• Roman of essaybundel

    Roman of essaybundel

    Fotocamera’s weten zich vaak geen raad met een zwarte huid: ze werden afgesteld op een blanke huid en daardoor doet een foto van een donkere persoon vaak onderbelicht aan. Teju Cole haalt dit technisch mankement aan in een van de stukken in zijn dikke essaybundel Vertrouwde en vreemde dingen. Maar vervolgens neemt hij een intrigerende afslag: hij legt uit hoe dat mankement fotografen heeft gedwongen naar creatieve oplossingen te zoeken, waardoor er bijna als bijeffect intrigerende foto’s zijn gemaakt. Over de Afro-Amerikaanse fotograaf Roy DeCavara merkt Cole op dat hij op zijn portretten van donkere mensen, ‘in plaats van het zwart donkerder te laten lijken, (…) tegen die verwachting in (ging) en (…) het nog donkerder [maakte]’. Daardoor ontstaat er een rijke kleurschakering die aandachtig kijken vereist, maar beloont met het besef, ‘dat er meer is dan je op het eerste gezicht zou denken’.

    Roman of essay
    Zie hier hoe een aantal van de belangrijkste thema’s van Coles non-ficitie samenkomen: het zwarte lichaam, fotografie, kijken. Cole is naast romancier (Elke dag is voor de dief, Open stad) en essayist ook kunsthistoricus – met een voorkeur voor fotografie – en een Afro-Amerikaan met wortels in Nigeria. Voor diverse media schreef hij artikelen waarvan er in Vertrouwde en vreemde dingen een grote selectie samen is gebracht. Onderwerpen variëren van fotografie tot de uitverkiezing van Barack Obama en lynchpartijen in Nigeria. De ambitie straalt van het dikke boek af: Cole wil veel behandelen en diep graven – wat hem vaak wel lukt, maar niet altijd. Bestaat er eigenlijk zoiets als de Grote Amerikaanse Essaybundel, naar analogie van de Great American Novel?

    Het essay is een wat onduidelijk genre, want het verschil of de grens met andere non-fictiesoorten is niet altijd even duidelijk; want kan een lange recensie bijvoorbeeld geen essay zijn, of een reisverslag? Kan een opinieartikel in de krant een essay zijn en hoe zit het met een kort verhaal waarin op actuele kwesties gereflecteerd wordt? Cole lijkt met die vage definitie te spelen door voor verscheidene invalshoeken te kiezen: van reisverhaal tot e-mailwisseling. De toon wisselt per stuk en geregeld binnen het artikel: van bijna zakelijk kunsthistorisch of journalistiek, tot heel persoonlijk en intiem.

    Ongemakkelijke observatie
    Het boek begint na een prima voorwoord met een indringend stuk getiteld Het zwarte lichaam. Waarin Cole zijn reis naar- en verblijf  in het Zwitserse Leukerbad beschrijft en dat doet hij op een toon die niet misstaat in een roman. De door Cole bewonderde Afro-Amerikaanse auteur James Baldwin maakte begin jaren vijftig diezelfde reis en werd daar vreemd aangekeken door de blanke bevolking die waarschijnlijk nog nooit een donkere man had gezien. Cole beseft in Leukerbad dat hij daar zelf echt niet de eerste donkere man is – er zijn hem vele voorgegaan sinds Baldwin – maar dat er tegelijkertijd ‘wel wat gegluurd (werd) in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop de weg, maar er wordt altijd gegluurd. (…) Er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika.’

    Het is een ongemakkelijke observatie: zelfs in zijn woonplaats is hij blijkbaar een soort bezienswaardigheid, puur omdat hij een zwarte huid heeft. De professionele kijker Cole is zich er ook bewust van dat hij zelf ook bekeken wordt, en laat dat bewustzijn in veel stukken zien. In een intrigerend stuk staat hij stil bij de mogelijkheid van Google om afbeeldingen te vinden en de angstgevoelens die die ‘pagina’s vol beelden’ bij hem opriepen. Even later biecht hij op dat hij én angstig is voor én gefascineerd door een andere Google-mogelijkheid: die om met de ene afbeelding visueel soortgelijk materiaal te vinden. ‘En opnieuw voelde ik angst, hoewel ik niet meer wist of het angst voor God was of voor Google, of dat er een substantieel verschil was tussen die twee.’ Cole neemt de moderne (digitale) beeldcultuur serieus en laat zich niet verleiden tot platitudes a la ‘alles doen voor honderden likes’ waaraan vele anderen zich wel bezondigen.

    Twee boeken in een
    Zoals gezegd is Vertrouwde en vreemde dingen een flinke bundel. Dat is een van de redenen dat er zo ergens richting de tweehonderdvijftigste pagina het gevoel opkomt een boek te hebben uitgelezen en er aan een tweede wordt begonnen. Dat heeft ook met de indeling van het boek te maken: eerst een afdeling literatuur (‘Dingen lezen’), daarna beeldcultuur, fotografie en andere beeldende kunst (‘Dingen zien’), en tot slot een afdeling met reisverslagen en politieke stukken (‘Aanwezig zijn’). Die indeling op onderwerp doet bijvoorbeeld erg kunstmatig aan: veel van Coles thema’s verwerkt hij op een vrije organische manier door het hele boek heen.

    Ook de selectie en redactie hadden wat strenger gemogen. Het stuk over een overleden Australische componist bijvoorbeeld voelt qua thematiek nogal misplaats aan in ‘Dingen zien’, en voegt weinig toe aan het boek. Ook duiken tegen het einde diverse minder geslaagde stukken op over buitenlandse politiek, die wel erg rechtdoorzee zijn (en soms drammerig), en eerder daarin journalistieke bijdragen lijken. Een beetje gênant wordt het bij de in het boek opgenomen mailwisseling (wederom die vrije benadering van het essay) met collega-schrijver Aleksandar Hemon. Waarin laatstgenoemde, Cole uitgebreid complimenteert met zijn werk, en andersom. Het Amerikaanse-talkshow-gehalte wordt daar echt te hoog, terwijl er soms best interessante kwesties aangesneden worden. Hemon bijvoorbeeld merkt op dat hij ‘het hardnekkige onderscheid tussen fictie en non-fictie in de Anglo-Amerikaanse literatuur altijd heel hinderlijk (heeft) gevonden, of problematisch zelfs.’ Ook Cole zegt zich daarover te verbazen:

    ‘We (lopen) ook niet door het museum (…) op zoek naar fictieve of non-fictieve schilderijen.Schilders realiseren zich dat alles een combinatie is van waarneming en verbeelding, van wat men te horen heeft gekregen en wat al eens vaker door iemand is gedaan.’

    Cole legt in dat fragment goed uit wat hij in de geslaagde stukken en op de beste momenten van Vertrouwde en vreemde dingen doet: de verleidelijk verhalende toon van fictief proza gebruiken terwijl hij de wereld om zich heen beschouwt, en/of laten zien hoe kunst wortelt in de samenleving en daar een uitstekende spiegel van kan zijn. Het vertrouwde wordt daardoor geregeld vreemd, en even vaak wordt er een poging gedaan om het vreemde vertrouwd te maken. Het boek als geheel is niet de Grote Amerikaanse Essaybundel die er in potentie in had gezeten, maar Cole doet een goede gooi.

     

     

  • Recensie: Ada – Vladimir Nabokov

    Recensie door: Rein Swart

    Weelderig proza als een struik met vele knoppen

    ‘Nirvana, Nevada, Vaniada. Tussen haakjes, ik moet er niet bij zetten, mijn Ada, dat onze mummie pas bij ons laatste onderhoud, na mijn premature, althans pre-maman-tuée, nachtmerrie over ’You can, sir ’ mijn petit nom bezigde, Wanja, Wanjoesja ? dat had ze nooit eerder gedaan, en het klonk zo raar, zo ted… (stem ebt weg. radiatorbelletjes tinkelen).’

    Aldus de eerste zin van het laatste hoofdstuk. Je komt bedrogen uit als je denkt dat je na zo’n zeshonderd bladzijden de springerigheid van Nabokov wel kent, zijn uitweidingen, zijn gebruik van allerlei talen door elkaar heen, zijn verwijzingen naar andere, veelal Russische, schrijvers. Mij was niet altijd alles duidelijk. Het boek schreeuwt om herlezing, om nog dieper in de rijkdom door te kunnen dringen.

    De allereerste zin begint met een verkeerde aanhaling van de uitspraak van Tolstoj dat alle gelukkige gezinnen op elkaar lijken, waarmee Nabokov volgens een noot van de vertaler (René Kurpershoek) verkeerde vertalingen van Russische klassieken op de hak neemt. De lezer wordt vaker op het verkeerde been gezet. Vooral in het nogal cryptisch begin. Als ik de noten raadpleegde stond mijn vraag naar de betekenis van bepaalde termen, zoals in het citaat waarmee ik opende, er nooit bij. Als ik het boek daarvoor echter opzij had gelegd, dan had ik een fascinerende romance en een adembenemend zinnelijke liefde gemist van de zelfbewuste jonge Iwan (in spreektaal: Van) met een groot libido voor het bloedmooie, karaktervolle meisje Ada.

    ‘Gloeiende gutsen zonlicht snelden over haar zebrastrepen en de rugzijde van haar blote armen, en leken hun reis te vervolgen door de tunnel van zijn eigen gestel.’

    Het boek opent met een stamboom. Het is dan ook een familiekroniek, zoals de verteller zelf in het vijfde en laatste deel schrijft, waarin hij op het eind de feiten nog eens samenvat.

    De liefdesgeschiedenis speelt zich af in een aristocratisch milieu. In het Amerikaanse landhuis Ardis gaat het er nogal decadent aan toe temidden van een hele rits butlers en gouvernantes, die zich ook niet onbetuigd laten. De zusjes Aqua en Marina Durmanow zijn in het huwelijk getreden met de neven Daniël en Demon Veen, maar Aqua heeft al snel het loodje gelegd. Hun nazaten Van (geb. 1870) en Ada (geb. 1872) beleven aan het eind van de negentiende eeuw incestueuze avonturen met elkaar, waarbij ook Ada’s zusje Lucette (geb. 1876) betrokken raakt.

    Nabokov beschrijft onverbloemd over hun erotische toenadering, maar ook heel bloemrijk, hetgeen een verademing is bij de plastische beschrijvingen, die je tegenwoordig vaak tegenkomt.

    Iwan (Van dus) schrijft zijn memoires als negentigjarige zowel in de ik-vorm als meer afstandelijk in de hij-vorm, bijgestaan door Violet Knox.

    ‘Hij was een zeer trage schrijver. Het kostte hem zes jaar om de eerste versie te schrijven en aan juffrouw Knox te dicteren, waarna hij het typoschrift herzag, het geheel opnieuw uitschreef (1963 ?1965) en het hele geval opnieuw aan de onvermoeibare Violet dicteerde, wier welgevormde vingers in 1967 de definitieve kopij uittikten.’

    In het vierde deel volgt nog een filosofische verhandeling over de aard van de tijd, vlak voordat hij als vijftiger Ada in Zwitserland ontmoet na de dood van haar man.

    De inmiddels stokoude Ada breekt af en toe in en ook de bezorger geeft commentaar waardoor er gelaagdheid ontstaat. Door alle toespelingen en woordspelingen (onder andere tijdens een partijtje scrabble tussen Ada en Van) hou je aan dit uitbundige proza een feestelijk gevoel over. Het verhaal schiet heen en weer in de tijd, wendbaar van het een naar het ander, als een filmcamera die heen en weer zwenkt. Het klatert en bedwelmt. De lyrische toon is net zo kleurrijk als die van de vogels die Ada met alle aandacht schildert. Een klassieker die, om het zo maar te noemen, na veertig jaar nog recht overeind staat.

    Ada is opgenomen in De Amerikaanse romans, een bundeling van drie romans uit de periode 1969-1974 van de Russisch-Amerikaanse schrijver Nabokov(1899-1977).
    Bevat: Ada, vertaald door:  René Kurpershoek, Doorzichtige dingen, vertaald door Sjaak Commandeur en Let op de harlekijns!, vertaald door. Anneke van Huisseling
    Verschenen bij: De Bezige Bij, (2009)
    Prijs: € 49,90