• Een schitterende lawine van woorden

    Een schitterende lawine van woorden

    De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd in 1932 beroemd met zijn Voyage au bout de la nuit. Céline bleek een literair genie. Reis naar het einde van de nacht behoort tot de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Door in 2021 boven water gekomen onbekende manuscripten staat Céline weer volop in de belangstelling. 

    Zijn jeugd is met een gewelddadige vader niet erg gelukkig. Als hulpje van een uitgever-uitvinder-zwendelaar heeft hij de enige gelukkige tijd van zijn leven, schrijft hij in de roman Dood op krediet. Na de zelfmoord van de uitgever meldt personage Ferdinand (Célines alter ego) zich bij het leger, zoals Céline dat in werkelijkheid deed in 1912. Hij is dan zeventien jaar. In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Céline raakt ernstig gewond, wordt oorlogsinvalide, krijgt twee hoge militaire onderscheidingen en houdt er een oorlogstrauma aan over. 

    In 1915 werkt hij voor het Franse consulaat in Londen, de periode waarop de roman Londen is gebaseerd. In 1924 studeert hij af als arts en na enige tijd vestigt hij zich als zodanig in Parijs. Daar begint hij ook te schrijven. Reis naar het einde van de nacht is zijn eerste, succesvolle, publicatie. In 1936 volgt Dood op krediet, dat minder succes heeft. Pas in 1944 komt er een volgende roman. 

    Pamfletten

    In de tussenliggende jaren schrijft Céline pamfletten met onder meer radicaal antisemitische en anticommunistische boodschappen, tirades tegen wijn, de film, de neergang van de Franse staat, enzovoort. Zelf zei Céline na de Tweede Wereldoorlog dat zijn pamfletten bedoeld waren om Frankrijk uit de oorlog te houden. Hij had er een panische angst voor. Hij beschouwde zichzelf niet als collaborateur, want verbond zich niet met de collaborerende Franse overheid of de Duitse bezetter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weet hij bijvoorbeeld dat zijn onderburen lid zijn van het verzet maar voorziet hij hen en de bij hen ondergedoken geallieerde piloten van geneeskundige hulp. Ook verstrekt hij medische attesten aan Fransen die de arbeidsdienst in Duitsland willen ontlopen. Niettemin is hij een nazi-sympathisant. 

    In 1944 vluchten Céline en zijn vrouw Lucette met hun kat Bébert het land uit, om via Duitsland en een lange gevaarlijke treinreis Denemarken te bereiken. Daar wordt hij toch opgepakt en ruim twee jaar gevangen gezet (Frédéric Vitoux — Bébert, de kat van Céline, 1976.) Over deze periode, 1944-1948, schrijft Céline de ‘Duitse’ trilogie: Van het ene kasteel naar het andere, Noord en Rigodon. In 1951 keert hij naar Frankrijk terug waar hij zich beklaagt over het feit dat zijn manuscripten zijn gestolen. Nadat het echtpaar gevlucht was, is er een verzetsman in hun appartement gaan wonen en hij en zijn nazaten hebben de manuscripten ‘bewaard’. Er is nog steeds discussie over zowel Célines diefstalslachtofferschap als over zijn persoon, maar gestolen of bewaard, bij de rechtmatige eigenaar zijn de manuscripten niet teruggekomen. 

    Londen

    In 2021 duiken ze op. Een journalist kreeg de ruim vijfduizend pagina’s decennia eerder van de nazaten van de verzetsman, op voorwaarde dat ze pas openbaar zouden worden gemaakt na de dood van Célines weduwe. Ze werd 107 en stierf in 2019. Eerst werd Guerre uitgebracht (Oorlog, 2023) en nu is er Londen, in ongepolijste vorm. 

    In het voorwoord van Londen legt Arnold Heumakers uit dat Céline vermoedelijk aan meerdere boeken tegelijk schreef. Stukken over zijn Londense periode zouden eerst zijn bedoeld voor de Voyage, maar ze waren toch bestemd ‘voor een “later vervolg”, dat zou moeten uitlopen “op theater, op gekkigheid (bouffonnerie)”. Met dat vervolg kan alleen Londres zijn bedoeld en — uiteindelijk — Guignol’s band, allebei romans met een verrassend hoog slapstickgehalte,’ schrijft Heumakers. 

    Slapstick

    In Londen is de twintigjarige verteller en oorlogsinvalide Ferdinand met zijn vriendin en prostituee Angèle naar Londen gereisd, waar Angèle in een villa van haar vaste klant majoor Purcell gaat wonen. Ferdinand wordt ondergebracht in een ‘prachtig gelakte zolder’ in Leicester Street in een pension waar illegale pooiers en hun hoeren wonen. Cantaloup is de leider van de groep en ziet erop toe dat er naast prostitutie niet ook nog diefstal of oplichting plaatsvinden — de politie is al alert genoeg. Hij is ook degene die ‘de reizen verzorgt’, ‘de meiden’ uit het buitenland haalt of ze bij problemen laat vertrekken. 

    Het door Heumakers genoemde slapstickgehalte is al meteen aanwezig als Ferdinand in het begin van het boek met de groep in optocht langs theaters en cafés gaat. Het uniform met voor de oorlogsverwondingen gekregen militaire orde draagt hij niet meer. Behalve een oorlogstrauma heeft hij ‘een been dat slecht liep’, ‘een arm die niet meer kon buigen’ en ernstige oorsuizingen die soms aangroeien tot een ‘oorverdovend gebrul’ en ‘een allejezus luid gedender diep in m’n oor, die m’n hele hoofd gebruikte om een tunnel te maken en nooit wegging.’

    Door toedoen van een aan lager wal geraakte adellijke gentleman, ‘de kapitein’, komen ze zelfs in het Savoy en in een chic Engels landhuis. Ferdinand maakt lol met de anderen, doet mee, lacht mee, drinkt mee, neukt mee, praat mee. Of zwijgt. Met de groep houdt hij zich staande. Toch is hij ook terughoudend, reden waarom Cantaloup hem waardeert en vertrouwt. Maar hij voelt zich vaak raar. ‘Ik was gestoord, net als Angèle, en al langer. Ik werkte niet meer vanbinnen. Ik kon zwijgen. Je kan al wel gek zijn en toch weten hoe je je gedragen moet tegenover de wereld.’ 

    Argot

    Céline bedient zich in zijn boeken van het Franse argot (dat in het Nederlands geen equivalent heeft, Bargoens en straattaal zijn wat anders), compleet met vloeken en scheldwoorden, dat een breuk is met de dan gangbare literaire mores. Hij is ook de waarnemer die mensen doorziet, het leven, de waanzin van oorlog. Met absurditeit en hypocrisie, humor, nihilisme en pacifisme vergroot hij dat alles uit.  

    De groep moet voortdurend oppassen voor de politie. Op een van hun uitgaansavonden komen ze in een havenkroeg terecht waar een enorm gevecht uitbreekt en Bijou, een van hun ‘maten’, zwaargewond raakt. Ferdinand en Borokrom, de intellectueel van het stel, denken dat hij dood is en sjouwen dagenlang rond met het lichaam in een kar op zoek naar een mogelijkheid om er vanaf te komen. Na veel omzwervingen belanden ze bij de joodse arts Yugenbitz en zijn gezin, waar Bijou wordt opgelapt. Ferdinand gaat met Yugenbitz mee op huisbezoek en leert enige medische handelingen. Daar ontdekt hij dat hij dokter wil zijn. ‘De troost dat ik Yugenbitz had gevonden en de weg en de manier waarop hij me hoop had gegeven om zijn mooie werk te begrijpen, dat had me zo ongeveer bedwelmd (…),’ vertelt Ferdinand. 

    Met koortsachtige snelheid en een lawine van woorden uit hij zijn walging over het leven. 

    Door de rauwheid en de grofheden is het soms even doorbijten, al is onmiskenbaar dat Céline niet zomaar onbeschaafd zijn gal spuwt. Hij weet precies welk verhaal hij wil vertellen. ‘Ik dacht dat alles van het ene op het ander moment zou veranderen, de aard van de mens. Op je twintigste weet je niet dat er niks verandert.’ Achter de uitvergrote gebeurtenissen en potsierlijke scènes schuilt de ernst van iemand die weet heeft van het menselijk gebrek, en van het lijden. Ferdinand is ‘vaak somberder dan een opgejaagde hond als ik te veel duizelig en aan het suizen was geweest (…) Ik werd aan een stuk door gemarteld.’

    Ontspoord

    De oorlog in Frankrijk wordt heviger. Voor de abortussen en geslachtsziektes — voorheen reisden de vrouwen gewoon naar Boulogne en terug — wordt Yugenbitz erbij gehaald, wiens gezin al overzee is gevlucht. Vanaf dan woont ook hij in het pension. De uitwijkmogelijkheden worden minder, de pooiers steeds banger voor de politie en prostituees lopen weg. Op bepaald moment kan de troep niet meer naar het pension terug. Ze zwerven rond, slapen gezamenlijk overal en nergens, dragen kat Mioup die bij hen woonde mee in een mand. Célines aandacht voor dieren is al vroeg aanwezig. 

    Ferdinand vraagt zich af of hij zijn ‘maten wel weer zou opzoeken. (…) Dat als ik uiteindelijk ondanks alles door de juten in m’n kraag werd gepakt, als deserteur op verzoek van hogerhand of als kleine spijtoptant, ik veel minder gevaar liep dan als ik de fatale weg koos om op mijn bek te gaan uit solidariteit met die hele bende die schijnbaar voor de lol grossierde in redenen om achter de tralies te worden gezet (…)’. Sommige pooiers belanden in de gevangenis, Purcell en de kapitein gaan ten onder, er vallen doden. Als Ferdinand met Mioup alleen achterblijft is de zaak totaal ontspoord en blijkt hoe goed Céline zijn verhaal in de hand had. Londen, alle liederlijkheid en rauwheid ten spijt, is een ademloos te lezen, schitterend boek.

     

     

  • Praten tegen de doden

    Praten tegen de doden

    Begin oktober van dit jaar zal in het Musée Nissim de Camondo in Parijs de tentoonstelling van de Engelse keramist en schrijver Edmund de Waal van start gaan. Het is voor het eerst dat een hedendaagse kunstenaar op deze –  in meerdere betekenissen van het woord –  gedenkwaardige plek mag exposeren. De tentoonstelling is nauw verweven met zijn laatste boek Brieven aan Camondo en daarmee opgezet als een dialoog tussen De Waals porseleinen objecten en installaties en het historische meubilair en andere kunstvoorwerpen die al bijna een eeuw in dit pand gehuisvest zijn. Het herenhuis liet graaf Moïse de Camondo, vader van Nissim, in 1911 in de rue de Monceau in Parijs bouwen als een soort juwelendoosje voor zijn collectie Franse toegepaste kunst uit de 18e eeuw. In 1935 heeft hij het geheel ter nagedachtenis aan zijn zoon Nissim, voor Frankrijk gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog, geschonken aan de Franse staat. En zo ontstond dit museum, dat valt onder Le Musée des Arts Décoratifs. 

    Zo Frans als maar kan

    De Waals Joodse voorvaderen (over wie hij in zijn vorige boek De haas met ogen van barnsteen schreef) delen met de De Camondo’s een vergelijkbare familiegeschiedenis. Beide families kwamen in de jaren 70 van de 19e eeuw naar Parijs, de eerste uit Wenen, de andere uit Constantinopel. De in het bankwezen rijk geworden, kunstminnende Joodse elite, assimileert volkomen in de hoge kringen van die tijd, niet in de laatste plaats door haar gulheid en loyaliteit tegenover het nieuwe vaderland: ‘Hier hadden ze de kans hun familie naar het seculiere, republikeinse, tolerante, beschaafde Parijs over te hevelen en iets met zelfvertrouwen op te bouwen’, schrijft De Waal over deze welgestelde nieuwkomers. Een zekere zweem van vijandelijkheid en antisemitische geluiden die Joden een gebrek aan authenticiteit verweten en ze als hebberige parvenu’s neerzetten, waren er al eind 19e eeuw (Dreyfus affaire). Maar met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keert het lot zich onafwendbaar tegen hen en worden ook deze families gedecimeerd of zelfs totaal uitgeroeid. 

    Zoeken naar de perfecte compositie

    Op basis van deze ‘verwantschap’ wil De Waal de grotendeels parallelle familiegeschiedenis onderzoeken en besluit dit te doen door brieven te gaan schrijven aan graaf Moïse de Camondo. Hij begint aan een langdurig, minutieus speurwerk in archieven, inventarissen, correspondentie, notities, allerlei instructies en foto’s en ontdekt gaandeweg meer overeenkomsten tussen hen beiden, zoals hun bijna obsessieve precisie en hang naar volledigheid. Moïse de Camondo was een man van de wereld en werd een echte Parijzenaar, gepassioneerd door snelheid – van auto’s, zeiljachten, paarden – door de jacht, gastronomie, reizen, maar bovenal door het verzamelen van Franse kunstnijverheid uit de 18e eeuw. De Waal beschrijft met bewondering en herkenning De Camondo’s aandacht voor voorwerpen en het plezier om ze tot hun recht te laten komen in evenwichtige composities, waarin onderdelen het beste in elkaar naar boven halen en er samenklanken ontstaan. Het nieuwe neoclassicistische ‘hôtel particulier’ dat hij tegen het Parc Monceau aan laat bouwen is een functioneel, comfortabel en van alle gemakken voorzien, modern huis en moet het juiste kader zijn voor zijn collectie, die Moïse de Camondo tot aan zijn dood in 1935 zal blijven perfectioneren en completeren, strevend naar volmaakte harmonie.  

    Zonder aanhalingstekens

    Terwijl de briefvorm in zekere zin afstand schept, probeert De Waal, vaak beginnend met ‘Beste vriend’ of ‘Cher Monsieur’, dichter bij Moïse de Camondo te komen. Hij filosofeert met hem over het tijdloze en het vergankelijke. De Camondo vecht tegen ‘verstrooiing’, het verloren gaan van herinneringen en voor het ‘fixeren’, verstillen van wat is. Zo stijgt een voorwerp, een huis, een mens boven de tijd uit en wordt van alle tijden en dus aan vergetelheid onttrokken. Het Musée Nissim de Camondo is een museum, maar ook nog steeds een herenhuis, een ‘citaat zonder aanhalingstekens’. Verleden en heden vormen één doorlopende lijn. Dat is geschiedenis, af- en aanwezigheid tegelijkertijd. De Waal volgt hem hierin, al voelt hij een meningsverschil als het gaat om ‘stof’ dat door de tijd heen voorwerpen bedekt. Voor hem is het een ‘indicatie van tijd’ , terwijl  Moïse de Camondo dat stof lijkt te willen weren om spoorloos het tijdloze te bereiken. Het zijn deze melancholische mijmeringen die dit boek zo bijzonder maken. De Waal komt met onverwachte associaties, laat technische uitleg – bijvoorbeeld die van ‘de kunst van het fineren’ –  als een gedicht klinken, stelt vragen aan De Camondo en gist naar mogelijke antwoorden. 

    Visite théâtralisée

    Enkele laatste brieven, die trouwens veel minder brieven zijn, maar vaak eerder staccato opsommingen van tragische gebeurtenissen die Joodse families troffen – zo ook de familie De Camondo en die van de schrijver – beschrijven de planmatige vernietiging en benadrukken de verwantschap tussen beide families. In zekere zin is dit overbodig. Het stille drama van de poëtische overpeinzingen over vergankelijkheid en geheugen is prachtig en raakt diep. Het nauwkeurig gedocumenteerde, dramatische feitenrelaas voegt daar niet veel aan toe. Maar misschien spreekt pracht en praal die door onrecht en bruut geweld verwoest wordt, directer tot de verbeelding van lezers en beklijft daardoor beter. Net als foto’s.

    Het Musée Nissim de Camondo biedt zijn bezoekers tegenwoordig een rondleiding aan door Pierre Godefin, maître d’hôtel van graaf Moïse de Camondo. De acteur die de butler Godefin speelt, leidt de bezoekers rond door het huis inclusief de dienstvertrekken aan de rue de Monceau tijdens een receptie die plaatsvond op 3 juni 1930. Dit verrassend anachronisme is een mooie illustratie van het thema van de tijdloosheid die in dit boek gevierd wordt en geeft een soort droste-effect aan het boek van De Waal en het leven van de De Camondo’s.

     

  • Het vorstendom van een taalkoningin

    Het vorstendom van een taalkoningin

    Je leert er nog eens wat van, van de roman Een wereld binnen handbereik van de gevierde Franse schrijfster Maylis de Kerangal. Het is een prachtig boek, laat dat meteen maar gezegd zijn. De kracht ervan is dat de nadruk op het visuele ligt, op de overtuigend in beeld gebrachte omgeving, waarmee de activiteiten van de personages doeltreffend zijn verweven. Het verhaal trekt voorbij als een film met schitterende beelden en aandacht voor de kleinste details.

    Hoofdpersoon Paula, aan het begin van het boek twintig jaar en woonachtig in Parijs, stapt het Instituut voor Decoratieve Schilderkunst aan de Metaalstraat in Brussel binnen, nadat ze twee jaar lang van de ene opleiding in de andere rolde om het allemaal snel weer op te geven. Dit ‘doorsnee meisje […] een die het grootste deel van haar tijd op een cafébankje slijt tussen soortgenoten en bij wie elk moment in het bestaan een mengsel is van elegantie en leegte,’ vindt haar roeping in het decorschilderen en deelt haar verraste ouders mede: ‘Ik ga trompe-l’oeil-technieken leren, de kunst van de illusie’.

    Materialen

    De opleiding duurt zes maanden en is zwaar. Het is de hele dag door studeren op de materialen, niet alleen op die welke nodig zijn om te schilderen maar ook op de materie die de studenten natuurgetrouw moeten weergeven: marmer, houtsoorten, water, stof, patina, bladgoud. Ook ’s avonds gaat het door, soms tot in de nacht, om de opdracht van die dag af te maken of te oefenen. Paula is stug, in zichzelf gekeerd, bang dat ze faalt. Pas na een paar weken begint ze fysiek aan het werk te wennen, krijgt ze oog voor haar medeleerlingen en durft ze hen ’te zien schilderen […] haar blik vermengt zich eindelijk met de blikken die elkaar hier ontmoeten’. Zeven jaar later, tegen het einde van het boek, is ze een succesvol decorschilder en stort ze zich op de ultieme opdracht: meewerken aan de reproductie van de grot van Lascaux – waarvan de geschiedenis door de auteur uitgebreid wordt verteld.

    In de tussenliggende jaren blijft zij contact houden met de onverstoorbare Jonas en de extraverte Kate, de vrienden die ze op het instituut maakte, al zien ze elkaar vaak lange tijd  niet. Die contacten zijn de ijkpunten van de tweede laag in het verhaal: naast de vriendschap ook het liefdesverhaal tussen Jonas en Paula. Ze deelden de studie, een appartement, hun leven en de liefde. Na de opleiding gaan ze ieder hun weg, werken in verschillende landen. Totdat ze elkaar via ‘Lascaux’ weer ontmoeten.

    Schoonheid van de materie

    Maylis de Kerangal vertelt niet zomaar een verhaal over een paar mensen. Ze zet een relaas neer over de schoonheid van de materie, waarin personen zich óók mogen bewegen, moeten bewegen omdat mensen, kunst en natuur samenkomen in de cultuurgeschiedenis. Want dat is waar de auteur het over heeft: cultuurgeschiedenis. Zo moeten de leerlingen behalve marmer leren schilderen ook weten wat voor marmersoorten er bestaan, waarvoor ze het handboek geomorfologie (‘de Derruau’) raadplegen. Dit detail alleen al geeft aan hoe precies De Kerangal te werk gaat. ‘Hout imiteren is geschiedenis schrijven met het bos […] Er zindert plantaardig leven in het atelier, dat zijn verlengstuk krijgt op de panelen, […] hout dat dosse of kwartiers is gezaagd, wat te zien is aan de knoest, de vlammingen en de vlekken, de vezel, het parenchym en de vaten.’ Opsommingen als deze zijn er het hele boek door. Eerst is het struikelen daarover, maar al gauw openbaart zich in de vele details het vorstendom van De Kerangal. Ze heeft een scherp oog voor hoe kleinigheden een geheel vormen en samen met haar verfijnde formuleringen heerst hier de koningin van de taal.

    Schildpad

    Aan de enorme hoeveelheid onderzoek die de auteur heeft verricht geeft ze een gevoelsmatige interpretatie. Voor het examen laat ze Paula kiezen voor het uitbeelden van het schild van een karetschildpad en vertelt en passant hoe haar protagonist als kind werd gefascineerd door het dier: ‘het geweldige moment waarop de schildpad eindelijk tevoorschijn kwam, met zijn voorhoofd vlak boven de grond en ver naar voren, de nek uitgestrekt zodat de soepele, elastische huid die zijn kop en poten met het schild verbond, zichtbaar was […] een monster in het klein maar heel echt, dat uit de schaduw van een steen kwam zetten als uit een plooi in de tijd om contact met haar te leggen.’

    Stoet dieren

    In de ‘digitale kloon’ van Lascaux probeert Paula zich in te leven in de stervelingen van twintigduizend jaar geleden en ‘stelde zich de ondergrondse grot voor, de geïsoleerde schoonheid, de stoet dieren in de nacht van het Magdalénien’. Even daarvoor heeft ze zich al verdiept in de kleuren waarmee ze zal gaan werken: ‘de natuurlijke pigmenten die de pigmenten van de grot benaderen, mangaanoxide voor zwart, okers voor de bruinen (limoniet), de roden (hematiet) en de gelen (goethiet).’

    De vaktaal ontbreekt evenmin. In het instituut wordt geschilderd met ‘de glanzende ferule, […} een petit-grisvan varkenshaar, een stompe épointé, […] een Kolinski-effilé’. Ook specifieke benamingen hebben De Kerangals voorkeur. Licht is zenitaal licht, een motorboot een Boston Whaler, een pistool een Colt, scheelzien (wat Paula doet) is exotropie. Als de auteur een technische term kan gebruiken zal ze het niet laten.

    Encyclopedie in razend proza

    Daardoor kan het soms lijken alsof de lezer een encyclopedie voor zich heeft, maar in de veelzijdige taal van De Kerangal krijgt het verhaal door de knap geïntegreerde details grote intensiteit. De stijl sleept je mee. In razend proza, voortsnellende zinnen met veel komma’s en puntkomma’s en weinig punten, is het zelfs naar adem happen. Er is geen ontsnapping mogelijk, afdwalen is er niet bij, de lezer wordt constant bij de les gehouden. De vele komma’s, die behalve in de opsommingen ook tussen de gebeurtenissen en handelingen zijn geplaatst, doen tegen het einde van een zin het begin ervan nogal eens vergeten. Eenentwintig regels met gedachtestreepjes en puntkomma’s is wat veel van het goede. De remedie hiertegen is zelf hier en daar een denkbeeldige punt plaatsen.

    Zintuiglijke sfeer

    Prettig is om met een computer naast het boek op te zoeken of het ook echt klopt wat er allemaal geschreven staat. En het klopt altijd. Bijvoorbeeld wanneer Paula en Jonas het hebben over ‘de aap van de ander’ en ze een filmpje van chimpansee-onderzoeker en primatologe Jane Goodall bekijken. Zo terug te vinden op het wereldwijde web. Ook over filmdecorstad Cinecittà in Rome, waar Paula een tijdje werkt, is de informatie gemakkelijk te verifiëren. De Kerangal gebruikt alle beschikbare informatie en sommige gegevens lijken rechtstreeks uit Wikipedia te komen. Maar de schrijfster heeft al deze feiten zo knap verweven met het verhaal, zo een zintuiglijke sfeer meegegeven dat het de betrokkenheid bij het boek alleen maar groter maakt. Een wereld binnen handbereik is zowel qua inhoud als taal een rijk, vorstelijk rijk boek.

     

  • Gelukkige jeugd geen garantie voor goed boek

    Gelukkige jeugd geen garantie voor goed boek

    De Franse toneelschrijver en regisseur Marcel Pagnol (1895-1974) richtte in de jaren 30 van de vorige eeuw een filmmaatschappij op waarvoor hij een echte Cinestad wilde bouwen. Hij liet een makelaar voor hem op zoek gaan naar een geschikte plek in zijn geliefde Provence. Louter op basis van diens beschrijving van een landgoed, ging Pagnol akkoord, zonder vooraf een kijkje te nemen. Het lag in de buurt van La Treille, in de buurt van Marseille. Pagnol kende het dorp. In de omgeving had hij de vakanties in zijn jeugdjaren doorgebracht. Toen hij de bouwwerkzaamheden inspecteerde, zag hij ‘in de verte, boven op een wal, een haag van heesters (…) Mijn adem stokte en zonder te weten waarom begon ik als een dolleman te rennen, dwars over de weide en door de tijd’.

    Dat ‘zonder te weten waarom’ is een misplaatste toevoeging. Pagnol wist maar al te goed wat hem beving. Hij had daar zijn mooiste kinderjaren beleefd, ongeveer van zijn achtste tot zijn tiende. Gelukkige jaren met zijn ouders en broertje Paul en met zijn jeugdvriend uit die periode Lili. Die paradijselijke tijd beschreef hij in twee boeken De gloriedagen van mijn vaderen Een kasteel voor mijn moeder. Ze werden in Frankrijk dertig jaar na Pagnols dood uitgegeven en zijn nu gebundeld in één band in Nederland verschenen onder de titel Mijn kinderjaren in de Provence. Terecht gebundeld, want de twee delen vormen één doorlopend verhaal.

    Jacht
    Met de titel rekt de Nederlandse uitgever de periode overigens wel erg ruim op, want in feite bestrijken de twee boeken niet meer dan de twee jaren die zich afspelen rond een vakantiehuis van het gezin Pagnol, La Bastide Neuve, op een paar uur gaans van La Treille.
    Marcel, die zich voortdurend identificeert met oerwoud verkennende indianen uit de boeken die hij las, fleurt zijn herinneringen op met veel couleur locale in de vorm van landschapsbeschrijvingen en details van de flora en fauna van het gebied. De fauna wordt door de kinderen trouwens vooral gebruikt om mee te spelen als het gaat om insecten of door vader Joseph en Marcels oom Jules, vaak vergezeld door Marcel, om op te jagen. Vooral patrijzen vormen een trotse buit.
    Je kunt je goed voorstellen dat die periode een sensationele ervaring was in Marcels jonge leven die hem zijn leven lang bijbleef. Maar of hij dat weet over te brengen op elke lezer is maar de vraag. Pagnol oogstte veel lof voor zijn toneelstukken, maar in deze autobiografische productie betoont hij zich geen groot schrijver. Veel dialogen zijn nogal gekunsteld en uitleggerig (wat je van een toneelauteur juist niet zou verwachten). Dat is vooral het geval in de gesprekken tussen de ouders en kinderen met hier en daar zelfs ronduit flauwe grapjes.

    Zandman
    Pagnol is verder nogal breedsprakig in zijn beschrijving van handelingen. Zo heeft hij, als het gezin op het punt staat naar het vakantiehuis te vertrekken, bijna drie pagina’s nodig om te vertellen wie welke stukken bagage draagt en of dat gebeurt met de linker- dan wel rechterarm of op de rug, en wat die bagage precies inhoudt. Ook zijn taalgebruik is nogal obligaat: ‘met frisse tegenzin ging ik naar het grote schoolgebouw’. Of: ‘het lukte me niet in dromenland te komen’. Of  ‘Maar de zandman kwam langs en gooide een flinke handvol in mijn ogen’. Om tegen het einde, terugkijkend, nog op te merken: ‘Zo is het leven van de mens. Luttele vreugdevolle momenten die zeer snel worden uitgewist door onvergetelijk verdriet.’ (Pagnol doelt op de dood van zijn moeder, broertje en vriend in een periode van dertien jaar na de zomervakanties).

    In het boek valt dus niet de toneelschrijver te herkennen, maar des te meer de regisseur Pagnol. Zijn verhalen over de jacht, de omzwervingen met Lili en een in het laatste jaar beschreven incident met een landgoedeigenaar, zijn zeer filmisch. De vriendschap tussen Marcel en Lili en de beschrijving van de aanloop naar het incident zijn daarmee de enige stukken die deze herinneringen nog iets van spanning geven. Het boek als geheel blijft echter te oppervlakkig en eendimensionaal.