• Nooit meer schrijven

    Nooit meer schrijven

    Als lezer kan ik me gek genoeg gekwetst voelen als een schrijver zegt: ‘ik stop ermee, ik schrijf niet meer’. Het is toch een beetje alsof je geliefde zegt ‘ik heb geen zin meer in je’. Auw, dat doet pijn. Waarna teleurstelling en ongeloof toeslaan. Zonder enige waarschuwing (zoals bij elke liefdesrelatie heb je de tekenen aan de wand niet gezien) ben je opeens in de steek gelaten. Dat gebeurde me met Remco Campert toen hij de respectabele leeftijd van achtentachtig had bereikt. Mijn relatie met hem werd gevoed door de wekelijkse Sombermans en columns die hij maar bleef schrijven. Verwend als ik was, slurpte ik kritiekloos zijn stukjes op. Het was aannemelijk dat Campert zou stoppen. Hij bereidde me er ook min of meer op voor. Zijn stukjes bevatten steeds minder tekst, maar zoals dat gaat met een aflopende relatie, wil je er niet aan.

    Toen ik vorige week van huis was, stuurde jongste Zoon me het bericht dat Philip Roth was overleden. Ik voelde een schok. Het onvermijdelijke van ‘nooit meer’, dat nu echt ‘nooit meer schrijven’ zou zijn. Toch moet ik bekennen dat de schok minder groot was dan toen hij in 2012 liet weten te stoppen met schrijven. Ik dacht dat schrijven voor hem een vorm van leven was waar je niet zomaar uitstapt. (Ha, naïeveling!) Drukinkt als zuurstof voor de aderen, verhalen scheppen als balsem voor de ziel. (Ha, romanticus!)  Ik wilde dat hij trouw bleef schrijven zoals je trouw bent aan een geliefde tot de dood erop volgt. Zes jaar lang leidde hij een no-writers live. Ik vroeg me af of hij er tijdens zijn schrijversleven vaak naar verlangd had om niet meer te schrijven.

    Later zocht ik naar zijn titels in mijn kast en begon te tellen: alsof het aantal enig gewicht aan betrokkenheid in de schaal zou leggen. Tweeëntwintig in getal waaronder zijn eerste, Vaarwel, Columbus en zijn laatste, Nemesis. Daartussen stonden de Amerika – en Kepesh trilogie, Patrimonium, Zuckerman gebonden. Ook een uitgave in de serie ‘LiterairMoment’ (1990, Meulenhoff), met voor- en achterzijde een cover. Hoe je het boek ook draait je hebt altijd een voorkant en waarin Portnoy’s klacht en Informatie over Philip Roth.
    Informatie uit interviews over zijn boeken die vooral vanuit de joodse gemeenschap ongemeen negatief ontvangen werden. Ik las over de energie die het hem kostte telkens weer een boek te beginnen. De juiste toon te vinden. Om de stem die zich ergens in de onderbuik meldt, te transfigureren naar een personage. Hoe een helse onderneming dat steeds weer is. Daar gaan maanden mee gemoeid en dan moet het verhaal nog beginnen. Roth ondertitelt dit zelf met: ‘Moet ik er aan toevoegen dat het nauwelijks een belangeloze onderneming is? Schrijven is voor mij niet iets natuurlijks dat ik maar gewoon blijf doen, zoals vissen zwemmen en vogels vliegen.’

    Ik geloof graag dat Roth in die zes jaar van ex-schrijver niet verlangd heeft naar zijn schrijversleven, hij was een man die gedaan heeft wat hij moest doen. Ook geloof ik graag dat het voor hem bevrijdende jaren zijn geweest.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Steeds meer wit

    Steeds meer wit

    Het ongelofelijke wordt niet zelden werkelijkheid. Zo zou Remco Campert nooit stoppen met schrijven. Het zou allemaal wat kaler en minder worden maar hij zou blijven schrijven want zonder schrijven kan hij niet leven. Campert maakte allang geen wandelingetjes meer door de buurt om wat hij daar tegenkwam (de wind die waaide, de regen die drupt, een man die op zijn smartphone kijkt) in zijn columns te verwerken. Het was er langzaamaan uit verdwenen, een soort to fade away van levensklanken. Zoals op het einde van een langspeelplaat de laatste tonen steeds zachter worden om dan geheel te verdwijnen. Zo zou Campert minder schrijven, zichzelf uitgummend, maar hij zou blijven schrijven.

    Maar nu, na zijn laatste bundel wordt de pen neergelegd. Open ogen voelde al een beetje als een afscheid, dit is wat er nog kwam. De gedichten zijn op een enkele na, ontdaan van zijn gewoonlijke observaties en innerlijke beroeringen. Het is het nieuws en de krantenberichten die hem tot dichten hebben aangezet. Ze tonen een afwezige dichter, die stilvalt bij wat hij ziet. Wel een bijzonder afscheid, de dichter die met zijn laatste strootjes een gedicht doet ontvlammen, soms enkel een aanwakkeren van kwesties waar de dichter niets aan kan veranderen.

    Ik was ziek deze week toen het nieuws me bereikte. Koortsig kroop ik onder de dekens. Later bevond ik me in een kamer zonder muren. Het was de kamer van een dichter die de muren geslecht had om zijn poëzie de ruimte te geven. Er stond een tafel bedekt met een kleed waarop een enorme hoeveelheid boeken en manuscripten. Daartussen zag ik de dichter. Achter een typemachine. Hij was gekleed in een kamerjas met goudglans, zijn haren zorgvuldig over zijn schedel gedrapeerd. Ik wilde hem vragen of schrijven zijn levenselixer was en of het dan wel verantwoord is ermee te stoppen. Maar ik durfde niet. Zelfs in dromen kan domme bescheidenheid mij parten spelen. Wel dorst ik zwijgend een bundel papieren, wat een manuscript leek, van een hoek van de tafel te pakken. Er stond geen woord in. Toen keek Campert  op en zei: ‘Tsja, wat zal ik zeggen. Ik zal er toch een keer mee moeten ophouden.’

    Wilfried de Jong meende in Met het oog op morgen dat Campert zichzelf had weggeschreven uit zijn stukjes; er kwamen meer citaten in voor dan regels van hemzelf. Jan Mulder, die ooit met Campert de wisselcolumn CAMU schreef voor de Volkskrant, vond dat fantastisch ‘dat hij [Campert] voor zijn boekenkast stond en er iets voor mij uit zocht’.
    Ondertussen vroeg ik mij af hoe dat nu verder moet met de dichter die niet kan leven zonder schrijven. Onverwacht vind ik troost in een van zijn columns waarin hij schrijft hoe hij na een optreden in een troosteloos zaaltje thuiskomt: ‘Daar hoef ik niets te doen, (..). Toch maak ik me zorgen, want dat niets doen lukt me soms verdacht goed.’ En ik kan me opeens voorstellen dat hij in al zijn nietsdoen af en toe eens wat schrijft, gewoon omdat het kan.

     

    Citaat uit: Te vroeg in het seizoen, Autobiografische schetsen. De Bezige Bij (2014).
    https://www.nporadio1.nl/gemist/2018-03-06Campertstopt met schrijven


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken als steunpilaren en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Zoon springt uit de schaduw van de vader

    Zoon springt uit de schaduw van de vader

    De bundel Campert & Campert is geschreven door twee auteurs. Werk van Jan Campert (1902-1943) vult de eerste en tweede afdeling, werk van zijn zoon Remco (1929) de derde. Ondanks het forse aandeel van de vader is deze meer afwezig dan aanwezig. Hij verheft zijn stem uit een voorbije tijd en treedt voor het voetlicht als een literator, een mysterieuze en ongrijpbare. Alleen in de tweede afdeling met ‘Het lied der achttien doden’ (het meest onsterfelijke Nederlandse verzetsgedicht) wordt Jan Campert in een recent onthullend essay van Elias van der Plicht bekend gemaakt. Als een verzetsman die eigenlijk geen verzetsman was.
    Misschien is bij de samenstelling van de bundel voor het isolement van de man – die nog andere pijlen op zijn literaire boog had – bewust gekozen. In zo’n bestek accentueert de ‘vreemde’ letterkundige in de eerste afdeling Remco’s afstand tot zijn vader.

    Afwezige vader
    In zijn eigen afdeling noteert de zoon over de acacia bij zijn huis: ‘Iets viel op door zijn afwezigheid. De acacia die gisteren nog in grillige schoonheid voor mijn huis zijn takken spreidde was in de loop van de nacht omgezaagd.’ Bij deze passage sluit een uitspraak aan over de vader in een prozastuk verderop: ‘de Tweede Wereldoorlog. Uit die tijd heb ik een foto van hem [mijn vader] waar ik elke dag even naar kijk. […] Zijn blik is weemoedig. Een man en een dichter.’

    In het voorwoord stipt Remco de hechte en tegelijk losse band met zijn vader aan: ‘Toen ik drie was scheidde hij van mijn moeder. (…) De laatste keer (dat ik hem zag) was in de oorlog (…). Hij rook lichtjes naar parfum en tabak toen hij mij kuste. Een paar maanden later kwam hij om in het concentratiekamp Neuengamme.’

    Onderkoeling en ingehouden emotie zijn wel de kenmerkendste eigenschappen van het proza en de twee gedichten van Remco Campert in de duo-uitgave. Ze contrasteren met het werk van zijn vader, zowel met ‘Het lied der achttien doden’ als met één verhaal, poëzie (waaronder één vertaling) en literaire kritieken. Precisie kan Jan Campert niet ontzegd worden maar er zit met uitzondering van de recensies een surplus in zijn schrijverij dat niet van onze tijd is. Vooral de poëzie lijdt aan een teveel. In de jaren dertig beschouwden men goede poëzie nog als (overmatige) gevoelsuitstorting ondanks het ‘ventisme’ van Du Perron en de zijnen. ‘O lieflijkheid van licht en land, / van Holland’s vrijste kust’, schrijft Jan Campert. Zoon Remco moet zo’n zinsnede uit het hart gegrepen zijn. Inhoudelijk dan, niet qua formulering.

    Samenkomen in vergankelijkheid
    Het leven is verbonden met de dood. Spoedig zal het afgelopen zijn. Daarover gaat ‘Het lied der achttien doden’. Het getuigt van gehechtheid aan een voortdurend bedreigd maar geliefd bestaan. Ook in het leven van de eens jonge en nu hoogbejaarde vitale Campert ligt ondergang op de loer. Die dreiging is de meest in het oog springende verbinding tussen de Camperts. Beiden houden hartstochtelijk van het leven en kunnen er geen afscheid van nemen.
    De teksten van de vader worden in de eerste afdeling geëtaleerd zonder ze in een kader te plaatsen en in de tweede juist weer al te uitvoerig. Te expliciet zelfs door foto’s van de achttien doden plus beschrijving van hun persoon.

    Het essay van Van der Plicht over Jan Campert als dichter van het beroemde verzetslied is een verrijking. Een dergelijke beschouwing in de eerste afdeling ontbreekt en zou de ‘gedateerde’ Campert hebben kunnen situeren als dichter, prozaïst en criticus in zijn voor vele lezers-van-nu mistige vooroorlogse jaren.

    Uit de schaduw van de vader
    De contouren van de zoon als dichter en schrijver zijn ragscherp getekend. Bij herhaling gaat hij in op zijn auteurschap en op het daarmee verbonden bestaan vol intieme herinneringen. Meesterlijk formuleert hij in het prozastukje ‘Dagelijksheden’ dat herinneringen sterker zijn ‘dan het vergeten. Ze dringen zich nu dagelijks aan me op. Ik sta voor ze open. Ze zijn voedsel voor mijn schrijven’. En een ander stukje eindigt met de zin: ‘Wat zal ik me van vandaag herinneren?’
    Deze citaten kenschetsen Remco Campert, één van de misschien wel weinige Nederlandse dichters en schrijvers met een dadelijk herkenbaar geluid. Een dichterlijk prozaïst en proza-achtig dichter om niet genoeg van te krijgen.

    ‘Herinneringen kun je bedenken’, schrijft hij. Ze reiken tot in de levensperiode waar geen heugenis van is, zoals van de belevenissen van de eenjarige in de box. Evenzo is de werkelijkheid van de schrijvende volwassene plooibaar. Lees het verhaal ‘Een olifant in de achterkamer’ dat de derde afdeling van Campert & Campert opent. Of de stukjes die gegroepeerd zijn als ‘Triomfen der techniek’ en de verzameling ‘Fabeltjes vertellen’. Teksten die er bij oud en jong ingaan als koek en bedrieglijk eenvoudig zijn.

    Humor en tragiek gaan hand in hand en steeds viert levensvreugde hoogtij. In Campert & Campert springt de zoon uit de schaduw van zijn vader en toch blijft hij erin gevangen. Door hem is hij een volwassen kind geworden dat onbevangen kijken kan. Registreren wat oneindig eenmalig en uniek is.

     

     

  • Oogst week 12

    De vorm van ruïnes

    Er was de schrijver al eerder gevraagd waarom hij niet over zijn land Colombia schreef. Een land dat door zijn vele conflicten rijk aan verhalen is en Juan Gabriel Vásquez (1973) bleek een goed verhalenverteller te zijn. Vásquez’ antwoord was dat hij Colombia juist had verlaten vanwege het geweld en om schrijver te worden. Hij publiceerde verschillende romans, korte verhalen en essays en werd bekend van zijn roman Het geluid van vallende dingen (“El ruido de las cosas al caer”). Nadat hij verschillende jaren in Europa woonde (Parijs, Belgische Ardennen, Barcelona) keerde hij in 2012 terug naar Colombia. De vorm van ruïnes gaat over deze terugkeer en wat hij daar aantreft. Hij wordt geconfronteerd met allerlei samenzweringstheorieën rond de moord op Jorge Eliécer Gaitán in 1948, die het startschot was voor jaren van onrust en geweld en waarvan het motief altijd een vraagteken gebleven is. Vásquez verdiept zich in dit keerpunt in de Colombiaanse geschiedenis. Want die moord begrijpen is niet alleen Colombia vandaag begrijpen, maar ook zijn eigen lot en dat van zijn kinderen. Een getuigenis van een schrijver die zijn land probeert te begrijpen. De vorm van de ruïnes opent met deze zin:
    De laatste keer dat ik Carlos Carballo zag, was toen hij met zijn handen op zijn rug geboeid en zijn hoofd diep tussen zijn schouders getrokken een politiebusje in kroop, terwijl onder in beeld de reden van zijn aanhouding verscheen: poging tot diefstal van het kamgaren pak van een vermoorde politicus.”

     

     

    De vorm van ruïnes
    Auteur: Juan Gabriel Vásquez
    Uitgeverij: Bruna Uitgevers, A.W.

    De eerste keer dat ik mijn hoed verloor

    Colette (pseudoniem voor Sidonie Gabrielle Colette, 1873-1954) publiceerde zo’n dertig romans en verhalenbundels. Daarnaast schreef ze ook een imposante hoeveelheid journalistieke essays en recensies maar hield zich, anders dan haar collega’s Simone de Beauvoir, Marguerite Duras en Marguerite Yourcenar, verre van politiek. Door de volstrekt originele benadering van haar onderwerpen en haar beeldende, zinnelijke stijl is het werk van Colette tijdloos. Haar literaire status is in Frankrijk onbetwist, ze kreeg als eerste vrouw in Frankrijk een staatsbegrafenis. Kiki Coumans is jaren bezig geweest om dit zelfportret samen te stellen. Colette leidde een roerig (liefdes)leven, maar schreef ook mooi over haar wilde broers, haar mysterieuze zus en haar eigenzinnige moeder.
    De teksten in dit deel van Privé-domein gaan over haar jeugd in een non-conformistisch gezin in een Frans plattelandsdorpje, haar liefdesleven, de Grote Oorlog, de relatie met haar moeder en de vele plekken die van betekenis zijn geweest in haar leven, met name de Provence en Parijs. Tezamen vormt het een rijk zelfportret. Een aanzienlijk deel van deze gebundelde teksten is nooit eerder in boekvorm verschenen. Dat is waar we benieuwd naar zijn, ongekende teksten van een bijzonder schrijfster. Waarbij je je kunt afvragen waarom het zo lang heeft geduurd eer er een Privé-Domein deel van Colette verscheen.

     

    De eerste keer dat ik mijn hoed verloor
    Auteur: Colette
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen

    Campert & Campert

    De vader van Remco Campert, Jan Campert (1902-1943) schreef van 1923 tot 1938 gedichten, recensies en verhalen voor Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. Remco Campert (1929) schreef vanaf 1951 voor het weekblad Elsevier. Deze bijdragen van vader en zoon Campert, beiden dichter en schrijver, beiden betrokken bij de wereld zijn bijeengebracht in  Vader en zoon, zijn gebundeld door De Bezige Bij. Een bundel compleet met het verhaal van Elsevier-medewerker Elias van der Plicht over het ontstaan van het gedicht ‘De Achttien Dooden’. Ook het gedicht zelf, dat begint met de beroemde woorden ‘Een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed’, is in de bundel afgedrukt. Evenals de portretten van de achttien vermoorde verzetsstrijders en stakers.

    Het Lied der Achttien Dooden van Jan Campert groeide kort na zijn dood uit tot symbool van het verzet. De gedragen stijl van de vader contrasteert soms opvallend met de lichtvoetigheid van de zoon, al resoneren hun teksten vanwege de literaire precisie duidelijk met elkaar. Een bloemlezing van een eeuw schrijverschap van twee generaties Campert.

    Campert & Campert
    Auteur: Remco Campert
    Uitgeverij: Bezige Bij, De
  • Emigreren of blijven

    Emigreren of blijven

    Beiden waren naast wetenschapper literair auteur. Beiden waren Jood en publiceerden tot op hoge leeftijd. Beiden waren getekend door de oorlog en emigreerden naar een land waarvan ze het staatsburgerschap aannamen. Beiden schreven zowel in hun moedertaal als in die van hun nieuwe land. Er is ook een belangrijk verschil. De één emigreerde vrijwillig. De ander vluchtte. Voor mij zijn ze verbonden door vier woorden die dat verschil verwoorden.

    Leo Vroman (1915-2014) aanvaardde kort na de oorlog een baan als hematoloog in de VS. Hans Keilson (1919-2011) ontvluchtte in 1936 de opkomst van Hitler en vestigde zich in Nederland als psychiater. In Indian Summer dichtte Vroman over Nederland: ‘Men schrikt er van iedere lach / nabijheid verwarrend met haat. / Neen, zelfs tastend om heide en strand, / – en al sluit ik krampachtig de oren / om nog Hollandse stormen te horen – heb ik toch liever heimwee dan Holland’.

    Keilson publiceerde in 1987 in De Gids een essay over zijn eerste vijftig jaar in Nederland. De ondertitel ervan werd ook de titel van een bundeling van zijn gedachten en herinneringen die Van Gennep in 2012 uitgaf: Liever Holland dan heimwee.
    Natuurlijk dacht hij daarbij aan de uitspraak van Vroman. Hij was de eerste trouwens niet die diens dichtregels omdraaide. In 1961 verscheen Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert. Daarin zegt Boelie op de vraag waarom hij uit Argentinië terug kwam: ‘Ik verlangde naar Holland. Liever Holland dan heimwee.’ En op 3 december 1973 schreef Frans Kellendonk uit Birmingham aan Jacques Dohmen een brief die hij afsloot met: ‘Mijn gedachten gaan uit naar U, mede-Bataven. Liever Holland dan heimwee. Hoezee!’ Maar dit zijn, met alle respect voor Campert en Kellendonk, luchtige woordspelingen die geen stempel op de Nederlandse Letteren drukken.

    Het was dan ook wat riskant van Keilson om in 1987 de wending nog eens te gebruiken. Toch schuurt hij bij hem wel. De grap van Campert en Kellendonk is totaal afwezig. Achter het gebruik door Keilson, die ook humoristisch kon zijn trouwens, zit teveel leed en deernis met het land dat hij verliet om alleen een frivool woordgrapje te lezen in zijn omkering van Vromans tekst. Hij was in staat anders te kijken naar Nederland, dat hij dankbaar was, omdat het oude land nog in zijn vezels zat. Daardoor kon hij in het stuk in De Gids de mooie zin schrijven: ‘Door de afstand kijkt men misschien met ‘vreemde’ ogen, maar door de vervreemding ziet men scherper.’
    Wat zou Keilson in de huidige jaren nog een scherp commentaar kunnen leveren op onze reacties op de komst van vluchtelingen? En, zo realiseer ik me bij herlezing van Vromans Indian Summer ineens: wat zag híj daar in de VS het Holland van nu al scherp in de regel ‘nabijheid verwarrend met haat’.

     

     

  • Onthullingen

    Onthullingen

    Laatst vertelde een bekend schrijver op de radio dat zijn nieuwste boek ontstaan was uit verveling tijdens de zomervakantie. Hij had al zijn boeken uit, e-reader kapot. Toen herinnerde hij zich een anekdote over een filmactrice. Hij wilde eens kijken of hij daar geen verhaaltje van kon maken. En dat kon hij. De schrijver die altijd met uitgebreide schema’s werkte had binnen ‘No time’ 90 bladzijden geschreven. En het was goed ook, vond zijn vrouw. Het boek in kwestie lag in al zijn nieuwigheid op me te wachten, in zijn aantrekkelijke oranje cover waarop een vitale naakte vrouw in het luchtledige zweefde. Al luisterend naar hoe het in zijn werk was gegaan met dit boek, werd ik een soort ontluistering van de dingen gewaar. Een boek bevat geheimen waarvan zelfs de schrijver niet altijd weet hoe ze erin zijn gekomen.

    Of dat niet genoeg was, werd vorige week de identiteit onthuld achter schrijver Elena Ferrante. Twintig jaar geheimhouding naar de knoppen. Ik heb de boeken gelezen en houd van de visie die ze haar personages heeft meegegeven. Of de schrijver het allemaal zelf beleefd of verzonnen heeft, het maakte me niet uit. Nu is dat opeens een ding geworden: mag een schrijver zich een cultuur toe-eigenen waar ze zelf geen deel van uitmaakt? Dat Ferrante een pseudoniem was, maakte de mythe compleet. Als lezer hoefde je nergens rekening mee te houden, er was alleen het verhaal dat voor je lag. Alleen voor jou.

    Net als Frida Vogels, van De harde kern en later haar Dagboeken, die zich ook nooit inliet met de media. Toen Vogels in 1994 de Libris Literatuurprijs kreeg, kwam ze die niet zelf in ontvangst nemen. Als Ferrante de Nobelprijs voor de literatuur had gewonnen, zou ze die ook niet zelf in ontvangst hebben genomen. Daar ben ik van overtuigd. Ze leefde, net als Vogels in de beschutting van haar werk. En dat werd hogelijk gewaardeerd want het siert de schrijver die zich niet op zijn kunsten laat voorstaan. En wat het mooie is, een schrijver die niet bekend is in de media is helemaal voor jou alleen, je hoeft haar met niemand te delen. Nou ja, zo voelde dat dan.

    Nu vroeg iemand me laatst of ik het was die wekelijks deze stukjes schrijft. Ze keek me daarbij, met grote, licht bollende ogen, verwachtingsvol aan. Het intimideerde me nogal. Alleen al omdat zij dacht dat ik het zou  kunnen zijn: een stukjesschrijver. Ik heb wel iets beters te doen, dacht ik. Maar zei niets omdat ik het ergens wel grappig vond. Maar ook ergerde het me dat ze niet kon bedenken dat ik echt wel wat anders te doen heb dan stukjes, die columns genoemd worden, te schrijven. Al was ik het wel  zou ik het niet zeggen.

    Waar ik nu vurig op hoop, is dat nooit, maar dan ook nooit iemand het in zijn hoofd zal halen te onderzoeken wie het meisje is, dat Campert eens ‘op een tramhalte zag’.

     

     

  • Jonge Somberman van oude Campert

    Jonge Somberman van oude Campert

    Er zijn mensen die de Volkskrant lazen vanwege de columns van Remco Campert. Columns over Somberman. Ze verschenen tussen juni 2014 en maart 2016. Maar ook niet-lezers van deze krant kenden Somberman al uit Wie doet de koningin (1984) en het Boekenweekgeschenk Somberman’s actie (1985).

    Taalkunstenaar
    We herinneren ons de licht-melancholieke toon van de taalkunstenaar Campert, die het niet over bittere maar verbitterde thee heeft, als had thee menselijke trekken. En woorden bezigt die niet in een woordenboek zijn terug te vinden, zoals een ‘dorste zeurpiet.’ En zó beeldend schrijft, dat je voor je ziet hoe woonboten in een vaart zich aaneen rijgen.
    De columns uit de Volkskrant lijken in een eerder tijdsgewricht te spelen dan Somberman’s actie. Het gaat Somberman daarin nog goed, want hij kan in 1985 nog restaurantbezoeken betalen, die later worden ingeruild voor cafés. Hij is ongetrouwd en werkt bij een warenhuis, terwijl hij in het Boekenweekgeschenk inmiddels getrouwd en werkloos is.

    Tegengestelden
    Wat met deze verschillen qua inkomen en tijd in tegenspraak lijkt, is de veranderde stijl van Somberman op drift. De stijl is moderner geworden, maar dat is in tegenstelling tot het feit dat de gebeurtenissen in een vroeger tijdsgewricht spelen. De zinnen zijn korter, soms op een staccato-toon af: ‘God niet bedankt, want, Prijs de Heer, niet gelovig.’ En de humor is absurdistischer. Somberman zet bijvoorbeeld om een vakantiegevoel op te roepen een tent op in zijn achtertuin. ‘Hij maakt het op zijn manier gezellig in de tent: een foto van een verkeersongeluk, en die van de grafsteen van zijn ouders.’
    Soms is de humor ronduit flauw: ‘Wel probeert hij nog het buskruit uit te vinden, maar ook dat mislukt’ of: ‘”Je bent geen groot prater”, zegt een kennis tegen Somberman. “Je zou een perfecte vertegenwoordiger van de zwijgende meerderheid zijn.”’ Al kun je hier met een beetje goede wil ook de inmiddels nadrukkelijker aanwezige actualiteit in de columns in lezen.

    Oudere schrijver
    De teksten zijn met het klimmen der jaren van de auteur ook meer filosofisch van aard geworden: ‘Lafheid is een van zijn goede eigenschappen. Je kunt er lang mee leven.’ Maar dat laatste wil Somberman eigenlijk niet.
    De filosofische insteek is groter geworden, maar daar staat tegenover dat je je als lezer niet aan de indruk kunt onttrekken, dat er relatief veel herhalingen van zetten in zitten, zoals mantra’s in de trant van: ‘Tot zijn schrik. Anders zou hij Somberman niet zijn’ of: ‘Iets te vredig misschien. Dat moet nu ook weer niet.’

    Glimlach versus grimlach
    Niet dat de lezer af en toe geen glimlach om de lippen zal krijgen. Zo koopt Somberman een lot in de loterij, omdat hij zich de zegswijze ‘Geld maakt niet gelukkig’ herinnert. In dit soort taalspellen die wat meer zijn dan taalgrapjes toont de taalkunstenaar Campert zich op z’n best. Soms slaat de lol door. Bijvoorbeeld wanneer Somberman na allerlei klein leed zijn heup breekt. ‘Zonder moeite weerstaat hij de verleiding een ambulance te bellen. Tevreden ligt hij op de grond. Zijn dag is gemaakt.’ En je hoeft niets met Pim Fortuyn op te hebben, om Somberman’s idee op het Mediapark de netmanager om het leven te willen brengen eigenlijk een beetje ongepast te vinden.

    Het is goed dat dit soort uitgaven bestaan, waarin ons een totaalbeeld wordt gegund van columns uit een afgeronde periode. Ook nog eens in een prachtige uitgave gebundeld, met tekeningen van Stefan Verwey. Om op z’n tijd ééntje te lezen en dan weer weg te leggen. En kleine uitglijders te bedekken met de mantel der liefde in de wetenschap dat ook Somberman op drift behoort tot het oeuvre van een groot schrijver die duidelijk plezier heeft beleefd aan het op hoge leeftijd schrijven van deze nu gebundelde columns.

     

     

     

  • Verzamellust

    Verzamellust

    Ik was in de kantine van de Universiteit voor Humanistiek verzeild geraakt. Het was in de week dat Remco Campert de Prijs der Nederlandse Letteren kreeg toegekend en ik besloten had dat als ik van één schrijver al zijn werk zou willen hebben, hij het is.
    In de kantine zaten drie studenten. Eén van hen was winnaar van de Poetry Slam van dit jaar. Op de tafel stond (of lag) een laptop, nergens een boek. ‘… tijd in ledigheid doorbrengen’, flitste er even door me heen. Maar ik wist wel beter. Ik werd aan de winnaar voorgesteld en zei, terwijl we handen schudden: ‘Ik ken je. Jij hebt de Poetry Slam gewonnen!’  Hij lachte en knikte met zijn hoofd en zei:’Ja, ja, ja, terwijl hij bleef knikken en lachen. Hij kende mij niet, vanzelfsprekend niet. Want zo gaat dat, treed je op dan zijn alle ogen op jou gericht, maar jij ziet niemand. Hij zag er eerlijk gezegd niet echt uit als iemand waarvan je verwachten kon dat hij zijn mannetje zou staan tijdens een poetry slam battle. Toch heeft hij gewonnen. Zijn gezicht verschoot van kleur en hij zakte nog wat meer onderuit op zijn stoel. Daar werd ik weer verlegen van. Verlegenheid werkt aanstekelijk, net als gapen.

    Ik lachte en knikte naar bekenden van degene die me hier had gebracht. We kwamen voor de ruilkast. In die kast, gemaakt van oude houten kistjes, bieden studenten hun overbodige boeken aan. Die kunnen dan geruild worden voor een ander boek. Zo blijft de kast gevuld en wordt kennis en literatuur kosteloos verspreid. Er stonden niet veel boeken, de kast was ook niet zo groot. Het was even zoeken maar daar, tussen een boekenweekgeschenk geschreven door Joost Zwagerman, en De pest van Albert Camus, lichtte iets op. De bundel Alle bundels gedichten van Campert stond daar. Ik kreeg het warm. Dit was de eenmalige editie die ter ere van de aan hem toegekende P.C. Hooftprijs in 1976 werd uitgegeven. Bij antiquariaat Kok in Amsterdam kost een gesigneerd exemplaar 20 euro. Het exemplaar dat hier als ruilobject stond was ongesigneerd. Ik genoot de onzuivere privileges als moeder van een student en mocht het zonder inruil meenemen. maar omdat ik hier de oudste was wilde ik iets terug doen. Ik dacht snel na. Het werk van Edward St. Aubin is aboluut noodzakelijke kost voor elke student (iedereen zou moeten kennismaken met Patrick Melrose, al was het maar om te ervaren wat literatuur vermag), maar Moedermelk van St. Aubin liet ik in mijn tas.

    Daar stond ik met deze eenmalige editie van Campert in mijn handen en twijfelde. Voor de slamwinnaar moest dit een onmisbaar exemplaar zijn. Waarschijnlijker was dat hij niet besefte hoe onmisbaar het werk van Campert is voor de poëzie. Ik overwoog het hem aan te bieden. Als cadeautje, omdat hij de winnaar was. Maar daar waren we te verlegen voor. Hij en ik.  

     

  • De Nacht was weergaloos

    Het hing gewoon in de lucht en  samen met de ruim tweeduizend bezoekers, die overigens niet allen om poëtische redenen de 32e Nacht van de Poëzie bezochten maar er wel door werden gestrikt, zouden wij beleven hoe de 32e Nacht van de Poëzie een fantastisch succes werd.

    Er was een groot aantal bezoekers, (gezien de leegte van de zaal na zijn optreden) die voor Rufus Wainwright waren gekomen. “Is er geen programma?”, zoemde vele malen rond. Wij wisten wel beter, Bij de Nacht van de Poëzie is het: Wie A zegt moet ook B zeggen, en lieten ons opnemen in de geluiden van ritselende papieren, geklap van zaaldeuren, vrolijke kreten, klinkende glazen, stapelende boeken en dichterlijke begroetingen. En in de grote zaal van TivoliVredenburg steeds weer een aandachtige stilte bij elk optreden. Zoals Els Moors later zal opmerken: “Mensen horen luisteren is een onvoorstelbaar geluid”, waarbij wij, als publiek onze rol bevestigd zagen.

    Dansen op de bodem van de nacht

    De achthoekige zaal was door een groot doek tot een zeshoekige vorm teruggebracht. Wanneer je rondkeek, was het gelijk een reusachtige bibliotheek met mahonie houten schappen. De kleurige kleding van het publiek kon doorgaan voor de boekruggen. Het was een goed gevulde boekenkast.
    Op het podium werd het optreden van Maarten Heijmans, Ramsey Shaffy vertolker, voorbereid. En ik vroeg me af, de zaal rondkijkend naar al die mensen die een avond poëzie voorgeschoteld gaan krijgen, beklijft poëzie? Dit met een opmerking van Menno Wigman in mijn hoofd tijdens een radio interview. Hij zei dat we de kans niet meer krijgen dichtregels uit ons hoofd  te leren, zoals vroeger Mei, van Gorter door iedereen die school ging, gekend werd. Nog steeds wordt er school gegaan maar leeft poezie nog maar op enkele scholen. Maar tijdens deze Nacht kon je niet anders dan geloven dat poëzie beklijft. En je wenst je net zo voor te kunnen dragen als Erik Jan Harmsen. Die zijn afgebeten zinnen ritmisch het publiek in blaft met een fantastisch effect. “Mijn mond is al open / nu moet ik nog woorden verzinnen (…) kijken hoe ze vallen.” In het beste geval wordt je er dichterlijk van en op zijn minst  wil je een bundel aanschaffen.

    Van woordperformer en dichter Maud Vanhauwaert bijvoorbeeld, om de wonderlijke wereld die zij in haar gedichten beschrijft er nog eens op na te lezen: ‘Maak je geen zorgen’ fluistert iemand achter mij / Ze legt haar kin op mijn schouder / ‘Je werd verdienstelijk zesde’  / ‘In welke wedstrijd?’ vraag ik en nu pas merk ik: / ik sta in een rij / Ze slaat haar armen om me heen. Haar adem / ruikt naar een kleedlokaal.
    Horen is op schrift willen hebben, zo blijkt tijdens De Nacht. Daarvoor zijn er de boekenstands. Om aan te schaffen van wat je in de zaal gehoord hebt. Maar dat was later.

    Eerst zingt Maarten Heijmans met zijn band op geheel eigen, maar prachtige wijze liederen van Ramses Shaffy. En de poëtische zinnen van Shaffy beklijven nog steeds: “Ik hou van schamel en van duur.” Er waren er die zacht meezongen. “Want wie me lief is blijft me lief”. Met een daverend applaus verlaat de band het podium en kondigt Piet Piryns de volgende dichter aan. Nog voor hij uitgesproken is beweegt Remco Campert zich schuifelend op helblauwe suède schoenen naar de katheter. Het publiek juicht verrukt en de blijheid om zijn komst is oprecht. Waarna een stilte invalt waarin de zware ademhaling van de dichter hoorbaar is. Het publiek hangt aan zijn lippen. Hier wordt voor een avond  ongegeneerd geëerd en verafgood. Nederland houdt van poëzie. Ongewild is Campert het hoogtepunt van De Nacht en steekt zelfs Rufus, (die dan nog moet komen) naar de kroon. De laatste der vijftigers opent met een aubade aan de onlangs overleden dichter Gerrit Kouwenaar door een aan hem zelf opgedragen gedicht “Kijk het heeft gewaaid”, voor te dragen. “Het was zoals het altijd geweest was” En van Campert zelf een persoonlijk resumé over poëzie: “Poëzie is een daad van bevestiging. / Poëzie is mijn adem, beweegt mijn voeten / De dood is een ontroering.” Op zijn moeizame ademhaling bracht Campert woorden vol levenskracht. Het publiek gaat  uit hun dak. Onder gejuich en luid applaus verlaat hij met bedachtzame stappen het podium. Jean Pierre Rawie moet zich eerst door de roes van Campert heen werken, voor hij het publiek in volheid bereiken kan met mooie gedichten over bejaardenhuis en gestorven vrienden.

    Bezijden de Nacht zijn er ontmoetingen. Het koffiemeisje vraagt benieuwd of we al ‘mooie dingen’ hebben gezien. Zeg dat al de dichters die we tot nu toe gehoord hebben, fantastisch waren. Maar dat Remco Campert natuurlijk weergaloos was. Zij kent hem niet. Hoe naïef  van mij ervan uit te gaan dat hij niet, gelijk de koning door iedere Nederlander gekend wordt. Rufus Wainwright kent ze ook niet. Voor ik het weet laat ik me ontvallen: “Ken je Shrek?” Ja, die film heeft ze gezien. Het daarin gezongen Halleluja? “Ah, die!” Op de koffie maakt ze een kunstwerkje met melkschuim. Daar weet ze alles van.

    Campert zit even verderop achter een tafeltje te signeren. Een uur lang bedient hij zijn fans. Dan word hem ingefluisterd dat hij af kan sluiten als hij wil want zolang hij daar zit blijft het publiek komen voor een handtekening. Onderweg naar de uitgang loopt hij nog een omhelzing van Chabot op, waarna hij verdwijnt in de nacht. Een Nacht die zeker de geschiedenis in zal gaan als de legendarische Nacht dat de laatste van de vijftigers, met zijn helblauwe suède schoenen zich nog eenmaal had laten verleiden het podium op te gaan.

    Als De Nacht de bodem bijna heeft bereikt, komt er een man naast me zitten, berookt en bedronken. Hij kijkt op zijn mobiel. Ik kijk verholen mee, lees: ‘Wonderlijk mooi Marlies! Was het, is het.’ Dat doet De Nacht met je. Je wordt er zomaar poëtisch van, de wereld weer aan kan.

    Foto: Anna van Kooij

    Vorige Literair Nederland was erbij

  • Vakantierubriek – een persoonlijke top 3

    Oude mensen

    door Vic Veldheer

    Een top 3 uit de Nederlandse literatuur over oude mensen.

    1. Louis Couperus, Van oude menschen de dingen die voorbijgaan (1906)
    Deze prachtige, rijke familieroman over een moord in een Haagse familie, wordt verteld op een moment dat de moordenares 97 jaar is. Zij heeft 60 jaar eerder haar man vermoord in Nederlands-Indië. Binnen de familie is deze moord  een goed bewaard geheim. Een van de vele thema’s in het boek is de angst voor ouderdom in de wetenschap dat de tijd voortschrijdt. Een klassieker!

    2. Jeroen Brouwers, Bittere Bloemen (2011)
    Bittere bloemenDit prozaïsch hoogstandje gaat over een 81 jarige man die terugkijkt op zijn leven in het aangezicht van de dood. Hoewel hij met veel voldoening op zijn succesvolle leven zou kunnen terugkijken, overheersen cynisme over en gekanker op de eenzaamheid waarin hij geleidelijk is komen te verkeren. Stilistisch weer een prachtig boek van wat ik beschouw als een van de beste schrijvers in het Nederlandse taalgebied.

     

    Ex aequo: 3.Remco Campert, Het satijnen hart (2006)
    Het satijnen hartMooie, sensibele roman over een bejaarde, somberende schilder wiens ouderdom nieuw leven wordt ingeblazen na het overlijdensbericht van zijn vroegere vriendin. Een pareltje!

     

     

    Anton Korteweg, Ouderen zijn het gelukkigst (2009) (gedichten)
    Ouderen zijn het gelukkigstDeze bundel verscheen toen de dichter 65 werd; het staat in het het teken van de opvatting van Prof. dr. H.C. Rümke dat met ingang van het praesenium, de leeftijd volgend op de viriliteit en voorafgaand aan de ouderdom, het leven vredig geleefd kan worden. Kortweg schrijft vrolijke, vredige gedichten over het geluk van oud zijn.