. de ondergeschikte rol van de vrouw binnen het huwelijk genoemd. De rol van de vrouw is in al die jaren na de eerste publicatie van haar boeken wel verbeterd. De lezer van nu zal daarom haar boeken met andere ogen lezen dan die van 50 jaar geleden. Het is zelfs denkbaar dat de moderne lezer misschien zelfs enige irritatie voelt over de defaitistische houding van Anna.

    In zowel Wij doden Stella als De wand gaat het om een vrouw in een isolement. In het eerste boek zit ze gevangen in zichzelf en in een gezin, in De wand zit ze gevangen in haar omgeving maar is helemaal alleen. Het grote verschil is dat ze in De wand ondernemend is en onafhankelijk en daardoor, ondanks haar eenzaamheid, gelukkig kan zijn. In Wij doden Stella heeft ze te weinig omhanden en wordt ze voornamelijk gekweld door haar gebrek aan daadkracht.

    De manier waarop Haushofer die kwelling beschrijft is aangrijpend. Ze grijpt je bij je kladden en laat je niet meer los. Ook niet als je het boek al uit hebt.

    Wij doden Stella

    Auteur: Marlen Haushofer
    Vertaald door: Ria van Hengel (hernieuwde vertaling)
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Prijs: € 9,90

  • Op zichzelf aangewezen

    Op zichzelf aangewezen

    Zij vertrekt met een bevriend echtpaar voor een weekend naar de bergen. Het echtpaar gaat ‘nog even naar het dorp’ maar komt niet meer terug. Als de vrouw de volgende ochtend samen met de hond op onderzoek uitgaat ontdekt ze dat er een onzichtbare wand staat tussen haar en de bewoonde wereld. Zij kan nog net zien dat in de bewoonde wereld al het dierlijk en menselijk leven dood is, versteend.

    Het is geen stolp die over haar heen geplaatst is want het weer en de seizoenen blijven. Het regent, de zon schijnt, er breekt onweer uit en het sneeuwt. Ook de temperaturen blijven als in normale seizoenen.

    Gelukkig heeft zij de hond. En een huis dat in ieder geval voor de eerste tijd goed bevoorraad is. Ook ‘vindt’ zij een koe die van onschatbare waarde is want nu heeft zij ook melk. Als na een tijdje ook een kat komt aanzetten is het eigenaardige huishouden compleet.

    Veel tijd om zich druk te maken om het oneigenlijke van de hele situatie gunt de vrouw zich nauwelijks. Zij begint meteen met overleven. Ze vraagt zich in de loop van het verhaal wel zo nu en dan af wat er gebeurd kan zijn, en hoe het met haar kinderen is – dat weet ze eigenlijk wel -, maar ze neemt de situatie voornamelijk als een ‘fait accompli’. Op momenten dat het haar toch te kwaad wordt, gaat ze enorm aan de slag: …’Ook toen kwam er van de rustpauze niet veel terecht. Zo ging het steeds. Terwijl ik me afbeulde, droomde ik van stil en vreedzaam uitrusten op de bank. Maar zodra ik dan eindelijk op de bank zat, werd ik onrustig en keek ik uit naar nieuw werk. Dat kwam geloof ik niet voort uit grote ijver, ik ben van nature nogal lui, het was waarschijnlijk zelfbescherming, want wat zou ik tijdens die rust anders hebben gedaan dan in herinneringen verzinken en piekeren. En dat was precies wat ik niet moest doen, dus wat restte mij anders dan doorwerken?’

    Tegen beter weten in blijft ze in het begin toch ook nog hopen op een einde van de situatie: dat ze nog gevonden zou worden.

    Een enkele keer wordt ze moedeloos …’Ik had veel enerverende ervaringen achter de rug en nu was ik moe. Ik lag op de bank en als ik mijn ogen dicht deed, zag ik sneeuwbergen aan de horizon en witte vlokken die in een grote lichte stilte op mijn gezicht neerdwaalden. Er waren geen gedachten, geen herinneringen, er was alleen maar dat grote stille sneeuwlicht. Ik wist dat dit een gevaarlijk beeld was voor een eenzaam mens, maar ik kon de kracht niet opbrengen me ertegen te verzetten.’ 

    Maar uiteindelijk legt ze zich bij de situatie neer en accepteert dat dit het voortaan is. Vanaf dat moment droomt ze ook niet meer over mensen maar over dieren. En zijn er momenten dat ze echt kan genieten van haar leven.

    Om toch enigszins mens te blijven gaat ze schrijven en streept ze de dagen af in een agenda. Toch is het boek geen dagboek. Ze vertelt zelf het verhaal. Het gaat over het heden, ze blikt terug en loopt ook op gebeurtenissen vooruit. Zo weet je aan het begin van het boek al dat de hond dood zal gaan, wat pas in de laatste pagina’s gebeurt. ‘Soms, als ik nu alleen in het winterse bos loop, praat ik net als vroeger tegen Luchs. Ik weet niet eens dat ik het doe, tot ik ergens van schrik en mijn mond houd. Ik draai mijn hoofd om en zie een roodbruine vacht schemeren. Maar het pad is leeg, kale struiken en natte stenen. Het verbaast me niet dat ik nog steeds de dorre takken achter mij hoor kraken onder de lichte tred van zijn voetsporen. Waar zou zijn kleine hondenziel anders rondspoken dan in mijn spoor? Het is een vriendelijk spook en ik ben er niet bang voor. Luchs, mooie brave hond, mijn hond, waarschijnlijk is het gewoon mijn eigen arme hoofd dat het geluid van jouw stappen maakt en het schijnsel van je vacht. Zolang ik besta, zal je mijn spoor volgen, hongerig en vol verlangen, net zoals ik zelf hongerig en vol verlangen onzichtbare sporen volg. Geen van beiden zullen we ooit onze prooi te pakken krijgen.’

    Soms is het net alsof je de tekenaar Escher leest. ‘Op de vijfde dag na het onweer brak eindelijk de zon door de witte nevelsluiers. Toen was ik nog tamelijk mededeelzaam en maakte ik dikwijls aantekeningen. Later worden ze schaarser en dan zal ik op mijn herinnering aangewezen zijn.’ Je begint een zin of een alinea die op een manier eindigt wat taalkundig helemaal niet kan. Maar dat stoort geenszins. Het leest allemaal heel logisch.

    Informatie over haar vorige leven krijg je maar mondjesmaat. Ze vertelt een paar keer over haar dochters. Hoe moeilijk ze het vond toen die de kinderleeftijd ontgroeid waren en slechts één keer schrijft ze iets over haar echtgenoot, maar niet meer dan één of twee regels.

    Het boek gaat over haar en haar kwetsbaarheid, over haar gedachten en over de verhouding tot haar dieren: … ‘en zoals altijd bij slecht weer moest ik aan de kat denken. Goed, ze had dat vrije leven zelf gekozen. Maar had ze dat echt, ze kon toch helemaal niet kiezen. Ik zag niet zoveel verschil tussen haar en mij. Ik kon dan wel kiezen, maar alleen met mijn hoofd en dat betekende voor mij bijna hetzelfde als helemaal niet. De kat en ik, we waren uit hetzelfde hout gesneden en we zaten in hetzelfde schuitje, dat met alles wat leefde op de grote duistere ondergang afstevende. Als mens had ik de eer dat te beseffen, zonder er iets tegen te kunnen doen. Welbeschouwd was dat een twijfelachtig geschenk van de natuur.’

    Eigenlijk gebeurt er weinig in dit boek. En toch blijf je gefascineerd lezen. Misschien komt dat omdat er juist zo veel in het boek gebeurt: het wordt zomer, ze moet hooien en houthakken, de koe moet gemolken, het onweert, het wordt winter en het gaat sneeuwen, ze moet vissen, jagen, aardappels oogsten, de koe helpen kalveren, het vuur aanhouden, mest scheppen, bonen plukken, wild slachten enzovoort, enzovoort, enzovoort.

    Als je eenmaal in dit boek begint, is het moeilijk het weer weg te leggen. En doe je dat toch, dan blijft de thematiek je bezighouden. Daarnaast staat De wand vol prachtige zinnen en alinea’s die je voor je plezier herleest.

    Haushofer (1920-1970) is één van de grote schrijfsters uit de Oostenrijkse literatuur. De wand verscheen voor het eerst in 1963 en wordt over het algemeen beschouwd als een hoogtepunt in haar oeuvre. In 1988 is de roman voor het eerst in Nederland verschenen. Ria van Hengel heeft haar vertaling voor deze nieuwe uitgave volledig herzien.