• Diepgravend onderzoek overschaduwd door zweverigheid

    Diepgravend onderzoek overschaduwd door zweverigheid

    Meer dan een half miljoen Nederlandse jongens en jonge mannen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter gedwongen in de Duitse oorlogsindustrie te gaan werken. Over hoe dat ging en welke gevolgen dit had voor de tewerkgestelden is bar weinig bekend. Wie terugkeerde, soms na jarenlange dwangarbeid, deed er doorgaans het zwijgen toe. Zo ook de vader van journalist en schrijver Tim Overdiek. In Zwijgende vaders, Het onbekende verhaal van de dwangarbeid doet hij een poging te achterhalen hoe het zijn vader in Duitsland verging en waarom er thuis altijd over werd gezwegen: ‘Ik wil Paul Overdiek weer tot leven brengen’, schrijft hij. Het is goed dat Overdiek deze voor veel van zijn generatiegenoten herkenbare problematiek heeft onderzocht. Toch schuurt er iets. 

    Paul Overdiek sterft op 27 april 1978. Hij is 55 jaar oud. Zijn zoon Tim is net dertien en voelt ‘een stiekeme opluchting’, want bepaald makkelijk was zijn vader niet geweest. ‘Hij was een grootmeester in het verbaal oorlog voeren. Of keihard zwijgen. Ik wist het niet met hem.’ Vader was een ‘grillige tijdbom’, die zonder waarschuwing kon ontploffen. Maar hij kon ook heel lief zijn en ‘superleuke dingen’ met zijn kinderen doen. Overdiek, inmiddels zelf ouder dan zijn vader is geworden, vraagt zich af in hoeverre de onberekenbaarheid van zijn vader het gevolg kon zijn van diens jarenlange dwangarbeid tijdens de oorlog in een metaalfabriek in Krefeld. Zelf wilde zijn vader daar nooit over praten. ‘Ja ja, dat was een rottijd’, zei hij dan en liep weg. 

    Foto als startpunt

    Paul Overdiek was niet de enige die ervoor koos te zwijgen over zijn tijd in de Duitse oorlogsindustrie. Toch lukt het zijn zoon Tim behoorlijk wat informatie boven tafel te krijgen over de tijd in Krefeld. Zijn startpunt is een foto die zijn vader had bewaard. Er staan zestien mannen op, sommigen geknield, anderen gebukt en de achterste rij recht overeind, als op een voetbalelftalfoto. Een van de gefotografeerden is Paul. De mannen zien er goed uit, de sfeer lijkt ontspannen, iemand speelt zelfs op een banjo. Overdiek herkent een paar gezichten op de foto; in de jaren na de oorlog was er wel sprake van wederzijds familiebezoek. Er zijn meer foto’s uit Krefeld, maar Paul Overdiek is verder nergens te bekennen – misschien omdat hij zelf de fotograaf was. 

    Overdiek zoekt de nabestaanden van de mannen op de foto op en merkt dat zijn generatiegenoten veelal dezelfde ervaringen hebben als hij – vader was nooit erg mededeelzaam geweest over de ‘Arbeitseinsatz’. Was het schaamte, verdringing? Feit is dat lang niet iedereen gehoor gaf aan de oproep van de bezetter. Velen doken onder. Was het dan niet een vorm van vrijwilligheid, en feitelijk zelfs landverraad, als je je wél netjes meldde en naar Duitsland liet brengen? Zo beschouwd (en het werd na de oorlog vaak ‘zo beschouwd’) is dat zwijgen goed te begrijpen. Toch komt Overdiep in zijn onderzoek nog veel te weten over de mannen in Krefeld en hoe ze daar hun tijd doorbrachten.

    Door de week was het keihard werken in de snikhete staalfabriek. Het eten was vies, karig en nauwelijks voedzaam, het onderkomen een slecht verwarmde, vochtige barak. Overtredingen en wangedrag werden zwaar bestraft, soms met opsluiting. Van zijn vader wist Overdiek dat die na een conflict (‘Pa zou een lepel naar een Duitser hebben gegooid’) een paar dagen in een bunker werd opgesloten waarin hij niet rechtop kon staan. Toch was er ook ontspanning. In het weekend trokken de mannen Krefeld in om bier te drinken. Kerkbezoek was mogelijk. En soms had men verlof en werd er met de trein naar huis gereisd. Uit de foto’s en de dagboeken die Overdiek onder ogen krijgt, blijkt dat er sprake was van veel kameraadschap en onderlinge loyaliteit onder de dwangarbeiders. 

    Buiten beeld

    Gaandeweg ontstaat zo een goed beeld van de manier waarop de ‘Arbeitseinsatz’ in zijn werk ging en leren we verschillende lotgenoten van Paul Overdiek wat beter kennen. Alleen over hemzelf komen, tot grote frustratie van de schrijver, we weinig tot niets te weten. Zijn vader blijft letterlijk en figuurlijk buiten beeld, zowel tijdens als na de oorlog. De vragen uit het begin van het boek blijven onbeantwoord. Wat ging er werkelijk om in het hoofd en het hart van zijn vader? ‘Hoe is hij geworden wie hij was? Waar heeft hij afslagen in zijn leven gemist? Welke onmacht heeft hij gevoeld? En net zo belangrijk: hoe ben ik daardoor geworden wie ik ben?’

    Hm, ‘net zo belangrijk’? Het lijkt erop dat Overdiek het gebrek aan informatie over zijn vader tracht te compenseren met aandacht voor zichzelf. Overdiek is niet alleen journalist en schrijver, maar ook ‘therapeutisch mannencoach’, zoals op de achterflap van het boek vermeld staat. Daarom begrijpt hij hoe het komt dat twee zoons van een (overigens foute) dwangarbeider aanvankelijk zo boos reageren als Overdiek hen benadert voor een gesprek: ‘Als therapeutisch coach weet ik hoe oude emoties dicht aan het oppervlak zitten.’

    En dat niet alleen: hij begrijpt ook zijn eigen reacties. Overdiek belt met Henry Kissinger, die na de oorlog een rol had in het normaliseren van de situatie in Krefeld: ‘Ik merk hoe het me raakt als hij het over “your father” heeft. Mijn papa.’ Een oud-collega op de leerfabriek waar Paul Overdiek na de oorlog bescheiden carrière maakte, zegt: ‘Het was wel duidelijk dat hij het in het leven heel zwaar heeft gehad.’ Waarop Overdiek schrijft: ‘Ik voel mijn hart verzachten.’ Verderop noemt hij zich zelfs ‘een kind van de oorlog’.

    Hij voelt een door de historicus en tv-maker Hans Goedkoop uitgesproken zin over het in ere houden van de 4 mei-herdenking, ‘in alle vezels van mijn lijf’. Na zijn zoektocht naar de feiten vraagt Overdiek zich af of hij ‘ook emotioneel dichterbij [zijn vader is] gekomen’. Opnieuw duikt de therapeutisch coach op. Overdiek beschrijft hoe hij tijdens een mannenworkshop ‘in een zweethut’ ging om ‘half hallucinerend zowaar mijn vader ‘tegen te komen’’. Tijdens een ‘tantrafestival’ nam hij deel aan een sjamanistisch ritueel, waarbij hij zich ‘half gehypnotiseerd kon verplaatsen naar de dodenwereld, waar hij het sterven van zijn vader herbeleefde, waarbij ‘kinderlijke razernij’ om het in de steek laten omslaat in vergiffenis schenken. Tijdens een ‘ayahuasca-ceremonie’ in 2023 kwam hij wederom in contact met zijn vader: ‘ik nodigde hem uit in mijn hart’. Het is bijzonder jammer dat Overdiek zijn diepgravende en verhelderende journalistieke prestatie laat overschaduwen door iets wat veel lezers als zweverige onzin zullen beschouwen. 



  • Literatuur in dienst van de strijd

    Literatuur in dienst van de strijd

    Drie Palestijnse mannen, drie generaties, één doel: een nieuw bestaan in Koeweit. Ze vinden elkaar in de verzengende hitte van een watertank, achterop een roestige vrachtwagen. In 1963 schreef Ghassan Kanafani (1936-1972) zijn beroemde roman Mannen in de zon. We zijn zestig jaar ‘verder’, en nog altijd – misschien wel meer dan ooit – kreperen overal in de wereld vluchtelingen bij hun zoektocht naar een beter, menswaardig bestaan.

    Ghassan Kanafani werd in 1936 geboren in het toenmalige Palestina. In 1948, na de ‘Nakba’, de ‘catastrofe’ – de verdrijving uit hun land na de stichting van de staat Israël – vluchtte zijn familie naar Libanon en vervolgens naar Syrië waar hij leraar werd in Koeweit. In 1960 keerde hij als journalist, schrijver en politiek activist terug naar Libanon. Hij schreef essays, korte verhalen en romans over de situatie van de Palestijnen in de jaren vijftig en zestig. Tot zijn dood in 1972 (vermoord door de Israelische geheime dienst) was Kanafani woordvoerder van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina. 

    Geëngageerd

    In haar nawoord schrijft vertaalster Djûke Poppinga dat volgens Kanafani literatuur in dienst moest staan van de strijd van de Palestijnen, ‘enerzijds om de gemeenschappelijke culturele identiteit te behouden en anderzijds om de geest van verzet onder de bevolking te verspreiden’. Die geëngageerde signatuur zien we beslist ook in Mannen in de zon. Het is een prachtig, compact verhaal over drie Palestijnen die vanuit Irak een illegale, levensgevaarlijke en kostbare sluipreis naar Koeweit ondernemen. De jongste is Marwaan, een adolescent die is opgegroeid in een vluchtelingenkamp en in Koeweit geld voor zijn familie wil verdienen. As’ad is qua leeftijd de middelste van de drie. Hij heeft de Nakba als kind bewust meegemaakt en zit vol opgekropte woede. Anders dan de oudste vluchteling, Aboe Kais, die zich bij de situatie heeft neergelegd en gelaten probeert er het beste van te maken. 

    Onafhankelijk van elkaar benaderen ze in Basra (Irak) ‘de dikke man’, een sluwe, cynische, sinistere vluchtelingenmakelaar met dollartekens in de ogen. En telkens is het diens graatmagere tegenpool, Aboe al-Khaizoeraan, die het vertrouwen weet te winnen van de vluchtelingen. Of hij dat vertrouwen waard is, komen we nooit te weten. Maar zijn prijs is beter en zijn verhaal klinkt goed: met een lege watertankwagen de grens over, waarbij ze alleen maar van een paar honderd meter vóór, tot een eindje na de grens in de tank hoeven te kruipen. In de smorende hitte van de Iraakse woestijn natuurlijk, dat wel. Maar dat is te overzien. Totdat de formaliteiten bij de grensovergang meer tijd in beslag blijken te nemen dan de smokkelaar had gehoopt. 

    Virtuoos

    Kanafani jongleert virtuoos met flashbacks en -forwards, waardoor de roman veel meer wordt dan een eenvoudige constructie van drie verhaallijnen, samenkomend in het gezamenlijke relaas van de smokkeltocht in de tankwagen. We leren de drie mannen kennen vanuit hun tragische verleden en uiteenlopende ambities. De naïeve Marwaan, die zich verantwoordelijk voelt voor zijn familie en zijn oudere broer wil navolgen, van wie zijn familie evenwel al tijden niets meer heeft gehoord. De strijdbare As’ad, die zich vernederd voelt. Niet alleen als Palestijn door de zionisten, maar ook door zijn familie, die hem tot een ongewenst huwelijk wil verplichten. En ten slotte de bedaagde, passieve Aboe Kais, die zich tegen wil en dank heeft laten opstoken door zijn vriend Saad ‘die als chauffeur in Koeweit had gewerkt en was teruggekomen met zakken vol geld’. Die hem verwijt dat hij ‘de afgelopen tien jaar niets anders heeft gedaan dan wachten’. 

    Je zou kunnen zeggen dat Kanafani in de gedaante van de drie mannen verschillende sentimenten symboliseert die kenmerkend zijn voor de Palestijnse diaspora. Als politiek activist zal hij zich het meest verwant voelen met de weerspannige generatiegenoot As’ad. Maar hij zal ook sympathie koesteren voor, en hoop vestigen op de optimistische veerkracht van de jonge Marwaan. En misschien zelfs begrip hebben voor de lusteloosheid van de door het leven murw gebeukte Aboe Kais. Volgens de vertaalster lijkt het erop dat Kanafani zijn lezers wilde voorhouden ‘dat het Palestijnse volk moest beseffen dat het alleen stond en daarnaar handelen’. Volgens Poppinga is de roman ook bedoeld als kritiek op ‘de gelatenheid waarmee de Palestijnen hun lot ondergaan’. Na de verschijning van Mannen in de zon in 1963 is het conflict tussen Israël en de Palestijnen alleen maar groter, grimmiger en uitzichtlozer geworden. Na de verschijning van deze nieuwe vertaling was de aanslag van Hamas, oktober 2023, op Israël het begin van een tragedie die alle voorgaande ellende lijkt te overschaduwen. 



  • Getikte voorouders

    Getikte voorouders

    ‘Maar u bent anders; ook wel een beetje getikt, maar toch goed,’ zegt het herderinnetje Pamela tegen burggraaf Menardo. Een beetje getikt zijn eigenlijk alle personages in het werk van Italo Calvino (1923-1985). Of in elk geval in de drie verhalen die samen de bundel Onze voorouders vormen, onlangs heruitgegeven in de mooie vertaling van Henny Vlot, uit 1986.

    In ‘De gespleten burggraaf’ gaat het over de jonge edelman Menardo van Terralba, die in de strijd tegen de Turken precies doormidden wordt gekliefd, en zijn leven vervolgt als twee helften, de ene slecht, de andere goed. ‘De baron in de bomen’ doet het leven uit de doeken van Cosimo Piovasca van Rondò, die op twaalfjarige leeftijd weigert nog langer thuis de verplichte slakken te eten en uit boosheid in een boom klimt, om de rest van zijn leven geen voet meer op de grond te zetten. Het derde verhaal, ‘De ridder die niet bestond’, speelt in de tijd van Karel de Grote en vertelt over het bijzondere optreden van de paladijn Agilulf, wiens verschijning uitsluitend uit een leeg harnas bestaat.

    Fantasie is leidend

    Overtuigend aan de drie verhalen is het speelse gemak waarmee Calvino ons door zijn toverachtige fantasiewereld voert, een wereld die nochtans in sommige opzichten best wat wegheeft van de onze. Zo belichaamt de scherpe schizofrenie van Menardo de drift naar extremisme die onze tijd kenmerkt en die diepe kloven in de samenleving trekt. Ook de boombewoner Cosimo vertoont een modern soort dubbelhartigheid: enerzijds het verlangen zich terug te trekken uit de maatschappij, en zelfs de illusie te koesteren daarbóven te staan, anderzijds alle moeite doen om de sociale binding met het aardse bestaan in stand te houden, tot en met het ontvangen van bezoekers in een comfortabele boomhut, inclusief de grote keizer Napoleon, die Cosimo komt bedanken voor diens loyale politieke activisme. En ja, ook de niet bestaande ridder is een kind van onze tijd, met zijn praatjes en pretenties die uiteindelijk gebakken lucht in een lege huls blijken te zijn. 

    Het verhaal ‘De ridder die niet bestond’ wordt zogenaamd geschreven door een kloosterzuster, Theodora geheten, die deze taak van haar abdis heeft gekregen om de output van de congregatie wat meer allure te geven dan alleen die van de opbrengst van de moestuin en de devotie van de gebeden. Soms reflecteert Theodora op het schrijverschap: ‘De kunst van verhalen schrijven bestaat eruit dat je in staat bent met behulp van dat kleine beetje dat je van het leven begrepen hebt heel de rest op te roepen; maar als de bladzijde is volgeschreven begint het echte leven weer en merk je dat datgene wat je wist inderdaad maar een heel klein beetje was.’ Het ligt voor de hand deze overpeinzing mede toe te schrijven aan de schrijver zelf. Aan alles is te merken dat Calvino niets liever doet dan met het kleine beetje dat hij van het leven begrepen heeft, een hele wereld tot verbeelding te brengen, waarin het zijn fantasie is die aan de touwtjes trekt.

    Met zichtbaar genoegen introduceert hij in ‘De gespleten burggraaf’ het bijdehandte herderinnetje Pamela. De slechte helft van de burggraaf heeft zijn zinnen op haar gezet. Pamela moet echter niets van hem weten, want ze is juist verliefd op de goede helft van de burggraaf. Maar ook die krijgt te maken met de pragmatische nuchterheid van Pamela. Als hij voorstelt een bezoek te brengen aan haar ouders (die haar graag hadden uitgehuwelijkt aan de slechte helft van de burggraaf), houdt ze de boot af. ‘Ga jij maar als je daar zin in hebt,’ zei Pamela. ‘Ja, daar heb ik zin in, liefste,’ zei de burggraaf. ‘En ik blijf hier,’ zei Pamela en ze bleef staan met haar eend en haar geit. ‘Samen goede daden doen is de enige manier om van elkaar te houden.’
    ‘Jammer. Ik dacht dat er andere manieren waren.’

    Vaart en humor

    Eenzelfde laconieke houding zien we in ‘De ridder die niet bestond’ bij Karel de Grote, die in de aanloop naar een grote veldslag tegen de Moren zijn paladijnen monstert. Als Agilulf aan de beurt is, houdt die niet bestaande ridder zijn vizier wijselijk gesloten. ‘Hé, paladijn, ik heb het tegen u!’ hield Karel de Grote aan. ‘Waarom toont u uw gezicht niet aan uw vorst?’ De stem klonk helder van achter de mondbeschermer: ‘Omdat ik niet besta, sire.’ ‘Wat krijgen we nu!’ riep de keizer uit. ‘Nu hebben we bij onze troepenmacht ook al een ridder die niet bestaat. Laat eens zien.’ Agfilulf leek nog even te aarzelen, maar opende toen met een ferm doch traag gebaar het vizier. De helm was leeg. In het witte harnas met de helmbos in de kleuren van de regenboog zat helemaal niemand. “Wel! Wel! Wat een mens allemaal niet meemaakt,’ zei Karel de Grote. 

    Helaas is van dat schrijfplezier minder te merken in ‘De baron in de bomen’. Verhaaltechnisch kent het nauwelijks een ontwikkeling, behalve in het zich accommoderen van de jonge edelman aan het leven op de takken. Allengs lukt het hem om, springend van boom tot boom, het hele land te bestrijken. Hij verwent zichzelf met een luxe bivak, inclusief houtkachel en boekenkast. Maar het verhaal blijft hangen op de uitwerking van dat ene idee en mist de spanning, vaart en humor van beide andere vertellingen. 

    Je zou Calvino een magisch-realist kunnen noemen. Eenmaal akkoord met zijn wonderlijke voorstelling van zaken kost het de lezer weinig moeite mee te gaan in de gefantaseerde logica van de drie verhalen, ook natuurlijk omdat de medemensen van de drie getikte hoofdpersonen ook zonder morren hun bijzondere hoedanigheid voor waar aannemen. Zo wordt het magische realistisch, en kunnen we ons inleven in de onderlinge strijd die de beide helften van de burggraaf voeren, in het geanimeerde boomleven van de vindingrijke jonge baron en het geestrijke bestaan van de ridder die niet bestaat. 

     

  • Amerikaanse verlorenheid in beeldende snapshots

    Amerikaanse verlorenheid in beeldende snapshots

    In een interview met de Volkskrant zei Nuri Bilge Ceylan, regisseur van de Turkse film About Dry Grasses, onlangs: ‘Het verhaal van de film is voor mij ook niet zo belangrijk. Het gaat meer om wat interessante momenten, waarin ik dan de worsteling van de personages kan vatten.’ Dit had ook gezegd kunnen zijn door de Amerikaanse schrijver Sam Shepard, en dan over zijn boek Een dag als geen ander (oorspronkelijke titel Day out of days, vertaald door Gerrit Brand). Ook hier is geen sprake van een ‘verhaal’. 

    Hoewel dit een verhalenbundel is, zijn er maar een paar verhalen met iets van een samenhangend plot. Inderdaad, het zijn veel meer een verzameling ‘interessante momenten’ – literaire snapshots van wat in een van de teksten ‘de Amerikaanse verlorenheid’ wordt genoemd. Als er iets is wat de verhalen in Een dag als geen ander bindt, dan is dat de beschrijving van het grimmige, wanhopige leven aan de rand van de Amerikaanse samenleving. Of wie weet is het juist het leven in de kern van die complexe, worstelende, uit elkaar vallende maatschappij.

    Toneelschrijver Sam Shepard (1943-2017) kreeg in 1979 de Pulitzer Prijs voor Buried Child. Daarnaast was hij scenarioschrijver, regisseur en acteur en schreef twee romans en vier verhalenbundels. Een dag als geen ander is de laatste daarvan. Shepards verwevenheid met toneel en film verloochent zich in deze bundel bepaalt niet. Veel teksten, meestal maar een of twee pagina’s, lijken wel bedoeld als schetsen voor filmscènes.

    Soms ook zien we dialogen in korte zinnen, die zó een fragment van een toneeltekst zouden kunnen zijn. Dan weer hele reeksen korte observaties, zoals in het eerste verhaal (‘Keuken’), dat voornamelijk bestaat uit de beschrijving van alles wat er in die keuken aan foto’s en ander beeldmateriaal te zien is, ‘gewoon willekeurig vastgepind aan kasten en deurposten, zijdelings wegglijdend’. Sommige verhalen gaan expliciet over filmische thema’s, zoals het leven van een acteur die ‘wat laatste opnames’ moet maken voor een film ‘waarvan hij zelfs de titel niet meer weet’ en een ik-figuur die ‘weer een militair’ moet spelen, ‘die ik niet ben en nooit zal zijn’. 

    Identiteit

    Daarmee is een ander overkoepelend thema in deze verhalenbundel aangestipt: de zoektocht naar identiteit. Een kwestie die uiteraard essentieel is in de wereld van film en toneel, waarin de grens tussen speler en gespeelde dikwijls diffuus is. Opvallend vaak gaat het in deze bundel over onthoofdingen, ‘het soort scheiding dat ons het meest beangstigt – ons hoofd verliezen’, en het villen van de gezichtshuid, ‘zodra je het gezicht van het lichaam scheidt en het plat op een formica toonbank legt, is het helemaal niet meer hetzelfde’. Soms ook zit de dualistische identiteit in de persoon zelf, zoals in het verhaal Costello. Daarin keert de ik-figuur na vijfenveertig jaar terug naar zijn geboortestad, en heeft meteen spijt. ‘Waarom zou iemand vrijwillig een wandeling maken door zijn verre verleden, anders dan [om] het geheugen van een lang verloren tegenhanger te kwellen?’

    Vervolgens komt er een intrigerend spel met en over identiteit, via een gesprek over vroeger waarin een van de gesprekspartners de ander niet herkent als zijn grote jeugdvriend, en intussen wel heroïsche anekdotes over hem opdist. In een van de laatste verhalen gaat het over iemand die na een hartaanval een ander mens is. ‘Hij kon zijn ommezwaai nauwelijks geloven. (…) Hoe hij plotseling zijn heiligste obsessies kon opgeven, hele aspecten van zijn karakter die hij als onveranderlijk had beschouwd.’ 

    De beste onderdelen van Een dag als geen ander zijn de langere verhalen (vijf tot tien pagina’s), geordend als een soort roadtrip, met titels vernoemd naar de plaats van actie of van herkomst. Deze zijn vlot, soms zelfs meeslepend geschreven, en doen denken aan Kerouacs On the road, waarnaar ook een keer letterlijk verwezen wordt. Ze gaan over het leven over de highways, op motelkamers en in stacaravans. Drank, drugs, overspel en verdwalen in een loeiende storm. Plaatsnamen als Tucumcari, Baton Rouge, Calexico en Texarcana. De zinnen zijn vaak kort, af en toe bijtend. De enscenering wordt krachtig gevisualiseerd.

    Sterke beeldendenker

    Als film- en theaterman is Shepard kennelijk geneigd sterk in beelden te denken: ‘Ik maak geen geheim van mijn obsessie tot observeren.’ Verder bestaat de bundel uit een groot aantal kortere teksten, die lang niet altijd als ‘verhalen’ zijn te beschouwen. Laten we ze ‘aantekeningen’ noemen. Aan een aantal daarvan is geen touw vast te knopen. Een voorbeeld daarvan is Alpine, Texas (Highway 90), dat bestaat uit drie pagina’s korte zinnen, soms van maar één woord, zonder enig onderling verband. Of het moet de verbeelding van een onnavolgbare, stream-of-consciousness-achtige koortsdroom zijn. Hoe dan ook, afwisseling en vervreemding genoeg in deze gedurfde verhalenbundel. Het is beslist geen doorsneeboek en de uitgever en vertaler verdienen waardering voor het toegankelijk maken ervan voor de Nederlandse liefhebber. 

    Aandacht voor de taal

    Toch is er een minpunt. Soms staan er lelijke zinnen, wat nog onder ‘smaken verschillen’ kan vallen, zoals: ‘We reden toen we eindelijk terugkeerden in stilte van het vliegveld van St. Paul naar huis.’ Maar er zijn ook ontsporende zinnen. ‘En dat deze snijbloemen in L.A. veel geld opbrachten, nadat ze ’s nachts die lange weg met de trein door de Santana wind waren gereden, in pikzwarte goederenwagons, die in de ochtenddauw door Mexicaanse verkopers werden geopend om vervolgens te worden verkocht voor de schaduwrijke patio’s van de superrijke Wrigleys en Richfields.’ Laakbaar wordt het als woorden verkeerd vertaald zijn. ‘Artificial eyes’ zijn ‘kunstogen’ en niet ‘artificiële ogen’. We zeggen ‘ambulancepersoneel’, en niet ‘paramedici’. En een ‘fireman’ op een stoomlocomotief heet in het Nederlands geen ‘brandweerman’, maar ‘stoker’. Dat is zonde. Dit bijzondere boek had meer aandacht voor de taal verdiend.