• De omgeving lijdt het meest

    De omgeving lijdt het meest

    Renée van Marissing studeerde af als dramaschrijver, schreef muziektheatervoorstellingen en hoorspelen, romans en korte verhalen. Haar vorige roman Onze kinderen werd lovend ontvangen en genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. En dan is er nu de roman, Gelukkige dagen. De titel refereert aan het toneelstuk Happy Days van Samuel Beckett. Daarin zit een vrouw tot haar middel ingegraven in een berg puin. De voorstelling van het betreffende stuk wordt bezocht door Sil, het hoofdpersonage van deze roman, samen met haar vrouw Lina. Het wordt opgevoerd door een actrice met wie beiden in het verleden samen met een aantal anderen een toneelgroep vormden.

    Het beeld van de ingegraven vrouw is treffend, want Sil is net gediagnosticeerd met Alzheimer en dat op 46-jarige leeftijd: jongdementie dus. De roman beschrijft haar ziekteproces en de invloed die haar teruglopende geheugen, haar woorden en taal en haar gedrag hebben op haar en haar omgeving. Ze wil dingen duidelijk maken, maar kan dat niet meer door het geheugenverlies.

    Taal genoeg?

    Sil is bioloog, woont samen met meubelmaakster Lina. Aan de toneelgroep waarvan ze lid waren in het verleden hebben ze een grote vriendenkring overgehouden. Met name met Pier en Barbara hebben ze nog veel contact en ze gaan met hen ook op vakantie. Sil heeft aan het begin van de roman nog contact met haar (oud-)collega Chris, die heel begripvol is en goed met haar overweg kan. Merkwaardig genoeg verdwijnt hij in de loop van dit boek; is Van Marissing hem vergeten, is het slordigheid? Trouwens, de manier waarop Sil er bij haar werkgever uit wordt gewerkt en de pijn die dat heeft gedaan komt nauwelijks uit de verf.

    De roman is vanuit verschillende perspectieven geschreven. Soms denk en beleef je mee vanuit Sil, dan weer vanuit Lina en de vrienden. Als Van Marissing Sil aan het woord laat, kan deze gek genoeg alles benoemen, heeft ze taal genoeg om overal woorden aan te geven. Ze herinnert zich veel van haar vroegere bezigheden. Haar leven bij de toneelgroep, de buitenlandse reizen die ze samen met Chris maakte, het plezier dat ze had in haar werk als bioloog. Als de omgeving aan het woord is, weet en kan ze veel minder. Hoe verder het ziekteproces gaat, hoe meer gekke dingen Sil doet: ze krijgt haar voet niet tussen twee spijlen van het balkonhek uit, als ze de badkamer schoonmaakt spuit ze alles nat, ze verbrandt haar hand aan kokend water enzovoort. Haar gedrag verandert.

    Haar vrouw en vrienden krijgen steeds meer moeite om met dat gedrag om te gaan. Met name haar vrouw is vaak geïrriteerd, boos en vooral moe. Hoe vaak dat woord niet voorkomt in deze roman: tientallen keren. Iedereen is moe, moe, moe. Sil, Lina, ouders, vrienden. Uiteindelijk is Sil thuis niet meer te handhaven en gaat ze naar een verpleeghuis. Van Marissing maakt zich daar wel heel gemakkelijk van af. In een poep en een zucht is het geregeld en denkt Lina voor de vorm nog even dat dat wel raar is, maar dan is het zover. Gewoonlijk is zo’n proces wel wat gecompliceerder.

    Alles wordt uitvoerig uitgelegd

    Het lijkt of deze roman in zijn geheel een haastklus was. Niet alleen van de auteur, ook van de redacteur. Want wat is nu eigenlijk de essentie van het boek? De aftakeling van een patiënt met jongdementie, de invloed die dat heeft op de omgeving van een patiënt, hoe zielig het is voor Sil of hoe zielig voor Lina, gaat het eigenlijk over taal? Het blijft onduidelijk. Het is van alles wat, Van Marissing maakt geen keuzes. Dat is jammer, want met een kern had het boek aan kracht gewonnen.

    En dan wordt er ook nog het ene cliché aan de andere geregen. ‘Wat je niet ziet bestaat niet en ruik je ook niet.’ Elke emotie wordt benoemd, elke zucht verteld. Elke ontroering, onzekerheid wordt uitvoerig beschreven en uitgelegd. Alsof over wat deze ziekte is niet alleen informatie moet worden gegeven maar ook nog eens de zieligheid moet worden benadrukt. Al die uitvoerigheid leidt niet tot meeleven en meevoelen. Het blijft buitenkant wat de lezer ervaart.

    Hoezo is deze roman schrijnend en ontroerend, hoezo wordt de taal onderzocht als de betekenis hapert, hoezo ontstaat tederheid? (Dixit de achterflap.) Wat er ontstaat is heel veel irritatie en woede bij de omgeving van Sil (en begrijpelijk), en ook bij de lezer. Een kritische redacteur had hier veel goed werk kunnen en moeten doen. Van Marissing heeft in eerdere boeken laten zien dat ze prima dialogen kan schrijven. Die vaardigheid toont ze in dit boek niet: elk gesprekje zonder inhoud of betekenis wordt volledig uitgeschreven. Veel (lange) zinnen zijn bovendien moeizaam geformuleerd, met veel herhalingen van dezelfde woorden in een zin. Ook hier had een redacteur moeten ingrijpen.

    Hoofdpersonage blijft op afstand

    Als een ding duidelijk wordt, is het dat Alzheimer op jonge leeftijd lastig, ingrijpend en heel erg is, en dan ook en vooral voor de omgeving, blijkt uit deze roman. Helaas blijft het personage Sil op afstand, kleurloos; haar omgeving heeft het zwaar, heel zwaar en dat wordt goed duidelijk gemaakt. Dat had ook op een andere manier vormgegeven kunnen worden. Van Marissing hinkt teveel op meerdere gedachten. Bernlefs boek Hersenschimmen blijft wat betreft het inleven en voelbaar maken van wat een patiënt doormaakt als dementie toeslaat met kop en schouders boven Gelukkige dagen uitsteken.

     

     

  • Oogst week 46 -2023

    Kukuruznik

    Na het overlijden van haar ouders vindt de joodse Noa in de nalatenschap van haar vader allerlei documentatie over vrouwelijke ‘aviatrices’. Ze heeft geen idee waar de obsessie van haar vader met deze vliegeniersters vandaan kwam en gaat op onderzoek uit. Noa is een kluizenaarster, woont in een kruip-door-sluip-doorhuis op de Wallen, en is mensenschuw omdat ze is opgevoed door getraumatiseerde ouders die na de Tweede Wereldoorlog bang waren voor anderen en de buitenwereld. Spreken deden Noa en haar ouders vooral via de muziek. Muziek speelt daarom ook een belangrijke rol in deze roman.

    Bij toeval stuitte schrijfster Saskia Goldschmidt op een bericht uit 1938 over een vliegenierster. Het bleef haar bij, en stond aan de basis van deze roman waarin talloze geschiedenissen van vrouwelijke piloten de revue passeren.

    In een interview met Opium vertelt Goldschmidt dat ze met deze roman niet alleen de rol van vrouwen in de geschiedenis zichtbaar wil maken, maar ook aandacht wil vragen voor de moed van deze vrouwen om anders te durven zijn dan van hen verwacht werd. Die moed noemt ze inspirerend.

    In Kukuruznik verweeft Goldschmidt Noa’s familieverhaal over een oorlogstrauma met tal van geschiedenissen van bijzondere en moedige pilotes, van o.a. de Kukuruzniks, kleine, lichte vliegtuigjes die de Russen gebruikten om de Duitsers te bombardeerden en die vooral door vrouwen werden gevlogen.

    Noa vraagt zich af waarom haar vader haar deze verhalen zo bewust heeft nagelaten. Daar komt ze langzaam maar zeker achter.

    Saskia Goldschmidt (1954) schreef eerder o.a. De hormoonfabriek en De voddenkoningin.

    Kukuruznik
    Auteur: Saskia Goldschmidt
    Uitgeverij: Uitgeverij Meulenhoff

    Dagen van glas

    Bij uitgeverij Cossee is onlangs de nieuwe roman van Eva Meijer verschenen, Dagen van glas.
    Eva Meijer (1980) is veelzijdig, zij deed het conservatorium in Den Haag, wijsbegeerte in Amsterdam, schreef romans, novellen, essays en gedichten. In 2017 ontving ze de Halewijnprijs voor haar oeuvre, een prijs op basis van de onweerstaanbaarheid van het gepubliceerde werk. Haar werk is in meer dan twintig talen vertaald en werd meermaals genomineerd voor literaire prijzen of won deze.
    Meijer is daarnaast ook politiek actief, en ook als muzikant, kunstenaar en columnist.

    In Dagen van glas gaat het volgens de flaptekst ‘over de kernvraag van ons bestaan: wat betekent het om goed te leven? Hoe moet je je eigen bestaan betekenis geven, en wat houdt het in om goed samen te leven met anderen?’

    Ook hier op Literair Nederland aandacht voor diverse boeken van Meijer. Thomas van Houwelingen bijvoorbeeld, schrijft over Voorwaats: ‘Meijer slaagt erin een toch vrij ernstige ideeënroman zodanig licht en stijlvol op te schrijven dat de inhoud ervan niet te zwaar op de maag ligt.’

    Dagen van glas
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Gelukkige dagen

    Renée van Marissing (1979) schrijft romans, korte verhalen, essay, theater- en hoorspelteksten.

    Haar romans gaan veelal over familie: -leven, -leed en -liefde.
    Ging het in haar debuut Het waaien van mijn oma over de relatie tussen drie generaties, in Parttime astronaut over een uiteenvallend huwelijk, in Onze kinderen stond het ouderschap centraal. Met deze laatste roman stond ze op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. De jury schreef o.a.: ‘Hoewel het verhaal bij vlagen hartverscheurend is, houdt ze het elegant, licht en geestig.’

    Het onlangs verschenen Gelukkige dagen is haar vijfde roman. De waarde van vriendschap is hierin het thema. In Gelukkige dagen maken we kennis met de zesenveertigjarige Sil. Zij krijgt al jong de diagnose ‘ziekte van Alzheimer’. Haar vriendin Lina verzorgt haar zo goed en zo kwaad als het gaat, samen met Sils vrienden. Naarmate de tijd verstrijkt en woorden steeds meer hun betekenis lijken te verliezen, wordt dat steeds lastiger.

    Gelukkige dagen
    Auteur: Renée van Marissing
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido
  • Vertier met een donkergrijs randje

    Vertier met een donkergrijs randje

    In Onze kinderen van Renée van Marissing, haar vierde roman, moeten de zussen Mia en Iris in een Fries dorp het huis opruimen van hun vader die kort daarvoor is overleden. Van Marissing is ook toneel- en hoorspelschrijver, performer en regisseur. Daaraan zal het te danken zijn dat de gebeurtenissen in de roman in bondige, snelle scènes en veelal korte zinnen zijn verwerkt.

    De ouders van de Amsterdamse Mia en Iris zijn al lang geleden gescheiden. De vader, Nico, was een man met een drankprobleem. In flashbacks vertelt ik-persoon Mia het verloop van de relatie met hun vader. In het heden speelt Mia’s relatie met Sally die zwanger is van hun eerste kind. Sally is de rots in de branding. Ze zit rustig en vrolijk zwanger te zijn, overziet situaties, is geduldig en begripvol en zegt verstandige dingen.
    Ook als Mia afwezig is bij zwangerschapscontroles want druk, druk, druk, en niet weet wat een geboorteplan is, berust Sally met slechts een enkele opmerking. Zelf had Mia niet de behoefte haar DNA door te geven. ‘Ik zie mijn genen bij bosjes op slot gaan, een steeds gemankeerder lichaam, en ik vervloek de epigenetica.’ Als Mia ergens in het boek denkt ‘Ik krijg een kind’ dan komt dat ietwat bevreemdend over omdat zij er biologisch niet aan te pas komt, al is de beleving vanuit haar standpunt begrijpelijk.

    Slechte herinneringen

    Voor het opruimen van Nico’s woning heeft Iris een container gehuurd. Die is hoog, er is een trap nodig om de spullen erin te deponeren en Mia worstelt zelfs in haar eentje om een bank buiten te krijgen, tegen de trap omhoog te duwen en over de rand te kiepen. Wat niet lukt. Zo’n hoge container om huisraad in te laten afvoeren is een nogal onrealistische keuze van de auteur en lijkt alleen bedoeld om drama te kunnen toevoegen. Als de zussen samen in het huis zijn (Mia lijkt het meeste werk alleen te doen), verwijt Iris haar zus dat ze het voor hun vader opneemt, terwijl zijzelf vooral boos is en weinig woorden wil wijden aan de slechte herinneringen. Mia probeert echter begrip op te brengen voor de man die worstelde met het leven: ‘… mijn vader is altijd meer alleen geweest dan mijn moeder’.

    Kundig verweven feiten

    Tot doorleefde problematiek komt het in het boek echter niet. Of het nou het opruimen betreft, de zwangerschap of het verleden, het blijft bij situatieschetsen zonder veel diepgang. Nico heeft kanker gehad toen zijn dochters nog kinderen waren, raakte door de lange ziekte zijn werk kwijt en had na de scheiding nog een paar relaties, feiten die door Van Marissing kundig door het verhaal worden geweven. Maar de vader wordt niet echt een karakter. Er ontstaat een beeld van een man die ondanks de drankverslaving zijn dochters toch af en toe een uitje wil bieden of thuis hartelijk ontvangen, wat door het egoïsme dat een verslaafde eigen is meestal verkeerd uitvalt.
    Ruim voorbij de helft van het boek wordt het verhaal beschouwender – en daarmee interessanter – onder meer aan de hand van de ervaringen en het alcoholisme van Marguerite Duras. Mia peinst: ‘…mijn drinken is een ander soort dan dat van mijn vader en Marguerite Duras. Het niet kunnen stoppen, je leven inrichten naar alcohol, ja, dan ben je verloren. Het was ondenkbaar dat er geen bier in mijn vaders huis aanwezig was, en hij wist op elke onbekende locatie in een mum van tijd een café te vinden.’

    Less is more voldoet niet

    Spijtig genoeg blijft Van Marissing bij geen enkele essentiële scène lang stilstaan, waardoor de gebeurtenissen voorbijgaan als dingen die nu eenmaal gebeuren met mensen die allemaal wel een groter of kleiner probleem hebben. Het geeft een beetje het gevoel dat de auteur een drama vertelt zonder te willen ingaan op de gevoelens die daarmee gepaard gaan. Sommige passages lijken er met de haren bijgesleept, zoals de ruim twee pagina’s over de film Eternal Sunshine of the Spotless Mind waarin de hoofdpersonages herinneringen aan elkaar hebben laten wissen. De auteur vertelt dit met geen andere reden dan dat Mia aan die film denkt nadat ze hem een paar dagen eerder ‘voor de zoveelste keer’ had bekeken. Natuurlijk kan de lezer daar zelf van alles bij invullen, maar less is more voldoet hier niet. En de op zich mooie scène van de eend die plotseling binnenshuis op Nico’s tafel staat en vervolgens weer buiten belandt, komt voorbij met dezelfde portee als wanneer de ik-figuur een kop koffie had gedronken.

    Leed komt er niet uit

    Het zijn mooie en ook treffende zinnen die Van Marissing schrijft, maar dat maakt nog niet dat verdriet en pijn in Onze kinderen invoelbaar worden. Misschien is dat het gevolg van de keuze voor drie onderwerpen binnen een kleine roman: het verleden met Nico, het heden met het opruimen en de zwangerschap. En misschien hoeft het ook niet, situaties op gevoelsniveau uitspinnen, ware het niet dat de lezer meer betrokken zou raken als zwaarwegende gebeurtenissen dieper zouden zijn uitgewerkt. Bijvoorbeeld wanneer Mia opnieuw  terugdenkt aan een situatie met haar vader:
    Ze is zestien en logeert twee nachten bij hem in een huis aan de Vecht van afwezige vrienden. Ze gaan naar een feestje en bij thuiskomst parkeert de dronken vader de auto van de vrienden tegen een boom. Met moeite waggelt hij langs de Vecht naar het huis. Even later laten ze de hond uit. Mia loopt voor haar vader uit en fantaseert hoe zij het niet zal horen als hij in het water valt omdat de hond net op dat moment hard blaft. Dat laat zien hoe de situatie haar bedrukt, maar daar blijft het dan ook bij. Angst, ontzetting, leed, hetzij van de vader, hetzij van de dochter, komen er niet uit.

    Qua verloop zit Onze kinderen goed in elkaar en is het verhaal efficiënt verteld. Het boek leest vlot weg, aan de juiste woorden ontbreekt het Van Marissing niet. Jammer alleen van het gebrek aan pieken en dalen. Daardoor blijft het toch een beetje bij vertier met een donkergrijs randje.

     

     

  • Verhalen en een partituur van walvisgezang

    Verhalen en een partituur van walvisgezang

    De redactie van literair tijdschrift Terras struint onvermoeibaar door de wereldliteratuur op zoek naar verhalen van schrijvers die een ander geluid laten horen. Dat het tijdschrift neigt naar een boekwerk, beseffen ook de makers van het blad. ‘Terras-nummers neigen tot uitdijen, en houden vaak niet halt bij de grenzen van het voor de hand liggende.’ In deze editie ‘Naar water’ getiteld, kan een verhaal dat zich afspeelt in Napels niet ontbreken. Van journalist en schrijver Nicola Pugliese (1944-2012) is de roman Malacqua. Vier dagen regen in Napels in afwachting van een uitzonderlijke gebeurtenis dat in 1977 verscheen bij uitgeverij Einaudi. Toen het boek uitverkocht was, gaf de auteur geen toestemming voor een herdruk. Pas na zijn dood, in 2012 werd het opnieuw uitgegeven. Een deel daarvan, De derde regendagwerd vertaald door Annemart Pilon.

    Ongekend verhaal

    Pugliese schrijft met het gestage ritme van de regen, als het stromen van water, kabbelend. ‘Met deze regen die naar beneden komt als regen die naar beneden komt.’ En waarin het water zelf tot protagonist verwordt. ‘Dus het was het zilte zeewater, dat van de ene naar de andere stoep overstak. Het kabbelde voort in zachte stroompjes, en er was continu een deel van het water dat voorop ging om de richting aan te geven’. En verderop, als het water door de straten en steegjes de huizen binnendringt. ‘Eigenlijk deed het water niets anders dan uit alle huizen nauwgezet en geduldig één voor één de haveloze jongens opduikelen die die ochtend niet naar de zee bij de Via Partenope, de Via Caracciolo en Mergellina hadden kunnen gaan, en de zee zag dat als een blijk van liefde, en dat was het ook echt.’ Een prachtig verhaal.

    Met een thema als water is ook droogte niet ver weg. Renée van Marissing schreef daarover het interessante essay, Over droogte en watergebrek in speculatieve fictie. Ze las vele boeken over de klimaatcrisis en zag films over een dystopische droogte-toekomst. Ze vraagt zich af waarom deze aanstaande werkelijkheid maar zo moeilijk tot ons doordringt. Dat we het niet kunnen bevatten dat er een klimaatcrisis gaande is. Ook Marissing zelf kan er maar moeilijk aan, ‘ik wil wakker geschud worden maar tegelijkertijd wil ik horen dat wat me verteld wordt slechts een nare droom is, niet de waarheid.’ 

    Walvisgezang

    In deze editie zijn een twaalftal grijze bladzijden waarop meerdere zwarte stippellijntjes staan. Het doet denken aan een rol met gecodeerde muziek zoals voor een draaiorgel. In dit geval gaat het om wetenschappelijke opnames van walvisgezang, onderdeel van het kunstwerk ‘Salvage’ van Vibeke Mascini, die de opnames heeft omgezet naar een partituur voor pianola. Klik hier om de installatie waarop de gecodeerde muziek wordt afgespeeld te bekijken en een fragment van deze gecodeerde walvisgezang te beluisteren.

    Nog zo’n verhaal dat er uitspringt is ‘Spraakklanken’ van de Afro-Amerikaanse sciencefictionschrijfster Octavia E. Butler (1946-2006). In 1984 won Butler met haar korte verhaal Speech Sounds de Hugo Award (prijs voor de beste sciencefiction- of fantasyverhalen). Han van der Vegt vertaalde het voor Terras. Over een ziekte die mensen de taal, het vermogen tot lezen en spreken ontneemt, zelfs het leesgeheugen wordt gewist. En wie er nog spreekt, zwijgt het liefst of wordt door jaloerse omstanders vernietigd. Butler beschrijft een samenleving waarin iedereen een kort lontje heeft, een vechtpartij nooit ver weg is. Een apocalyptisch verhaal dat nochtans een sprankje hoop geeft op het eind wanneer de jonge vrouw Rye, die het hele verhaal gezwegen heeft, twee kinderen vindt waarvan het spreken nog intact is.

    Ze tilt ze op, en neemt in elke arm een kind. Ze zijn zo licht dat ze zich afvraagt of ze wel genoeg te eten hebben gehad. Als de jongen zijn hand over haar mond legt, zegt ze, ‘“Je mag praten,” (…) “Zolang er niemand in de buurt is, is het goed.” Ze zette de jongen voorin de auto en hij schoof op zonder dat ze dat hoefde te zeggen, om plaatst te maken voor het meisje. Toen ze allebei in de auto zaten, leunde Rye tegen het raam, keek naar hen en zag dat ze nu minder bang waren, dat ze haar aankeken met minstens evenveel nieuwsgierigheid als angst. “Ik ben Valerie Rye,” zei ze, en ze genoot van de woorden. “Tegen mij kunnen jullie rustig praten.”’

    Schier oneindig

    Ook staat er een theorie van een zwembeweging in getiteld, ‘Zwemmen of de zwemkunst, thuis aangeleerd in minder dan één uur’ van Jean-Pierre Brisset, vertaald door Roku Hofstede. Geïllustreerd met voorbeeldfiguren. En een stuk van Miek Zwamborn, die woont op Isle of Mull in Schotland. In ‘Compressie’ ontmoet ze de Amerikaanse dichter Seth Crook die zich evenals Zwamborn, heeft teruggetrokken op Isle op Mull. De dichter duikt en zwemt, twee dingen die onlosmakelijk voor Crook met elkaar verbonden zijn. Zwamborn schrijft: “Als je Crooks gedichten naast elkaar legt, zie je de contouren verschijnen van een poëtisch natuurgetrouwe kaart van de zee rond Mull.’

    Zoals gezegd, dit tijdschrift nadert de omvang van een aantrekkelijk boekwerk. Waarvan de meerwaarde is dat elke editie een ontdekkingstocht is. Met aansprekende en wakkere verhalen van auteurs (het literaire veld is wereldwijd schier oneindig) waarvan je absoluut meer wilt lezen.

     

     

  • Een Tirade waardig…

    Een Tirade waardig…

    Wie plaats neemt in de redactie van een literair tijdschrift, doet dit om de schitteringen in de literatuur mede prijs te mogen geven. Aankomend schrijvers die ‘het’ in zich hebben voor het voetlicht te schuiven. Zelfs als ze volledig onbekend zijn. Alles uit liefde voor de literatuur. Want voor een dagelijks goed belegde boterham (of biologische salade) hoef je het niet te doen. Zo liet ook Jeroen Brouwers in 1979 (Kroniek van een karakter, Dl. 1) weten in een lange brief  aan Geert van Oorschot. Een van de redenen dat hij niet in de redactie wilde plaatsnemen was dat er niet genoeg mee te verdienen valt. Een andere, meer doorslaggevender lijkt het, is dat Brouwers niet tevreden is over de koers die Tirade vaart. Hij verwijt Van Oorschot onder meer dat er in Tirade stukken worden opgenomen die evengoed in welk ander blad hadden kunnen staan; Tirade onderscheidt zich te weinig van andere bladen was de grote kritiek van Brouwers. Het was in de volgende bewoordingen dat Brouwers het verzoek van Van Oorschot afwees:
    “Ach Geert! Ik ambieer dat niet, maar ik zou het wél kunnen.(…) Mijn opvattingen zijn anders dan jouw opvattingen. Alle achting en alle vriendschap voor jou, dat weet je wel – maar als ik ‘Tirade’ zou doen, dan zou ik ‘Tirade’ doen, en niet jij-en-ik.”

    Hoe Brouwers dat zou doen, welke bijdragen hij het keurmerk Tirade waardig vindt, zullen we nooit weten. Wel wat de huidige redactie als keuze criteria heeft; Het gaat om het werk en niet om de (gevestigde) naam, schrijft Anja Sicking in een redactioneel stukje. De mailbox van de redactie stroomt elke keer weer vol met werk van debutanten, gevestigde schrijvers en van ‘mensen die nooit zullen worden uitgegeven’. Waarbij opgemerkt wordt dat die laatste categorie het grootst is. Iemand afwijzen is niet een fijn ding, maar wel noodzakelijk. Wat er dan uiteindelijk uit die berg teksten gefilterd wordt en in Tirade verschijnt zijn stuk voor stuk teksten die, zoals gewenst, een Tirade waardig zijn.

    Editie 468 is een nummer met literaire sciencefiction. Zes verhalen van o.a. Anoek Nuyens, Wytske Versteeg, Said El Haji, Renée van Marissing. De verhalen zijn geschreven in opdracht tijdens de workshop De geschiedenis van morgen (februari dit jaar), en georganiseerd door SLAA en Monnik. Mooie verhalen, zelfs voor wie niet van sciencefiction houdt. Van de dichter en prozaschrijver Ian McLachlan (Londen) een zestal (sciencefiction) gedichten in vertaling van Maarten Buser. Die zo prettig lezen dat je je afvraagt of we niet nu al in de tijd vooruit leven, in sciencefiction. 

     

    In Tirade 467 een verhaal, Eindhoven, van Rob van Essen (gevestigd schrijver en recensent) en het essay; Olaf Hendriks, Een essay in de derde persoon, van Tiemen Hiemstra (onbekend). Door de redactie aangemerkt als ‘origineel’. Over een wereld waarin aanslagen en bedreigingen als standaard worden gezien. Horror scenario’s op het netvlies van de jongeman Olaf die lijdt aan hyperventilatie en hartkloppingen en die het woord ‘gootsteen’ gebruikt om zijn angst te bezweren. Want ja, de kans is groter dat je bij het ontstoppen van een gootsteen gewond raakt (‘bij het lostrekken van de plopper achterovervallen en met je hoofd op de rand van het een of ander terechtkomen.’) dan dat je een terroristische aanslag meemaakt. Waarin een voetbalwedstrijd het qua belangstelling, wint van een boekpresentatie. Het leven zoals we dat kennen in beschouwingen en meldingen in de media en inderdaad zeer origineel  in voorbeelden en .
    Een ronduit prachtig verhaal is Meneer Sjandoor van student aan de schrijversvakschool, Ilona Barsony; een zo goed verteller , dat je voor de duur van het verhaal bent weggevoerd.

    In de rubriek Zestig jaar Tirade, verschijnt deze jaargang ter gelegenheid van het zestig jarig jubileum in elke editie van Tirade, een essay of verhaal dat teruggrijpt op de geschiedenis van het blad. In nr. 468 reageert Julie Benschop met het essay De opwaartse kracht van J.J. Voskuil op Hanny Michaelis’ artikel ‘Mirakuleuze herrijzenissen’ uit Tirade 300, over de heropleving van een boek, zoals Bij nader inzien (1963) van Voskuil, dat in 1985 een heropleving kende. Benschop vraagt zich af of herrijzenissen wel zo mirakuleus zijn als Michalis wil doen geloven.

    Schrijver Marijn Sikken inspireerde haar bijdrage, Notities over Huub, in deze rubriek op het stuk Notities, van K. Schippers uit Tirade 200. De koppen boven de (elf )stukken zijn van Schippers. Het verhaal met de titel ‘Geluid’ begint zo: “Het eerste wat wij meekrijgen van Huub, zijn z’n schoenen. Huub draagt gewone sneakers, wit met grijze streep, broer en ik vermoeden dat ze een maat te klein zijn.” Waarmee Sikken de lezer meeneemt  en niet stopt voor de laatste punt is gezet.
    Een mooie Kroniek van een roman van Carel Peeters, die Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells samenvat als, een roman ‘over de gevolgen van het op jonge leeftijd verliezen van je ouders’. Het mooiste verhaal uit beide edities is het toekomstverhaal van Maurits de Bruijn, Het geheugen van smartphones. Waarin de geschiedenis van alles wat we weten verwijderd wordt en de geschiedenis herschreven wordt. Misschien is er nog een weg terug, Na dit gelezen te hebben wens je bijna dat er nog een weg terug is. Misschien wordt dat wel de sciencefiction van de toekomst; een weg terug.

    En De Tirade van… is van Roos van Rijswijk, waarin ze haar enthousiasme over optreden bij leesclubs toelicht en dat je daat eigenlijk niet enthousiast over mag zijn; ‘(…) er zijn lezers die dingen opvallen waar ik zelf helemaal niet aan gedacht had. (…) soms zijn er tien mensen van wie er vijf het boek enigszins hebben gelezen, en van die vijf mensen is er dan altijd één iemand die het helemaal niks vond en de hele tijd heel zuur zit te kijken met haar ogen rolt.’

    Twee edities Tirade, het lezen meer dan waard want, andere inzichten! Te koop bij de betere boekhandel, (de nieuwe editie Nr. 469, ligt overigens al weer klaar), maar misschien is een abonnement beter. En kijk vooral ook op: Tirade.nu.

     

  • Eindeloos gepieker

    Eindeloos gepieker

    Voor echte mensen moet je niet bij Van Marissing zijn. Haar personages in Parttime astronaut zijn het resultaat van onderzoek naar -in dit geval- de fijne nuances in gezinsrelaties en de momenten waarop man en vrouw uit elkaar groeien.

    In Parttime astronaut gaat het om Karlijn, een jonge vrouw in een gezinsrelatie. Haar man is Jasper en ze hebben een zoontje, Lucas, van inmiddels vijf jaar. Karlijn wil koste wat kost voorkomen dat zij een moederkloek wordt en werkt dus aan projecten, zoals een reeks interviews met jonge kunstenaars die zij probeert te doorgronden. Jasper heeft een baan en doet daarnaast zijn best de persoon te zijn die Karlijn als echtgenoot en vader wil. Maar hun relatie is een eentonige herhaling van zetten aan het worden. En het feit dat Jasper een slippertje heeft gemaakt doet er geen goed aan. Want Karlijn is een herkauwer.

    Zij is continu bezig met wat zij denkt en voelt, of zou willen denken en voelen, of juist niet zou willen denken of voelen. Of doen. Of niet doen. Of zeggen. Of niet zeggen. Het emotionele hoogtepunt van dit verder nogal rustig voortkabbelende misère-verhaal is het moment dat Karlijn tijdens een vriendendiner aan de 10 aanzittenden bij impuls vertelt dat Jasper – die er ook bij is – een slippertje heeft gemaakt en dat zij daar boos over is.

    Als lezer word je door Van Marissing kundig meegezogen in dit eindeloze proces van zelfonderzoek, maar het zorgt er wel voor dat je halverwege de roman eigenlijk schoon genoeg krijgt van Karlijn en steeds meer sympathie gaat voelen voor Jasper, die zo zijn best doet om zijn slippertje uit te leggen en goed te maken, terwijl Karlijn daar niet over wil praten.

    Het lukt hem niet. Maar als Karlijn tegen de wens van Jasper in met zoon Lucas een dramatisch uitje in de Efteling beleeft, zich vergeefs heeft aangeboden aan één van de geïnterviewde kunstenaars, vervolgens door een oude dame in het café langdurig is toegesproken over wat het Leven volgens Kierkegaard inhoudt en uiteindelijk weer thuis komt, dan laat Parttime astronaut de lezer met een open einde achter:

    Niet breken kan iedereen, stram staan en zo min mogelijk bewegen, eitje. Maar buigen, wankelen, verliezen, durven, durven te verliezen, de moed opbrengen betekenis te geven…
    Ik houd de deurpost vast en kijk naar de lucht, het is stikdonker, nacht en nog lang geen ochtend.
    Ik ga de deuren tegen elkaar openzetten.’

    Zal het ooit nog goed komen met Karlijn en tussen haar en Jasper? De tijd zal het leren.
    De lezer heeft intussen 174 pagina’s in het hoofd vol gedachtegangen van een aartstobber. Geen onverdeeld genoegen. Maar laten we wel zijn, dat is het leven ook niet. Dát duidelijk maken is misschien het doel en de functie van dit boek. En dan kan het geslaagd genoemd worden.
    Van Marissing is qua techniek duidelijk een getalenteerd schrijfster. Het is te wensen dat zij in haar volgende roman zich niet concentreert op de studie van wat dan ook, maar zichzelf de vrijheid geeft om eens een verhaal over echte mensen te schrijven.

     

  • Oogst week 37

    Mammie

    De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer (Kaapstad 1981) is in 2008 tot haar verrassing ontdekt door Antjie Krog en Alfred Schaffer. Een vriend had haar gedichten zonder dat zij het wist aan Krog gestuurd. Het vertrouwen dat zij van beide dichters kreeg resulteerde in o.a. Nu de slapende honden waar zij de Eugène Marais-prijs voor ontving, en Santenkraam.

    In de tweetalige bundel Mammie dicht ze over haar overleden moeder. ‘Zij was mijn moeder/ en zij heeft me geleerd/ hoe niet van mezelf te houden.’

    In heldere, krachtige taal snijdt ze haar rauwe jeugd aan, die de toon zette voor de rest van haar leven. Maar bovenal ontgint ze datgene wat zo vaak ongezegd blijft tussen ouders en kinderen. Dat resulteert in pijnlijk openhartige versregels vol liefde, woede, hoop en teleurstelling, waarmee Kamfer laat zien tot de beste Zuid-Afrikaanse dichters te behoren.

     

    Mammie
    Auteur: Ronelda Kamfer
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium

    Parttime astronaut

    Renée van Marissing (1979) is schrijver van romans, theater- en hoorspelteksten, regisseur en performer.
    Haar roman Strak blauw uit 2012 werd genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuurprijs. Een fragment uit dat boek nam Wim Brands op in De Nederlandse literatuur, de nieuwe schrijvers van het nieuwe millennium.

    In Parttime astronaut ontleedt Van Marissing -die geprezen wordt om haar ijzersterke dialogen – haarfijn hoe een echtpaar geruisloos uit elkaar groeit.
    Tussen beide echtelieden hangt een voelbare maar onuitgesproken spanning. Hun pogingen nader tot elkaar te komen stranden door onwil of onvermogen.

    Parttime astronaut is volgens de uitgever ‘een subtiel Hollands gezinsdrama compleet met Eftelinguitstapje’.

    Parttime astronaut
    Auteur: Renée van Marissing
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Kraaien tellen

    Kraaien tellen is de tweede roman van Lucas de Waard die in 2015 debuteerde met De kamers.

    Kraaien tellen gaat over Tobias, een veegwagenbestuurder die het liefst met rust gelaten wil worden. Maar als zijn zus en geestverwant een einde aan haar leven maakt, begint zijn omgeving steeds meer van hem te verlangen. Terwijl Tobias probeert zijn wereld schoon te houden, stapelt het vuil zich langzaam op.

    Op zijn eigen website stelt Lucas de Waard zichzelf voor: hij ‘houdt van aanzwellende violen, van kleinmenselijke lulligheid, van sterfscènes en van superhelden. Zijn werk kenmerkt zich door een toegankelijke schrijfstijl, zwarte humor en her en der een stevig potje effectbejag. Want Lucas schuwt de grote thema’s niet, al schrijft hij ook met liefde over lelijke hondjes, doktersassistentes en de Blokker.’

     

    Kraaien tellen
    Auteur: Lucas de Waard
    Uitgeverij: De Geus

    Reddende engel

    Met haar laatste roman, Reddende engel keert Renate Dorrestein terug naar een voor haar bekend genre, de gotieke roman. Kenmerken daarvan zijn o.a. mystiek, horror en romantiek. Het genre is ontstaan in Engeland in de 18e eeuw. Vooral vrouwen schreven gotic novels, vandaar dat ook wel gesproken wordt over vrouwelijke gotiek. In 2011 waren de gotieke elementen in het werk van Dorrestein zelfs onderwerp van een promotieonderzoek (Griezelig gewoon door. A. Andeweg).

    In Reddende engel komt een jonge vrouw door een noodlottig ongeval op een boerderij om het leven. Twee jaar later arriveert een andere vrouw, de verteller van dit verhaal, op de plek des onheils. Terwijl zij onbedoeld allerhande geheimen ontrafelt, wordt haar eigen leven er niet zekerder op.

    De uitgeverij noemt Reddende engel ‘een spannende psychologische roman over naastenliefde, eigenbelang en het verlangen ergens bij te horen.’

    Reddende engel
    Auteur: Renate Dorrestein
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium