• Stadsschrijvers

    Stadsschrijvers

    Redmond O’Hanlon was de derde writer in residence in Almere. Stephan Sanders en Renate Dorrestein gingen hem voor. In De groene stad doet hij op voor zijn volgers vertrouwde wijze verslag van de drie jaar durende reis door de stad in wording die Almere na ruim veertig jaar nog altijd is. Na Sanders’ memoir – Iets meer dan een seizoen gaat behalve over Almere ook over Anil Ramdas – en Dorresteins dystopische, maar ondanks dat hoopgevende roman – Weerwater is een echte Dorrestein – voegt O’Hanlon een reisverhaal toe aan de serie Almere Verhalen. Daarmee draagt hij bij aan wat de initiatiefnemers voor ogen staat: ‘op literaire wijze reflecteren op de stad en bewoners’.

    Net als in beide voorgaande ‘gevallen’ stelde de PVV ook naar aanleiding van O’Hanlons gastschrijverschap schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders. Kritische vragen, want de PVV vindt Almere Verhalen een belastinggeldverslindend ‘onzinproject’.
    Stephan Sanders werd voornamelijk verweten ondermaatse kwaliteit te leveren en van Renate Dorrestein kon men zich niet voorstellen dat zij na haar ‘boude uitspraken’ over Almere in staat zou zijn op positieve wijze bij te dragen aan de beeldvorming over de stad. Dezelfde kritiek gold Redmond O’Hanlon, terwijl de PVV daar eenvoudiger had kunnen scoren: O’Hanlon schrijft niet in het Nederlands, en dat is een voorwaarde die aan de writer in residence gesteld wordt.

    Zoals het een keurig college betaamt, beantwoordde ook het huidige alle door de PVV gestelde vragen zo serieus mogelijk. Nee, de mening van de PVV mening werd niet gedeeld, al verbaasde de kritiek van O’Hanlon het college wel, ‘omdat hij eerder in de media juist erg positief was over de stad’.
    Dat Renate Dorrestein Almere ‘een spuuglelijke stad’ vond en Redmond O’Hanlon met ‘by far de lelijkste stad ooit gebouwd’ nog een stap verder ging, was hun goed recht en valt onder de vrijheid van meningsuiting.
    Aan een oordeel over de kwaliteit van de afzonderlijke Almere Verhalen wensen de diverse colleges zich niet te wagen. Zij huldig(d)en het Thorbeckiaans principe ‘dat de overheid geen beoordelaar van kunst is of hoort te zijn. Iedere stap die ons verder weg brengt van dit principe is een bedreiging voor onze vrijheid’.

    Ik weet niet wat ik gewaagder vind: een schrijver die zich voor het karretje van een stad laat spannen of een stad die denkt via een writer in residence ‘literatuur, als onderdeel van de Nederlandse cultuur, letterlijk en figuurlijk dichter bij Almere en de Almeerders te brengen’.

    Literatuur en lezers onttrekken zich aan de wetten van citymarketing. Hoe prominent de rol en/of hoe positief het beeld van een stad in een literair werk – fictie of non-fictie – ook is: een lezer stapt als het boek uit is niet onmiddellijk in de auto of de trein om de stad te bezoeken.
    Omgekeerd kan ik me in het geval van Almere ook niet voorstellen dat wie nauwelijks leest naar de boekwinkel gerend is om Iets meer dan een seizoen, Weerwater of De groene stad te kopen.

    Dat vooraanstaande schrijvers hun naam aan een stad willen verbinden, dat is waar een stad goede sier mee kan maken. Dat moet voor bestuurders en volksvertegenwoordigers voldoende zijn.

     

    Illustratie: het schiereiland Utopia in het Weerwater

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Zomerboeken 2018 – Vakantie in Nederland

    Zomerboeken 2018 – Vakantie in Nederland

     

     

     

    Lekker dood in eigen land

    Voor wie dit jaar in eigen land de zomer doorbrengt is deze dichtbundel van Frank Koenegracht een echte aanrader, en niet alleen vanwege de gezellig-morbide verwijzing naar vakantie in de titel. De gedichten in de bundel zijn stuk voor stuk wonderen van eenvoud en vernuftigheid – soms humoristisch, soms ontroerend, soms allebei tegelijk. Zo geeft Koenegracht in een brief ‘aan mijn moeder’ het advies om zich een zwaan te laten bezorgen door de thuiszorg: ‘Ze slaan hun linker vleugel om je heen: dat / is tegen angst voor duizeligheid en ze leggen / hun snavel op het andere kussen: / dat is tegen eenzaamheid.’ Door de ogen van Frank Koenegracht zien we ons eigen land in een ander licht, bijvoorbeeld als hij schrijft: ‘Het regende in de openbare ruimte / en op de kenmerken van de situatie // en op de leefbare omgeving met zijn / verspreide maar onderling verbonden // buitenruimtes. O wat regende het’.

    Een bundel om in de regen of in de zon te lezen, hardop mooie zinnen en wendingen voorlezend aan reisgenoten of onbekende medepassagiers in de trein naar Dordrecht of een andere stad waar je gewoonlijk niet zo vaak komt. En voor wie even niet lezen wil zijn er in deze bundel ook nog mooie plaatjes te bekijken – portretten van diverse mannelijke denkers en schrijvers, getekend door Koenegracht zelf.

     

    Lekker dood in eigen land
    Auteur: Frank Koenegracht
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2012)

    Dagelijks werk

    In de trein naar Utrecht, in de bus naar Meppel, op een balkonnetje van een Groninger hotel, in een achtertuin in Amsterdam, in een bus naar Haarlem, op een terras in diezelfde stad, overal is het genieten met de schrijversautobiografie die Renate Dorrestein kort voor haar overlijden begin dit jaar publiceerde. Het boek is een selectie van teksten – artikelen, essays, e-mails en brieven – die ze schreef naast haar romans en verhalen. Het geeft een prachtig beeld van hoe Dorrestein dacht over literatuur, het schrijverschap en het leven en over het verband tussen die drie. Elke tekst is voorzien van een inleiding en soms ook van een nawoord waarin Dorrestein het geschrevene een context geeft. Dorrestein inspireert op vele fronten: met haar schrijfplezier, met haar gedrevenheid om als schrijver de werkelijkheid boven tafel te krijgen, met de manier waarop ze haar belangen als schrijver behartigde en natuurlijk met haar niet aflatende strijd voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen, zowel binnen de literaire wereld als daarbuiten.

    Als Dorrestein zich inderdaad in de hemel bevindt waarin ze verkoos te geloven, zal ze daar vast een glaasje hebben gedronken op de toezegging van het CPNB om het boekenweekgeschenk voortaan even vaak door mannen als door vrouwen te laten schrijven.

     

    Dagelijks werk
    Auteur: Renate Dorrestein
    Uitgeverij: Podium (2018)

    Birk

    Denk Terschelling maar dan kleiner, Schiermonnikoog maar dan verder van het vasteland, denk alle dorpen, de meeste mensen en de wadden weg, neem de meeuwen mee en denk er een paar kliffen bij en je bent op het eiland waar het jongetje Mikael en zijn moeder achterblijven nadat Birk, zijn vader, is verdwenen in zee. In gedetailleerde en beeldende scènes zien we hoe de jongen volwassen probeert te worden in een wereld die door zijn moeder zo klein mogelijk wordt gehouden. Zelfs een jonge meeuw die Mikael gevangen houdt in een poging hem te temmen, vormt voor zijn moeder een object van jaloezie. Door het verhaal te situeren op een eiland waar de buitenwereld niet bestaat, zet Robben de verhoudingen tussen de moeder, de zoon en hun buurman op scherp.

    Een boek waaraan je ook lang na lezing terug kunt denken alsof je alles wat erin beschreven wordt zelf hebt gezien. Je hoeft kortom niet van de bank te komen om herinneringen aan een verblijf op een eenzaam eiland te verzamelen. Al wordt het wel ingewikkeld om familieleden en vrienden van foto’s te voorzien. Gelukkig hebben we de woorden nog.

     

    Birk
    Auteur: Jaap Robben
    Uitgeverij: De Geus (2014)
  • Eierstokken

    Eierstokken

    Op een koude junizondagmiddag las C. Buddingh’-prijswinnaar Radna Fabias op een podium in een park een gedicht over eierstokken voor. In het gedicht draagt een ik-persoon haar vruchtbaarheid ten grave. Thuis las ik het nog eens na: ‘omdat ik van mijn moeder houd bezweer ik de herhaling vanuit mijn afgeklemde eierstokken’. En hoewel ik wist dat het niet ter zake mocht doen voor mijn begrip van het gedicht, kon ik het niet nalaten me af te vragen of deze zin over Fabias’ eigen eierstokken ging, en of ze alleen figuurlijk waren afgeknepen of ook in het echt. Ik overwoog zelfs om haar er een e-mail over te schrijven.

    De neiging van mensen (waaronder dus mijzelf) om te willen weten hoe waargebeurd een verhaal of gedicht precies is, heeft soms iets onaangenaams, vooral wanneer de waargebeurdheid als verkoopargument wordt gebruikt. Boeken die gepresenteerd worden als deels of helemaal autobiografisch, krijgen doorgaans meer aandacht dan boeken die geschreven zijn op basis van alleen verbeeldingskracht en interesse in de werelden van anderen, terwijl ze niet per definitie mooier of beter of zelfs realistischer zijn. Aan de andere kant ligt de nieuwsgierigheid van de ene echte mens in de verhalen van de andere echte mens misschien wel aan de basis van ons vermogen ons te interesseren in literatuur, en is het daarom ook niet gek dat de verhalen die mensen over zichzelf vertellen het meest aantrekkelijk zijn.

    Mijn nieuwsgierigheid naar de echte Radna Fabias had ook te maken met wat ik een paar weken daarvoor over de echte Renate Dorrestein had gehoord, tijdens een hommage aan haar werk en leven. Een opvallend feit uit dat leven is dat ze zich als jonge twintiger liet steriliseren omdat ze absoluut geen moeder wilde worden. Hoewel ze het gegeven van een sterilisatie bij mijn weten nooit in een literair verhaal heeft gebruikt, was haar wantrouwen jegens ouders en de terreur van het gezin wel duidelijk aanwezig in haar boeken. En dit wantrouwen was een van de redenen waarom ze zelf nooit moeder wilde worden.

    Een vrouw uit het publiek die met Dorrestein bevriend was geweest, wist te vertellen hoe moeilijk het destijds was een arts te vinden die de ingreep bij haar wilde uitvoeren. Uiteindelijk wist ze een arts te overtuigen. ‘Stel je voor dat ik een keer zo verliefd word op een man dat ik een kind met hem wil,’ had ze gezegd. ‘Dat wil ik koste wat het kost voorkomen.’
    Een uitspraak die een verhaal op zichzelf is, ondanks dat hij niet in een literair werk is opgenomen. Nog niet in ieder geval. Ik stel me voor, een gesteriliseerde vrouw die zo verliefd wordt op een man dat ze een kind met hem wil.

    Er zou een roman in kunnen zitten. En voor ik daaraan begin te schrijven moet ik dan toch misschien Radna Fabias eens mailen. Kijken of ik haar een paar, tot de verbeelding sprekende, waargebeurde uitspraken over haar eierstokken kan ontlokken.

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Meer dan een terugblik op een schrijversleven

    Meer dan een terugblik op een schrijversleven

    Want de vraag of we ouderdom kunnen en willen voorkomen, is een regelrechte bedreiging van een toekomstperspectief dat ik al heel lang koester, namelijk dat ik op een dag eindelijk een keer een oude vrouw zou zijn. Daar heb ik me altijd ontzettend op verheugd.’ Dit schreef Renate Dorrestein drie jaar geleden voor een lezing. Maar een oude vrouw zijn was haar niet gegeven: in het najaar van 2016 werd bij haar slokdarmkanker geconstateerd. Dorrestein overleed 4 mei jongstleden, op 64-jarige leeftijd. Met de naderende dood besloot ze alvast op te ruimen en weg te gooien, waarbij ze veel oud en veelal ongepubliceerd materiaal tegenkwam. Een deel daarvan, waaronder ook die lezing, is gebundeld in Dagelijks werk.

    In deze bundel staan meer dan dertig lezingen, essays, mails en blogs die Dorrestein vanaf midden jaren tachtig heeft geschreven. Samen geven ze een mooi beeld van haar schrijversleven. Het is een bonte verzameling van essays die raken aan de kern van de grote thema’s in haar oeuvre tot een stuk over het bepalen van de juiste titel van de vertaling van een van haar romans. ‘Schrijven is namelijk ook gewoon “dagelijks werk”,’ schrijft Dorrestein in de inleiding.

    Begeleid door een korte inleiding bij wijze van context komen alle hoofd- en bijzaken van het schrijven aan de orde. Zo windt Dorrestein zich op over de ‘creativiteit’ die uitgevers aan de dag leggen bij het hengelen naar wervende quotes voor boeken van (beginnende) collega-auteurs. Ergens anders gaat ze in op de perikelen van de boekverfilming. In 2001 was er een plan om Dorresteins roman Een hart van steen te verfilmen, maar ook de derde versie van het scenario vond de schrijfster niet goed genoeg om haar naam en die van de roman aan te verbinden. De brief waarin ze uitlegt wat er aan het scenario schort geeft een aardig inkijkje in dit onderdeel van de literaire praktijk.

    Lastige vragen
    In haar romans verwerkte Dorrestein maatschappelijke kwesties die haar persoonlijk bezighielden, zoals vrijwillige kinderloosheid. Het zal dan ook niet verbazen dat ze ook lezingen gaf en essays schreef over dit soort onderwerpen. In ‘Compleet, ook zonder kroost’, oorspronkelijk een essay voor Trouw uit 2011, schrijft ze mooi over haar wens om geen kinderen te krijgen. Dorrestein beschrijft met welke zekerheid ze al van jongs af aan wist dat ze geen kinderen wilde. Maar dat neemt niet weg dat ze ook momenten kent van spijt, zoals het ook als ouder niet alleen maar fantastisch is.

    Met dit soort onderwerpen wierp Dorrestein lastige vragen op. Ook lastig bleek het onderwerp menopauze waar haar roman Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor over gaat. Hoe kon het toch dat de grootste lezersgroep bestaat uit vrouwen van middelbare leeftijd, maar er géén boek was over hen en hun omstandigheden. In ‘Bridget Jones voor gevorderden’ beschrijft ze hoe haar verwondering hierover ertoe leidde dat ze dat boek zelf ging schrijven. De reacties waren gemengd. Vele vrouwen lieten Dorrestein weten dat ze zich herkenden en begrepen voelden. Maar recensenten beoordeelden haar roman ineens op niet-literaire gronden. ‘Ze schreven opeens dat ze het “onsmakelijk” hadden gevonden om te moeten lezen over “al die lichamelijke dingen van ouder wordende vrouwen”.’ Fijntjes merkt Dorrestein op dat je zulke dingen nooit hoort bij de in de literatuur alomtegenwoordige ouder wordende man.

    De functie van literatuur
    In ‘De boodschap’ gaat Dorrestein het gesprek aan met recensenten die lijden aan wat ze ‘koudwatervrees’ noemt: het beoordelen op stilistische gronden alleen, zonder aandacht te geven aan de boodschap van het besproken werk. Als voorbeeld haalt ze Pieter Steinz aan die eens Elvis Peeters verweet dat hij ‘geen intelligent spel heeft willen spelen met de conventies van de moderne roman’. Met de nodige humor die kenmerkend is voor veel stukken uit Dagelijks werk legt Dorrestein uit hoe belachelijk deze opmerking eigenlijk is:

    Deze gewichtige zin vereist langdurige bestudering, en dan weet je nog niet wat er staat, behalve dat Elvis Peeters hier wordt beticht van een literaire faux pas die blijkbaar zijn weerga niet kent. Geen intelligent spel willen spelen met de conventies van de moderne roman: kan iemand mij vertellen wat dat betekent en waarom een schrijver de ambitie zou moeten hebben zich wél met hart en ziel aan dit spel te wijden? Bewaar me, zeg. Wat een flauwekul.’

    Uiteindelijk komt Dorrestein tot de kern van wat zij als auteur beoogt. En dat heeft niets te maken met romanconventies, maar alles met het opwerpen van morele vraagstukken. ‘Want dat is de essentie van fictie en een functie par excellence van de literatuur: het tonen van de andere kant van de zaak, en dus het verbreden van ons eigen beperkte repertoire als mens.’ Anders dan recensenten zijn het de ‘gewone’ lezers die juist geïnteresseerd zijn in dit soort dilemma’s.

    De lezer
    Uit verschillende stukken in Dagelijks werk komt naar voren hoe belangrijk die gewone lezer is voor een schrijver. ‘Elk boek is au fond een doos vol dode woorden – totdat een lezer zich bereid toont ze met zijn ogen tot leven te wekken,’ citeert Dorrestein collega A.F.Th. van der Heijden ergens. Dorresteins populariteit is zonder twijfel te danken aan het feit dat ze bij het schrijven haar lezers altijd goed voor ogen hield. Dat blijkt eens te meer uit Dagelijks werk waarin ze haar lezers weet te vermaken en te ontroeren, zeker in die stukken waar haar ziekte en naderende dood ter sprake komt. En ook al zijn sommige stukken decennia oud, ze nodigen nog steeds uit tot nadenken. Het is een terugblik op haar oeuvre – zeker – en tegelijk is het meer dan dat: het is een uitnodiging om de ‘dozen vol dode letters’ (opnieuw) te openen en te kijken welk moois daar in zit.

     

     

  • Het belang van een boek

    Het belang van een boek

    Het was vrijdagavond en ik mocht kiezen. De regen had alle opties buiten de boeken geëlimineerd. Verspreid door de kamer lagen de volgende mogelijkheden. Het bed: Bright earth, Art and the invention of colour door Philip Ball, omdat een leraar op de kunstacademie had gezegd dat het goed was om te beseffen dat tubes verf in alle kleuren van de regenboog niet zomaar op een dag uit de lucht waren komen vallen.
    Tafeltje naast het bed: Birk door Jaap Robben, omdat mijn nieuwe liefde had gezegd dat ik het moest lezen; Astronaut door Pieter Kranenborg, omdat ik tegen Pieter Kranenborg gezegd had dat ik het zou lezen voordat ik een biertje met hem zou gaan drinken; De uitvreter / Titaantjes / Dichtertje / Mene Tekel door Nescio, omdat het al zo lang geleden was; Living as a river, Finding fearlessness in the face of change door Bodhipasaka, omdat het fantastisch zou zijn nooit meer bang te hoeven zijn voor het verstrijken van de tijd. Beleef uw huis door Hans Uylenburg, omdat het grappig was om interieuradviezen uit de jaren zeventig te lezen.

    Bovenkant kastje aan voeteneind bed: De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB poëzieprijs als bewijsmateriaal dat poëzie wél nuttig en maatschappelijk relevant is, écht wel, écht wel.
    Het bureau: Verborgen gebreken door Renate Dorrestein, zodat ik bij mijn optreden als talentvolle jonge auteur tijdens een hommage aan Renate Dorrestein enige parate kennis van haar werk tentoon zou kunnen spreiden; Het hemelse gerecht, om dezelfde reden.
    De vloer: Als je een meisje bent door Maartje Smits, ook te leen gekregen van mijn nieuwe liefde, omdat we haar laatst hadden gezien onder een lampenkap; De wereld der planten 1 en De wereld der planten 2, omdat er mooie sexy plaatjes in stonden (vergeet food porn, plantenporno is veel opwindender); Expanded painting door Mark Titmarsh, omdat ik overwoog een schilder in bredere zin te worden; Poëziekalender 2015, omdat je die gedichten gewoon tot in het oneindige kon hergebruiken.

    Ik wist het niet. In alle opgenoemde boeken had ik recent gelezen, geen ervan verwachtte ik op korte termijn uit te lezen. Behalve misschien de twee van Renate Dorrestein, want als ik die niet uit las vóór 10 juni was ik er niet zeker van of mijn jeugdige talent genoeg zou zijn om alles wat ik niet van haar gelezen had te compenseren. Maar het was vrijdagavond en op vrijdagavond streefde ik ernaar om niets te doen wat moet.

    Ik koos Toon Tellegen. Ik vond hem in het kastje aan het voeteneind van mijn bed en zocht het gedicht op dat zojuist mijn hoofd binnen was gevlogen. Ik mocht kiezen. / Ik wist het niet. / Ik koos de vrede. Dat was het begin. En daarna liet Tellegen de waarheid en de schoonheid, de wijsheid en de weemoed, en zelfs de liefde gaan, zodat alleen de vrede overbleef. En in de hemel hing een andere zon. En de regen tikte op het ronde daklicht en een vliegtuig kwam laag overvliegen en hoewel het buiten koud geworden was, bleef het binnen warm.

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze nog eens maar nu een dichtbundel, Dwaallichten.

  • Renate Dorrestein: ‘Vastlopen hoort erbij’

    https://youtu.be/PDgxcg4XTsA

    Renate Dorrestein (1954-2018) deelde haar schrijfervaringen niet alleen in Het geheim van de schrijver en De blokkade. In deze drie minuten legt ze uit welke vormen van vastlopen er zijn en hoe de pen weer op te pakken.

    Renate Dorrestein overleed op 4 mei 2018. Liliane Waanders schreef voor Literair Nederland een in memoriam.

  • In memoriam Renate Dorrestein (1954-2018)

    Hoewel Renate Dorrestein in haar werk de indruk wekt speels en spontaan te opereren, wist ze bijna altijd precies waar ze mee bezig was en ging ze weloverwogen te werk. Renate Dorrestein was een vrouw met een missie en een schrijfster met een visie op literatuur.

    Renate Dorrestein stierf op de dag dat de doden herdacht worden. Twee dagen later was haar dood breaking news en de opening van het NOS Journaal. Vandaag – Hemelvaartsdag – wordt zij begraven.

    Missionaris
    Toen het nog harder nodig was dan nu roerde Renate Dorrestein consequent de feministische trom. Dat zij als missionaris wel eens wat drammerig was, gaf ze toen de strijd eenmaal voor een groot deel gestreden was ruiterlijk toe. Maar ondertussen deed ze wat nodig was. En dat deed ze doorgaans geestig en eloquent, én uitermate doeltreffend. Het venijn zat vooral in haar schrijven. Als ze sprak, kon ze heel bedeesd klinken. Maar ook dan gehoorzaamde ze aan haar eigen wetten. De wetten van Dorrestein:

    1. Een aantal kwinkslagen
    2. Een aantal stoten onder de gordel
    3. Minimaal een zin waarin ik iets verstandigs zeg
    4. Een einde waarin ik het voorgaande geheel op zijn kop zet.

    Wetten die klappen hard doen aankomen. Renate Dorrestein kon heel goed de indruk wekken dat ze alleen iets in overweging gaf, maar wat ze wilde was de wereld radicaal veranderen. Dan heeft zoete broodjes bakken geen zin.

    Schrijver
    In haar literaire werk negeerde Renate Dorrestein de boze buitenwereld aanvankelijk. Ze schiep voor haar personages omstandigheden waarin ze konden gedijen. Waar ze naar eigen vermogen aan deel konden nemen en hun idealen konden verwezenlijken. Kwetsbaar en afhankelijk oogden zij. In de ogen van sommigen daardoor onschuldig.

    Op dat vroege werk kun je je verkijken. Vrijblijvend is het nergens en onschuldig ook niet. Zelfs Voorleesboek voor planten – ver voor Buitenstaanders, de roman die voor haar debuut doorgaat, verschenen – is niet zo onschuldig als het lijkt. Het bevat behalve miskende personages – een asparagus vanwege het iele voorkomen; een moederplant vanwege het maar aanjongen; vrouwentongen vanwege de vrouwentongen en papyrus vanwege vermeende dronkenschap – een behoorlijke dosis maatschappijkritiek en veroordeelt vooroordelen.

    Dat er over dat vroege werk ook in literaire zin iets te zeggen valt, drong pas door toen er serieuze studies aan gewijd werden. Voordien zag bijna iedereen over het hoofd dat haar werk perfect in de Angelsaksische traditie van de gothic novel past. Dom eigenlijk, want Renate Dorrestein maakte geen geheim van haar literaire oriëntatie. Nu staat zij te boek als eerste Nederlandse schrijver die met succes dat genre bedreef.

    Na Buitenstaanders, Vreemde streken, Noorderzon, Een nacht om te vliegeren en Het perpetuum mobile van de liefde kwam de kentering. De romans werden werkelijker. De structuur ‘eenvoudiger’. Alsof het schrijven over haar zus en de ziekte die haar uitputte nieuwe inzichten opleverde over hoe zij de literatuur voor haar karretje kon spannen. Alsof ze meer dan daarvoor besefte dat ze de lezer als bondgenoot nodig heeft, wilde ze via de literatuur iets teweegbrengen.
    Wat precies een echte Dorrestein is, laat zich nog niet zo heel eenvoudig omschrijven, maar het valt op dat sinds die kentering een enorme verscheidenheid aan niet-biologisch eigen kinderen in haar romans rondwandelt. Zij hebben langzaam maar zeker de plaats ingenomen van vrouwen die het tegen mannen opnemen. Het ‘zelfgekleide knutselgezin’ bleek een uitermate geschikt biotoop om de strubbelingen en de sores die het failliet van het fatsoen symboliseren te situeren.

    Renate Dorrestein verzon verhalen om de werkelijkheid zo dicht mogelijk te naderen. Keer op keer kroop ze in het hoofd van haar gemankeerde personages en vroeg ze van haar lezers hetzelfde te doen. Dat streven is de kern van haar poëtica.
    Dit is haar credo:

    ‘Fictie laat ons zien wat het betekent om mens te zijn en hoe moeilijk het is een fatsoenlijk mens te blijven als de omstandigheden onfatsoenlijk worden. Literatuur brengt ons iets dat de psychologie niet vermag, de sociologie niet vermag, de journalistiek niet vermag: het vermogen om in het hoofd van de personages te kijken, deelgenoot te worden van hun dilemma’s en al doende in hun schoenen te gaan staan. Literatuur helpt ons, ons met anderen te identificeren en ook onszelf te begrijpen.’

    Mensch
    Renate Dorrestein was uitermate goed in staat om schrijvend op haar leven en werk te reflecteren. Dat liet ze al zien in Heden ik en De blokkade. Ze wilde geen slachtoffer zijn, bleef strijdbaar en werkte zo goed en zo kwaad als dat ging door.
    Toen ze Heden ik en De blokkade schreef, had ze geen haast. Dat was anders toen ze aan Dagelijks werk: een schrijversleven begon. De dood zat haar op de hielen. Die zou ze niet voor blijven, dat wist ze. Wat wel kon, was degene die ooit woorden aan haar leven en werk zou willen wijden – een biograaf dus – de pas afsnijden.

    Dat deed ze dus. Scherper dan wie dan ook dat zou kunnen, voorzag ze wat ze in de loop der jaren schreef – als journalist, als pleitbezorger van de vrouwenzaak en als romancier – aan de hand van verspreid verschenen stukken van context en commentaar. Ze is openhartig waar het om persoonlijke zaken gaat en neemt geen blad voor de mond waar het zakelijke aangelegenheden betreft.

    Met deze staalkaart van haar werk voltooide Renate Dorrestein haar oeuvre. Dagelijks werk: een schrijversleven hoefde niet postuum te verschijnen: Renate Dorrestein haalde haar deadline en maakte de ontvangst mee.

    Ze wist wat haar te wachten stond, en toch schreef ze – het zijn de laatste woorden die ze voor haar lezers in petto had:

    ‘Ook ik hoop natuurlijk gezónd oud te worden. Maar ik hoop vooral dat niemand me de levensfase door de neus boort waarop ik me nu al zo lang verheug: een oud vrouwtje te zijn, en ongestraft excentrieke kleren en rare mutsjes te kunnen dragen, nooit meer naar de sportschool te hoeven, alles te mogen eten wat ik maar wil, te drinken en te roken omdat dat toch niet meer uitmaakt, aan iedereen lak te hebben en de meest boude dingen te kunnen zeggen zonder dat iemand het nog waagt me tegen te spreken.’

    Wie dat durft te schrijven op de laatste bladzijden van wat haar laatste boek werd, is niet alleen ‘a truly courageous writer’, maar vooral een dapper mens(ch).

     

    Foto: still uit promotiefilmpje van de CPNB voor Week van het Luisterboek 2014

     

     

  • Eerlijke broodwinning

    Eerlijke broodwinning

    Volgens Raymond van de Klundert – alias: Kluun – hoeft een schrijver van werk dat te weinig opbrengt om ervan te kunnen leven zich niet te schamen voor een ‘bijbaantje’. Iedereen moet immers werken voor de kost. Hij zelf ook. Ondanks verkoopcijfers waar de meeste collega’s slechts van kunnen dromen, klust Kluun vanwege drie studerende dochters regelmatig bij.
    Kluun heeft dan ook een hekel aan schrijvers die keer op keer hun hand ophouden bij het Letterenfonds zonder een gebaar te maken richting de lezer. Aan schrijvers die zich boven elke (economische) wet verheven voelen en zichzelf als een geschenk van God aan de samenleving beschouwen.

    Kort nadat ik dit Kluun had horen zeggen – hij nam tijdens Woordnacht deel aan Het Grote Gelddebat – las ik in Dagelijks werk: een schrijversleven hoe bevoorrecht Renate Dorrestein zich voelt, dat zij tot een generatie schrijvers behoort die kan leven van de pen. Dat ze niet zoals de schrijvers voor en na haar ook nog een ander beroep moet uitoefenen om het hoofd financieel boven water te houden. Waarbij aangetekend moet worden dat Renate Dorrestein pas na het verschijnen van haar tiende roman de baan die ze had op durfde te zeggen. Voor het werk dat ze tot die tijd deed, had ze overigens ook een pen nodig: ze was redacteur bij het toen nog feministische tijdschrift Opzij.

    Er zijn maar weinig schrijvers die zoveel boeken verkopen dat zij op hun royalty’s kunnen rusten. Wie geen bestseller schrijft, verdient omgerekend per uur minder dan het minimumloon.
    Een schrijver is echter niet alleen afhankelijk van de verkoop van zijn boeken. Wie naam gemaakt heeft, kan – zonder zichzelf of het ambt te verloochenen – zijn talent ook op andere manieren te gelde maken. Hij kan optreden/lezingen geven, columns schrijven, deelnemen aan discussies of (gast)docent worden.
    Daar moet hij dan wel naar behoren voor betaald worden. Hij wordt immers aangesproken op zijn specifieke kwaliteiten, en doet doorgaans al heel veel gratis en voor niets – interviews, fotoshoots, signeersessies – om zijn werk aan de man te brengen.

    De meeste van deze ‘bijbaantjes’ zijn van een andere orde dan de werkzaamheden waarmee Kluun de studies van zijn dochters bekostigt. Kluun is behalve schrijver ook bekende Nederlander. Dat is zijn keuze en daar plukt hij vruchten van. Ook financiële.
    Andere auteurs verkiezen de relatieve anonimiteit die in hun ogen bij het schrijverschap hoort, zijn selectief in het aannemen van opdrachten en doen – soms meer dan eens – een beroep op het Letterenfonds voor een werkbeurs. Als ze schrijver genoeg bevonden worden, honoreert het Fonds hun aanvraag.

    Schrijvers die een beurs aanvragen hoeven zich niet te schamen. Die beurzen zijn er om de Nederlandse literatuur recht te doen. Wie van toegevoegde waarde is, heeft er in zekere zin recht op. Maar Kluun heeft gelijk als hij schrijvers hekelt die er bij voorbaat van uitgaan dat zij door het Fonds ondersteund zullen worden en niet eens meer de moeite nemen hun huis te verlaten om geld te verdienen. Alleen hele groten verdienen levenslang een beschermde status. Van de rest mag niet alleen gevraagd worden dat zij zich keer op keer bewijzen, maar ook dat zij hun publiek welwillend tegemoet treden. Ook in levenden lijve.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • De literaire tekening als commentaar op een tekst

    De literaire tekening als commentaar op een tekst

    Liever horen we onszelf van Renate Dorrestein is oorspronkelijk geschreven als ‘het luistergeschenk ter gelegenheid van de Week van het Luisterboek 2014’ . Mila, het hoofdpersonage van het verhaal, heeft een heel eigen stem. Ze biedt metaforen en combineert in fraaie taal het abstracte met het concrete, zodat er interessante beelden in de hoofden van de lezers ontstaan. Ze heeft het over ‘een enclave die nog altijd aan smokkelaars en algehele weerspannigheid herinnert’ (14), een varkensverblijf is ‘opgetrokken uit pure wilskracht en wat oude pallets’ (15), haar schoonmoeder omschrijft ze zo: ‘Het gespikkelde zonlicht trekt een stippellijntje om haar heen, zoals op de knipplaten van vroeger. Elk moment kan iemand haar uitknippen en zal ze wegwaaien op de wind’ (30). Mila spreekt van het smoren van een herinnering ‘onder de deken’ van een afleiding. (37), de tijd ‘is niet langer verkaveld’(40), haar verdwenen geliefde heeft ‘het postuur van een ondervoede student’ (57) en gedroogde paddenstoelen zijn ‘bleek en gerimpeld als de gezichtjes van stokoude dwergen’ (55). Wie dingen zo weet te verwoorden neemt de lezer voor zich in. Dorrestein slaagt er goed in om deze Mila tot leven te wekken, meer dan de herinnering aan haar spoorloos verdwenen vriend, van wie de zeilboot waarmee hij vertrokken was onbemand is teruggevonden. Deze jongen blijft een mysterie, een bewuste keuze van de schrijfster. Het verhaal speelt zich grotendeels af in het huis van de schoonmoeder van Mila, die weinig sympathie voor haar voelt, zoals Mila’s eigen ouders haar vriend eigenlijk te min vonden. De schoonmoeder lijkt zich neergelegd te hebben bij het gegeven dat haar zoon er niet meer is. Voor Mila geldt dit niet.

    Beeld dat de tekst becommentarieert
    Thema van het verhaal is het omgaan met verlies en onzekerheid, maar het is vooral de stijl die deze vertelling aantrekkelijk maakt. Dat geldt niet alleen voor de bewoordingen, maar ook voor het beeld. Het boek is voorzien van illustraties van Sylvia Weve die ooit onder meer een Gouden Penseel won. Op het eerste gezicht lijkt het uitbrengen van dit verhaal met illustraties ingegeven door overwegingen van de uitgever (zoals een andere uitgever Dorresteins boek met schrijftips, Het geheim van de schrijver, ooit een pakkende titel meegaf, terwijl in dat bewuste boek veel onthuld wordt, maar natuurlijk niet het geheim van de schrijver). Deze overwegingen zou men zo kunnen verwoorden: het gaat om het oplossen van de kwestie hoe een kort verhaal (korter nog dan een novelle, die al niet veel worden gepubliceerd) toch apart uitgegeven kan worden als enigszins substantieel boek. Maar schijn bedriegt. De tekeningen van Weve voegen daadwerkelijk iets toe. Ze zijn, gezien de achtergrond van het ontstaan van het verhaal als luisterboek, achteraf gemaakt, niet in wisselwerking met Dorrestein tijdens haar scheppingsproces. Ze zijn dus eerder een commentaar op de tekst, dan dat er sprake is van samenwerking om tot een Gesamtkunstwerk te komen. Liever horen we onszelf maakt deel uit van een serie van door Weve geïllustreerde boeken van Querido (van Annejet van der Zijl, Hella Haasse en Rascha Peper), waarmee de uitgeverij lijkt te willen aangeven dat niet alleen schrijvers maar ook tekenaars werken aan een samenhangend oeuvre.

    ‘Literaire tekeningen’
    Volgens kunsthistorica Saskia de Bodt wordt tegenwoordig ‘volwassen literatuur niet of nauwelijks geïllustreerd’, hetgeen eigenlijk opmerkelijk is omdat we in een beeldcultuur leven. Wel zien we hedendaagse graphic novels voor volwassenen met een literair gehalte en nog altijd veel prentenboeken voor de allerjongsten, vaak ook met een literaire connotatie. Maar het literaire boek met afbeeldingen voor volwassenen is niet erg wijdverspreid.

    Het cultuurproduct van Dorrestein en Weve is geen prentenboek voor volwassenen, en ook geen tekststrip, genre ‘Bommelsaga’. Het is moeilijk een genre te definiëren waartoe Liever horen we onszelf wel zou behoren. De tekeningen van Weve zijn eigen. Ze zijn in kleur wat opmerkelijk is, omdat men kleur misschien met een kinderboek zou associëren. Maar de afbeeldingen zijn duidelijk geen snoep voor het oog, als in een creatie van Disney. De lezer wordt erdoor uitgedaagd, het wordt hem niet makkelijk gemaakt. Het gaat om prenten die ‘literaire tekeningen’ genoemd kunnen worden. Ze plaatsen het boek niet in een context van vermaak, maar zorgen ervoor dat men de interpretatie van Weve van de tekst van Dorrestein actief onderzoekt. Literaire tekeningen zijn kunstzinnige prenten met een narratieve achtergrond.

    Een aanzet tot kritische reflectie
    Critici van het geïllustreerde boek (en ook van de strip) stellen vaak dat de beleving van de lezer te zeer gestuurd wordt, zodat het plaatje dat deze zelf in zijn of haar hoofd zou moeten vormen al bij voorbaat vernietigd wordt. Met andere woorden: de beelden sturen de ervaring al te zeer, zonder veel fantasievolle eigen inbreng van de lezer. Dat is in dit boek echter niet het geval. Men wordt er juist toe aangezet te reflecteren op het ontstaan van een project als dit: de unheimische, expressionistische prenten van Weve sturen misschien de ervaring, maar dus ook de kritische reflectie: haar commentaar op de tekst maakt deze rijker. De literaire tekening voedt de geest van de lezer die met Liever horen we onszelf twee zaken krijgt voor de prijs van een. De eigen fantasie en de noodzaak tot bespiegeling wordt er eerder door gestimuleerd dan beperkt. De lezer wordt niet vermaakt, maar uitgedaagd, er wordt een sfeer geschapen die de tekst van een uitroepteken voorziet. En een boek dat zinnen bevat als: ‘het licht op de veranda lijkt groen, alsof de zon in een wijnfles is gezakt’ (13) is sowieso al de moeite waard.

     

  • Hoop en leven

    Hoop en leven

    Toen bekend werd dat schrijver Renate Dorrestein ernstig ziek is, was ik bezig in twee boeken. Het een, 99 stories of God van Joy Williams, is een bundel die precies doet wat het belooft: negenennegentig zeer korte verhalen, variërend van twee pagina’s tot twee regels, waarin het zoeken naar god is. Soms komt Hij letterlijk aan het woord, soms sluimert er iets op de achtergrond, de verhalen lezen als literaire ‘Waar is Wally’s’s. Zo bestaat er een verhaal alleen uit de zin, ‘When God abandoned the Aztecs, He turned their chocolate trees into mesquite’. Bijzonder is niet alleen het gebrek aan paginanummers, maar ook dat de titel onder het verhaal staat, waardoor het gelezen verhaal postuum een ander licht krijgt.
    Ondertussen las ik weer een Coupland. Waar ik dacht alles van hem te kennen, bleek dit bij nader inzien niet zo te zijn, wat voelde alsof verlate verjaardagscadeautjes een voor een binnenkwamen en geduldig wachtten tot ik ze uitpakte. Ik kocht Girlfriend in a coma in vertaling en lang na de laatste bladzijde dacht ik nog over het hysterische einde na. Misschien is dit boek Couplands meest religieuze roman, een uitspraak waar ik uiteraard voorzichtig mee moet zijn, maar het komt door het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden.

    Rudy Kousbroek, nog zo’n favoriet, geloofde heel stellig niet in God nadat hem duidelijk werd gemaakt dat dieren niet naar de hemel zouden gaan – een gedachtegang waar ik volledig in mee ga, al ga ik er vanuit al mijn vorige huisdieren na mijn overlijden weer te zien, evenals mijn oma’s, opa en iedereen die er niet meer is. Toch kreeg ik bij het lezen van Kousbroeks essays heel sterk het vermoeden van een religieus denker: iemand die erg aansloot bij de wezens en de wereld om hem heen. Is dat niet ook geloven, je verbonden voelen met dat wat – of hen die – je niet kunt verklaren?
    Dorrestein bleef maar in mijn hoofd zitten.

    Sommige schrijvers, zoals Grunberg en Houellebecq, werken vanuit een idee en alles staat in functie van dat idee. Anderen schrijven vanuit het personage. Stephen King bijvoorbeeld plaatst zijn personages in extreme omstandigheden en kijkt dan hoe ze reageren. Ook Renate Dorrestein is zo’n schrijver. Als vroege lezer kwam ik erachter dat de methode personage, om het zo maar even te noemen, mij het meest aanspreekt – misschien vanuit het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden. Dat laatste is iets waar Dorrestein, met of zonder gebruik van ironie in haar proza, in excelleert.
    Ik heb 99 stories nog niet uit, dagelijks lees ik enkele verhalen. Schrijft Williams vanuit het idee of vanuit haar personages? Ik weet het niet zeker, al sluit ik duidelijk ergens op aan. Met regelmaat blader ik terug, misschien zoek ik wat Dorrestein al blijkt te hebben gevonden. In een interview zegt ze: ‘Alle geloof is hoop, hoor.’ Hoe heetten die twee prachtige romans van haar ook alweer? O ja: Zolang er hoop is en is er leven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Oogst week 37

    Mammie

    De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer (Kaapstad 1981) is in 2008 tot haar verrassing ontdekt door Antjie Krog en Alfred Schaffer. Een vriend had haar gedichten zonder dat zij het wist aan Krog gestuurd. Het vertrouwen dat zij van beide dichters kreeg resulteerde in o.a. Nu de slapende honden waar zij de Eugène Marais-prijs voor ontving, en Santenkraam.

    In de tweetalige bundel Mammie dicht ze over haar overleden moeder. ‘Zij was mijn moeder/ en zij heeft me geleerd/ hoe niet van mezelf te houden.’

    In heldere, krachtige taal snijdt ze haar rauwe jeugd aan, die de toon zette voor de rest van haar leven. Maar bovenal ontgint ze datgene wat zo vaak ongezegd blijft tussen ouders en kinderen. Dat resulteert in pijnlijk openhartige versregels vol liefde, woede, hoop en teleurstelling, waarmee Kamfer laat zien tot de beste Zuid-Afrikaanse dichters te behoren.

     

    Mammie
    Auteur: Ronelda Kamfer
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium

    Parttime astronaut

    Renée van Marissing (1979) is schrijver van romans, theater- en hoorspelteksten, regisseur en performer.
    Haar roman Strak blauw uit 2012 werd genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuurprijs. Een fragment uit dat boek nam Wim Brands op in De Nederlandse literatuur, de nieuwe schrijvers van het nieuwe millennium.

    In Parttime astronaut ontleedt Van Marissing -die geprezen wordt om haar ijzersterke dialogen – haarfijn hoe een echtpaar geruisloos uit elkaar groeit.
    Tussen beide echtelieden hangt een voelbare maar onuitgesproken spanning. Hun pogingen nader tot elkaar te komen stranden door onwil of onvermogen.

    Parttime astronaut is volgens de uitgever ‘een subtiel Hollands gezinsdrama compleet met Eftelinguitstapje’.

    Parttime astronaut
    Auteur: Renée van Marissing
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Kraaien tellen

    Kraaien tellen is de tweede roman van Lucas de Waard die in 2015 debuteerde met De kamers.

    Kraaien tellen gaat over Tobias, een veegwagenbestuurder die het liefst met rust gelaten wil worden. Maar als zijn zus en geestverwant een einde aan haar leven maakt, begint zijn omgeving steeds meer van hem te verlangen. Terwijl Tobias probeert zijn wereld schoon te houden, stapelt het vuil zich langzaam op.

    Op zijn eigen website stelt Lucas de Waard zichzelf voor: hij ‘houdt van aanzwellende violen, van kleinmenselijke lulligheid, van sterfscènes en van superhelden. Zijn werk kenmerkt zich door een toegankelijke schrijfstijl, zwarte humor en her en der een stevig potje effectbejag. Want Lucas schuwt de grote thema’s niet, al schrijft hij ook met liefde over lelijke hondjes, doktersassistentes en de Blokker.’

     

    Kraaien tellen
    Auteur: Lucas de Waard
    Uitgeverij: De Geus

    Reddende engel

    Met haar laatste roman, Reddende engel keert Renate Dorrestein terug naar een voor haar bekend genre, de gotieke roman. Kenmerken daarvan zijn o.a. mystiek, horror en romantiek. Het genre is ontstaan in Engeland in de 18e eeuw. Vooral vrouwen schreven gotic novels, vandaar dat ook wel gesproken wordt over vrouwelijke gotiek. In 2011 waren de gotieke elementen in het werk van Dorrestein zelfs onderwerp van een promotieonderzoek (Griezelig gewoon door. A. Andeweg).

    In Reddende engel komt een jonge vrouw door een noodlottig ongeval op een boerderij om het leven. Twee jaar later arriveert een andere vrouw, de verteller van dit verhaal, op de plek des onheils. Terwijl zij onbedoeld allerhande geheimen ontrafelt, wordt haar eigen leven er niet zekerder op.

    De uitgeverij noemt Reddende engel ‘een spannende psychologische roman over naastenliefde, eigenbelang en het verlangen ergens bij te horen.’

    Reddende engel
    Auteur: Renate Dorrestein
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium
  • Koudwatervrees

    Koudwatervrees

    Wat ik heb geleerd sinds ik bijhoud wat ik lees (titel en datum van uitlezen noteer ik in een krakkemikkig schriftje) is dat mijn leeslijst zich in beperkte mate laat afdwingen. Boeken die ik uit de bieb heb gehaald, die ik heb gereserveerd of waarvoor ik speciaal naar andere filialen ben gefietst, blijven treurig onaangeroerd op mijn bureau liggen. Romans die ik cadeaus kreeg, sommige al enkele verjaardagen terug, verliezen ongelezen hun nieuwigheid.
    Van tijd tot tijd test ik het water. Ik open Mijn heldere afgrond van Christian Wiman, ervan overtuigd dat het nu gaat lukken. Nu ga ik het lezen. Te koud – al bij het eerste contact begin ik te rillen. En ik weet zeker dat ik dit boek wil lezen, dat het me zal helpen. Maar natuurlijk, zodra je verwacht dat een boek je gaat helpen, doet het allesbehalve dat. Ik bedoel maar dat verwachtingen onuitgepakte teleurstellingen zijn (krom hier gerust uw tenen, doe ik ook).

    Ondertussen worstel ik al weken met de nieuwste Don Delillo, ook een verjaardagscadeau dat nog even op zich liet wachten: twaalf boeken las ik sinds ik de roman eind augustus kreeg.
    Er valt veel te genieten in Nulpunt. Een man die met zijn liefde mee de dood in wil, besluit daar toch vanaf te zien, worstelt, komt erop terug. Zijn zoon kijkt toe, zit met eigen vragen en gedachten. Wat komt er na de dood? Wie ben je na de dood? Middenin de roman, flarden uit een hiernamaals in een monoloog die nog duisterder is dan die van Addie Bundren in Faulkners As I lay dying.
    Toch zijn er steeds momenten waarop ik afhaak. Dat begint met een oorwurm op de achterflap: ‘…zijn zoon, die met volle teugen van het leven geniet.’ Als er iets is wat de zoon naar mijn idee niet doet, is dat het wel. Hij is eerder afwachtend, kijkt en denkt vooral, het duurt lang voor hij ergens toe komt. Is dat genieten? Is dat leven? Hoogstens in passieve vorm.
    Ook de dialogen zorgen voor gedachten die ik tijdens het lezen liever niet heb. ‘Romanpersonages leuteren niet,’ zei Renate Dorrestein eens. Maar wat de personages in Nulpunt doen, is wel het andere uiterste. Hoe vader en zoon elkaar in gesprek aanvullen, ontwijken, bijna afsnoeven in taal, hoe de mensen van de Convergentie zoveel zeggen dat het bijna niets meer is, dat ze alleen nog maar taal oreren, is dat de manier van converseren die Kees Fens bedoelde in zijn essay ‘Over de kunst van het gesprek?’ Misschien is het een kunst waarvan ik de schoonheid niet begrijp. Misschien lees ik de roman op het verkeerde moment.

    Wat lees ik na Delillo? Mijn heldere afgrond ligt nog altijd te wachten op mijn bureau. Af en toe pak ik het op, raak ik het aan, open ik het. Ik test het water. De temperatuur is vanzelf goed. Tot die tijd is het boek onderdeel van een stapel die me soms beangstigt, maar meestal verheugt. En verheugen is, godzijdank, iets anders dan verwachten.

     

    Foto: Sterre Meurs