• Akelig actuele verhalen over mensen in de oorlog

    Akelig actuele verhalen over mensen in de oorlog

    Onlangs draaide in de filmhuizen de documentaire 2000 meters to Andriivka van de Oekraïense regisseur Mstyslav Chernov. De film gaat over de strijd in 2023 om het door de Russen bezette, inmiddels volledig verwoeste, maar logistiek en psychologisch belangrijke dorp, Andriivka. De route ernaartoe gaat door een smalle bosstrook van twee kilometer. Als kijker zit je midden in de oorlog – de beelden komen van bodycams en filmers ter plekke. Links en rechts liggen lijken van gesneuvelde soldaten. Wie Andreas Latzko’s Mensen in de oorlog leest, beseft dat er in ruim honderd jaar nauwelijks iets is veranderd op het slagveld.

    Niemand kent hem meer, maar de Oostenrijks-Hongaarse schrijver Andreas Latzko werd na de publicatie van Menschen im Krieg (1917) een beroemdheid in Europa. Hij had zich als journalist vrijwillig aangemeld voor het leger, hoewel hij daarvoor was afgekeurd vanwege zijn ‘allesbehalve Herculische lichaamsbouw’, zoals (de voortreffelijke) vertaler Marcel Misset in zijn nawoord uiteenzet. Hij citeert uit Latzko’s autobiografische uitgave Levensreis: ‘Terugkeren naar de dadenloosheid? Als door een bliksemstraal kwam ik tot de ontzettende erkenning dat het ging om veel meer dan alleen om de onvermijdelijke onvrijheid voor de duur van de oorlog. (…) Wanneer ik als onbruikbaar zou worden afgewezen, zou ik tot zwijgen gedoemd zijn; ook wanneer de macht van de oorlogscensuur reeds lang zou zijn gebroken, verloor ik voor mijn hele leven het recht, ooit tegen de oorlog te kunnen getuigen.’

    Eigen ervaringen

    Tegen de oorlog getuigen, dat is wat Latzko primair voor ogen had met het schrijven van Mensen in de oorlog. Hij koos daarvoor de vorm van een aantal literaire verhalen. Het boek is geen ooggetuigenverslag, maar lijkt wel gebaseerd te zijn op Latzko’s eigen ervaringen op het slagveld. Die waren zo aangrijpend en afgrijselijk dat hij veertien maanden na toetreding tot de ‘wapendienst’ verworden was tot een geestelijk wrak. Hij gaat naar Zwitserland om te revalideren. ‘Uit noodweer waarschijnlijk, zonder een ogenblik te geloven dat de gloeiende lava zich tot zinnen zal vormen, neem ik een schrijfblok en een potlood in bed, mij door mijn innerlijke pijn plotseling herinnerend dat het eenmaal mijn zelfgekozen levenstaak was, lezers te werven voor mijn gedachten.’

    Het eerste verhaal dat hij ‘met bevende handen’ opschrijft, is Heldendood. Het gaat over de zwaargewonde eerste luitenant der reserve van het veldartillerieregiment Kadar, die in zijn koortsdromen op het lichaam van zijn manschappen geen hoofd ziet, maar een grammofoonplaat van de nationalistische Rákóczi-mars, die ze net nog in hun schuilplaats hadden gedraaid ‘toen plotseling die verdomde granaat kwam aangefloten en alles in een wolk van rook en aarde verdween’. Na Heldendood werkt Latzko verwoed verder aan zijn anti-oorlogsboek, dat op 3 juli 1917 verschijnt. ‘Hij schrijft’, aldus Marcel Misset in zijn nawoord, ‘om de oorlog een halt toe te roepen’. De verhalen zijn geschreven vanuit het directe perspectief van de hoofdpersonen, haast zoals geregistreerd door de bodycams in 2000 meters to Andriivka.

    Opgejaagde huisvaders

    De afmars speelt zich af in de tuin van een militair hospitaal in een Oostenrijks provincieplaatsje, achter het front, waar gewonden en een paar van hun echtgenoten in alle rust met elkaar converseren en filosoferen over de oorlog en het leven, totdat de hysterische uithaal van een getraumatiseerde luitenant de idylle wreed verstoort. De vuurdoop is het verhaal over de goedhartige, besluiteloze kapitein Marschner en zijn jonge, fanatieke luitenant Weixler. Hun compagnie staat op het punt de collega’s in de loopgraven af te lossen. Weixler (een ‘twintigjarige ijzervreter’) kan niet wachten tot het zover is en blaft zijn manschappen af. Marschner heeft vooral ‘een gloeiend, grenzeloos medelijden met deze arme, opgejaagde huisvaders, die zich zo gelaten zwijgend voorbereidden, die hun levens als het ware in hun handen namen als een kostbaar vat om naar het slagveld te dragen en de vijand voor de voeten te werpen alsof het iets waardeloos was wat daar in scherven zou vallen!’

    In een dorpje achter het front zijn onder leiding van een niet met name genoemde ‘Zijne Excellentie’ enkele honderden stafofficieren ingekwartierd. Hij is de overwinnaar in het gelijknamige verhaal, omdat hij ooit als opperbevelhebber de slag bij ‘***’ had gewonnen. Nu zit hij zich te verbijten in het gezellige plaatsje, waar in de verte de oorlog te horen is. Hij wil het slagveld op. ‘Wat had een veldheer voor goeds van de vrede te verwachten? Begreep zo’n burger [een journalist die hem had gevraagd wanneer er op vrede gehoopt mocht worden [RL] dan niet dat een commanderende generaal alleen in de oorlog echt commandeerde en werkelijk generaal was, en in vredestijd hooguit een of andere strenge onderwijzer met goudgalon op zijn kraag: een leeghoofd die uit verveling zo nu en dan de longen uit zijn lijf brult?’ Dan eindelijk: het trommelvuur. ‘Godzijdank! Het was nog oorlog.’

    De waanzin van de oorlog

    In De Kameraad – Een dagboek is de ik-figuur met shellshock opgenomen in het hospitaal. Hij mijmert over alle verschrikkingen die hij heeft meegemaakt. Hij wordt als krankzinnig beschouwd, terwijl hij de enige is die de waanzin van de oorlog ziet. Zijn observaties zijn verrassend actueel: ‘Ik zie de hele meute! De schreeuwers, die te hol en te traag zijn om hun eigen ik te ontwikkelen, maar zich koesteren in de glanzende lof die niet hun maar hun kudde toekomt. De schurken, die beschermd en gesteund door de massa schijnheilig opkijken naar een door henzelf opgeroepen spookbeeld dat ze er bij miljoenen brave lieden inhameren tot die massa hart noch verstand meer heeft, alleen nog razernij en een blind geloof.’ het was nog oorlog’

    De thuiskomst is het tragische verhaal van Johann Bogdán, wiens toegetakelde gezicht door zeventien operaties alleen maar afstotelijker is geworden. Voor de oorlog had hij, ‘de mooiste man van het dorp’, een vriendin, de aantrekkelijke Marcsa, en een baan met aanzien als koetsier van het slot. Nu wil niemand meer iets met hem te maken hebben. Ook hier schildert Latzko het lot van ‘mensen in de oorlog’, omdat hij weet dat zijn lezers minder geraakt worden door grote getallen, kille statistieken en uitvoerig beschreven veldslagen, dan door verhalen over mensen als zijzelf, over wat er met hen kan gebeuren zodra ze zelf met de oorlog van doen krijgen. Uitgeverij Jurgen Maas verdient alle lof voor het aan de vergetelheid ontrukken van dit indrukwekkende, akelig actuele document humaine.

     

     

  • Een aangenaam en soms zelfs lichtvoetig leesproject

    Een aangenaam en soms zelfs lichtvoetig leesproject

    In zijn imposante boek De tijd, de waarheid & de geschiedenis belooft emeritus hoogleraar geschiedenis Piet de Rooy ons via de ondertitel dat hij gaat uitleggen ‘hoe onze wereld in elkaar zit’. Daar hebben we wel 45 euro en flink wat leestijd voor over (het boek telt 684 bladzijden, waarvan ruim tweehonderd met voetnoten en register, dat scheelt weer). Is het die investering waard? Ja, en een beetje nee.

    De voorkant van het boek toont een schilderij van Francisco Goya, La Verdad, el Tiempo y la Historia. We zien een oude man met een zandloper: Vadertje Tijd. Dan zijn er twee halfblote jonge vrouwen, van wie de een ‘ons ernstig aankijkt’ en ‘vol in het licht treedt’. Zij staat voor de Waarheid. De andere vrouw is in een boek aan het schrijven: de Geschiedenis. Met ontkleed bovenlijf, want de geschiedenis ‘verdraagt geen verhulling’. Ieder voor zich, legt De Rooy uit, zijn het dimensies van de manieren waarop we het leven, de wereld en onszelf proberen te begrijpen. Maar ze hangen ook nauw samen. Het onderzoek naar die samenhang leidde tot het ontstaan van dit boek.

    Titel en ondertitel getuigen van ambitie. Is het werkelijk mogelijk in een kleine zevenhonderd bladzijden uit te leggen ‘hoe onze wereld in elkaar zit’? Natuurlijk niet, en dat weet De Rooy ook heel goed. We moeten dan ook geen hecht doortimmerde wetenschappelijke verhandeling verwachten, maar ‘een zwerftocht door het verleden’, inclusief een ‘blik in het het historisch atelier, mijn werkkamer’. Overal stapeltjes boeken, printjes van artikelen, krantenknipsels ‘en wat niet al’. Ze zijn terug te vinden in de voetnoten, maar, geeft De Rooy toe, ‘verschillende keren stuitte ik op ongedachte verbanden, intrigerende verhalen die te leuk waren om niet te vertellen’. Het zijn juist die zijstappen die De tijd, de waarheid & de geschiedenis ondanks de hoge inzet tot een aangenaam en soms zelfs lichtvoetig leesproject maken. Overigens haast De Rooy ons te bezweren dat hij niet maar ‘wat [ging] aanrommelen’. Hij blijft een wetenschapper – zie de overvloed aan voetnoten en bronnen.

    Badinerende en relativerende terzijdes

    Wat het boek óók luchtig houdt, zijn de badinerende, relativerende terzijdes die soms opduiken. In het deel over De tijd vergelijkt hij het verhaal over een kloosterling die honderd jaar slapend in het paradijs doorbracht met het sprookje over Doornroosje: ‘Zeker, de verschillen zijn groot, de monnik verbleef in het paradijs, maar onbekommerd slapen in een paleis heeft ook wel wat.’ Over de werking van atoomklokken, met een afwijking van minder dan een seconde per 3,7 miljard jaar: ‘Echt snappen doe ik dit niet, maar het klinkt behoorlijk nauwkeurig.’ Over het gezegde hora ruit, tempus fluit (het uur vliedt heen, de tijd vloeit weg): ‘Ik zag deze spreuk voor het eerst in een apotheek in Amersfoort op de muur boven de antieke medicijnpotten staan, wat in die context toch licht ongerust stemde, want het is vooral een aankondiging van de dood.’ Bij een onderzoekje naar koekoeksklokken kwam De Rooy ‘overigens ook tegen – het slaat nergens op, maar is te leuk om weg te laten – …’.

    Voor wie is dit boek eigenlijk bedoeld? Aan het begin van het deel De waarheid, kondigt De Rooy aan dat hij vooral aandacht zal geven aan de theologie in plaats van de filosofie. ‘Trouwens, gewone mensen hebben op het laatstgenoemde terrein ook niet veel te zoeken.’ Ah, daar hebben we dus de doelgroep te pakken. Komt de ‘gewone’ lezer aan zijn trekken? Wel als die genoegen neemt en plezier beleeft aan een indrukwekkende hoeveelheid wetenschappelijke feiten, inzichten, meningen en anekdoten. Zo geeft het deel De tijd een mooi overzicht van de verschillende manieren waarop je tegen het verschijnsel ‘tijd’ aan kunt kijken; hoe de mens probeert er grip op te krijgen, hoe de tijd te vangen is in klokwijzers, agenda’s en kalenders, hoe relatieve en absolute tijd zich met elkaar verhouden. Uiteindelijk komt er geen duidelijk antwoord op de vraag wat tijd nu precies is, maar dat is ook onmogelijk. Kerkvader Augustinus schreef immers al: ‘Wanneer iemand het mij vraagt, weet ik het; wanneer ik het iemand, op zijn vraag, zou willen uitleggen, weet ik het niet.’

    Op alle terreinen thuis

    Zo geeft ook het deel over De waarheid meer dan honderdvijftig bladzijden lang een breed uitwaaierend uitzicht op de eeuwige spanning tussen wat werkelijk waar is en alles wat die waarheid ontkent, verloochent of bestrijdt. Terwijl het uiteraard al lastig genoeg, zo niet onmogelijk is om zeker te weten wat ‘werkelijk waar’ is. Aan bod komen de Bijbel (‘waar ben ik aan begonnen?’), het geloof en in samenhang daarmee hekserij en Jodenvervolging; de evolutietheorie en religie; de verwarrende werking van het brein; de ontwikkeling van de moderne wetenschap; de vlucht in theosofie en esoterie en vanzelfsprekend ook de oorzaken en gevolgen van complottheorieën. De Rooy voelt zich op al deze terreinen thuis, maar is nog steeds op de hand van de ‘gewone’ lezer.

    Anders wordt dit in het deel De geschiedenis, de thuishaven van de schrijver. Hier gaat de historicus zeer uitgebreid in op de geschiedenis van de geschiedwetenschap, met een eindeloos exposé van stromingen, richtingen, opvattingen en controversen. Dit gedeelte is voor oningewijde ‘gewone mensen’ amper te volgen en hoe dan ook totaal niet interessant. Ook omdat hier de gemoedelijke kanttekeningen, verhelderende voorbeelden, treffende citaten en verluchtende bijkomstigheden van de eerste twee delen ontbreken. Het wordt weer boeiend als de geschiedenis van samenzweringstheorieën ter sprake komt, met een voor de hand liggende doorkijk naar de wereld van nu. Maar dan rijst de vraag of dit onderwerp niet bij De waarheid hoort, waar het trouwens ook al aan de orde is geweest.

    Aan de rijke, bijna overvloedige inhoud van De tijd, de waarheid & de geschiedenis kan in dit bescheiden bestek geen recht gedaan worden. De Rooy neemt een onwaarschijnlijke hoeveelheid hooi op zijn vork waar hij voor het overgrote deel op een bewonderenswaardige manier raad mee weet. Dat gewone mensen hem niet altijd in zijn hoge vlucht kunnen volgen, moeten we dan maar op de koop toe nemen.

     

     

  • Met de neus op de feiten

    Met de neus op de feiten

    ‘Toch moest je als Zuid-Afrikaan vechten voor je land, al hield ik me overigens niet al te veel bezig met de voors en tegens van conflict. In al mijn jeugdigheid trok het vooruitzicht op oorlog en avontuur en had ik alleen oog voor de betoverende glans ervan, maar van de verschrikkingen en de tragiek begreep ik niets.’ Niet veel later, in 1899, meldt de tiener Deneys Reitz, zoon van de voormalige president van Oranje-Vrijstaat, zich als vrijwilliger in de strijd tegen de Britten. In de fraai vormgegeven serie Oorlogsdomein verscheen Commando, Een Boer over de Boerenoorlog, de Nederlandse vertaling van Reitz’ oorlogslogboek, in 1929 in het Engels en Afrikaans gepubliceerd. Van de ‘betoverende glans’ van de oorlog was al snel niets meer over.
    Wat leek te beginnen als een soort spannend schoolreisje, ontaardde spoedig in een bloedige oorlogshel, waarin een mensenleven niet veel meer was dan een getal. Als bij een militaire schermutseling drie of vier doden vielen, werd dat beschouwd als een beperkte schade. Reitz meldt het allemaal nuchter en ogenschijnlijk onaangedaan, als een buitenstaander – al moet daarbij meteen worden aangetekend dat zijn oorlogsverslag pas drie decennia later verscheen, ‘toen alle woede en verontwaardiging allang waren weggeëbd’, zoals Paul Moeyes opmerkt in zijn Nawoord.

    Procesverbaal

    In Commando volgen we vier jaar lang de belevenissen van Deneys Reitz. Bijna vierhonderd pagina’s vol meedogenloos oorlogsgeweld, afgewisseld met merkwaardige periodes van rust en ontspanning. Soldaten konden naar believen veranderen van legeronderdeel of voor de afwisseling kiezen voor comfortabel familiebezoek, om op adem te komen. Maar op het slagveld loerde overal de dood, met de Britse vijand (aan wie Reitz overigens totaal geen hekel had, maar het was nou eenmaal oorlog) soms verschanst in een positie binnen gehoorafstand. Het verslag is een weergave van feiten, niet meer en niet minder. Feiten die bestaan uit de persoonlijke ervaringen van de auteur, opnieuw: niet meer en niet minder. Als lezer kijken we mee als via een bodycam. Hoe vlot en nauwgezet beschreven ook, op den duur gaat zo’n emotieloos procesverbaal onherroepelijk vervelen. Probleem daarbij is ook het ontbreken van enige context.

    Wie vecht tegen wie

    Paul Moeyes schetst de achtergronden van het gecompliceerde conflict tussen de van oorsprong Nederlandse Boeren en de Britse legermacht in zijn nawoord, maar dan is het te laat. Je wordt als lezer meteen het diepe ingegooid, ofwel met de neus op de gruwelijke feiten gedrukt zonder dat je enig idee hebt wat er aan de hand is: wie vecht tegen wie, waar, waarom en met welk doel? Je kunt nu eenmaal van de hedendaagse lezer niet verwachten dat die op de hoogte is van alle ins en outs aangaande de Boerenoorlogen in Zuid-Afrika van meer dan een eeuw geleden, laat staan van de geografie ter plekke.

    ‘Terwijl aan onze kant versterkingen uit Transvaal en Vrijstaat waren aangevoerd, bovenop de naar schatting vijftienduizend Boeren die langs de noordoever van de rivier in stelling lagen, vanaf een punt aan deze kant van de Colensospoorbrug tot aan Spionkop, vele kilometers ver stroomopwaarts.’

    Ontbreken van relevante informatie

    Als lezer ben je dan wel de weg kwijt. In zijn Woord vooraf maakt vertaler Robert Dorsman melding van het feit dat hij ‘termen als ‘kaffer’, ‘naturelle’, ‘hotnot’, ‘meid’ en ‘oujong’ voor mannen en vrouwen van kleur’ niet heeft overgenomen in de vertaling. Daar is iets voor te zeggen. Maar als je toch zo begaan bent met de gevoeligheden van de moderne lezer, houd dan ook rekening met diens gebrek aan voorkennis. Misschien past het niet in het concept van de serie Oorlogsdomein, maar het was wellicht beter geweest uit het oorlogsverslag van Reitz een aantal cruciale fragmenten te kiezen en deze aan te vullen met relevante historische informatie en overzichtelijke kaarten van het oorlogsgebied. Dus niet alleen, zoals Reitz doet, inzoomen op de details van het dagelijkse oorlogsgeweld, maar ook aandacht schenken aan het grotere verhaal daar achter.

     

     

  • Een literair laboratorium

    Een literair laboratorium

    Een verhaal dat ‘werkt als een talisman, een enigszins eigenaardig literair object dat hem nooit mag verlaten als de schrijver die hij is zijn koers wil bewaren, de klippen wil mijden’. Véronique Chovin geeft in haar voorwoord precies aan wat voor Louis-Ferdinand Céline de betekenis was van zijn wonderlijke ‘middeleeuwse’ verhaal over De legende van koning René en de latere uitwerking daarvan tot De wil van koning Krogold: een literair kompas dat hem in tijden van schrijfnood altijd weer op pad kon helpen. 

    Het manuscript van De wil van koning Krogold was tachtig jaar geleden door de schrijver achtergelaten in zijn appartement in Montmartre toen hij er hals-over-kop vandoor moest vanwege zijn foute houding in de oorlog. In 2021 dook het weer op en werd eindelijk gepubliceerd, samen met zijn voorloper De legende van koning René. De twee verhalen zijn meesterlijk vertaald door Tatjana Daan. Céline vertalen is hoe dan geen sinecure, maar hier gaat het ook nog eens om een taal die doordrenkt is van een soort eigengemaakte nabootsing van het Oudfrans. Waar nog bijkomt dat Céline zich in deze verhalen te buiten gaat aan een verteltrant die alle kanten opvliegt en waar soms geen touw aan vast te knopen is. Een willekeurig voorbeeld, bedoeld om zowel Célines exuberante schrijfstijl als Daans virtuoze vertaalkunst te illustreren (de stad Christiana wordt belegerd, het fragment gaat over de impact op de inwoners): ‘Burgers, ambachtslieden, provoosten, zure oude mannetjes, helemaal onder hun slijpstenen gekromde scharensliepen, blinden en klagers met ratel, mooipraters met ledige reiszakken, neuzelende menestrelen, bij de kookpot weggerukte, dikbuikige huismoeders, berenleiders en messenmakers schaarden zich in groepjes, diep weggedoken in de portieken, donkerder dan de nacht.’ 

    Frivool

    Voor de liefhebbers van het werk van Céline zal deze curieuze uitgave een sensationele verrassing zijn. Het laat een tot dusverre onbekende kant van zijn schrijversschap zien. Niet de pessimistische, cynische, zwartgallige misantropie van Dood op krediet, Oorlog en Londen, maar een middeleeuws, frivool sprookjesverhaal vol mystiek en tovenarij. Eigenlijk zijn het dus twee vertellingen, maar de personages, de thematiek en de motieven van De wil van koning Krogold vloeien direct voort uit De legende van koning René.

    In beide gevallen gaat het om de belegering van een stad ergens in Midden-Europa (alhoewel er ook Scandinavische elementen zijn), ten tijde van de middeleeuwen. Tegen die achtergrond volgen we de lotgevallen van een rondtrekkende minstreel (Thibaut – de spelling van de namen wil nog wel eens afwijken, geheel in de fictieve traditie van de middeleeuwse literatuur), zijn vriend Joad, koning Krogold (René in het bronverhaal) van de stad Christiana, diens dochter Wanda en zijn grote tegenstander prins Gwendor, geliefde van Wanda. De verhaallijnen zijn te gecompliceerd en uiteenwaaierend om hier in kort bestek samen te vatten, en in feite doen ze er ook niet zoveel toe. Het gaat veel meer om de betoverende, soms haast hallucinerende kracht van Célines taal (en nog maar eens, want haar prestatie kan niet genoeg geprezen worden, de vertaling van Tatjana Daan).

    Lees maar: ‘Op het eind van de dag kwam de koning de overwinning toe. Nog lang zag je aan de horizon de koninklijke cavalarie, met woeste lansbewegingen in alle richtingen, het gebied uitkammen, en de laatste vluchtende soldaten tot aan de bossen najagen. Het verzwakte en versnipperde leger van de prins liet zich aan flarden sabelen. Later op de avond veranderde het tumult van de gevechten en het geschrei van het strijdgewoel in een machtig, deerlijk weeklagen. Vervolgens viel tegen de nacht de stilte, die de aldoor zwakkere, aldoor doffere kreten en doodsreutels een voor een versmoorde.’

    Schrijfplezier

    Taal die vlamt en flonkert; in het oorspronkelijke relaas over koning René relatief nog toegankelijk en vertrouwd, in De wil van koning Krogold (‘waarvan het lezen enige concentratie’ vergt, aldus Alban Cerisier in zijn verhelderende nawoord) soms nauwelijks te volgen. Het is Céline nooit gelukt zijn middeleeuwse legende gedrukt te krijgen. Cerisier laat in zijn nawoord echter zien dat de stof wel degelijk zijn weg naar de drukpers heeft gevonden, als essentiële thematische ingrediënten in zijn grote romans Dood op krediet, Oorlog en Londen. Daarnaast is de legende, volgens Cerisier, ‘ook een laboratorium, waarin Céline in het geheim zijn romaneske taal ontwikkelt op een ander substraat, waarin hij zijn effecten uitbreidt, of het nu gaat om interpunctie of lexicale en syntactische inventiviteit.’ Zo is koning Krogold altijd een hoofdrol blijven spelen in het schrijversschap van Céline. Los van dat experimenteren met de taal en de verwerking van de stof in latere romans zal het creëren van zijn legende Céline veel schrijfplezier hebben bezorgd. Al hoeft dat niet per se tot léésplezier te leiden. 

     

     

  • Spanning tussen journalistiek en literatuur

    Spanning tussen journalistiek en literatuur

    De lange weg naar Londen van Marian Rijk begint zo: ‘Tussen de spijlen van het tuinhek glinsteren spinnenwebben met dauwdruppels als juwelen: de voorbode van een zonnige dag. Een dunne, witgrijze sluier van nevel omhelst het huis. Een sprookjesachtig beeld, maar hij weet wel beter.’ Een alinea verder lezen we dat een ‘palet aan emoties’ de hoofdfiguur ‘op zijn schouders’ drukt en ‘zijn laarzen vast op de tegels’ duwt. Stilistisch geen bemoedigend begin van dit op zich boeiende verhaal over Engelandvaarder Charles Pahud de Mortanges. 

    In het interbellum was ‘Pahud’, zoals hij in het boek genoemd wordt, een succesvolle springruiter met een record aan Olympische medailles. Inmiddels (het verhaal is geschreven in de tegenwoordige tijd) is hij officier in het Nederlandse leger, ook nog tijdens de beginjaren van de Duitse bezetting. Zijn huwelijk met Irma is zo goed als klaar, zeker na de dood van hun zoon Buuk (aangehouden en geëxecuteerd na een mislukte poging uit te wijken naar Engeland). Als Pahud na een valstrik van de bezetter op transport wordt gezet naar Duitsland om ingezet te worden in de oorlogsindustrie, weet hij uit de trein te ontsnappen. Hij besluit, in navolging en ter ere van zijn zoon, naar Engeland te gaan om van daaruit de geallieerde strijd tegen de nazi’s te steunen. En dan begint ‘de lange weg naar Londen’, die hem met veel tegenslagen en ontberingen door heel West-Europa naar het Britse Gibraltar voert, vanwaaruit hij eindelijk de oversteek naar Engeland kan maken. Zij het niet als een echte Engelandvaarder overzee, maar door de lucht. 

    Vrij bijzonder personage

    De lange weg naar Londen is een interessant verhaal over een vrij bijzonder personage. Zijn sportieve carrière heeft Pahud bekendheid gebracht. Voor sportsucces noodzakelijke kwaliteiten als discipline, stiptheid en ambitie kwamen van pas in het leger, waar hij het tot de rang van ritmeester bij de cavalerie bracht. Als officier houdt hij zich netjes aan de plicht om zich jaarlijks te melden bij de bezetter. Dat breekt hem op. Hij loopt met ogen open in de val en vervloekt zichzelf om zijn naïveteit. Na zijn ontsnapping en tijdens de eindeloze odyssee richting Engeland toont hij zich taai, vindingrijk en loyaal aan zijn reisgenoten. Na de oorlog maakt Pahud zich verdienstelijk als voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité en in 1953 treedt hij in dienst bij koningin Juliana als een soort ‘opperceremoniemeester’ bij staatsbezoeken, werkbezoeken, huwelijksfeesten en koninklijke uitvaarten. Bij dat alles blijft hij bescheiden. Als iemand hem vraagt naar zijn succesvolle carrière als springruiter zegt hij: ‘Ik had gewoon een goed paard’. 

    Omdat De lange weg naar Londen vanuit het gezichtspunt van de minzame Pahud is geschreven, wordt het geen heldenepos. Had Rijk zich tot dit perspectief beperkt, dan was het boek een interessant feitenrelaas geworden. Maar ze wilde meer, als journalist en als schrijver. Het lijkt of ze bij het schrijven van dit boek geen keuze heeft kunnen maken uit beide hoedanigheden. De journalist in haar deed nauwgezet onderzoek en raadpleegde zeven pagina’s aan bronnen, boeken, artikelen, websites, archieven en documentaires. Materiaal genoeg voor een meeslepend geschiedenisboek over een curieus onderdeel van het verzet tegen de bezetter. Waarom waagden verzetstrijders hun leven in een slopende, levensgevaarlijke overtocht naar Engeland om vervolgens per omgaande terug naar Nederland gestuurd te worden als spion, saboteur of infiltrant?

    Literaire opsmuk

    Rijk beperkt zich echter niet tot journalistieke verslaglegging. Als schrijver tracht ze literatuur van haar verhaal te maken, en als zodanig gaat ze de mist in. Zie niet alleen de hierboven geciteerde openingsregels. Verderop lezen we, ‘Een vrouw gehuld in een bontmantel en bontmuts komt hun tegemoet. Even kruisen hun ogen elkaar, een vriendelijke blik, en dan is ze uit zijn gezichtsveld verdwenen.’ Deze vrouw zal nergens in de zeven pagina’s aan bronnen te vinden zijn – ze dient puur als literaire opsmuk. Of, ‘Hun kamer telt twee losse bedden met een kleine handdoek over het frame aan het voeteneinde en een zalmkleurige sprei over de deken.’ De kleur van de sprei voegt op geen enkele wijze iets toe aan de zeggingskracht van het verhaal. En omslachtige formuleringen als, ‘In de woonkamer schenkt Wim cognac voor hen in. Pahud neemt dankbaar een glas aan en schuift zijn stoel naar de grote schouw met Delftsblauwe tegels en het kleine, warme vuur.’ Op deze manier duurt het bijna tot de helft van het boek voor er eindelijk schot in het verhaal komt. Naast journalist en schrijver is Marian Rijk ook redacteur. In die functie had ze haar alter ego’s op de vingers moeten tikken, wees het een of het ander, maar niet allebei tegelijk. 

     

     

  • Liefde overwint alles

    Liefde overwint alles

    Liefde in oorlogstijd verscheen voor het eerst in 2004. De meeste van de door Steffie van den Oord geïnterviewden waren toen in de tachtig. Nu, bij het verschijnen van de zevende druk en tachtig jaar na de bevrijding, zal waarschijnlijk niemand van hen nog in leven zijn en blijven alleen hun verhalen over. Daarom is het goed en gepast dat het boek nog eens is herdrukt. ‘Wat zijn ‘goed’ en ‘fout’ in de liefde?’ vraagt Van den Oord zich af in haar korte voorwoord. ‘Niets!’ is het antwoord van een van haar gesprekspartners.

    Dit kenmerkt meteen de journalistieke insteek van Liefde in oorlogstijd; nergens waagt Van den Oord zich aan een oordeel over het objectief gezien soms toch dubieuze morele gehalte van de relaties die zij beschrijft. De oorlog is een decor, een omstandigheid, uiteraard met impact op de liefdesverhoudingen, maar waar het om gaat is de oprechtheid van de gevoelens. Tegelijk geeft het boek een verhelderend beeld van een aspect van de oorlog dat altijd veel minder aandacht heeft gekregen dan traditionele thema’s als verzet, verraad, heldendom, dood en vernietiging. 

    Zo mooi, zo groots

    Achttien verhalen telt Liefde in oorlogstijd. De aard van de relaties verschilt per keer. Een meisje uit Rotterdam met een Duitse marinier. Twee jonge Joodse buren. Een homoseksueel stel in de Duitse oorlogsindustrie. Een zigeunermeisje en haar minnaar in Auschwitz. Een Groningse Joodse slagersknecht en een van de dochters van de mensen bij wie hij in onderduik zit. Een Indo-meisje in Makassar en een Japanse officier. Vanzelfsprekend worden de ongewone, vaak riskante verliefdheden door de directe omgeving (familie, buren, bezetter) niet altijd op prijs gesteld, laat staan aangemoedigd. Maar liefde overwint alles, althans zolang de omstandigheden meewerken. Dat is lang niet altijd het geval.

    Deportaties, tewerkstelling, toeval, domme pech, dood, onwetendheid, misverstanden, detentie, van alles gooide roet in het eten. Soms vonden geliefden elkaar na de oorlog terug, in enkele gevallen na een terugreis die doet denken aan Primo Levi’s Het respijt. Dikwijls zat er niets anders op dan de hoop op hereniging op te geven en maar iemand anders te kiezen, het leven gaat door – al blijft altijd de herinnering aan de liefde van het leven: ‘Ik wil niet bij de man in het graf. Ik wil bij zijn broer zijn als ik dood ben, bij Frans,’ zegt Maria Urlings-Jacobs. Haar verloofde kwam op de laatste oorlogsdag om het leven door een wanhopig Duits bombardement. Frans’ broer Harrie was zijn vrouw verloren en moest vier kinderen opvoeden: ‘Daarom ben ik toch maar getrouwd,’ aldus Maria. ‘Maar als je de grote liefde ontmoet maar weer verliest, dan valt het leven daarna zo tegen. Niets is meer zo mooi, zo groots. Het wordt nooit meer wat het geweest is.’

    Wegkijken

    Opvallend is de neiging van sommige geïnterviewden om weg te kijken van de realiteit van de oorlog – vaak om hun keuzes en handelingen te verklaren of goed te praten. Een paar voorbeelden uit ‘De Wagenführer’, het verhaal over Frans Otten uit Nijmegen, die vrijwillig naar Duitsland ging om te werken in de oorlogsindustrie en ter plekke verkering kreeg met een Duits meisje. ‘Je kon toch niet voor de vijand gaan werken? Nou ja, de vijand… da’s een groot woord.’ ‘Ik werkte nu voor de Duitsers. Van het leer uit onze fabriek werden ook soldatenlaarzen gemaakt – dat zal best ja. Daar prakkeseerde je niet over. (…) Wat wist je van oorlog?’ ‘Dat de mannen, met wier vrouwen ik vree, aan het vechten waren… ach, daar prakkeseerde je niet over.’

    ‘Ik had het er goed vanaf gebracht in Duitsland. Nooit moeilijkheden gehad. Het was eigenlijk gewoon fantastisch geweest.’ In ‘De matroos en het meisje’: ‘Over de oorlog hebben we helemaal niet gesproken. (…) Als je jong bent en zó gelukkig, wat interesseert je een oorlog dan?’ Maurits en Catharina van Thijn vonden elkaar terug na de oorlog en vestigden zich in Israël: ‘Een heerlijk land; de bergen, de zee. En de oorlogen… ze komen en gaan. Je wordt immuun voor erge dingen.’ In die relativerende houding zit kennelijk een belangrijk deel van de kracht die de verliefden nodig hadden om zichzelf, elkaar en hun liefde op de been te houden. 

    Aangrijpend genoeg

    Liefde in oorlogstijd is zeer goed geschreven. Bijna té goed. Een groot deel van de verhalen is verwoord in de directe rede van de geïnterviewden. Maar het is onwaarschijnlijk dat die ze al de zinnen ook daadwerkelijk zó uitgesproken hebben. Soms worden vertaalde teksten doorspekt met woorden in de originele taal. ‘Die ferrekte oarloch giet noait mear oer’ lees je dan ineens in het verhaal over Wytske uit Heerenveen. Hier is een schrijver aan het werk, en niet een verteller. Iemand zegt: ‘Op 23 september, een nevelig vroege ochtend, kwamen we in Auschwitz aan.’ Dat is literatuur, geen spreektaal. ‘’s Zomers trokken we van dorp tot dorp, door heuvelachtige landschappen met rode papavers en blauwe korenbloemen, langs dichtbegroeide, bijna zwarte wouden.’ Hier is danig geredigeerd, want niemand praat zo. Op zich komt deze verliteraturisering de leesbaarheid natuurlijk ten goede, maar ze doet helaas wel afbreuk aan de illusie van authenticiteit, en dus geloofwaardigheid van de vertelde verhalen. Terwijl die op zich aangrijpend, ontroerend en ontregelend genoeg zijn. 

     

     

  • Verslag van een uitroeiing

    Verslag van een uitroeiing

    Na een min of meer gedwongen verblijf van vijftien jaar in België ziet de Belgisch-Palestijnse schrijfster Fatena Al Ghorra (1974) in oktober 2023 eindelijk kans een bezoek te brengen aan haar familie in Gaza. Drie dagen later is het 7 oktober. Drie maanden lang zit ze vervolgens gevangen in een hel. In Uittocht naar Gaza – Brieven aan Lamar vanuit het Al-Quds-ziekenhuis bericht ze van binnenuit hoe het is om een van de zwaarste vergeldingsacties in de recente geschiedenis mee te maken. Het is een ‘verslag van een uitroeiing’, volgens (de niet nader omschreven) Rachida Lambaret in het voorwoord.

    Naast het voorwoord en een hoofdstuk ‘Wat voorafging aan de terugkeer’ bestaat Uittocht naar Gaza uit 23 brieven aan Lamar, het elfjarige nichtje van de schrijfster. Lamar is ook afkomstig uit Gaza, maar is daar pas veel later dan Fatena uit vertrokken. De brieven zijn voor het grootste deel geschreven vanuit het Al-Quds-ziekenhuis, waarheen de familie al gauw na aankomst van Fatena haar toevlucht moest nemen. Opvallend genoeg wordt er maar weinig gezegd over de politiek-actuele context. De naam Hamas valt bijvoorbeeld nergens in de brieven en er wordt niet expliciet gerefereerd aan de terreuraanslag van 7 okober 2023. Hoewel het oorlogsgeweld en de vernietiging van land en volk op elke pagina aanwezig zijn, lezen we nergens de naam Israël. Zo krijgt Uittocht naar Gaza een universele geldigheid, die veel verder strekt dan de concrete situatie van nu. Pregnant in dat verband is dat de oude moeder van Fatena blootsvoets het familiehuis verlaat, op weg naar het ziekenhuis; precies zoals ze tachtig jaar daarvoor tijdens de Nakba als kind op blote voeten de straat op werd gejaagd tijdens de etnische zuivering bij de vorming van de staat Israël. 

    Zonder opsmuk

    Het voorwoord door Lambaret geeft helder weer wat we gaan lezen: ‘Ze schrijft zonder opsmuk over die angst in de ogen van volwassen mannen en kleine kinderen. Ze beschrijft de vuiligheid, de harde ziekenhuisvloer waarop ze wekenlang zonder matras op (sic) sliepen. Ze beschrijft hoe kinderen haar geduld op de proef stelden door luidruchtig door de gangen en kamers van het ziekenhuis te rennen. Ze schrijft hoe zij en de haren tussen hoop en wanhoop laveerden, tussen het verleden en het heden, tussen verbeelding en harde realiteit, tussen zingen en huilen.’ Op die manier wordt de lezer, bekend met de beelden en verslagen van buitenaf, haast lijfelijk gewaar wat zich afspeelt áchter die nieuwsberichten. Hoe families (nooit is er sprake van gezinnen, de familiale infrastructuur van ooms, tantes, neven en nichten is voor de lezer niet te doorgronden) op de gangen hun ‘huis’ claimen en markeren met een plastic vloerkleed en iets wat op een primitief keukentje lijkt.

    Zo wordt het ziekenhuis een wereld op zich, een minisamenleving met alle verworven- en gevoeligheden vandien. Tot ook díe wijkplaats ten onder gaat aan het nietsontziende, meedogenloze oorlogsgeweld en de familie gedwongen is weer verder te vluchten, kilometers te voet over kapotgebombardeerde straten en langs huizen die nauwelijks als zodanig te herkennen zijn, voortdurend op de hoede voor scherpschutters en uitgeleverd aan de sadistische grillen van wachtposten en onberekenbare bezetters. 

    Wie is Lamar?

    Probematisch is de identiteit van de geadresseerde van de brieven. Zo blijft de precieze aard van de relatie van de schrijfster met haar nichtje Lamar in het ongewisse. De vraag dringt zich zelfs op of Lamar wel echt bestaat. Soms is ze een ingewijde en gaat het over ‘je vader’, ‘je oom’ of ‘je neef’. Dan weer schrijft haar tante: ‘Het is traditie in Gaza om het seizoen van de rode peper, dat half juni begint en tot oktober duurt, te vieren.’ Als kind van Gaza weet Lamar dit heus wel; de informatie is bedoeld voor de lezer. En is het logisch om in een brief aan een elfjarige het woord ‘alluderen’ te gebruiken? En te schrijven: ‘Ik weet dat angst en ongerustheid je jonge ziel opvreten, hoewel je al zo bewust en groot bent’? En gedetailleerd melding te maken van afgeschoten benen, door kogels doorboorde ogen, het blaasprobleem van de schrijfster en de ‘moeite die ik heb om het onder controle te houden’? Zo wordt de keuze van een elfjarig nichtje als geadresseerde van de brieven een krampachtige literaire ingreep, die ertoe leidt dat ook de lezer van het boek zich niet altijd raad weet met zijn positie. 

    Wat niet wegneemt dat Uittocht naar Gaza / Brieven aan Lamar vanuit het Al-Quds-ziekenhuis een overtuigend oog- en oorgetuigeverslag is van wat een getormenteerd volk doormaakt onder het buitenproportionele geweld van een wraakzuchtige vijand. In tachtig jaar is de Palestijnse bevolking geen stap verder gekomen; nog steeds op blote voeten. 

     

     

  • Boeiende verhalen over een mislukte revolutie

    Boeiende verhalen over een mislukte revolutie

    Lang doet Wouter Linmans er niet over om de afloop van Revolutiekoorts, Onrust en oproer in november 1918 te verklappen. ‘Wat begon als een revolutionaire mars door Amsterdam, werd het bloedig einde van een links-radicale en anarchistische onderneming,’ schrijft hij al op bladzijde 11. Geen probleem, die spoiler. Het boek is immers niet bedoeld als een spannende historische roman. Revolutiekoorts is het onorthodoxe verslag van een vergeten episode in de vaderlandse geschiedenis.

    Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog broeiden op diverse plaatsen in Europa links-radicale sentimenten en ambities. In Rusland was de revolutie uitgebroken. In Duitsland werd massaal gestaakt door arbeiders en soldaten. Ook in Wenen, Boedapest en andere steden was er sociale onrust. In Nederland hield de socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra begin november 1918 in de Tweede Kamer een vlammende, uren durende speech over zijn revolutionaire plannen. Afgelopen moest het zijn met de onderdrukking van het proletariaat. Weg met het kapitaal, tijd voor een beter leven voor de arbeider in een socialitische samenleving! Zijn vurige pleidooi kreeg weinig weerklank. Zelfs Troelstra’s sociaaldemocratische tijdgenoten moesten niets hebben van zijn oproep tot revolutie. De grote socialistenleider had zijn kruit verschoten. 

    Brede maatschappelijke onvrede

    Maar links Nederland bestond uit meer dan alleen terughoudende sociaaldemocraten. De bevolking had het in de oorlogsjaren, ondanks Nederlands neutraliteit, voor de kiezen gehad. Er was tekort aan alles. Voedsel en brandstof waren onbetaalbaar geworden; kinderen stierven van honger, ziekte en kou. En dat terwijl een kleine groep uitbuiters, oplichters, smokkelaars en louche handelaren zich schatrijk scharrelde. Dit alles leidde tot brede maatschappelijke onvrede. De in de negentiende eeuw ontstane arbeidersbeweging bewoog onder aanvoering van Ferdinand Domela Nieuwenhuis steeds meer in de richting van het anarchisme. Andere radicaal-linkse prominenten waren David Wijnkoop en Henriëtte Roland Holst. In Rotterdam, Leiden en vooral Amsterdam groeide eind 1918 de onrust.

    Na de ‘vergissing van Troelstra’ in de Tweede Kamer ontstond het besef dat het anders moest. Anarchisten en marxisten organiseerden op 13 november een massabijeenkomst in de Amsterdamse Diamantbeurs, een groot gebouw aan het Weesperplein. Wijnkoop en Domela Nieuwenhuis riepen op tot revolutie. Er hing een opgewonden sfeer, een gevoel van ‘nu of nooit’, schrijft Linmans: ‘De geestdrift stond op de gezichten geschreven.’ Na toespraken van de anarchistische dominee N.J.C. Schermerhorn en Henriëtte Roland Holst besloot men de straat op te gaan. Waarom precies is volgens Linmans nooit helemaal duidelijk geworden. Maar over de route was iedereen het eens: langs de Oranje-Nassaukazerne en de cavalariekazerne aan de Sarphatistraat. Daar stonden militairen te popelen om zich aan te sluiten, zo ging het gerucht. Bovendien viel er wat te plunderen: wapens en munitie. Drieduizend anarchisten, vakbondslieden en andere radicale Amsterdammers gingen luidkeels op pad, Wijnkoop en Roland Holst voorop. Linmans: ‘Voor de ramen van de woonhuizen langs de route verschenen silhouetten van bezorgde burgers. Zij zullen zich bij het zien van de demonstranten wel hebben afgevraagd waar deze avond toe zou leiden.’ Tot dodelijk geweld, bleek even later. 

    Kortstondig oproer

    Het ging mis bij de cavaleriekazerne. Een van de betogers, halverwege in de optocht, zwaaide met een bijl. Het toegangshek werd geforceerd, de militairen voelden zich bedreigd en grepen hun karabijnen. Na een waarschuwingsschot in de lucht volgde een tweede salvo, gericht op de aanvallers. Die schoten terug. Uiteindelijk kwamen bij de schermutseling vier arbeiders om het leven. Ondanks alles ging de demonstratie door. Op het Beursplein sprak Wijnkoop de betogers nog eens toe: morgen begint de revolutie, komt allen naar het Damrak! Maar het arbeidersvolk had z’n lesje geleerd: nog geen twintig man kwam de volgende dag opdagen. Linmans: ‘De revolutie ging eigenlijk nog voordat die goed en wel begonnen was uit als een nachtkaars.’

    De beschrijving van het kortstondige oproer beslaat in Revolutiekoorts maar een bladzijde of vijftien. Dat is nog heel wat meer dan Geert Mak erover schrijft in zijn ‘kleine geschiedenis van Amsterdam’, namelijk: ‘Op de 13de november kwam de revolutie in Amsterdam, en ging er direct ook weer ten onder.’ Linmans vindt dat die beperkte aandacht ‘geen recht [doet] aan de gewelddadige aard van de gebeurtenissen en de schok die dat teweegbracht’. In navolging van de Britse historicus George Rudé kiest Linmans voor een aanpak die verder gaat en dieper graaft dan het traditionele historische onderzoek naar collectieve protesten en politieke gedragingen. In plaats van containerbegrippen als ‘de massa’ en ‘het volk’ te gebruiken en de demonstranten als een homogene groep te beschouwen ‘probeer ik in dit boek het oproer van 1918 te reconstrueren en de betrokken personen beter te begrijpen. Het is de bedoeling om nu eens niet te blijven hangen in versimpelde voorstellingen van zaken, maar tot in detail weer te geven wat er gebeurde en wie daarbij betrokken waren. De ambities, ideeën en gevoelens van de oproermakers staan centraal. Wie waren zij, wat deden ze en vooral: wat waren hun drijfveren?’

    Dit lijkt een hachelijke onderneming. Van maar zo’n veertig betogers zijn de namen bekend. Het zijn degenen die zich uitten in artikelen, boeken of ingezonden brieven, genoemd worden in krantenartikelen of processen verbaal of de aandacht trokken bij vergaderingen of openbare bijeenkomsten. Op die manier verzamelt Linmans informatie over een aantal vooraanstaande (ook letterlijk) deelnemers. Zo komen we van alles te weten over aanvoerders als Domela Nieuwenhuis, Wijnkoop en Roland Holst, en over een aantal revolutionairen uit de tweede lijn. 

    Verhalen uit archieven en toevallige bronnen

    Maar om ‘de massa’ een gezicht te geven, moest Linmans ‘de archieven in’. Dat kunnen gemeentelijke registers zijn (geboorte, huwelijk, adressen, verhuizingen, boetes, veroordelingen), maar ook toevallige andere bronnen. Zo liepen op 13 november 1918 twee typografen mee, vader en zoon Hippe. Johan Hippe, de zoon, komt in 1977 aan het woord in de VARA-serie Voorwaarts en niet vergeten. Hij vertelt over de schietpartij, waar ze vlakbij stonden. Linmans gaat vervolgens dieper in op de rol die Hippe na de oorlog speelde in de arbeidersbeweging. Bijvoorbeeld over Hippes strijd tegen alcoholgebruik onder de arbeiders: ‘Schaart u onder de banier der onthouding, zoodat deze als een hoogen dijk, de alles met zich meesleurende stroom alcohol kan sluiten, dit tot verheffing der geheele menschheid.’ 

    De verhalen die Linmans uit de archieven opdiept, hebben – in diverse varianten – vaak een vergelijkbare strekking. Het gaat meestal om arbeiders met grote gezinnen, wonend in beroerde omstandigheden (weinig ruimte, veel vocht en kou) en dan ook regelmatig verhuizend (van twee hoog voor hier naar drie hoog achter daar). Vaak zijn ze opgegroeid in een links-radicale familietraditie, met ouders die ook al actief waren in de arbeidersbeweging.

    Zo weet Linmans heel wat boven water te krijgen en schetst hij op die manier een fascinerend beeld van de revolutionaire maatschappelijke context in de eerste helft van de vorige eeuw – en van het leven überhaupt in die periode, met name dat in Amsterdam. Zo verhaalt hij over de moeder van een van de demonstranten, die in 1916 in Amsterdam een leidende rol speelde bij een protestactie van honderden vrouwen tegen het voedseltekort: ‘De meesten waren nog in schort gekleed. Ze droegen een kind op de ene arm, en in de andere een paraplu tegen de regen. Op de punten van de paraplu’s waren  rotte aardappelen en ‘regeeringsbrood’ gestoken.’ Soms schiet Linmans wat door in zijn fact-finding. Ene Dirk Dech was ‘1 meter 62 lang, had blauwe ogen en bruin haar (net als zijn broer), zijn gezicht was ‘ovaal’ en zijn neus en voorhoofd waren door de keurmeester (van de militaire dienst/rl) als ‘gewoon’ beoordeeld.’ 

    ‘Het leidde tot niets’, is de conclusie van de auteur over de mislukte revolutie van november 1918. Maar daarmee doet hij zichzelf te kort. De gebeurtenis leidde op z’n minst tot een boeiend, goed geschreven persoonlijk feitenrelaas over een ten onrechte vergeten of gebagatelliseerd kantelpunt in de Nederlandse geschiedenis. 

     

     

  • Schaevers als aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus

    Schaevers als aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus

    Van nare pestkop, heulend met de Duitse bezetter, tot uitgedoofde dementiepatiënt – dat zijn nog maar twee van de levens die in de biografie van Hugo Claus door Mark Schaevers besproken worden. Zijn onderwerp wekt niet veel sympathie op bij de lezer. Gelukkig maakt Schaevers het niet mooier dan het is en krijgen we in De levens van Claus een zuiver en volledig beeld van een van de grootste naoorlogse Nederlandstalige schrijvers. 

    Hugo Claus’ zelfgekozen dood vond plaats op 19 maart 2008. Het was zijn eer te na de ziekte van Alzheimer haar fysieke en geestelijke sloopwerk te laten afmaken, ‘hij wilde niet in duisternis sterven, maar waardig in het licht,’ aldus Bezige Bij-redactrice Suzanne Holtzer, die bij de euthanasie aanwezig was. Claus’s einde en de deerniswekkende maanden van aftakeling die eraan voorafgingen, worden door Schaevers zeer uitvoerig beschreven. De vraag die Schaevers zich te weinig stelt is of alle bijeengegaarde biografische details even relevant zijn. Zo vermeldt hij wat Claus in zijn dagboek schrijft na een etentje bij een bevriend advocaat: ‘Ik at: 1 meter geroosterde darm, gevuld met gerookte tong, ham en hart (na 3 vodka’s) met vijf glazen wijn, daarna wat gebakken darmen (die te keurig geschrobd waren, het beestachtige was totaal zoek) toen gebakken grouse (Schotse sneeuwhoen of korhaan) met frites en appelmoes en een halve liter Gevrey-Chambertin, daarna twee flinke stukken vla (gemaakt van mastellen en peperkoek) en een flinke brok geflambeerde pudding. […] Vanmorgen broeierig en broos in het hoofd.’

    Onmatig karakter van een brute jongen

    Tijdens de verbouwing van (alweer) een nieuw woonadres in de Provence logeren Claus en zijn vrouw Veerle de Wit, ‘in Le Mas de Curebourse, een achttiende-eeuws koetshuis in de boomgaarden bij L’Isle-sur-la-Sorgue. De keuken was er prima – heel Frans, kokkin met de toque op de kop’. Zou het eerste citaat nog kunnen gelden als indicatie van Claus’ onmatige karakter, het tweede lijkt pure bladvulling. 

    Maar goed, Schaevers pakt het werk nauwgezet aan en presenteert een nuchter, chronologisch feitenrelaas. Van de levens die hij beschrijft liegt het eerste, over Claus’ jeugd tijdens de oorlogsjaren, er niet om. Een klasgenoot: ‘Claus was een onaangename kerel. Hij was ambetant. Hij nam mijn potlood af. En hij had een reukske, zijn kleren stonken.’ Een buurmeisje noemt hem later een ‘lokale verschrikking’. ‘Hij was een brute jongen met veel geweld in zijn lijf.’ Als stoere puber in een Vlaams-nationalistisch en daarom Duitsgezind gezin zou hij graag naar het oostfront zijn gegaan, maar daarvoor was hij te jong. In plaats daarvan trad hij toe tot de NJSV, een uiterst rechts, radicaal-nationalistisch scholierenverbond, vergelijkbaar met de Hitler Jugend. Het is niet de fraaiste fase in het leven van Claus. Erg open is hij dan ook nooit geweest over zijn oorlogsverleden. Zoals hij trouwens graag mythes, vaagheden en aperte leugens over zichzelf rondstrooide.

    Schaevers citeert de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, die het mythologiseren van het verleden ‘zelfs een van [Claus’] belangrijkste drijfveren’ noemt. Claus beleefde zijn wereld volgens Schaevers ‘als een claustrofoob universum’. ‘En was erover schrijven niet de beste manier om te pogen zich van alle klemmen te ontdoen?’ Het resultaat is een versnippering van zijn persoonlijkheid, of – in Claus’ eigen woorden – ‘een bombardement van veranderingen’, met als resultaat ‘een man in scherven’. Ook qua activiteiten: dichter, romanschrijver, kunstcriticus, dramaturg, regisseur, librettist, vertaler, filmer, scenarist, tekenaar, schilder.

    Verandering van koers na de oorlog

    Claus schakelt na de oorlog wonderlijk snel over naar dat heel andere facet van zijn persoonlijkheid, het kunstenaarsschap. Ook de biograaf lijkt opgelucht te zijn de zwarte oorlogsbladzijden om te kunnen slaan. Claus werpt zich op de beeldende kunst en schrijft zijn eerste serieuze verzen. Als prille twintiger vertrekt hij naar Parijs, waar hij aansluiting vindt bij een opwindend gezelschap van avant-garde kunstenaars als Corneille, Karel Appel, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Lucebert en Hans Andreus. Hij maakt er kennis met het surrealisme, publiceert zijn eerste verhalen en waagt zich aan het schrijven van toneelstukken. Het verblijf in Parijs en zijn omgang met al die boeiende, eigenaardige geestverwanten wordt mooi door Schaevers beschreven, zoals hij überhaupt de hele dikke biografie door een aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus is. Schaevers is een ingewijde die zich nochtans niet op zijn persoonlijke nabijheid bij zijn onderwerp laat voorstaan en op een prettige manier op de achtergrond blijft. 

    Eenmaal erkend als buitensporig talent en veelzijdig kunstenaar gaat het hard met de carrière van Claus. Als dichter breekt hij door met De Oostakkerse gedichten, geworteld in zijn West-Vlaamse geboortegrond (‘land van mest en mist’), zoals die in feite in heel het oeuvre van Claus zijn weerklank vindt. Zo komt zijn proza pas echt goed op gang als hij de zangerigheid van de streektaal erin verwerkt. Toch verloopt Claus’ carrière als kunstenaar bepaald niet zonder horten en stoten. Regelmatig voelt hij zich geblokkeerd of ‘uitgebloed’ – door te hoge ambities, een hardnekkig gevoel van miskenning, gebrek aan inspiratie en een fatalistische levensvisie. Claus is een moeilijk mens, die hoge eisen stelt aan zichzelf en aan anderen. Hij brandt de debuutroman van zijn (toen nog) vriend Simon Vinkenoog radicaal af: ‘Er spreekt geen sensibiliteit uit, geen perceptie, aanvoelen van dingen, woorden, mensen. Er is alleen jij, Simon, die klaagt, jankt om iets dat je niet aan kan.’

    Schaevers voegt hieraan toe dat Claus’  conclusie ook iets zegt over wat hemzelf voor ogen stond als schrijver: ‘…wat wil je dat het mij kan schelen als het niet dwingend en heet als een schreeuw op mij afkomt?’ Hoewel kritisch op zichzelf kon Claus slecht tegen kritiek van anderen. Ook al deed hij voorkomen alsof het hem niet raakte, ‘in werkelijkheid leed hij eronder dat hij zo’n dunne huid had’, aldus Schaevers. Claus maakt een hele lijst ‘van de zgz progressieven die mij met al hun rancune – want anders kan het niet zijn – bespat hebben’. Zo noopt Claus in de loop van zijn leven vele collega’s, getrouwen en vrienden afstand van hem te nemen. 

    Imponerende en charismatische verschijning

    Hoewel rancuneus, onberekenbaar, onevenwichtig, ijdel en recalcitrant was Claus ook charmant, trouw en onderhoudend genoeg om altijd het middelpunt te zijn van een grote vriendenschaar. In het boek staan foto’s van Claus in gezelschap van Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Fons Rademakers, Remco Campert, Kees van Kooten, Tom Lanoye, Henny Vrienten, Guy Mortier en de Belgische premier Guy Verhofstadt. Claus’ imponerende verschijning en zijn magnetisch charisma zogen alle aandacht naar hem toe, waar hij ook was. Hij had op vrouwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht. De levens van Claus doet zijn vele amoureuze allianties (vaak meerdere tegelijk) uitvoerig uit de doeken. Makkelijk was het niet altijd om levensgezellin te zijn van de overweldigende auteur. Net zo onbestendig en onrustig als in zijn vele relaties was Claus ten aanzien van zijn woonsituatie. Tientallen verhuizingen komen in de biografie voorbij, en vele daarvan uitgebreid beschreven. 

    Die uitvoerigheid, ook in andere onderwerpen, is een aspect dat het boek soms parten speelt. Zeker, De levens van Claus is een boeiende, goed geschreven, meeslepende biografie. Maar Schaevers heeft een beetje hetzelfde euvel als Claus zelf: onmatigheid. Hij ontspoort hier en daar in zijn zucht naar volledigheid. Gerrit Komrij schreef over Claus’ roman Schola Nostra, ‘Het lezen ervan maakte op mij de indruk van het moeten uitzitten van Wagners Ring der Nibelungen.’ Zo erg is het zeker niet, maar enig kordaat redactioneel snoeiwerk zou de biografie beslist ten goede gekomen zijn. 

     

     

  • Goed dat dit boek opnieuw werd uitgegeven

    Goed dat dit boek opnieuw werd uitgegeven

    In 1969 verscheen Eer de haan kraait… Een Hollandse soldaat op Java van Jan van Waveren met een andere ondertitel en onder het pseudoniem ‘Jan Varenne’. Toen was het boek al ruim vijftien jaar klaar, maar in die tijd was er geen uitgever te vinden die zijn vingers eraan wilde branden. Het onderwerp lag in de Nederlandse samenleving veel te gevoelig. Indië en wat daar gebeurd was, daar werd niet over gesproken. Tot eind jaren zestig oud-militair Joop Hueting op tv en in de krant voor het eerst melding maakte van oorlogsmisdaden. De tijd was eindelijk rijp voor Van Waverens roman, waarin hij ‘met totale eerlijkheid’ verslag deed van zijn tijd in Indië. Maar zo lang het duurde voor zijn boek eindelijk in druk verscheen, zo snel was het ook alweer vergeten. Het is dan ook goed dat Uitgeverij Jurgen Maas dit boek opnieuw heeft uitgegeven.

    In zijn boeiende nawoord vertelt historicus Remco Raben dat de discussie over de oorlogsmisdaden maar een paar maanden duurde. Toen Eer de haan kraait… uitkwam, ging het in de media alweer over andere kwesties. Het boek kreeg enkele positieve recensies, maar was spoedig ‘veroordeeld tot een schimmenbestaan in de antiquarische schappen’.

    Beeldende schrijfstijl

    Waarom is Eer de haan kraait… na bijna tachtig jaar, na ruim een halve eeuw na de eerste en enige druk nog zo de moeite waard? Om te beginnen vanwege de vlotte, krachtige en beeldende schrijfstijl. ‘Het was net alsof de kleren van sergeant Block tegelijk gestorven waren met Block zelf. Dat had je het duidelijkst kunnen zien aan de modder die op zijn gezicht gespetterd was, net als op zijn kleren. Allebei waren ze dode materie geworden. Het waren dingen. Blocks gezicht was een ding geworden en er zat modder op.’
    Artistiek gezien is het doodzonde dat het bij deze ene roman gebleven is. Kennelijk was Van Waveren, na het leggen van zijn persoonlijke postkoloniale ei, niet geïnteresseerd in een literaire carrière. 

    Een ‘roman’ ja, maar ‘persoonlijk’ ook. Eer de haan kraait… is fictie, maar wel degelijk gebaseerd op persoonlijke ervaringen van de schrijver. Die tweeledigheid is ook terug te vinden in de structuur van het boek. De hoofdlijn bestaat uit losse hoofdstukjes waarin de hoofdpersoon Jenver centraal staat. Ze worden afgewisseld met cursieve intermezzo’s in de eerste persoon enkelvoud met realistische herinneringen van de schrijver. Die hadden evengoed aan de fictieve hoofdpersoon Jenver toegeschreven kunnen worden, maar kennelijk wilde Van Waveren zich toch niet helemaal achter zijn personage verschuilen. In het ‘Woord Vooraf’ identificeert Van Waveren zich expliciet met zijn hoofdpersoon: ;De trap voor mij en voor Jenver ligt niet in de ontzetting over de moord maar in het feit dat de moord hem in wezen weinig doet, gevangenen als wij waren van de groep tegenover een andere kleur ratten.’

    Moraal in tijden van oorlog

    Hoofdthema van het boek is de morele positie van iemand die bij onmiskenbare, vaak sadistische oorlogsmisdaden aanwezig is als passieve toeschouwer en soms als medeplichtige. De hoofdpersoon en de schrijver zijn zich bewust van de gewelddadige wetteloosheid waar ze bij betrokken zijn. Ze proberen er afstand van te nemen, maar beseffen maar al te goed dat de morele speelruimte klein is. Volgens Raben moeten we het boek niet opvatten als een aanklacht tegen het optreden van de Nederlandse troepen. ‘De waarde van de roman ligt vooral in de onverbloemde tegenstrijdigheid van de hoofdpersoon en schrijver en zijn onvermogen zich te verzetten tegen dingen die evident tegen zijn rechtsgevoel indruisen.’

    Dat onvermogen wortelt deels in groepsdruk, legt Van Waveren uit in zijn ‘Woord Vooraf’. ‘De motivering voor het schrijven was de mateloze verbijstering. Niet zozeer om de excessen en de moeiteloze metamorfose van trouwe kerkgangers, goedmoedige dorpelingen, telgen uit regentenmilieus en solide socialisten tot vanzelfsprekende “bij vluchtpoging-neerschieters”. Verbijstering vooral om te ontdekken dat moraal alleen geldt binnen de eigen rattenkolonie.’

    Eer de haan kraait… geeft een bijzonder levendig beeld van het leven van een gewone, dienstplichtige soldaat in het moreel en politiek uiterst ingewikkelde militaire conflict dat inmiddels geen ‘politionele actie’ meer genoemd wordt, maar een ‘onafhankelijkheidsoorlog’ was. Het perspectief is omgedraaid, maar omdat Van Waveren wèl een morele, maar geen politieke positie inneemt, heeft hij de particuliere bevindingen losgeweekt van de politieke omstandigheden. Daardoor krijgt dit boek een universele geldigheid en tijdloze relevantie, waarbij de stijl en de literaire aanpak ook nog eens onvoorstelbaar modern aandoen. Na het verschijnen van de roman werd Van Waveren actief als pleitbezorger van kamermuziek in Nederland.’Vermoedelijk kon Van Waveren zijn kunstzinnige (…) talenten hier kwijt,’ veronderstelt Raben. Maar wat jammer voor de literatuur!

     

     

  • Toen Gaza nog gewóón een hel was

    Toen Gaza nog gewóón een hel was

    De Palestijnse auteur en psycholoog Mahmoud Jouda schreef Een tuin voor verloren benen vóór de terreuraanslag in oktober 2023, die de achtergrond van de roman achteraf nog dieper rood kleurde dan hij al was en het toenmalige decor uiteindelijk veranderde in één grote ruïne. Die lugubere anachronie maakt de thematiek van Een tuin voor verloren benen niet minder schrijnend.

    In 2018 en 2019 verzamelden duizenden bewoners van Gaza zich elke vrijdag bij het hek dat de grens met Israël markeerde. Het protest kreeg al gauw de naam ‘De Mars van de Terugkeer’ – naar de plekken vanwaar de Palestijnen rond 1948 waren weggejaagd. In het begin had de wekelijks manifestatie nog iets gemoedelijks. Maar toen de stemming grimmiger werd en er stenen over het hek werden gegooid, schoten de grenswachten met scherp, op de knieën van de betogers. De door dumdumkogels verwoeste benen moesten meestal worden geamputeerd. Niet zelden stierven de slachtoffers aan complicaties.

    Chroniqueur

    De ik-figuur in Een tuin voor verloren benen neemt zelf niet actief deel aan de demonstraties, hij fungeert uitsluitend als chroniqueur. Hij tekent de verhalen van de slachtoffers op en probeert op die manier zijn bijdrage aan de strijd te leveren. In die zin is het hoofdthema van de roman niet zozeer het lot van de Gazaanse bevolking, maar de rol van de schrijver daarin, of – meer in het algemeen – de rol van schrijvers in tijden van onderdrukking, oorlog en genocide. Het liefst wil de ik-figuur ‘ontsnappen aan de verhalen over de demonstraties’, die ‘de stad in een gewonde plek’ hadden veranderd. Maar omdat hij door iedereen als een begenadigd schrijver wordt beschouwd (‘Ze bewonderde mijn schrijfstijl, zei ze. Dat was geen verrassing, want ik kreeg veel van dat soort berichten’) ziet hij in dat hij zich niet afzijdig kan houden: ‘iets in mij dreef me ertoe naar de verhalen van deze mensen te luisteren’.

    Die verhalen liegen er niet om. Vaders die hun veelbelovende zonen zien wegkwijnen in een rolstoel. Een moeder die het been van haar kind ‘volledig’ ziet wegrotten, ‘overwoekerd door gangreen’. Een nichtje dat zwaar gewond clandestien over de grens moet worden gesmokkeld voor een hopelijk levensreddende operatie. Een zwaar gewonde strijder die koste wat kost de begrafenis van zijn gesneuvelde kameraad wil bijwonen. Er komt geen eind aan de verschrikkingen.

    Dat laatste maakt Een tuin voor verloren benen gaandeweg wat moeilijk te verteren. Hoe intens en indringend de verhalen ook zijn opgetekend, hoe goed het ook is dat het inferno in de openluchtgevangenis die Gaza heet tot in detail wordt beschreven, met alle passie en empathie die eigen is aan echte literatuur, na het zoveelste kapotgeschoten been weet je het als lezer wel – hoe cru het ook klinkt. Daar komt bij dat de vertellingen qua vertelinstantie soms lastig te volgen zijn. De ik-figuur ontmoet iemand die hem vertelt over een verhaal dat weer iemand anders diegene verteld heeft, en dat verhaal wordt weergegeven in de directe rede, waardoor het op een bepaald moment volstrekt onhelder is wie er nu eigenlijk het woord voert.
    De ‘tuin voor verloren benen’ in de titel van het boek is een verzinsel van de ik-figuur dat voortkomt uit een terugkerende droom, waarin Hassan, de beste vriend van de ik-figuur (en min of meer zijn muze) vertelt dat hij in de nabijheid van het afscheidingshek een soort erebegraafplaats voor geamputeerde benen heeft aangelegd, die gaandeweg opbloeit tot een tuin van hoop en bezieling. Ook in die dromen komen zeer gedetailleerd vertolkte verhalen vol afgeschoten ledematen voor, alsof de dagelijkse werkelijkheid niet gruwelijk genoeg is.

    Initiatief

    Dit neemt niet weg dat het initiatief van Uitgeverij Jurgen Maas en vertaalster Djûke Poppinga om meer aandacht te besteden aan literatuur uit Gaza de komende vijf jaar telkens ten minste één Palestijnse roman te publiceren, zeer te prijzen valt. Het wrange lot van de machteloze, gegeselde bevolking van Gaza kan niet vaak en indringend genoeg beschreven worden. Dat kan het beste van binnenuit, wat het des te navranter maakt dat Mahmoud Jouda zich in maart 2024 gedwongen zag met zijn familie naar Egypte te vluchten. De ziekenhuizen waarin de verloren benen werden geamputeerd, zijn intussen zelf kapotgeschoten.

     

     

  • Een groot niet-weten

    Een groot niet-weten

    Omineus veranderen de letters van de titel Cassandra van een hecht weefsel uiteindelijk in een losse draad. Niña Weijers’ nieuwe boek is een gewaagde poging licht te brengen in de zaak Cassandra van Schaijk, een zeventienjarig meisje uit Almere dat in 2007 zoekraakte en drie weken later dood werd gevonden in de naburige Noorderplassen. Dat Weijers niet slaagt in haar opzet, is geen verrassing – zelfs Peter R. de Vries beet zijn tanden stuk op de kwestie. Het boek gaat dan ook meer over het schrijven over de zaak, dan over de zaak zelf.
    Na Stephan Sanders, Renate Dorrestein en Redmond O’Hanlon was Niña Weijers in 2020/2021 de vierde writer in residence in Almere. De opdracht was zich ‘door de stad te laten inspireren’ en een boek te schrijven over iets wat zich er afspeelde. De huisbaas van Weijers’ tijdelijke appartement wijst haar op de zaak Cassandra van Schaijk, die vijftien jaar na dato de Almeerse gemoederen nog altijd bezighoudt. 

    Na een avond stappen in een plaatselijke hardcorediscotheek komt Cassandra niet thuis. Een getuige heeft haar rond vier uur ’s ochtends op het busstation mee zien gaan met twee ‘Hindoestaanse’ mannen. Drie weken later wordt haar lichaam uit het water gehaald. De zaak is nooit opgelost. De twee mannen hebben zich niet gemeld. Zelfs de doodsoorzaak staat niet vast. Ook niet of het gaat om een ongeluk, moord of zelfmoord. Het is dat ‘gebrek aan bijna alles’ dat Weijers intrigeert. ‘Misschien is de vage belofte van een avontuur genoeg; iets specifieks om me in vast te bijten tijdens dat oeverloze najaar (in coronatijd – R.L.) waarin de wereld knarsend tot stilstand is gekomen.’

    ‘Het plan was concreet,’ schrijft Weijers. Zoveel mogelijk mensen spreken en documenten, archieven en het internet doorspitten. ‘Op die manier zou het verhaal zich min of meer als vanzelf openbaren: ik hoefde alleen maar goed op te letten en me te laten leiden door de werkelijkheid.’ Wie weet, fantaseerde ze met vrienden, vond ze wel iets dat de zaak in een klap oploste! 

    Ontspoorde terror-Helga

    Weinig pagina’s gaan verhoudingsgewijs over de zaak zelf. Logisch, omdat de feiten op een half A4tje passen. Uiteraard probeert Weijers als nieuwsgierig schrijfster meer te weten te komen over het slachtoffer. Cassandra van Schaijk blijkt dan iemand geweest te zijn met twee gezichten: de aardige, onschuldige tiener van de verspreide foto’s, met een bijbaantje achter de kassa van de Plus in Almere-Buiten, en een drugsgebruikend feestbeest dat zich in dubieuze, deels racistische kringen bewoog en zich op het internet presenteerde als ‘ontspoorde terror-Helga’ – de naam is te herleiden tot een stripverhaal uit de jaren zeventig met de naam Terror, waarin de nazikampbewaakster Helga een sadistische rol speelt. Het is de politie noch Weijers gelukt een aanwijsbaar verband te leggen tussen Cassandra’s dubbelleven en haar dood. 

    Weijers zoekt contact met allerlei betrokkenen. De vader en broer van Cassandra. De teamleider van het politie-wijkteam Almere Buiten. Een zekere ‘Ariana’, die zich bij de schrijfster meldt als ‘beste vriendin’ van Cassandra: ‘als je vragen hebt kunt u ze ook mij stellen’. Weijers spreekt af met een vooraanstaand persoon uit de Hindoestaanse gemeenschap, in de hoop meer te weten te komen over de twee mannen die Cassandra het laatst hebben gezien. Dan is er Desiree, een vriendin van Cassandra, die nog iets kan vertellen over de nacht van de verdwijning. Uit al die ontmoetingen komt ontmoedigend weinig bruikbare informatie. Weijers verwijst naar een essay uit 1925 van Virginia Woolf over het toneel van de oude Grieken, waarin Woolf spreekt over ‘het niet-weten, de onoplosbare dubbelzinnigheid’ als kenmerk van ‘de hoogste vorm van poëzie’. Je zou dit als een manmoedige poging kunnen zien van Weijers om haar verhaal over Cassandra op een hoger plan te tillen, los van de true crime boeken, films, tv-series en podcasts. 

    Worsteling van de schrijfster

    Daartoe doet Weijers uitgebreid onderzoek naar wetenschappelijke literatuur over ’true crime’, onopgeloste moordzaken en naar de traditie waar haar boek toe zou gaan behoren. Susan Sontag leert haar dat het verlangen naar misdaad en geweld zo universeel is dat je het nauwelijks morbide kunt noemen. Filosoof Slavoj Žižek legt uit dat er verschillende soorten geweld zijn: ‘Subjectief geweld, zoals dat van een misdaad, plaatst hij tegenover twee vormen van wat hij objectief geweld noemt: symbolisch geweld, belichaamd door de taal, en systemisch geweld, dat een gevolg is van de manier waarop onze politieke en economische systemen zijn ingericht.’ Weijers zoekt houvast in ‘intelligente journalistiek-literaire metareflecties als die van Janet Malcolm in The Journalist and the Murderer (1990), Emmanuel Carrères L’Adversaire (De tegenstander, 2000) en Helen Garners Joe Cinque’s Consolation (2004)’. Veel lezers zullen niet zitten te wachten op deze reflectieve uitweidingen, die onbedoeld een licht werpen op de worsteling van de schrijfster die hardnekkig op zoek is naar een verhaal dat groter is dan de onopgeloste verdwijning van Cassandra. 

    Op weer een ander niveau is Cassandra ook het verslag van het ‘schrijven’ van Cassandra en de impact die dat heeft op het leven van de schrijfster. ‘Omdat ik het zo langzaam doe, raakt mijn schrijven verweven met de tijd die het kost om te schrijven; het leven zelf krijgt alle gelegenheid erdoorheen te vloeien.’ En andersom ook (Weijers is zwanger ten tijde van het schrijven van het boek). ‘Al bleek één ding, telkens weer, verrassend eenvoudig: mijn buik, en later het noemen van mijn pasgeboren baby, wekte meer vertrouwen dan welke geloofwaardigheid die ik verder ook bezat als vrouw en schrijver.’ Zo zie je de schrijfster aan het werk, zonder omhaal, in alle eerlijkheid. Cassandra’s vriendin Desiree zegt dat het goed is dat ze over Cassandra wil schrijven. ‘Ik kan haar met geen mogelijkheid vertellen wat ik denk, namelijk dat het me hoe langer hoe ondoenlijker lijkt om zoiets voor elkaar te krijgen.’ Ergens anders: ‘(…) wat ik weet is omgeven door een nog veel groter niet-weten’. 

    Het kan haast niet anders of Niña Weijers heeft af en toe flink in de maag gezeten met dit aangenomen werk. Het optimisme waarmee ze begon en de veronderstelling dat veel bronnen lezen, diepgaande gesprekken voeren en goed opletten ‘vanzelf’ tot resultaat zou leiden, tot ontrafeling van een zaak die al vijftien jaar in de knoop zat, bleken al gauw een illusie. Maar ze zette door, zocht verder, liet zich niet uit het veld slaan, en schreef een mooi boek over de frustratie van het niet-weten, over leven en dood in Almere en vooral ook over de weerbarstigheid van het schrijven van een boek.