• Het zoeken naar de juiste context

    Het zoeken naar de juiste context

    De verzuimcoördinator van Nicole Montagne is een bundeling korte verhalen en essays waarin bedrog een grote rol speelt maar de hoofdrol is weggelegd voor de leegte; het ontbreken van iets of iemand. Het boek is onderverdeeld in drie delen: ‘De blinde kaart’, ‘Wijkende plaatsen, verdwenen tijden’ en ‘Een ander perspectief’. Drie afdelingen die respectievelijk gezien kunnen worden als: Bekomen van het bedrog; Herschikken van herinneringen; Nieuwe inzichten verwerven.

    De insteek voor deze bundeling is het bedrog van haar levensgezel die door schulden gedreven met onbekende bestemming haard, huis en kinderen verlaat. Na de ontsteltenis en woede laat Montagne haar leven opnieuw de revue passeren, op zoek naar sporen van bedrog en verdoezeling van feiten. Wanneer begon het en hoe zag het eruit? Dat zijn de vragen die haar bezighouden, alsook het fenomeen liegen, ze wil erachter komen wat iemand drijft om niet de waarheid te vertellen. ‘Liegen is in wezen doodeenvoudig. Maar stop! Hier stuit ik op een grens. Liegen is eenvoudig voor degene die dit kan.’

    Onderzoekende beschrijvingen

    Een boek over een verbroken relatie kan, als je niet oppast, al gauw een afrekening worden. Denk aan het boek Privédomein (2014) van Ingrid Hoogervorst, dat zij schreef nadat haar man Atte Jongstra haar nogal cru de liefde had opgezegd. Nicole Montagne echter is helder en onderzoekend in haar beschrijvingen en verzinkt niet in zelfmedelijden. Elk verhaal of essay begint met een persoonlijke beleving of waarneming.

    ‘Het koffiehuis’ begint met herinneringen aan de dagelijkse bezoeken aan verschillende koffiehuizen in Praag toen ze daar in de jaren tachtig voor een stage verbleef. Ze beschrijft hoe ze in het ene koffiehuis zat te schrijven of Tsjechische woorden leerde. In een ander koffiehuis, Slavia, hadden de schrijvers Jaroslav Seifert, Kafka en Havel nog gezeten. In dat koffiehuis ziet ze ook het schilderij De absintdrinker van de kunstenaar Viktor Oliva. Ze beschrijft het schilderij:

    ‘Een man steunt met beide ellebogen op het ronde tafelblad. De man lijkt op Rilke. Hij houdt zijn gezicht tussen zijn handen geklemd. Naast hem liggen zijn hoed en een opengeslagen krant. De overheersende kleuren in dit schilderij zijn bruin, grijs, wit en groen. Groen is ook de naakte vrouw met het opgestoken haar die haar billen, we zien haar ruggelings, op de tafel van de cafébezoeker heeft gevlijd.’ Het schilderij hangt er overigens nog steeds en een deel van het schilderij siert de cover van het boek.

    Vertrek als aanwezigheid

    Via haar dwalende gedachtegangen acht ze het zeer plausibel dat de man op het schilderij wel eens echt Rilke zou kunnen zijn: ‘hij heeft Slavia met enige regelmaat bezocht en was een tijdgenoot van Viktor Oliva.’ Om dan een ogenblik  te wijden aan de hoogleraar Slavistiek Angelo Maria Ripellino (1923-1978), die in zijn boek Magisch Praag het over Rilke en zijn relatie met de stad Praag heeft. Waarna ze weer terugkeert naar zichzelf en de leegte van de koffiehuizen in de avonduren.

    Vier van de eenendertig in De verzuimcoördinator opgenomen stukken zijn eerder verschenen in literaire tijdschriften. ‘De verborgen plek in huis’, verscheen eind 2017 in de Revisor en is hier in het eerste deel opgenomen. Daarin vertelt ze hoe het bedrog, na het vertrek van haar man, als een aanwezigheid in haar huis is achtergebleven. ‘Waar in huis bevond zich deze plek? (…) je kunt achteraf niet zoeken naar wat nu is verdwenen.’

    Ergens aankomen

    Montagne beschrijft met een zekere nuchterheid – soms is een onderdrukte woede voelbaar – hoe het bedrog haar leven veranderde. In retrospectief werd haar leven totaal anders dan ze gedacht had. Ze maakt de vergelijking met de ontdekkingsreiziger Columbus, die dacht dat hij Indië had bereikt maar Amerika ontdekte. ‘Hij was wel degelijk ergens aangekomen. Alleen niet op de plek waar hij dacht.’

    Ook Montagne is ergens anders uitgekomen dan waar ze aanvankelijk dacht te zullen uitkomen. Het pad dat ze heeft afgelegd kan ze niet teruggaan. Wel is het haar gelukt, zo schrijft ze in een van haar essays, om haar leven in een andere context te plaatsen. Met haar onderzoekende geest, en door feiten en herinneringen te hergroeperen, schreef zij zichzelf weer ‘“binnen” (…) in mijn eigen levensgeschiedenis’. Mooier kon ze het niet zeggen.
    De verzuimcoördinator is een sterke bundeling essayistische miniatuurtjes die bij herlezing – net als bij het meerdere keren aanschouwen van een geschilderd tafereel – steeds een ander aspect onthult en daarmee de werkelijkheid van een andere context voorziet.

     

     

  • Campert-nummer

    Campert-nummer

    Volgend jaar wordt de dichter negentig. Een gedenkwaardige leeftijd die dit jaar met het verschijnen van zijn biografie gevierd wordt als een voorschot op de dood. Die biografie had ik als Campertadept al in huis moeten hebben. Maar dat heb ik niet. Ik behoed mezelf voor ontluistering door me de inzage in het leven van een dichter die we op een voetstuk hebben geplaatst, vooralsnog te ontzeggen. Afstand is een mooi ding in de literatuur, verhalen en gedichten zijn de ontmoetingsruimte voor lezer en auteur. Pas als de dichter niet meer leeft, wil ik (denk ik) misschien wel, in de loop van de tijd, alles van hem weten. Ik geloof wel dat Mirjam van Hengel een liefdevol boek heeft geschreven, gezien haar boek over het leven van de dichter Leo Vroman. Daar ligt het niet aan. Struisvogelpolitiek mijnerzijds, dat is het. Een biografie omvat een afgesloten leven; Campert is nog niet klaar met leven. Er kan nog wat komen. Je weet het nooit met Campert.

    Voor nu stel ik me tevreden met het literaire tijdschrift Revisor, Het Campert-nummer. Een mooi nummer met vele knipoogjes naar Campert. Astrid Lampe maakte een ‘Campert sample’ die geheel bestaat uit regels uit Dichter, Remco Camperts verzamelde gedichten uit 2015. Dean Bowen maakte een gedicht dat bestaat uit de laatste regels van diezelfde verzamelbundel. Ze konden met zijn regels doen wat ze wilden (ze naast elkaar zetten, achter elkaar, onder of door elkaar) het blijven Camperts regels.
    Het personage Boelie (Het leven is vurrukkulluk) is gerecycled tot een dj, door Daan Heerma van Voss neergezet in een treffend verhaal over een rondleiding door de stad van de dichter. De bijdrage van Camperts vertaler Donald Gardner gaat over zijn kennismaking met de dichter en zijn vrouw. Hij haalt fragmenten aan die volgens hem, (en daar sluit ik mij geheel bij aan): de kern des dichters dichterschap bevatten: Op straat lopen lezen / dat zie je niet zo vaak meer. / Als ik het nog eens doe / loop ik in het verleden…

    Hoe de jongere generatie zich tot de dichter verhoudt, daar schrijft Roos van Rijswijk over. Na het lezen van (het ongecorrigeerde manuscript) Een knipperend ogenblik heeft ook zij last van het ontmythologiseren van de dichter: ‘Dat ik dan weet welke leeftijd hij had toen zijn moeder zakdoekjes rond zijn bed vond,…’. Ze kent de dichter uit de boekenkast van haar oma, moeder en eigen boekenkast en uit het straatbeeld van Amsterdam. Er is sprake van een ‘Campert-radar’ met haar moeder. Wie de dichter signaleert, stuurt een berichtje naar de ander: ‘Ik zag Campert op Het Leidseplein.’ Hoe geruststellend dat is, te weten dàt hij er is, de constante in het stadsbeeld. Van Rijswijk schrijft: ‘Je kunt een standbeeld neerzetten voor zo’n kerel, maar mooier is dit: een boek waarin je, al naar gelang wie je zelf bent, hem leert kennen of terugvindt.
    Ja, die biografie wil ik beslist wel eens lezen. Maar eerst op naar de negentig. Dan zien we wel weer.

     

    Bestel Revisor, Het Campert-nummer hier.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over wat er fladderend beweegt in de kantlijn van de literatuur.

  • Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Niets dan proza en poëzie in de eerste editie van dit jaar van het halfjaarlijks tijdschrift Revisor. Eenvoudiger kan het niet en volgens het introducerende redactioneel door Daan Stoffelsen, wordt er eens niet met thema’s gewerkt of anderszins gekaderd. Zo blijft er voor de lezer ruimte om zelf zijn thema’s te ontdekken. Stoffelsen sluit af met: ‘(…), Revisor is geen gezelligheidsdier. De lucifers zijn opgebrand. Maar we bewaren ze, want de taal smeult na en vlamt weer op, 64 pagina’s lang.‘ Zie de cover met het leeggeschudde doosje afgebrande lucifers op mediterraan blauw; of die nog ooit zullen ontvlammen is de vraag.

    Het leven van een groepje outcasts in het verhaal ‘Leven’ van de Amerikaanse schrijver David Ray Pollock (zoek die naam op) (vertaling Luc de Rooy) is een kwijnende toestand. Een verhaal met een hooggespannen verhaallijn over outcasts die niets meer te eten en te roken hebben (voornaamste levensbehoeften). Bij de eerste twee regels weet je al dat vanuit niets een vuur kan ontvlammen: ‘Randy was alweer door zijn peuken heen, en hij trok het niet langer. Godverdomme niet een van hen had nog een baan; en nu was in het voorjaar ook nog moeder overleden en zat hij, de oudste, met verantwoordelijkheden opgezadeld die te hoog voor hem gegrepen waren, tering ja.
    Schrijnend en rauw, daar schijnt Pollock een patent op te hebben. Hij beschrijft de levens van mislukte zielen. Met trefzekere en krachtige stijl werpt hij het de lezer voor de voeten. Prachtig!

    De personages van Sanneke van Hassel, nu we het toch over patent hebben, hebben een uitzonderlijke voorkeur ‘voor dingen die niet gebeuren’. In het verhaal ‘Nederzettingen’ waarin een schrijfster met een archeoloog samenwerkt aan een boek, houdt de schrijfster bij alles wat ze doet rekening met de archeoloog, zonder echt deel uit te maken van zijn leven. Op elke moment van de dag maakt zij zich een voorstelling van wat hij aan het doen is. In de slotzinnen van het verhaal wordt de betekenis van deze non-relatie duidelijk: ‘We bestonden in wat we achterlieten. We bestonden in wat we verkozen niet te doen. We konden vrienden worden.’ Maar dat werden ze niet. En dat niet worden; dat wordt gekoesterd in het verhaal. Betoverend proza.

    ‘Ik ben de hond’ van Jente Posthuma, gaat over een kunstenares, die bezoek krijgt van de volwassen dochter van een overleden vriendin. De oude kunstenares heeft een weekend daarvoor open atelier gehouden; ze had tien cakes ingeslagen. Er waren tweehonderd mensen langs geweest, de cake bleef onaangeroerd. ‘Iedereen had het over het uitzicht, zei ze. Niemand zei iets over mijn aquarellen.’ Een verhaal met ongelukkige handelingen en verkeerd geplaatste opmerkingen, als waren ze zo uit de werkelijkheid van het dagelijkse leven opgetekend.

    ‘Wafelbakker’ is een bijdrage van Merijn de Boer die tegenwoordig vanuit New York zijn verhalen de wereld instuurt.
    Over Ole, die op een begrafenis van een oud collega is genodigd maar niet begrijpt waarom. De man in kwestie negeerde hem altijd en heeft hij in drie jaar niet meer gezien. Waarom werd hij uitgenodigd en mag hij ook nog in het huis van de overledene wonen? Een verhaal waarin personages op knappe wijze gespiegeld worden en langzaamaan elkaars gedaante aannemen, waardoor een verrassende apotheose volgt (in traditie van klassiekers in de wereldliteratuur). Zeer Boeriaans kunnen we zeggen.

    Vincent Merjenberg schreef het weergaloze verhaal ‘Het water’. Over een relatie waarin een groot verdriet gedeeld wordt om het verlies van een kind, en een bosmeer dat ontstaan is door een massagraf uit de Tweede Wereldoorlog. Merjenberg verstaat de kunst een verhaal te vertellen door juist niet alles te beschrijven. Met zinnen als, ‘Ik wist, kortom, van niets en zag alle veranderingen aan voor aarzelend terugkerend geluk.’ Een stevig verhaal waar je van moet bekomen als van een stevig maal.

    Verder verhalen van Jan van Mersbergen, Klaas Knooihuizen en Robin Kramer. Poëzie van Luca Hirsch, Runa Svetlikova, Simone Atangana Bekono en Marwin Vos.

    Mooie verhalen en gedichten van auteurs die eerdere publicaties op hun naam hebben staan. In die zin geen ‘echte’ debutant te bespeuren. Een tijdschrift die het niet om nieuwe oogst gaat, maar de verhouding tussen schrijver en lezer gaande houd terwijl de eerste werkt aan een nieuw boek en even van de radar is. Revisor houdt met niet eerder gepubliceerd werk de lezer en schrijver bij de les, opdat ze elkaar niet uit het oog verliezen.’

     

     

  • Nieuwe Revisor

    is de superheld nog van deze tijd vraagt de redactie van Revisor zich af: ‘Een karikatuur zonder vrees of blaam en vooral zonder twijfel lijkt niet geschikt als literair personage. Zou dat de reden zijn dat de superheld het beter doet in films en in strips of zijn er nog andere verklaringen?’ Lees het in de bijdragen van;

    Allard Schröder, Over superhelden
    Kees ’t Hart, Lord Sisters dood
    Sjoerd de Jong, Een actieheld van de jaren tachtig
    Arjen Duinker, Henry Calvin
    Jacob Groot, Kid Colt (zoals het een man betaamt)
    Tsead Bruinja, Gekrenkt
    Bas Blokker, Superhelden zijn lokale folklore
    Han van der Vegt, De engelbewaarders
    Auke Hulst, Nineteenth Century Man versus Irony Man
    Lucas Hüsgen, Lady Penelope in gevaar!
    Onno Kosters, Zij (Hagenheld)
    Saskia de Coster, Noone lives here anymore
    Toef Jaeger, Wat te doen met de tegenheld van de superheld?
    Albert Bobeldijk, Je zei dat ik leep was

    Een woord een woord:
    Evelien Chayes, Het vunzige van de roman