• Een effectief antwoord op het neoliberalisme?

    Een effectief antwoord op het neoliberalisme?

    De bekende linkse econoom Joseph Stiglitz, Nobelprijswinnaar economie in 2009, schreef een boos boek. Boos over de in zijn ogen grote schade die mens en samenleving, nationaal en internationaal, wordt aangedaan door het neoliberalisme als overheersende economische en politieke theorie en praktijk. Stiglitz, met een lange loopbaan als academicus en beleidsadviseur voor President Clinton en topeconoom bij de Wereldbank, pleit hartstochtelijk voor een alternatief voor het neoliberalisme, het progressieve kapitalisme c.q.een ‘opgefriste sociaaldemocratie’. Die staan immers pas garant voor een werkelijke politieke en economische vrijheid. Zo niet, – ondanks de pretentie van het tegendeel -, het neoliberalisme dat leidt tot machtsongelijkheid en onvrijheid. Vrije markten zijn niet werkelijk vrij, en lossen geen enkel maatschappelijk probleem op, integendeel. We hebben niet, zoals veel politici beweren, minder, maar juist meer overheid nodig. Meer overheid en meer regelgeving, niet minder. Een in een tijd van een vooral conservatief of zo u wilt rechts narratief, opmerkelijk betoog.

    Verbroken beloften

    Dat is in een paar woorden de samenvatting van dit lijvige boek. Stiglitz heeft er, zonder de noten, ruim 300 bladzijden voor nodig, inclusief de nodige historische uitweidingen, bijvoorbeeld over het tijdperk van Reagan en Thatcher in de jaren 80. ‘We hebben nu veertig jaar van dit neoliberale experiment achter de rug, dat begon onder Reagan en Thatcher. De rooskleurige beloften van snellere groei en hogere levensstandaarden voor een brede kring zijn niet uitgekomen. De groei is vertraagd, kansen zijn afgenomen en de vruchten van wat er aan groei is geweest zijn voor het overgrote deel naar de mensen aan de top gegaan’. Dit is nog een beheerst geformuleerde kritiek, elders is Stiglitz venijniger. De ‘Grote Leugen van Hitler’ komt langs als het gaat om de ‘roep om terugkeer van het liberalisme met de nieuwe naam van neoliberalisme halverwege de vorige eeuw’. Die leugen slaat op de stelling dat markten uit zichzelf efficiënt en stabiel zijn, maar ook als niet-econoom kan je je afvragen of Nazi-Duitsland als oorlogseconomie nu een schoolvoorbeeld van juist die leugen kan worden beschouwd. Een serieuzere en forse kritiek op het neoliberalisme verwoordt Stiglitz als volgt, stellend dat ongebreideld kapitalisme uit de tijd van Reagan en Thatcher ons op weg brengt naar eenentwintigste-eeuws fascisme. Maar is dat empirisch onweerlegbaar aangetoond? Ook hier kan je bescheiden opperen dat soms in rechtse dictaturen de rol van de staat sterk is.

    Conculega’s

    De echte vijanden voor Stiglitz zijn niet zozeer Reagan en Thatcher of zelfs Trump, maar zijn vakgenoten Friedrich Hayek en ook Milton Friedman, ooit collega en concurrent bij de Universiteit van Chicago. Dit boek, De weg naar vrijheid, is ook een duidelijk antwoord op de befaamde neoliberale Bijbel, The Road to Serfdom van Hayek uit 1947. Stiglitz verzet zich met hand en tand tegen de gevaren van het neoliberale denken. Daarentegen koketteerde Thatcher met Hayek door in haar kabinet te voorspellen dat controle van de regering over de economie zou leiden tot tirannie. Friedman is beroemd geworden met zijn stelling dat als een federale regering de baas zou zijn van de Sahara daar binnen vijf jaar een tekort aan zand zou zijn ontstaan (….).

    De animositeit van Stiglitz tegen beide economen gaat diep. Hij beschuldigt hen van het aanhangen van een ‘fundamentalistische religie’. Daarbij een ‘bekeringsdrang via media en hoger onderwijs’. En hij ontziet hen niet door te stellen dat de ‘kennis van Friedman en Hayek over de aard van de economie en de relatie tussen economie en samenleving ernstige gebreken vertoont’. De verschillen in inzicht gaan overigens dieper dan alleen over de economie. ‘Friedman en Hayek hebben, net als veel andere conservatieven, een onwankelbaar naargeestige kijk op de menselijke aard’. Met als uitsmijter dat ‘hun extreme kijk op individuele zelfzucht misschien wel voorkomt uit diepe introspectie’. Pats, die zit, in bokstermen.

    Hoe dan wel?

    De vraag is hoe geloofwaardig Stiglitz’ alternatief is. Voor hem is allereerst helder dat er geen toekomst is voor het neoliberalisme. ‘Het neoliberalisme houdt zichzelf niet in stand. Het doet zichzelf teniet. Het heeft onze samenleving en de mensen daarin misvormd. De materialistische, extreme zelfzucht die het heeft gekweekt, heeft de democratie, de sociale cohesie en het vertrouwen ondermijnd, en daardoor zelfs het functioneren van de economie verzwakt’. Nou, die zit ook, en je zou denken dat als we maar voldoende geduld opbrengen, het neoliberalisme door zijn hoeven zakt en het wenkend perspectief van het progressieve, sociaaldemocratische kapitalisme de overhand krijgt. De argumenten maar vooral ook de instrumenten die Stiglitz daartoe aanreikt overtuigen niet direct. Hij noemt vrij onderwijs, wetten en regels om concentratie van economische macht te voorkomen, het bestrijden van angst en propaganda, het bestrijden van economische tweedeling, het tegengaan van (extreem) nationalisme, het onderstrepen van democratische waarden, inclusief een werkelijk vrije (en geen monopolie-) pers, het goed regelen van verantwoording, burgerparticipatie en een herwaardering van de rol van de overheid. Geen onzinnige reeks en deels wel een bruikbaar keuzemenu, maar verre van een direct en makkelijk toepasbaar concreet pakket op weg naar dat progressieve kapitalisme. Daar zijn politieke keuzes en is politieke strijd voor noodzakelijk, en zijn ‘succesvolle’ verkiezingen en goede regeerprestaties daarna van sociaaldemocratische en vergelijkbare regeringen een essentiële voorwaarde. Stiglitz’ alternatief voor het neoliberalisme, hoe moreel en retorisch krachtig ook, blijft abstract en weinig uitgewerkt.

    Terugblik

    Stiglitz gaat met reuzenstappen door de recente geschiedenis vanaf Adam Smith in de late 18e eeuw tot de huidige neoliberale dominantie op wereldschaal. Hij geeft ook een eindeloze reeks voorbeelden hoe burgers vaak in hun rol als consument dom worden gehouden en gemanipuleerd door financiële belangen bij bedrijven zoals verzekeringsmaatschappijen, banken en soms zelfs overheden. En dat niet alleen in de VS en in Europa want de ‘Washington consensus’ van kapitaalmarkt- en financiële marktliberalisering bij de grote internationale financiële instellingen zoals IMF en Wereldbank liet, aldus Stiglitz met name in Afrika en Latijns-Amerika zijn verwoestende sporen na. Geen groei, maar toename van ongelijkheid. En volgens hem was dat ook  het geval in het voormalige Oost-Europa na de val van de Muur: de-industrialisering en een machtsmonopolie door oligarchen.

    Vintage Stiglitz. Met fikse uitspraken een vernietigend oordeel vellen over het wanbeleid, in zijn ogen, bij groepen landen. Nu is daarvan best veel waar, maar zijn Jeltsin, Poetin en de oligarchen nu het gevolg van de Washington consensus? Of van het neoliberalisme?

    Wolven en schapen

    De Britse krant The Guardian oordeelt over Stiglitz’ boek: too little, too late. Te weinig overtuigende en dwingende bewijzen en beleidsadviezen om een werkelijk egalitaire, eerlijke samenleving dichterbij te brengen, en te laat om een klimaatramp af te wenden. Dit onderwerp stipt Stiglitz wel aan, maar hij graaft hier niet diep. Hetzelfde geldt voor actuele kwesties in de wereldhandel en de ongelijk verdeelde beschikbaarheid van grondstoffen. Het boek is vooral een gepassioneerde afrekening, na decennia van intellectuele en professionele vete, met Hayek en Friedman en hun naoorlogse gezelschap, de Mont Pélerin Society, dat hen verbond en inspireerde. Het ongeclausuleerde geloof in vrije markten en vrijheid als panacee voor alle kwaden en als garantie voor een goede samenleving bestrijdt hij met veel argumenten maar vooral ook wel met heel erg veel woorden. Dan deed Isaiah Berlin het ooit wat korter met zijn fraaie citaat dat vrijheid voor de wolven vaak dood voor de schapen betekende. Of een eigen voorbeeld van Stiglitz: het verkeerslicht. Beperkt vrijheid maar als het er niet zou zijn was de onvrijheid vele malen groter.

    Wat is het alternatief?

    Maar goed, de intentie van dit boek is nobel; een betere wereld, en vooral een rechtvaardigere en eerlijkere wereld voor iedereen. Dat zal dan gaan middels een kluts van progressief kapitalisme en ‘een 21e-eeuwse versie van sociaaldemocratie of van de Scandinavische welvaartsstaat’. Bij het vormgeven van dat alternatief is Stiglitz niet op zijn sterkst. Misschien niet zo verwonderlijk omdat voor bijna elke Amerikaan, ook van progressieve snit, het woord socialisme bijna gelijk staat aan communisme De derde weg tussen kapitalisme en socialisme (Clinton, Blair) was al heel bijzonder en vooruitstrevend. En over Scandinavië is de laatste jaren wel meer te zeggen dan louter over hun status als welvaartsstaat.

    Grote kans dat Kamala Harris in haar campagne vorig jaar op zijn minst een samenvatting van dit boek heeft gelezen. Ze deed een verdienstelijke poging het woord vrijheid dat door de rechts en de Republikeinen was gekaapt, terug te winnen. De diefstal van vrijheid door rechts moet door links worden ontmaskerd en ongedaan gemaakt. In deze traditie van grote woorden en fraaie retorica past het boek van Stiglitz zeer goed. En er staan beslist behartenswaardige noties in het boek zoals het belang van het koesteren van menselijk kapitaal als je spreekt over progressief kapitalisme of de verbreding van het Bruto Nationaal Product met welzijn en geluk. Of het boek dit najaar in de binnenzak past van Frans Timmermans en Rob Jetten is sterk de vraag. Daarvoor is het niet alleen te dik maar ook net wat te veel een Amerikaanse Bijbel, maar dan wél een van de betere soort dan die van de behoudende christenen die in de VS het debat lijken te overheersen.

     

     

     

     

  • Indrukwekkende familiesage

    Indrukwekkende familiesage

    Met drie lijvige boeken, De familie Aubrey, Mary en Rose, en Rosamund geeft de Aubrey-trilogie van Rebecca West met voldoende maatschappijkritiek een mooi beeld van het Engeland aan het begin van de vorige eeuw. De Aubrey’s zijn arm, muzikaal en intellectueel. De schrijfster – pseudoniem van Cicely Isabel Fairfield – leefde van 1892 tot 1983. Ze was romanschrijfster, columnist en journalist, met een Schotse moeder die haar carrière als concertpianiste opgaf ter wille van haar gezin en een vader die zich als een halfslachtige journalist profileerde, net als bij de familie Aubrey.

    De vier kinderen Aubrey groeien beschermd en liefdevol op, maar ze moeten accepteren dat hun ouders excentriek zijn. Vooral de oudste dochter Cordelia heeft daar veel moeite mee. De familie heeft een haast obsessief zelfbewustzijn, wat een mooi contrast vormt met hun naïeve kijk op de levens van anderen. Zoals het niet kunnen begrijpen dat iemand er andere denkbeelden op na houdt over bijvoorbeeld de beleving van muziek.

    Moeder Clare was een begenadigd concertpianiste, maar haar gezin gaat voor. Met strenge hand geeft ze geeft haar dochters pianoles. Vader Piers, journalist en pamflettist, is naast bijzonder en erudiet, ook egocentrisch. Hij gaat zijn eigen gang en geeft aandacht aan de kinderen als hem dat uitkomt, maar zorgt er wel voor dat ze hem waarderen.

    Ook Clare houdt hem telkens weer de hand boven het hoofd, terwijl hij al zijn verdiensten vergokt, vrienden geld afhandig maakt en zijn jonge gezin tot diepe armoede brengt. Als hij stiekem haar meubels verkoopt en op mysterieuze wijze met medeneming van de familiejuwelen verdwijnt, lopen de emoties hoog op. Maar Clare blijkt een appeltje voor de dorst achter de hand te hebben gehouden. De schilderijen die achteloos in de kinderkamers hangen zijn geen kopieën, zoals ze altijd beweerde tegen haar man. Nu vader vertrokken is, kunnen de kostbare originelen worden verkocht en kan er eindelijk op ruimere voet geleefd worden.

    Muziek speelt een belangrijke rol

    Cordelia wil violiste worden, maar heeft nul talent en is tot grote frustratie van haar jongere zussen, de tweeling Mary en Rose, daarvan niet te overtuigen. Wat liefdevolle haat en nijd oplevert. De twee zussen erfden wel het muzikale talent van hun moeder en zijn voorbestemd om beroemde concertpianistes te worden. Het jongste broertje Richard Quin is een wonderkind met een bovennatuurlijke levenswijsheid. Moeder Clare, rots in de branding die het gezin bij elkaar houdt, komt wat wereldvreemd over. Ze heeft een verwarde haardos en loopt in zakkige kleren, wat haar niets kan schelen maar wat begin vorige eeuw in Engeland not done was.

    Rose is de verteller van het verhaal. Ze is dol op haar excentrieke ouders en heel close met Mary. Ze hebben allemaal moeite met Cordelia, die zich geneert voor haar ouders en een gewoon (en saai) leven zou willen. Rose beschrijft de herinneringen aan haar jeugd gedetailleerd en met uitgesponnen dialogen. Ze is hardvochtig en kritisch, maar ook humoristisch, met grappige metaforen, fantasieën en denkwijzen, met anekdotes binnen verhalen en herinneringen aan diverse personages. De conflicten zijn klein en alledaags, – wat eten we, wat gaan we doen, wie studeert piano – met neiging tot gebabbel. Vooral in deel een zijn het kinderen die de wereld ontdekken aan het begin van de vorige eeuw, wat wel eens gedateerd overkomt. Tegelijkertijd geeft het een mooi tijdsbeeld, mede dankzij Wests meedogenloze pen. De kleding, de etiquette, de eerste auto en de afhankelijkheid van bedienden, niets wordt gespaard.

    The Forsythe Saga van John Galsworthy (1867-1933) en De jaren van Virginia Woolf (1882-1941), of The Old Filth trilogie van Jane Gardam (1928) zijn net zulke heerlijk uitgesponnen familiegeschiedenissen, waarmee Rebecca West zich prima kan meten. Ook wordt een vergelijking met The Cazalets van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) wel aangehaald.

    Andere personages

    In de trilogie van rond de 1250 bladzijden komen veel markante personages voor. Enkelen verdienen het om genoemd te worden, zoals Nancy Phillips, een vriendin van Cordelia en later ook van Mary en Rose. In deel een wordt haar vader vermoord door haar moeder, Queenie. Een ingrijpende gebeurtenis in de levens van de nog jonge meisjes. Hun eigen vader is betrokken bij het proces om Queenie een lichtere straf te geven. Tante Lily, de inwonende ongetrouwde zus van Queenie, kan nergens heen en wordt opgenomen door de Aubrey’s. Vervolgens brengt Lily hen in contact met haar oude vrienden, oom Len en tante Milly. Hartelijke, warme mensen die The dog and duck runnen, een uitspanning aan de Thames. Een levendige plek waar de familie Aubrey zich thuis voelt.

    Meneer Morpurgo is een rijke jood en weldoener, een zeer menselijk en bovenmatig aardig heerschap, die het gezin altijd heeft ondersteund. Aanvankelijk was hij een bewonderaar van vader Piers. Keer op keer hielp hij Piers als hij zich weer in de nesten had gewerkt. Als Piers zijn gezin verlaten heeft, raakt meneer Morpurgo steeds meer betrokken bij de familie.

    Een ander belangrijk personage is nicht Rosamund, uit het gelijknamige deel drie van de trilogie. Haar vader Jock, een verschrikkelijke man volgens Rose, is een neef van Clare. Constance en Rosamund zijn diepongelukkig bij hem en ook zij trekken bij de familie Aubrey in. Constance en Rosamund zijn rustig en wijs en hebben een louterende invloed op de veel onstuimigere Aubrey-kinderen. Mary en Rose bewonderen hun nicht en vooral Richard Quin is dol op haar – tussen hen sluimert een diepe liefde, maar het blijft wel allemaal lief en braaf.

    In deel twee, Mary en Rose, studeren de tweelingzussen piano, beiden aan hoogstaande conservatoria. Cordelia vindt een echtgenoot en kan eindelijk haar vreselijke familie ontvluchten. Mijnheer Morpurgo wordt een huisvriend met vaderlijke kwaliteiten, en de eerste wereldoorlog breekt uit. Richard Quin gaat het leger in en moeder Clare blijkt ernstig ziek te zijn. Dit deel eindigt met een mooie invoelende beschouwing op het stervensproces van Clare.

    Rosamund

    Deel drie, Rosamund, speelt in de jaren na de eerste wereldoorlog en is een samenraapsel van eindjes uit de vorige twee delen, die nog niet afgeknoopt waren. De achtergrond van oom Len wordt duidelijk, Nancy trouwt en haar moeder komt vrij. Rosamunds huwelijk is een hoogtepunt in het boek. Rosamund, lang en blond, trouwt met een onooglijk klein, maar schatrijk mannetje.

    Rose heeft een stellige mening over de man van haar vriendin en wint geen doekjes om haar beschrijvingen van uiterlijkheden of karaktereigenschappen. ‘Ik was woedend. Het ging tegen de natuur in dat ze gelukkig zou worden met deze man, die een kop kleiner was dan zij, die absurd gebouwd was, wiens hoofd bijna meteen aansloot op zijn lijf dat zo geleidelijk aan van mollig tot kleine voeten verschrompelde dat hij een vis leek die op zijn staart stond.’

    Toch blijft Rosamund als personage schetsmatig. We komen in deel drie niets meer te weten over haar stille-water-karakter, wat een teleurstelling is. Rosamund reist met haar man over de wereld en heeft geen tijd meer voor haar oude vriendinnen. Alsof ze door met hem te trouwen alle herinneringen aan Richard Quin, die ontegenzeggelijk haar grote liefde was, en de armoe en ontberingen uit haar jeugd wil vergelden. Aan Rose knaagt het gemis van Rosamund en ze mist ook haar vader, moeder en Richard Quin, maar die zijn overleden. ‘Rosamund had bestaan, en aangezien ze niet overleden was, moest ze nog steeds bestaan.’

    Rose en Mary treden veelvuldig op in Europa en Amerika. Ze zijn well-to-do en laten het breed hangen na hun armoedige jeugd. Toch houden ze een sterke hang naar vroeger en wonen ze nog thuis met hun oude bediende Kate. Uiteindelijk vindt Rose de liefde, ze omarmt het huwelijk en ontdekt het genot van seks. Alsof West hiermee wil zeggen dat dit het is waar het in het leven om draait.

     

     

  • Oogst week 3 – 2020

    Bowie's Boekenkast

    Ook mensen die niet zo bekend zijn met de muziek van David Bowie, weten vast wat een markante man het was. Dat hij heel veel las, zal echter niet iedereen weten. Hij zou ‘lezen’ zelfs genoemd hebben als zijn ultiem idee van geluk.

    Welke boeken hebben hem het meest beïnvloed? Bowie stelde zelf, drie jaar voor zijn dood, een lijst samen van boeken die zijn leven hebben veranderd. Dat zijn dus niet per se de boeken die hij het mooiste vond, maar juist die hij het belangrijkste en meest invloedrijk vond voor zijn leven, en die dus die iets over hem vertellen. Deze lijst is tijdens de grote ‘David Bowie Is’ tentoonstelling al gepubliceerd en ging toen meteen ‘viral’.

    De lijst in op internet al in te zien. Er staan beroemde boeken op van beroemde schrijvers, maar ook minder beroemde werken van (minder) beroemde auteurs.
    Per boek is een kort essay opgenomen over inhoud en auteur, je krijgt suggesties over welk (Bowie)-nummer je daarbij het best kunt beluisteren en nog vervolg-leestips. Het boek wordt daarmee een schier eindeloze lijst.

    Uitgeverij Orlando speelt slim in op Bowie’s lijst met o.a. de publicatie van De beste jaren van juffrouw Brodie (december 2019) van Muriel Spark en Circusnachten van Angela Carter (januari 2020).

    Bowie’s boekenkast is geïllustreerd door Luis Paadín.

    Bowie's Boekenkast
    Auteur: John O'Connell
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Leugenaar

    Een van de grootste vertalers uit het Hebreeuws was Shulamith Bamberger (1947 – 2018). Zij was geboren in Israël en verhuisde als jonge vrouw naar Nederland waar zij vertaalkunde ging studeren. Zij vertaalde o.a. proza van onder meer David Grossman, Alon Hilu en Hila Blum, maar vertaalde o.a. ook Arthur Japin, Harry Mulisch en Willem Elsschot vanuit het Nederlands naar het Hebreeuws.

    Ook Leugenaar van Ayelet Gundar Goshen (Tel Aviv, 1982) heeft zij vertaald.

    Leugenaar gaat over de vriendelijke, altijd dienstbare, 17-jarige ijsverkoopster Noefar Sjalev.
    Als op een dag een beroemde zanger haar beledigt, loopt zij de zaak uit. Hij gaat haar achterna in de veronderstelling dat ze er met zijn geld vandoor gaat. ‘Noefars gil alarmeert de buurtbewoners en tot haar verbazing is iedereen ervan overtuigd dat de man haar seksueel probeerde lastig te vallen. En zij besluit hen dat te laten geloven. Met zwarte humor en diep inzicht in de menselijke aard beschrijft Leugenaar hoe een klein leugentje een groot verschil kan maken. In een wereld van mediahypes en alternatieve feiten laat de schreeuw van een meisje een hele stad twitteren.’

    Leugenaar is in verschillende landen een groot succes en zal ook verfilmd worden.

     

     

    Leugenaar
    Auteur: Ayelet Gundar Goshen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Vuurgeesten

    Prachtige recensies kreeg het boek Vuurgeesten van de van oorsprong Zuid-Koreaanse schrijfster R.O. Kwon. Het is een debuut waar de schrijfster tien jaar aan schreef voordat ze het goed genoeg vond, maar daarna denderde het dan ook de bestsellerlijsten in.

    Vuurgeesten gaat over twee jonge mensen, Phoebe en Will, waarvan er één vanuit een schuldgevoel in de ban raakt van een sekte. De ander kent de aantrekkingskracht van het geloof, maar heeft er mee gebroken en worstelt vervolgens met de leegte die dat veroorzaakt.
    De religieuze groepering waarbij Phoebe zich aansluit wordt geleid door een charismatische oud-student met een twijfelachtig verleden en radicale opvattingen. Als de groep een aanslag pleegt en Phoebe verdwijnt, stelt Will alles in het werk om te achterhalen wat er gebeurd is

    Michael Cunningham zei over dit boek: ‘Spannend, angstaanjagend en diep ontroerend; een juweel van een boek. Het beste dat ik in lange tijd gelezen heb. Kwon heeft haar naam gevestigd.’

     

     

    Vuurgeesten
    Auteur: R.O. Kwon
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Ondergronds in Turkije

    Ondergronds in Turkije

    Onder het bewind van Erdogan zijn schrijvers in Turkije tot nu toe grotendeels buiten schot gebleven. Terwijl kritische journalisten het werken onmogelijk wordt gemaakt of erger, kunnen romanciers nog gebruik maken van fictie om maatschappelijke misstanden aan de kaak te stellen. Bijvoorbeeld Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk, die in zijn boek Dat vreemde in mijn hoofd (2014) fraai illustreerde hoe het narratief van een uniform, islamitisch Turkije strategisch wordt ingezet in dienst van persoonlijke belangen.

    In Istanbul, Istanbul is de kritiek minder subtiel: het boek speelt zich af in een ondergrondse gevangenis, waar politiek ongewensten niet alleen zijn opgesloten maar ook excessief worden gemarteld. Schrijver Burhan Sönmez weet er zelf het een en ander van. In 1996 raakte hij, op dat moment nog werkzaam als jurist, gewond bij een aanslag die naar verluidt door de Turkse politie werd uitgevoerd. Hij week uit naar Engeland voor medische behandeling en politiek asiel. Istanbul, Istanbul is zijn derde roman. Daarnaast schrijft Sönmez voor internationale kranten.

    Hoewel de naam Erdogan nergens valt en er geen tijdsaanduiding wordt gegeven, is het verleidelijk om het boek eerst en vooral als politieke stellingname te zien. De beschreven repressie kan namelijk niet los worden gezien van de actuele situatie in Turkije. Het daarbij laten zou echter geen recht doen aan de literaire insteek van de roman. Istanbul, Istanbul is bijvoorbeeld, om de meest voor de hand liggende inspiratiebron te noemen, gemodelleerd naar de Decamerone. Boccacio liet in zijn werk uit de 14eeeuw een afgezonderde groep mensen, op de vlucht voor de pest in Florence, elkaar gedurende tien dagen beurtelings een verhaal vertellen. Sönmez deelt zijn boek ook op in tien dagen en laat zijn personages eveneens verhalen opdissen om de realiteit van het moment te ontvluchten. Zij hebben elkaars gezelschap echter niet zelf gekozen maar delen met zijn vieren een krappe en ijskoude cel. Contact met de buitenwereld kan slechts tot stand komen via de verbeelding.
    ‘We waren als gewone inwoners van Istanbul. We idealiseerden het verleden of fantaseerden over de toekomst. We probeerden te doen alsof vandaag niet bestond. Of we vertelden het verhaal van het verleden of dat van de toekomst. […] We piekerden onophoudelijk over de vraag die we niet konden uitspreken: wie bezat vandaag, van wie was vandaag?’

    De verhalen staan doorgaans genoteerd aan het begin van een hoofdstuk (oftewel een dag), en hebben soms de vorm van een lange mop of een raadsel. Helaas zijn deze vertellingen met een humoristische insteek, anders dan bij Boccacio, te matig van kwaliteit om werkelijk lucht te brengen binnen de loodzware romansetting. Andere verhalen beschrijven het leven voor de opsluiting, vooral in Istanbul, en geven zo meer achtergrond aan de personages. Vanuit de fictie komen ze alle vier telkens weer bij hun eigen geschiedenis uit. De factor die hen verbindt is het lijden en niet een politiek ideaal, althans niet hun eigen.
    ‘Als pijn de wereld verdeelde op dezelfde manier als het de geest verdeelde, dan gold deze cel als de plek van de pijn en het bovengrondse Istanbul als de pijnloze plek. […] Een leugen hield je het beste verborgen met een nieuwe leugen. En de beste manier om de bovengrondse pijn te verbergen was door ondergrondse pijn te veroorzaken.’

    Vanuit de vorm komt in Istanbul, Istanbul voortdurend en onvermijdelijk de (politieke) inhoud om de hoek kijken. Het boek blijft daarbij om dezelfde thema’s cirkelen; om het lijden, om de kracht van verbeelding en om de stad die zich alle verhalen toe-eigent; Istanbul. Jammer genoeg voelt het soms echt als rondjes draaien, zonder dat je als lezer tot de achterliggende materie kan doordringen. De gedachten die naar voren komen over de genoemde thema’s blijven op zichzelf staan en vormen niet een uitgewerkt geheel. Daarbij maakt het proza zelf geen indruk, integendeel, het is mat en weinig creatief. In hoeverre hierbij meespeelt dat de Nederlandse uitgave een vertaling is vanuit het Engels valt moeilijk in te schatten, maar merkwaardig is deze keuze wel.

    Vanwege de expliciete beschrijving van politieke repressie in Turkije mag dit boek van Burhan Sönmez gerust moedig worden genoemd. In 2017 won de auteur niet zonder reden de ‘Disturbing the peace award’ van de Vaclav Havel Library Foundation, een prijs voor schrijvers die in het geweer komen tegen schendingen van de mensenrechten. Op literair vlak echter komen zowel het zichtbare als het ondergrondse Istanbul niet genoeg tot leven. De gebrekkige ontwikkeling en vlakke stijl kunnen zelfs een vrij moeizame leeservaring opleveren.

     

  • Burhan Sönmez vertalen via een omweg

    Omdat Burhan Sönmez er in Istanbul, Istanbul blijk van geeft de stad die in zijn roman zo’n voorname rol speelt nogal goed te kennen, lag het voor Petra Stienen – vorige maand moderator van dienst tijdens PEN Spreekt: Turkish Writers in Exile – voor de hand de vertaler, te vragen of een reis naar die stad onderdeel uitmaakte van de voorbereidingen van zijn vertaling.
    Hij, René van Veen, reageerde nogal ongemakkelijk toen Petra Stienen hem die vraag stelde. Van Veen zat in de zaal en was duidelijk niet voorbereid op een actieve rol tijdens het gesprek. Hij antwoordde desondanks en met zijn antwoord verbaasde hij Petra Stienen. René van Veen bekende namelijk nog nooit in Istanbul geweest te zijn.

    Nog voordat Van Veen vertelde dat hij het wel heel graag gewild had: naar Istanbul gaan, leek Petra Stienen haar belangstelling voor hem verloren te hebben. Toen ook nog eens bleek dat het boek niet van de voor haar voor de hand liggende uitgever was, spoedde zij zich terug naar haar gasten op het podium. Van René van Veen wilde ze niets meer weten.

    Ik vond het eerlijk gezegd niet zo gek dat René van Veen nog nooit in Istanbul geweest was. René van Veen heeft geen bijzondere band met Turkije en/of de Turkse literatuur. Hij vertaalde Istanbul, Istanbul niet uit het Turks, maar uit het Engels.
    Dat moet Petra Stienen geweten hebben – het stond duidelijk in het colofon – en daar had ze een vraag over moeten stellen.

    Waarom koos uitgever Orlando ervoor om Istanbul, Istanbul via een omweg te laten vertalen? Was er geen vertaler beschikbaar die het boek op korte termijn uit het Turks kon vertalen; wilde de uitgever de kwaliteit van de vertaling kunnen controleren en was het Engels als afgeleide brontaal handiger of gaf de schrijver wellicht zelf de voorkeur aan het via-via vertalen?
    Ik had ook wel willen weten wat Hanneke van der Heijden, vertaalster van Turks proza (zij zat naast Burhan Sönmez en de naar Nederland uitgeweken schrijfster Çiler Ilhan op het podium) en/of eventuele andere in de zaal aanwezige vertalers van Turkse literatuur vonden van de keuze voor een vertaler die het Turks niet machtig is.

    Daar ging het die avond in de Balie natuurlijk niet over, en dus was het heel verstandig van Petra Stienen om niet door te vragen. Vragen naar het waarom van het niet rechtstreeks uit de brontaal vertalen, zou een discussie op zich geworden zijn en afgeleid hebben van waar het die avond echt over ging: wat het voor een Turkse schrijver betekent om in ballingschap te leven en te werken?
    Maar dat René van Veen de roman uit het Engels vertaalde, dat had wel vermeld moeten worden. Niet alleen was het dan minder gek geweest dat hij nooit in Istanbul was, het had veel meer recht gedaan aan alles wat er daarvoor en daarna gezegd werd over de netelige positie waarin ook vertalers zich in Turkije bevinden.

     

    foto: still uit de stream

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Werken in vrijheid

    Werken in vrijheid

    Op 15 september 1997 lieten Larry Page en Sergey Brin Google.com registreren als domeinnaam. Google is een woordspeling op het woord ‘googol’, een wiskundige term voor een één met honderd nullen. Het verwijst naar de missie van Google: ‘Alle informatie ter wereld organiseren en universeel toegankelijk en bruikbaar te maken.’

    Een jaar later nemen Page en Brin hun eerste werknemer aan.  In 1999 heeft Google acht medewerkers. In 2006 treedt Laszlo Bock in dienst bij Google als Senior Vice President bij de afdeling People Operations. Het bedrijf heeft op dat moment zo’n 6.000 ‘Googlers’ in dienst en groeit door naar 60.000 medewerkers in 2015. Google scoort wereldwijd hoog op lijsten van ‘Meest aantrekkelijke werkgevers’. Fortune heeft Google al zes keer uitgeroepen tot beste werkgever ter wereld.

    Per jaar ontvangt het bedrijf pakweg twee miljoen sollicitaties. Het aantal nieuwe werknemers, ‘Nooglers’, ligt per jaar rond de vijf duizend. Google neemt slechts een kwart procent aan van wie zij de geschiktheid beoordelen. Bock op Youtube: ‘We sort of have to kiss a lot of frogs before we find a prince or princess.’ Het is moeilijker aangenomen te worden bij Google dan bij de gerenommeerde universiteiten Harvard en Stanford.

    Laszlo Bock schrijft in De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen dat het aantrekken van nieuw personeel in de beginjaren van Google een kostbaar en tijdrovend proces was. Google heeft een systeem ontwikkeld waarbij analyse van data steeds belangrijker is geworden. Sollicitatiegesprekken zijn gestandaardiseerd. Verborgen vooroordelen, zoals over naam, geslacht, afkomst en leeftijd van de sollicitant, zijn uitgefilterd. Zo komen beslissingen tot stand op basis van objectieve gegevens, niet op basis van meningen. Het doel van de procedure is te voorspellen hoe kandidaten zullen presteren als ze eenmaal zijn aangenomen. Een verschil met de traditionele manier van werven is dat de inhurende manager niet beslist. Bock: ‘We ontnemen managers doelbewust een deel van hun zeggenschap over medewerkers.’ Een sollicitatiecommissie doet een aanbeveling voor de Senior Leader Review die al dan niet besluit tot een voordracht. Uiteindelijk beslist Larry Page.

    Google kent geen traditionele afdeling personeelszaken met HR-professionals. Bock: ‘In te veel bedrijven is HR de afdeling waar de aardige mensen terecht komen die elders niet succesvol zijn’. HR bij Google heet People Operations en is opgebouwd volgens het ‘driederdemodel’. Slechts eenderde van de medewerkers heeft een HR-achtergrond. Het tweede derde bestaat uit consultants en de laatste derde uit analytici. De consultants en de analisten vormen de bron van de technologische kennis binnen Google. Bij de dynamische benaming ‘Operations’ klinkt ‘de belofte van wiskunde’ door: het werken met data. Dat is met name aantrekkelijk voor softwareontwikkelaars. De afdeling fungeert zo als een ‘ingebouwd consultancy kantoor’.

    Larry Page en Sergey Brin hebben de basis gelegd voor het wervingssysteem van het bedrijf. Zij willen alleen de allerslimsten als medewerker, geen ‘nerds’ die alles weten van een speciaal onderwerp, maar slimme generalisten. Als een bedrijf groeit, is de kans groot dat nieuwe wervers vrienden aannemen of familieleden van een belangrijke klant. Op deze manier lever je altijd in op kwaliteit. De ‘regels’ voor de selectie van nieuwe medewerkers zijn o.a.: ‘Leg de lat hoog, ga zelf op zoek naar kandidaten, beoordeel kandidaten objectief en geef de kandidaten een reden om voor jou te werken.’

    In meerdere hoofdstukken vertelt Bock hoe Google er al jarenlang in slaagt een cultuur te creëren waarin mensen graag werken. Hij deelt zijn ideeën over hoe je de beste mensen kunt vinden, ‘te laten opbloeien en aan het bedrijf te binden in een sfeer van vrijheid, creativiteit en ontspanning’. Elk hoofdstuk sluit hij af met ‘regels’, een lijstje met aanbevelingen.

    Het laatste hoofdstuk van het boek bevat een overzicht van de veertien ‘werkregels’ waarmee je je bedrijf en werkomgeving kunt veranderen. De belangrijkste ‘werkregels’ zijn de regels om een geweldige cultuur te creëren: ‘Geef je werk betekenis’ en ‘geef je medewerkers vertrouwen.’ Het gaat erom net iets meer vertrouwen, vrijheid en beslissingsbevoegdheid te geven dan waarbij je je prettig voelt. ‘Rules’ vertaald als ‘regels’. Het klinkt nogal streng, maar als je regels opvat als ‘tips’ of ‘aanbevelingen’, dan valt het mee. Overigens relativeert Bock deze ‘regels’ in zijn inleiding: ‘Bij Google hebben we maar weinig regels en handvesten, dus wat ik hier vertel betreft niet het officiële bedrijfsbeleid. Het zijn niet meer dan mijn ideeën over het waarom en hoe van het succes van Google […].’

    Het thema van het boek is onvrijheid tegenover vrijheid. Bock vluchtte in 1974 met zijn ouders uit het communistische Roemenië naar de Verenigde Staten. Roemenië was in die tijd het land van de geheime diensten en afluistersystemen. De tegenstelling met zijn nieuwe land kon niet groter zijn. Bij Google, een bedrijf waar vrijheid, creativiteit en transparantie hoog in het vaandel staan, voelt hij zich op zijn plaats. De vrijheid herkent  hij in de missie van het bedrijf,  het toegankelijk maken van alle informatie.

    Volgens Bock zijn er twee extreme modellen van hoe je een bedrijf kunt leiden: ‘Het ‘onvrije’ model is het bedrijf dat opdrachten geeft, zijn werknemers onder de duim houdt en kneedt, zodat ze zich voegen naar het bedrijf. Het ‘vrije’ model gaat uit de van vrijheid en vrijwilligheid, respect voor werknemers en voor hun ideeën hoe het bedrijf zich verder kan ontwikkelen.’ Beide modellen kunnen winstgevend zijn, maar getalenteerde mensen maken liever deel uit van een organisatie die vrijheid voorstaat: ‘de vrije bedrijven profiteren van de inzichten en toewijding van hun medewerkers en zullen daardoor veerkrachtiger zijn en blijvend succesvol.’ De ‘regels’ van Google kunnen je helpen bij het opbouwen van een bedrijf waar vrijheid en creativiteit voorop staan.

    Bock legt de nadruk op de successen van Google, maar ook missers krijgen een plaats. Hij schrijft in zijn voorwoord dat dit boek ook vertelt ‘wat jij kunt doen om mensen op de eerste plaats te zetten en om je een heel andere manier van leven en leidinggeven eigen te maken.’

    De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen is de vertaling van Work Rules!  Insights from Inside Google to Transform How You Live and Lead. De Nederlandse titel De toekomst van werk is te algemeen en heeft een stelligheid die de Engelse titel niet heeft.  Jammer dat de dubbele betekenis van Work Rules! niet te vertalen is. Inzichten die je kijk op het leven veranderen is niet hetzelfde als transform how you live and lead. Het leidinggeven ontbreekt in de Nederlandse ondertitel. ‘Je kijk op het leven veranderen’, is te passief. Het gaat er ook om hoe jij zelf de regels van Google kunt toepassen.

    Laszlo Bock heeft een zeer lezenswaardig boek geschreven, met anekdotes en voorbeelden uit de praktijk. Hij verwijst veelvuldig naar gedragseconomisch en psychologisch onderzoek, met een handig notenoverzicht tot slot.

    De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen

    Laszlo Bock (1972) studeerde aan Yale University School of Management (MBA) en Pomona College (BA). Hij werkt sinds 2006 als HR-manager bij Google (‘SVP, People Operations’).  In 2010 riep HR Executive Magazine hem uit tot ‘Human Resources Executive of the Year‘. Eerder werkte hij als management consultant bij o.a. bij General Electric en McKinsey & Company.