• Waardigheid in lompen

    Waardigheid in lompen

    De buitenissige auteur Albert Cossery groeide op in Cairo en emigreerde later naar Parijs, waar hij het grootste deel van zijn leven in een hotel woonde. In Cosserys werk zijn de armen gelukkig en is het tragische lachwekkend. Dat geldt ook voor de roman De trotse bedelaars.

    Zeven Franstalige romans en een verhalenbundel schreef Albert Cossery (1913-2008), die zichzelf als een Egyptische schrijver beschouwde. Hij dacht in het Arabisch en situeerde zijn vertellingen vaak in een stad als Cairo. De trotse bedelaars verscheen oorspronkelijk in 1955 en werd nu vertaald door Rosalie Siblesz. Daarmee is het al de derde titel van Cossery die de afgelopen jaren in Nederland uitkwam. Eerder werk (zoals Grote dieven kleine dieven) kon op veel lof rekenen en het omslag staat dan ook vol ronkende aanbevelingen. Steevast hanteert de schrijver dezelfde insteek: zijn personages illustreren een bepaalde visie op de wereld. Van ‘verhaaltjesbakkers’ moest hij niks hebben.

     Over vier mannen en een femicide

    In het geval van De trotse bedelaars draait het om vier personages. Gohar, de belangrijkste van de vier, is de onthechte filosoof. Als voormalig universitair docent heeft hij bewust gekozen voor een leven zonder bezittingen en zonder werk. De hasj waar hij verzot op is, krijgt hij gratis van een vriend. Deze vriend heet Yéghen, een ritselaar en oplichter, een opportunist ook. Hij bewondert Gohar en ziet hem als zijn meester. Dan hebben we nog de jonge El Kordi; deze figuur representeert de intellectuele idealist, maar één van het slag waar het blijft bij dromen. Het vierde karakter is Nour El Dine, een afgestompte rechercheur die meer zoekt naar zingeving dan naar de moordenaar uit het verhaal.

    Want ja, er is een moord gepleegd, een achteloze femicide uit gelegenheid, op de jonge sekswerker Arnaba. Het gaat in deze roman echter niet om de vraag wie haar vermoord heeft. Cossery beschrijft direct, in hoofdstuk twee van het boek, dat dit Gohar is. Gewetenswroeging heeft Gohar niet. Hij wijdt zelfs nauwelijks een gedachte aan Arnaba. Zijn gebrek aan berouw ziet hij als een teken van morele vooruitgang. De moord was een irrationele opwelling, een zinsbegoocheling, met als drijvende kracht zijn utopische doel: een paradijselijk leven vol hasj in de cannabisvelden van Syrië. Maar hij weet al tijdens de daad dat dit doel buiten bereik ligt, want de gouden armbanden waar hij het op gemunt heeft zijn vals en gaan zijn reis derhalve niet financieren.

    De andere personages beschouwen het lot van de jonge vrouw met evenveel desinteresse. Yéghen heeft de situatie al snel door en probeert zijn vriend alleen maar te beschermen. El Kordi verliest zich in fantasieën over het redden van zijn eigen beschermelinge, een prostituee met tuberculose, die eigenlijk niks van hem moet hebben. En rechercheur Nour El Dine is vooral gespitst op de verfijnde, intellectuele moordenaar die hier aan het werk moet zijn geweest, getuige het gebrek aan een rationeel motief; eindelijk een waardige tegenstander.

    Gelukkig de bezitlozen

    Rondom dit basale plot laat Albert Cossery (‘De Voltaire van de Nijl’) zijn gedachtegoed de vrije loop. Kortweg komt het erop neer dat een mens gelukkiger is naarmate hij minder bezit en minder wenst te bereiken. De auteur wil laten zien dat armoede waardigheid bevat, terwijl rijkdom afschuwelijk is maar ook lachwekkend. Hij spot met elke vorm van maatschappelijke hiërarchie, steekt de draak met gezag, veracht werk en moet niets hebben van wat als vooruitgang bekend staat. Wanneer hij een personage laat rondlopen in ‘de Europese wijk’, dan is dat een plek om snel uit weg te komen. De achterbuurten waar de overheid zich niet waagt, gelden daarentegen als toonbeeld van het goede leven: ‘Achter de onvervreemdbare armoede en de weigering deel uit te maken van de beschaafde wereld ging een enorme kracht schuil die geen enkele aardse macht ooit zou kunnen bedwingen.’

    Cosserys ‘filosofie van de spot’ komt in dit boek weer ongezouten naar voren. Regelmatig lijkt de schrijver het zelfs helemaal over te nemen van de personages, die in feite als zijn spreekbuis optreden. Dit geeft De trotse bedelaars al snel een schematisch karakter. Zodra het punt van de schrijver duidelijk is, kent de leeservaring geen nieuwe impulsen meer. De dialogen en verhaalontwikkeling richten zich louter op het overbrengen van Cosserys levensopvatting. Die cynische en spotzieke filosofie zelf is enerzijds verfrissend en scherp. Maar het heeft tegelijkertijd ook wat onmenselijks, omdat de auteur de oeroude menselijke drang om vooruit te komen enkel met dedain beziet. Voor mededogen of het kleine gebaar is bij hem weinig ruimte. De trotse bedelaars bevat daarnaast helaas minder humor dan Grote dieven kleine dieven, waarin het wemelt van de bijtende grappen. Het dichtst hierbij in de buurt komt nog het portret van de buurman van Gohar. Dat is een beroepsbedelaar zonder armen en benen, die door zijn echtgenote beschuldigd wordt van ontrouw. Een bron van pret voor de onthechte filosoof en ongetwijfeld ook voor de schrijver.

    Geest van complexiteit

    Albert Cossery heeft een unieke stem. Mooi dat die nu ook in het Nederlands klinkt en gretig wordt opgepikt. Maar die bijzondere stem staat niet garant voor goede literatuur, zo blijkt wel uit De trotse bedelaars. De filosofie van de spot slokt hier alle nuance op. Dit geldt zeker voor de personages, die simpelweg fungeren als stromannen. Bij Cossery zijn de dingen helder, misschien het omgekeerde van wat je als Westerse lezer op voorhand verwacht, maar toch: de zaken zitten eenvoudig in elkaar.
    Tegenover de romanopvatting van Cossery, die eigenlijk een maatschappelijk-politiek schrijft, staat de opvatting van bijvoorbeeld Milan Kundera. De geest van de roman is volgens hem de geest van complexiteit. Personages zijn daarbij de peilstokken om te ontdekken wat alleen de roman ontdekken kan.

     

  • Hoe een Nobelprijswinnaar doorbrak met een klucht

    Hoe een Nobelprijswinnaar doorbrak met een klucht

    Tortilla Flat, de roman uit 1935 die John Steinbeck bekendheid bracht, is een lofzang op armoede. Geen verontschuldiging ervan, geen aanklacht ertegen, nee een ode aan paisanos, de lanterfantende en wijnzuipende armoedzaaiers die deze roman bevolken. Het boek verscheen tijdens de jaren van de Grote Depressie en de ‘Dust Bowl’ (de droogte en stofstormen, die een grote rol spelen in De druiven der gramschap). Peter Bergsma verzorgde een nieuwe Nederlandse vertaling.

    Geld maakt ongelukkig

    John Steinbeck (1902-1968) was niet de enige Amerikaanse schrijver uit deze periode die schreef over de minst gefortuneerde bevolkingsgroepen. Bijvoorbeeld William Faulkner deed dat eveneens (As I lay dying), John Fante zeker ook (Ask the dust). Tortilla Flat is echter bijzonder, omdat het de miserabele omstandigheden van de bezitlozen niet als problematisch voorstelt. Danny, de hoofdpersoon, en zijn vrienden voelen zich doorgaans gelukkiger zonder dan met bezittingen. Geld en goed zijn voor hen eerder een last, behalve als het om kleine hoeveelheden gaat die direct kunnen worden omgezet in vierliterflessen wijn. Dit blijkt al snel wanneer Danny twee huizen erft in de buurtschap ‘Tortilla Flat’, een klassieke probleemwijk nabij de stad Montery, aan de kust van Californië. Zijn nieuwe status als bezitter van twee woningen past hem helemaal niet. Hij verhuurt het ene direct aan iemand van wie hij al weet nooit een cent te zullen ontvangen. Wanneer dat huis niet veel later afbrandt, valt er een last van Danny’s schouders. In het overgebleven pand komen steeds meer vrienden te wonen. Alleen bed en beddengoed behoudt Danny als privébezit. Maar dan nog; op zeker moment houdt hij het niet langer uit en ontvlucht hij de woning om weer vrij te kunnen leven in de stegen en velden.

    Idealen en absurditeit

    Het drinken van grote hoeveelheden wijn, vervoerd in gecamoufleerde flessen (om te voorkomen dat ongenode derden er lucht van krijgen) en genuttigd uit jampotten, daarom draait het in het huis van Danny. Sinds Hemingways The sun also rises werd er op papier niet zoveel gezopen. Ook hier betreft het door de Eerste Wereldoorlog getraumatiseerde mannen, die niet geloven in het belang van werk en een gezinsleven. Toch zijn de paisanos van Steinbeck niet zonder idealen. In het voorwoord vergelijkt de auteur ze met de ridders van de Ronde Tafel. Hij hijst deze dronkenlappen en kleine criminelen op het schild. En dat zonder ironie, de schrijver heeft duidelijk genegenheid voor zijn personages. Ontroerend is het gedeelte waarin de vrienden azen op het geld dat een zwerver al jaren oppot, totdat ze horen dat die er een gouden kandelaar voor wil kopen. Dit als geschenk voor een katholieke heilige, vanwege een gelofte die werd uitgesproken om een hond te redden. Ze scharen zich allemaal achter het voornemen van de zwerver en vanaf dat moment is de geldschat volkomen veilig.

    Het boek moet echter ook weer niet al te serieus worden genomen. Zie bijvoorbeeld de archaïsche aanvangsbeschrijvingen bij elk hoofdstuk: ‘Hoe Danny, terug uit de oorlog, erfgenaam bleek te zijn, en hoe hij zwoer de weerlozen te beschermen’, enzovoorts. Tortilla Flat heeft de kenmerken van een klucht, met alle promiscuïteit en dronkenschap die daarbij horen. Delen ervan zouden als komisch toneelstuk kunnen worden opgevoerd door een plaatselijk amateurgezelschap. Een grappige anekdote gaat over een moderne, elektrische stofzuiger die Danny zijn minnares cadeau doet. Elektriciteit is er niet in de buurtschap, maar dat maakt voor de dame in kwestie weinig uit; ze produceert het zoemende geluid dat het apparaat hoort te maken gewoon zelf en stijgt hoog in aanzien bij haar vriendinnen.

    Sfeervolle beschrijvingen

    Een boek dus dat de maatschappelijke normen terzijde schuift en er een alternatieve wereldorde voor in de plaats stelt, waarin degenen zonder baan en zonder ambitie aan het langste eind trekken. Dit alles wordt ook nog eens opgetekend in een bijzonder fraaie stijl. Het vijfde hoofdstuk opent bijvoorbeeld zo: ‘De middag trad even onmerkbaar in als de ouderdom bij een gelukkig mens. Een beetje goud drong het zonlicht binnen. De baai werd blauwer en geribbeld door de zeewindrimpelingen. De eenzame vissers die geloven dat de vis bijt bij vloed verlieten hun rotsen, en hun plek werd ingenomen door andere, die ervan overtuigd waren dat de vis bijt bij eb.’
    Dergelijke korte intermezzo’s vind je om de haverklap terug in dit boek. Vaak gaat het over het weer, de natuur of de tijd. De schrijver weet hiermee de sfeer van de havenstad goed te vangen.

    In 1962 kreeg John Steinbeck de Nobelprijs voor literatuur toegekend, een destijds bekritiseerde keuze. Het is te hopen dat Peter Bergsma na drie moderne Steinbeck-vertalingen voor Van Oorschot (Muizen en mensen, Ten oosten van Eden en Tortilla Flat) ook de gelegenheid krijgt zich te storten op De druiven der gramschap, want dit tijdloze werk van de Nobelprijswinnaar verdient een recentere vertaling dan die uit 1940. Tortilla Flat is echter meer dan een opwarmer; wie het openslaat zal ontdekken dat het moeilijk is om geen sympathie te krijgen voor Danny en zijn broederschap van de druif.

     

  • Hinken op twee (of meer) gedachten

    Hinken op twee (of meer) gedachten

    Wanneer een boek tot de favorieten behoorde van Franz Kafka, dan zijn verdere aanbevelingen zo goed als overbodig. Inderdaad lopen er diverse lijntjes van De bediende naar het werk van Kafka. De Zwitserse schrijver Robert Walser laat in deze roman uit 1908 de binnenwereld van de hoofdpersoon, Joseph, voortdurend conflicteren met de buitenwereld.

    Vroeg in het modernisme

    Joseph komt als nieuwe werknemer onder dak bij ingenieur/uitvinder Tobler, een man van grote ideeën. Een zogenaamde ‘reclameklok’ moet de melkkoe worden van zijn zelfstandige onderneming, gevestigd in een statige villa op een heuvel. Ook het gezin Tobler woont daar.

    De manier waarop Walser het verhaal begint, is vanuit een klassieke romanopvatting gezien nogal merkwaardig. In de derde zin verwondert de hoofdpersoon zich erover dat hij een paraplu bij zich heeft, een gebruiksvoorwerp dat hij in zijn vroege jaren nooit bezeten heeft. Voordat hij aanbelt neemt hij een korte pauze ‘om over iets vast heel onbelangrijks na te denken’ en na het overschrijden van de drempel wordt het alleen maar gekker. Vooral vervreemdend is de manier waarop Joseph constant peinst over zichzelf en zijn eigen handelen. De romansetting lijkt normaal: een jongeman krijgt een nieuwe betrekking. De handelingen van de hoofdpersoon zijn eveneens niet bijzonder: hij maakt kennis, heldert een misverstand op en neemt de beleefdheidsvormen in acht. Maar de binnenwereld van de protagonist die je als lezer tegelijk betreedt, is warrig en soms ronduit absurd. Op de algemene welkomstwoorden van de vrouw des huizes volgen bijvoorbeeld deze zinnen: ‘Ja, kom maar op jij. Heel leuk. Goh, kijk ‘ns aan, wat aardig. We zullen wel zien.” Op deze wijze achtte Joseph het raadzaam bij zichzelf over deze welwillende woorden te denken.’

    Blijkbaar is de wereld om hem heen voor Joseph listig terrein. Hij zoekt steun in zijn eigen waarneming. De werkelijkheid wordt zo opgevat als een subjectieve en persoonlijke voorstelling. Dit is een typisch kenmerk van modernistische literatuur, waarmee Robert Walser vroeg in deze brede stroming wortelt. Maar Joseph is geen nuchtere observator van het leven om hem heen; hij ziet zich heen en weer geslingerd tussen aanpassing aan dat wat van buitenaf komt en een zich terugtrekken in zijn binnenwereld, die dromerig en onbestemd is.

    Niets is wat het lijkt

    De setting van De bediende lijkt aanvankelijk nog normaal, maar is dat bij nadere beschouwing toch ook niet. De Tobler-villa blijkt een luchtkasteel. Tegenover de vele uitvinders- en ondernemersideeën staan even zoveel onbetaalde rekeningen. Het hele huishouden leeft op de pof en Walser maakt dat al vroeg duidelijk met omineuze, kleine opmerkingen. De belangrijkste taak van Joseph bestaat eruit om schuldeisers per correspondentie af te poeieren. Verder wordt hij ingezet voor allerlei klusjes, waardoor zijn positie niet die van werknemer is maar van loopjongen of, inderdaad, bediende. Soms echter ook die van gezelschapsheer. Dit alles tegen kost en inwoning, uitbetaling van het salaris blijft stilzwijgend achterwege. Terwijl de zakelijke aspiraties van Tobler geen enkele opbrengst genereren, laat de ondernemer nog een ‘sprookjesgrot’ aanleggen in zijn tuin. Een raadselachtige vorm van landschapsarchitectuur, even nuttig als de reclameklok. Men zit er welgeteld één keer.

    Dit alles wordt naar voren gebracht door een alwetende verteller, die een fijnzinnig-ironische en relativerende toon aanslaat. Deze verteltoon doet denken aan het werk van José Saramago (hoewel het dan uiteraard andersom is). Vooral de zinnen waarin enige spot doorklinkt zouden zo kunnen voorkomen bij de Portugese Nobelprijswinnaar, oordeel zelf:
    De Bärenswiler of Bärenweilers zijn een goedhartig, maar tegelijk ietwat achterbaks, of, zoals misschien de juiste uitdrukking luidt, huichelachtig slag mensen. Ze hebben het allemaal min of meer flink achter de elleboog, ze bezitten allemaal, de een wat meer, de ander wat minder, ergens iets geheimzinnigs of heimelijks […].’

    Ook is het proza heel vrij: soms wordt de lezer aangesproken met ‘je’, om een pagina later naar een ‘we’ te verspringen. Andere keren wordt een algemeen punt van zorg een ‘hij’ of de sneeuw een ‘jij’.

    Parallelle werelden

    Walser blijft de hele roman door vormen van gespletenheid naar voren brengen. De schone schijn van de villa op de heuveltop tegenover de financiële afgrond die erachter schuilgaat. Het idyllisch ogende gezinsleven, waar in werkelijkheid de jongste dochter hardvochtig verwaarloosd wordt. Joseph als een vertrouweling enerzijds die tegelijk een buitenstaander blijft. Enkele keren uit hij lang opgekropte kritiek richting de Toblers, om dat de volgende dag weer te herroepen. En dan is er nog de gespletenheid in de gedachtewereld van de protagonist zelf, die niet weet hoe hij het met zichzelf heeft en hoe de wereld tegemoet te treden. Joseph verlangt naar een ‘richtinggevende gedachte’, maar deze smelt weg in gewaarwordingen. Was het beleven en meebeleven dan niet de gedachte die het meest gecultiveerd diende te worden?

    De bediende is interessante literatuur, een boek dat soms tot onderdrukt gegniffel leidt, soms tot opgetrokken wenkbrauwen. Geslaagd is de vervreemding ten opzichte van het moderne leven die Robert Walser oproept. Tegelijk houdt de schrijver alles klein en ingehouden. Joseph wordt niet van zijn bed gelicht door een geheimzinnige rechtsinstantie, noch verandert de protagonist op een ochtend in een insect. Walsers werk is onspectaculair. Het laat veel over aan de lezer, sommige passages zijn het waard om nog eens te lezen. Er is geen ontknoping of afronding, de verhaalwereld komt simpelweg tot een einde en de hoofdpersoon wandelt het kader uit, terwijl hij nog maar eens een goede sigaar uit huize Tobler opsteekt.

     

  • Een verstikkende vertelling over misbruik

    Een verstikkende vertelling over misbruik

    ‘Met gevaar voor eigen leven daalde ik vannacht, in mijn droom, af in een ravijn en op de bodem ervan trof ik een dode vrouw aan.’ Zo begint Caroline Lamarche deze tekst, een monoloog die aanvankelijk bedoeld was om te worden uitgesproken (de verantwoording geeft meer informatie over het hoe en wat). In 2014 volgde een gedrukte uitgave en nu is er een vertaling van Katelijne De Vuyst, Het geheugen van de lucht, binnen de ‘Franse reeks’ van Uitgeverij Vleugels. Het motto voorin luidt: ‘Alleen de monoloog kan de waarheid onder woorden brengen – wie zou het wagen zijn geheim aan de ander te vertellen?’ (Unica Zürn).

    De kloof

    De dode vrouw op de bodem van het ravijn is een versie van de verteller, zo blijkt al op de eerste bladzijde. Het ravijn komt in meerdere lagen van het verhaal terug. Er is een letterlijke betekenis maar ook een figuurlijke. Dan gaat het om een kloof in het binnenste van de ik-persoon, ‘een ijzige, kille plek waarvan ik zelfs de naam niet ken’. Die kloof is de uiting van een oud trauma, veroorzaakt door seksueel geweld, een voorval dat in het (korte) tweede deel van de tekst stap voor stap uit de doeken wordt gedaan. Het eerste gedeelte van Het geheugen van de lucht beschrijft de impact van deze twintig jaar oude ervaring op het huidige leven van de verteller. Meer bepaald op de relatie met een naamloze man, aangeduid als Vantoen.

    Ook binnen deze ‘borderlineliefde’, die zeven jaar standhield, blijken verschillende vormen van misbruik te spelen. Psychologisch, omdat de man de vrouw laat fungeren als een spiegel, dat ‘stille ding dat op de sofa zat waarbij hij een uur aan één stuk zijn hart uitstortte’. Onheilspellend is dat hij er een gewoonte van maakt de as van zijn sigaret in een spinnenweb uit te kloppen, hiermee de spin dwingend as te eten om het web schoon te houden. Een gradatie erger wordt het wanneer Vantoen meermaals verkondigt dat hij ooit zelfmoord zal plegen. De verteller constateert achteraf dat de man een spel met haar speelde, waaraan ze verschillende namen geeft: ‘Het spel van de permanent aangekondigde dood, het spel van de geprogrammeerde verdwijning, het spel van mijn huidige schrik en van mijn toekomstige eenzaamheid, het spel van mijn huidige en mijn toekomstige schuldgevoel’. Naast mentaal misbruik komt er op het laatst ook fysieke geweldpleging om de hoek kijken. De meeste tijd wordt dan trouwens ingeruimd om te beschrijven dat de vrouw een medische verklaring laat opstellen ter documentatie van de verwonding die ze opliep, aan haar arm. Het vormt wel het definitieve breekpunt van de relatie; ze besluit de man van toen te verlaten en de deur stevig achter zich dicht te trekken.

    Overladen

    De zeventig pagina’s lange tekst van Caroline Lamarche zit stampvol metaforen en betekenisvolle details, een overvloed die niet altijd even geslaagd genoemd kan worden. Het beeld van de vleesvlieg, van de verwelkte bos bloemen, van de Armeense enclave Nagoro-Karabach, het motief van de spiegel en van de lucht, het dient allemaal om een falende relatie te beschrijven binnen een structuur die moet doorgaan voor een monoloog. Lamarche tuigt een literaire constructie op rondom het thema misbruik, maar de technieken die ze aanwendt doen afbreuk aan de waarachtigheid en uiteindelijk aan de impact van de vertelling. Het lijkt soms een poging het avant-gardistische proza van Marguerite Duras na te volgen, maar bereikt nooit dezelfde mate van poëtische kracht en sfeerschepping.

    Veelzeggend: het mooiste moment van Het geheugen van de lucht staat in feite los van de relatie die erin beschreven wordt. Het fragment wordt letterlijk aangeduid als een verhaal in het verhaal; de ik-persoon vertelt dit ‘om de dode vrouw wakker te maken’. In een winkelstraat ziet ze een jonge vrijwilliger, terwijl die voor een goed doel zogenaamde sterrenpoppetjes probeert te verkopen maar dat eigenlijk niet durft. Pas doordat ze hem aanspreekt en drie poppetjes afneemt, vat hij moed en probeert vervolgens andere voorbijgangers te veroveren met zijn koopwaar. De anekdote is eenvoudig en mooi. Helaas legt Lamarche vervolgens toch een rechtstreeks verband met Vantoen, die op vergelijkbare wijze kracht zou hebben geput uit de aandacht die de vrouw hem schonk. In het universum van Het geheugen van de lucht mag geen moment op zichzelf bestaan. De tekst is daardoor overladen, gemaakt en verstikkend.

    Het geheugen van de lucht is hier te bestellen.

     

  • De strijd tegen het fascisme, een getuigenis

    De strijd tegen het fascisme, een getuigenis

    In Spanje liet het fascisme al brutaal zien waar het op uit was, halverwege de jaren dertig van de 20e eeuw. De Spaanse burgeroorlog bleek een voorafschaduwing van wat er niet veel later te gebeuren stond in heel Europa. Boven alles was het echter een tragedie voor de Spanjaarden, die nog altijd doorwerkt. Arturo Barea maakte het mee en deed verslag, onder meer als radiostem in het belegerde Madrid, maar ook schrijvende. Een deel van zijn verhaal is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald. De slag verschijnt binnen de reeks ‘Kritische Klassieken’ van Uitgeverij Schokland (vertaling: Roland Fagel).

    Meesters en slaven

    De eerste pakweg honderd pagina’s van De slag spelen zich af voordat het geweld losbreekt, en ze laten zien dat de mechanismen die daartoe leiden niet veranderd zijn. Barea komt zelf uit de gegoede middenklasse, hij werkt op een octrooibureau in de Spaanse hoofdstad. Beroepshalve ziet hij dat rijken en machtigen, waaronder internationale bedrijven, het recht naar hun hand zetten en zich met speels gemak meester maken van de hulpbronnen en arbeidskrachten van het land. Op een dag wordt hij uitgenodigd om het nieuwste model vliegtuig te bekijken van de Duitse fabrikant Junker, waarbij hem zonder terughoudendheid gedemonstreerd wordt hoe er eenvoudig bommen gemonteerd kunnen worden op een passagiersvliegtuig.

    Barea betrekt in deze tijd, wanneer alles aan de oppervlakte nog rustig is, met zijn gezin een zomerhuis in het dorpje Novés, niet ver van de hoofdstad. De plaatselijke notabelen verwelkomen hem als één van hen, totdat blijkt dat hij er linkse sympathieën op nahoudt en net zo lief omgaat met de boeren en arbeiders uit de streek. De situatie staat al snel op scherp. Gedwongen tot een keuze voegt Arturo Barea zich bij het arme deel van de bevolking, degenen die altijd onder de duim gehouden zijn door een handjevol landbezitters. Hij organiseert een politieke bijeenkomst in het dorp waarbij socialisten, communisten en anarchisten, normaliter meer verdeeld dan samen optrekkend, zich presenteren aan het volk.

    Ondertussen beschrijft Barea in De slag ook steeds de overkoepelende ontwikkelingen, vooral dan uit Madrid. Hoofdstukken hebben titels als ‘Brandstof’, ‘Vonk’ en ‘Vlam’ en deze aanloopfase is eigenlijk het beste deel van het boek. Wat hier beschreven wordt is veel meer dan alleen een persoonlijk ervaringsverhaal, het heeft algemene zeggingskracht omdat het de voedingsbodem laat zien voor oorlog. Rechtse en linkse krachten lijken wel in twee gescheiden werelden te leven. Ze willen elkaar niet begrijpen of tegemoetkomen. Propaganda, politieke obstructie, angsttactieken, het was allemaal aanwezig in het Spanje van 1935, broeiend op grote ongelijkheid in bestaanszekerheid en economische kansen.

    Oorlog als proeftuin

    De geschiedenis ontrolde zich: links, verenigd in het Volksfront, behaalde een ruime verkiezingsoverwinning maar voordat een stabiele regering was gevormd braken er in het land garnizoensopstanden uit. De burgeroorlog is dan een feit. Hoewel je over de benaming burgeroorlog kunt twisten. Hitler en Mussolini verleenden immers in alle openheid militaire steun aan de opstandige generaal Franco. Daartegenover kon de democratische Republiek slechts rekenen op een paar wapenleveranties uit Mexico, gevechtsvliegtuigen uit de Sovjet-Unie en de heroïsche Internationale Brigades. De rest van de wereld hield zich stil en hoopte dat alles vanzelf over zou gaan.

    ‘Het beleg van Madrid begon in de nacht van 7 november 1936 en eindigde twee jaar, vier maanden en drie weken later – tegelijk met de oorlog’. In tegenstelling tot een groot deel van de gegoede burgerij ontvlucht Arturo Barea de stad niet. Hij maakt mee hoe vakbonden en politieke organisaties erin slagen om, nauwelijks bewapend, Madrid te ontdoen van opstandige legereenheden. Huiveringwekkend zijn de zuiveringen die de plaatselijke anarchisten vervolgens op touw zetten (‘een ritje maken’ in het jargon), niet veel onderdoend voor wat Franco’s falangisten aanrichten elders in het land. De pacifistische Barea besluit zich ondertussen nuttig te maken als perscensor van de democratische Republiek in Madrid. Wanneer de officiële regering naar Valencia vlucht, blijft hij op zijn post en moet hij, improviserend, een censuurstrategie uitstippelen. Dit alles in een belegerde stad waar het aan vers voedsel net zozeer ontbreekt als aan centrale regie.

    Zonder rugdekking

    Omdat Arturo Barea zich niet aansluit bij één van de grote politieke facties (communisten, socialisten en anarchisten) ondervindt hij weinig steun en kan een onvoorzichtigheid grote gevolgen hebben. Meermaals komt hij in de problemen, eerst alleen en later met zijn levenspartner Ilsa Kulcsar, een Oostenrijkse die als vrijwilliger naar Madrid afgereisd is. Beiden stellen zich onafhankelijk op van de diverse ideologische doctrines en worden bijgevolg door iedereen gewantrouwd. In dit mijnenveld kan Arturo Barea alleen zeggen wat hij op zijn lever heeft als ‘de stem van Madrid’, een dagelijkse radio-uitzending waarin hij de wereld vertelt wat oorlog betekent voor gewone mensen.

    Door de bombardementen en de constante dreiging loopt Barea een vorm van shellshock op. Hij beschrijft het voorval van een onontplofte granaat waarin een briefje wordt aangetroffen, afkomstig van een Duitse arbeider die zijn solidariteit uitspreekt met het Spaanse volk: de projectielen die deze onbekende fabriceert zijn onschadelijk. Helaas ontploffen de meeste granaten wel en ook de werkplek van Ilsa en Arturo, de Telefónica, het hoogste gebouw van Madrid, is verre van veilig. Daarbij komen dan nog de machinaties van verschillende personen die de schrijver vijandig gezind zijn en een verstikkende bureaucratie, waardoor het uiteindelijk onmogelijk blijkt om in Spanje te blijven.

    Inzichten van een ooggetuige

    Arturo Barea vlucht samen met Ilsa Kulcsar naar Frankrijk, het land dat net als Groot-Brittannië weigert om de Spaanse Republiek te hulp te schieten of zelfs maar wapens te leveren, uit angst voor de toorn van Hitler en Mussolini, die wél ongestoord hun oorlogsmaterieel uittesten. Barea analyseert: ‘Spanje had slechts twee uitwegen: aan de ene kant de afgrijselijke hoop, zelfs nog gruwelijker dan wanhoop, dat er toch oorlog in Europa zou uitbreken, wat een van de andere landen zou dwingen tot interventie tegen Hitler-Duitsland. De andere uitweg was onszelf opofferen zodat andere landen tijd konden winnen om zich voor te bereiden. […] In beide gevallen dienden we de prijs te voldoen in ons eigen bloed, in de pasmunt van de barbaarse vernietiging van ons eigen grondgebied.’ Dit soort bespiegelingen duikt geregeld op. Arturo Barea had contacten in allerlei geledingen van de Spaanse samenleving en kan dus een gedegen beeld geven van wat er gebeurde. Ook met sommige priesters onderhield hij vriendschapsbanden (terwijl de katholieke kerk ondubbelzinnig verbonden was aan politiek rechts en aan Franco). Indringend fulmineert hij tegen de fascistische ‘doodgravers’ en ‘slavenmeesters’, representanten van een kaste die Spanje al eeuwenlang regeren, louter om hun eigen belangen te dienen. Tegelijk sluit hij ook zijn ogen niet voor de baantjesjagers die de communistische partijrangen domineren, of voor de schadelijke intriges en nutteloze papiermolen binnen de democratische regering. Hij maakt de geopolitieke onmacht van de Sovjet-Unie inzichtelijk, net zo goed als de funeste misrekening van de Westerse democratieën.

    Solidariteit over de grens

    Zo blijft De slag voortdurend variëren tussen persoonlijke belevenissen en het grotere verhaal van de antifascistische strijd. Dit laatste is het meest interessant, want voor privébesognes rondom een vroegere minnares zal niemand het boek oppakken. Arm en uitgeblust bevindt de schrijver zich in de slotalinea’s op de boot naar Engeland, waar hij zijn herinneringen zal uitwerken en publiceren. Niet in het Spaans maar in het Engels, vertaald door Ilsa Kulcsar. Tegen twee Franse arbeiders die hij onderweg tegenkomt spuwt Barea zijn gal: ‘Zijn jullie Fransen blind of hebben jullie de vrijheid al opgegeven?’. Het antwoord ligt in lijn met de Duitse fabriekswerker die briefjes aan zijn granaten toevoegde en geeft toch weer een sprank hoop: ‘O nee, wij vechten. De ánderen vechten niet. […], vertrek niet bitter uit Frankrijk. Wij strijden nog samen.’

  • Over rattenvangers en dwangwilligen

    Over rattenvangers en dwangwilligen

    De term ‘dwangwillige’ vat treffend het leven samen van de hoofdpersoon uit De reparatie van de wereld. Georg Kempf representeert de man op straat die door de ideologieën van zijn tijd opgetrommeld wordt, om nu eens te dansen naar de pijpen van de één en dan weer die van de ander. Zijn lot is te leven ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Centraal-Europa.
    De Kroatische schrijver Slobodan Šnajder (1948) brak met De reparatie van de wereld internationaal door. Pas het afgelopen decennium legde hij zich toe op romans, terwijl hij al sinds 1966 toneelteksten en korte verhalen publiceert in zijn thuisland. Voor de Nederlandse vertaling van het boek zorgde Roel Schuyt, een bijzonder veelzijdige vertaler, die reeds een keur aan Balkanliteratuur toegankelijk maakte.

    Rijkgeschakeerd

    De reparatie van de wereld schetst een weids panorama van Centraal-Europa halverwege de vorige eeuw. Het is een rijk boek. Soms hult het zich in de gedaante van een geschiedenisles, een andere keer draagt het de trekken van een sprookje, dan weer neigt het naar licht experimenterend vertellersproza. In elk geval kan dit boek niet worden gezien als een traditionele historische roman of een familiesaga, en wie er op die manier aan begint zal bedrogen uitkomen. De belangrijkste verteller is de zoon van de protagonist. Hij vervult een opvallende rol. Niet alleen zet deze vertelinstantie vanuit de coulissen de schijnwerpers op het leven van zijn vader, Georg Kempf, ook duikt hij zelf meermaals op, onder andere als ongeborene. Hierover later meer.

    Gejaagd door de wind

    De Kempfs zijn een familie van zogeheten Zwabische Duitsers, woonachtig in het huidige Kroatië: hun stamvader zocht in de 18e eeuw zijn economische geluk elders, en vertrok van het Duitse platteland naar ‘Transsylvanië’. Deze aanduiding staat bij Šnajder voor een metafysische plaats. Transsylvanië is (in dit boek) nu eens Jeruzalem, dan weer de Goelags. Het gaat om een verre en mythische plek, soms voorgesteld als het beloofde land, een land van melk en honing, maar waar het leven uiteindelijk even hard blijkt als elders, zo niet harder. Gewone mensen worden telkens weer op pad gestuurd door figuren die de trekken dragen van de rattenvanger van Hamelen, die als verleidingskunstenaar in verschillende gedaantes optreedt gedurende de eeuwen. Hitler en Stalin behoren tot zijn meest grimmige verschijningsvormen. Transsylvanië staat voor het grootse idee dat volkeren in beweging brengt maar ook voor de teleurstellende realiteit die er vaak achter schuil gaat. De rattenvanger is de betoverende volksmenner die het idee verkoopt. Zowel het individu als de massa’s worden op deze manier op de been gebracht, een rode draad in Šnajders vertelling. Het raakt nauw aan één van de hoofdthema’s van het verhaal: de mens is een speelbal van de omstandigheden. Ook wie zelf niet in de val van de listige fluitspeler trapt, wordt toch meegevoerd ‘als een paardenbloempluisje door de wind van de geschiedenis’. De reparatie van de wereld presenteert historische gebeurtenissen dus tegen de achtergrond van een gruwelijk sprookje.

    Opgedrongen identiteit

    De 18e-eeuwse voorvader van de Kempfs belandt na een reis vol ontberingen op zijn bestemming in Slavonië, een Kroatische landstreek. Het gaat zijn nakomelingen aanvankelijk goed en Georg voelt zich er thuis, totdat de Nazi’s in Duitsland aan de macht komen en de Tweede Wereldoorlog ontketenen. Vanaf dan krijgt Georg Kempf een nationale identiteit aangemeten, die hem niet past: hij is ineens een ‘Volksduitser’. Dit keurslijf van de ideologische identiteit is het tweede grote thema van het boek. Na de oorlogsjaren schrijft de hoofdpersoon een zelfkritiek, een bekentenis, die hij echter meteen weer verbrandt: ‘[…] ik zou graag het gevoel hebben ergens bij te horen, zonder mezelf daarvoor te hoeven forceren. Als ik dat wel moet, zullen mijn twijfels sterker zijn dan het gevoel ergens bij te willen horen. Wel weet ik goed dat de eenzame getuigen van belangrijke gebeurtenissen en grote maatschappelijke omwentelingen altijd de achterdocht wekken van hen die meer weten.’

    Terwijl de oorlog zich voor Duitsland ongunstig ontwikkelt, strekt de gewapende SS de grijpgrage handen naar Georg uit, die het stempel ‘freiwillige Gezwungene’ krijgt. Dwangwillige dus in de volksmond. Hierdoor rolt hij rond 1943 zijn ‘kleine Poolse oorlog’ in. Overigens strijdt Kempf niet alleen voor de Duitsers. Na enige tijd deserteert hij en nog wat verderop treedt hij toe tot een partizanengroep onder Sovjet-commando, wederom zonder eigen ideologische overtuiging.
    Na de oorlog verdwijnen de opgelegde identiteiten niet, integendeel; Georg kan nooit het persoonlijke en publieke leven leiden dat hij eigenlijk wil. Dat geldt overigens ook voor zijn latere vrouw Vera, zelf een communiste in hart en nieren. Allebei staan ze onder het waakzaam oog van Stalin en Tito maar ook van hun omgeving en hun eigen geweten. Het najagen van persoonlijke dromen of het kiezen van een eigen levenspad, daarvoor is geen ruimte.

    Hybride insteek

    Een opvallend vormelement van het boek is de afstandelijke toon waarmee de gebeurtenissen worden beschreven. De verteller, zelf behorend tot de tweede generatie (vanaf de oorlog) en dus niet gevangen binnen hetzelfde decors als zijn vader, meet zich een licht ironische stem aan en relativeert het verhaalde met veelvuldige interrupties. Psychologisch wordt Georg Kempf eigenlijk weinig ingekleurd en hij voelt daardoor niet aan als een traditioneel romanpersonage. Zijn persoonlijke lot blijft ook in de tekst ondergeschikt aan de hem toebedeelde rol, namelijk de lezer door de geschiedenis loodsen. Hij representeert de gewone man in ongewone omstandigheden. Deze insteek geeft Šnajder tevens de ruimte om allerlei historische feitjes op te nemen in het relaas. Aanvankelijk kan dit onbeholpen overkomen en lijkt het alsof de auteur nogal opzichtig non-fictie bedrijft in romanvorm. Geleidelijk echter blijkt deze benadering iets nieuws op te leveren, een wijze van vertellen die tegelijk een historisch tijdsbeeld biedt vol accurate details maar daarnaast ietwat experimenteel ingestoken literaire fictie is. Juist het samenspel ervan geeft Šnajders proza aantrekkingskracht. Eén van de mooiste voorbeelden vormen de kaderteksten halverwege het boek. Daarin geeft de verteller vanuit de zijnstoestand van ongeborene, parallel aan de hoofdtekst, commentaar op de wederwaardigheden van zijn potentiële vader en moeder. Šnajder gebruikt hier dus twee vertelframes tegelijk, waarbij de lezer de volgorde van lezen bepaalt. Dit geeft een heel fraai effect. Nog mooier wordt het in het schitterende slot, wanneer de auteur diverse doden een woordje laat meespreken rondom het graf van Georg Kempf.

    Heelwording

    Tegen het einde van zijn leven gaat de hoofdpersoon zichzelf zien als ‘iemand die in alle opzichten tekortschiet’. Onder Hitler noch onder Stalin voldoet hij aan de verwachtingen. Zijn vlak na de oorlog gesloten huwelijk met Vera, waarnaar vurig werd toegeleefd door de ongeboren verteller uit de kaderteksten, loopt binnen een paar jaar al stuk. Na de echtscheiding begeven man en vrouw zich allebei naar een andere gaarkeuken om te lunchen. Van Georgs wens om te dichten komt weinig terecht, het blijft aanmodderen in de marge. Een onvervuld en onopvallend leven dus, van een individu dat zich staande probeert te houden in een wereld waarop hij geen vat krijgt. Hierover gaat de titel van het boek. ‘De reparatie van de wereld’ verwijst naar een Joods idee: herstel van de schepping vindt plaats wanneer de vonken van licht, nu opgesloten in alle afzonderlijke mensenwezens, zich weer verenigen tot de oertoestand van het Ene en Enige licht. Kempf krijgt deze theorie uitgelegd door zijn vriend Mordechai, iemand die hij ontmoet terwijl ze achter de linies zwerven in Polen. Wrang genoeg wordt deze Joodse theosoof kort daarop doodgeslagen door een lokale roversbende. Alle partijen, op de Russen na, hadden het op de Joden gemunt, constateert de verteller droog. George Kempf overleeft de oorlog wel maar bereikt nooit een staat van heelheid. Met dit panoramische boek brengt Slobodan Šnajder een ode aan de gewone man, die steeds maar weer als gedwongen vrijwilliger op het toneel van de geschiedenis wordt geplaatst.

     

     

  • De autobiografische roman als therapie

    De autobiografische roman als therapie

    Tot degenen die zich al schrijvende proberen te verhouden tot het milieu waaruit men komt, behoort ook Philip Snijder. Vaak gaat het om de afkomst uit een beknellende omgeving, bijvoorbeeld een religieuze gezindte. Bij Snijder vormt een volksbuurt in hartje Amsterdam het decor. In Het smartlappenkwartier staat de moeder centraal: Bep van het Bickerseiland. Eerder werk van Philip Snijder (1956), door zijn uitgever omschreven als ‘autobiografisch gevoede fictie’, zoomt in op vader (Het geschenk) en zus (Bloed krijg je er nooit meer uit).

    Naast haar bezigheden als vreugdeloze huisvrouw brengt ze op volwassen leeftijd vooral veel tijd door in haar ouderlijk huis, te midden van elf broers en zussen die allemaal zijn blijven hangen rond dezelfde geboorteplek. Men wisselt nieuwtjes uit en herhaalt eindeloos familieverhalen, terwijl de (klein)kinderen met liefdeloze hand ingetoomd worden. Gedurende haar jeugdjaren bracht Beppie enige tijd door buiten deze beperkte biotoop, namelijk in een tuberculose sanatorium, samen met haar moeder. Dit zal altijd haar gelukkigste herinnering blijven. Maar, nadien moest ze ‘terug naar het gekift en gesnauw, naar het schelden, schreeuwen, porren, knijpen en knokken, naar de snee brood die zomaar voor je bijna toehappende mond kon worden weggegraaid door een schaterende broer of een vals grijnzende zus.’

    Schaamte voor eigen afkomst

    Het smartlappenkwartier opent wanneer Bep, inmiddels zelf moeder, de deur uit stapt en haar gezin verlaat, waaronder haar 16-jarige zoon, de ik-persoon. Bij hem brengt dit een stroom van gedachten en herinneringen op gang, afgewisseld met passages in het vertelheden waarin hij zijn moeder probeert terug te vinden. Snijder neemt geen blad voor de mond. Het boek is nietsontziend als het de haat beschrijft die de zoon voelt voor zijn moeder. Dit gaat zelfs zover als fantasieën over brute mishandeling. De puber schaamt zich voor haar simpelheid, voor haar lichaam, voor het leven dat ze leidt. Hij is boos op haar gebrek aan liefde. Moederliefde heeft hij alleen ervaren op de momenten dat ze, voor het slapengaan, bij hem op bed liggend smartlappen uit het klassieke repertoire van het Amsterdamse Bickerseiland zong. De boektitel is hieraan ontleend, en geeft dus zowel een tijds- als een plaatsaanduiding.

    In de speurtocht naar zijn verloren moeder ontdekt de ik-figuur een betekenisvol element van haar leven waarvan hij niets wist. Dit geeft haar een onvermoede emotie en zelfs diepgang. Acceptatie volgt niet direct, wel wint Bep hiermee haar autonomie terug. Ze wordt voor de zoon een handelend subject. Snijder komt aan het slot van zijn boek terug bij het beeld van een moeder en kind die, samen in bed liggend, lief en leed delen, maar nu heeft de zoon de puberleeftijd en kleeft er een seksuele, Oedipale lading aan. Op het gebied van originaliteit kan je hiermee geen prijzen meer winnen en het komt bedacht over; een literaire afronding uit het boekje.

    Persoonlijke verwerking

    De Nederlandse literatuur kent beslist geen gebrek aan romans met dezelfde insteek als het werk van Philip Snijder. Nu eens is het een verwerking van de jeugdjaren, dan weer een afrekening daarmee. Soms is de toon verwijtend of spottend, dan weer voorzichtig liefdevol, de ene keer gaat het om een totale afwijzing van het ouderlijk huis en de andere keer om een aarzelende aanvaarding; keuze op dit vlak is er ruimschoots. De vraag die hierbij altijd weer speelt is of er iets publieks gedestilleerd wordt uit het persoonlijke. Is het literatuur, échte literatuur die tijd en plaats overstijgt, of is het misschien in de eerste plaats een therapeutische expressie voor de auteur? Natuurlijk, een prozastijl wordt gehanteerd, er zijn motieven en een literaire vorm, maar toch, waar is de algemene zeggingskracht?

    Vaak ontstaat die bredere betekenis als er enige afstand wordt genomen tot het materiaal. Kijk bijvoorbeeld naar de ‘Napolitaanse romans’ van Elena Ferrante, waarin literatuur wordt gemaakt van het opgroeien in een volksbuurt. Bij Ferrante gebeurt dat vanuit fictieve personages met een eigen persoonlijkheid, die niet volkomen samenvallen met wat de auteur daadwerkelijk heeft beleefd. Dit rekt hun reikwijdte enorm op: wat de jeugdvriendinnen uit Napels doormaken, resoneert bij lezers over de hele wereld.  Het smartlappenkwartier wekt de indruk vooral de lens van de herinnering te hanteren, niet die van de artistieke creatie, en dat beperkt de waarde van het boek fundamenteel. De verwerking lijkt nog gaande te zijn en deze 220 pagina’s getuigen daarvan.

     

     

     

  • Tweemaal delven in een literaire niche

    De nutteloze monden

    Een filosofisch getoonzet toneelstuk en een met de vertelvorm experimenterende novelle, het zijn nogal verschillende teksten waarover het hier gaat. Beiden verschenen in de ‘Franse reeks’ van uitgeverij Vleugels dat in ons taalgebied het platform vormt voor exclusieve, vertaalde Franstalige literatuur uit de 20e eeuw. De nutteloze monden van Simone de Beauvoir en De gefnuikte roeping van Pierre Klossowski worden opgenomen in een rij werken van klinkende namen: André Gide, Paul Válery, Marguerite Duras en Guillaume Appolinaire, om er een paar te noemen.

    Eten of gegeten worden

    Simone de Beauvoir is een gevestigd schrijver en filsoof, maar haar toneelstuk De nutteloze monden geniet geen grote bekendheid. Het werd opgevoerd in het najaar van 1945 en zou haar enige toneelwerk blijven. Voor de Nederlandse vertaling tekende Eva Wissenburg, die ook een lezenswaardig nawoord schreef. De setting is een Vlaams stadje in de 14e eeuw, Vaucelles, maar het stuk valt niet los te zien van de oorlogsjaren die net ten einde waren en met name van de Jodenvervolging. De middeleeuwse bevolking van Vaucelles is in opstand gekomen tegen onrechtvaardige heersers en hoge belastingen. Bestuurd door een stadsraad probeert men een nieuwe samenleving op te bouwen, met democratische trekken. Vanzelfsprekend laten de oude machtsstructuren dit niet zonder slag of stoot gebeuren en daarom wordt de stad belegerd. Naarmate het voedsel schaarser wordt, loopt de spanning in Vaucelles op.

    Voor de kern van het plot liet De Beauvoir zich inspireren door een historisch fenomeen, beschreven in middeleeuwse teksten, namelijk dat in tijden van beleg soms een deel van de bevolking als ‘nutteloze monden’ de stadspoort werd uitgezet. Door middel van een handvol personages belicht de Franse filosofe de verschillende ethische kanten hiervan, waarbij individuele vrijheid maar ook het vraagstuk van handelen versus niet-handelen belangrijke thema’s zijn. Voor elk ingewikkeld probleem bestaat een simpele oplossing, en die is fout, dat is gechargeerd gezegd de vuistregel die opdoemt. Deze sterk morele insteek vormt zowel de kracht als de zwakte van de vertelling. Enerzijds zijn de filosofische overpeinzingen interessant, anderzijds blijven de personages en het verhaal te schematisch, omdat ze in dienst staan van de ideeën die Simone de Beauvoir naar voren brengt.

    Dilemma’s goed invoelbaar

    Toch hebben met name de karakters van Jean-Pierre en Catherine, die zich beiden verzetten tegen het besluit van de stadsraad om de helft van de bevolking op te offeren, de nodige ambivalentie en hun dilemma’s zijn goed invoelbaar. Het gaat bij hen zeker niet alleen over abstracte zaken maar bijvoorbeeld ook over menselijke relaties en het ruimte geven aan de ander. Neem Jean-Pierre wanneer hij zijn geliefde beschrijft: ‘“Clarice is anders dan u. Ze is een vreemdelinge in deze wereld en verwacht niets van de toekomst. Voor haar is het genoeg om zichzelf te zijn. Ik hoef niets van haar te hebben en heb haar niets te geven”’.

    De positie van Catherine, echtgenote van de voorzitter van de raad, doet wat denken aan die van het personage Serena uit The Handmaid’s Tale (met name in het tweede seizoen van de tv-serie); zij heeft zich eveneens verbonden aan een man van wie ze moreel en qua intelligentie de meerdere is, maar staat vervolgens zelf met lege handen. Heel wat fraaie, korte scènes en dialogen komen voorbij in De nutteloze monden, bijvoorbeeld het begin van hoofdstuk één, vol honger en verveling, en twee waarin stadsbewoners elkaar beschuldigen van het eten van stro. Veel aardser wordt het niet, wat een mooie contrastwerking geeft met al het gefilosofeer later. De verschillende personages strooien intussen met uitspraken om over door te denken, zoals deze vraag van Jean-Pierre aan zijn lief: ‘“Sinds wanneer geloof jij in woorden?”’

     

     

    De nutteloze monden
    Auteur: Simone de Beauvoir
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    De gefnuikte roeping

    Voer voor promovendi

    Pas echt obscuur wordt het bij Pierre Klossowski en diens novelle De gefnuikte roeping. Liehebbers van niche literatuur kunnen hun hart ophalen. Een rariteit vormt direct de expositie, dat het genre van de religieuze literatuur analyseert. Dit gebeurt op zo’n complexe manier dat de tekst na een paar pagina’s al niet meer au sérieux kan worden genomen: de schrijver stuurt je welbewust het bos in. De hele novelle blijkt een geparafraseerde samenvatting van een, zogenaamd, anoniem werk waarop de verteller de hand heeft weten te leggen. Dankzij deze opzet lees je nooit rechtstreeks over protagonist Jerôme en zijn zoektocht langs de katholieke instituten, maar altijd vanuit een metaperspectief. Wanneer er al iets gezegd wordt door de personages dan gebeurt dat als een citaat, met vaak vertellerscommentaar erbij. Belangrijke bouwstenen van de traditionele roman, personages en verhaal, verdwijnen op deze manier naar de achtergrond ten faveure van de vertelwijze. Daarom kan dit werk van Pierre Klossowki uit 1950 misschien wel als een vroege uiting van de Nouveau roman worden gezien. Net als in De Beauvoirs De nutteloze monden speelt het Derde Rijk op de achtergrond een rol, gerepresenteerd via ‘De inquisitiepartij’.

    Wie de moeite neemt ontdekt daarnaast vermoedelijk heel wat literaire theorie en intertekstualiteit bij Klossowski, maar je kan de vraag stellen of dit voor de algemene lezer werkelijk zo boeiend is. De gefnuikte roepinglijkt vooral interessant voor essayisten en promovendi. Vertaler Katelijne de Vuyst helpt het publiek wel met een vrij uitgebreide verklaring achterin en ook de beperkte omvang van het werkje – zo’n 70 pagina’s telt het – moet geen belemmering vormen.

    Van de twee besproken werken zal de toneeltekst van De Beauvoir waarschijnlijk het grootste publiek trekken, niet ten onrechte, want het is een interessant stuk. De belangstelling voor Simone de Beauvoir lijkt de laatste jaren gestaag toe te nemen. Zeer recent nog kwam een niet eerder verschenen autobiografische roman van haar uit, De onafscheidelijken. Pierre Klossowski valt echt in de categorie van de verworven smaak. Werk zoekt lezer, en dan vooral degenen die bereid zijn hun literaire vleugels flink uit te slaan.

     

     

    De gefnuikte roeping
    Auteur: Pierre Klossowski
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels (2020)
  • Surfen in plaats van duiken

    Surfen in plaats van duiken

    De Oostenrijkse kinderpsychiater Paulus Hochgatterer bevindt zich als arts-schrijver in het goede gezelschap van onder meer Anton Tsjechov, Simon Vestdijk en Pío Baroja. In Nederland kreeg hij enige bekendheid met het boek De dag dat mijn grootvader een held werd. Daarnaast schreef hij in een tijdspanne van bijna 15 jaar een drietal romans waarin een vast duo figureert, Kovacs en Horn, respectievelijk rechercheur en psychiater van beroep. De zwarte klok is de tweede uit de reeks en kan overigens ook prima op zichzelf worden gelezen.

    Een seriemishandelaar

    Hochgatterer (1961) lijkt met name door Duitse critici ruimhartig lof te worden toegezwaaid. Mogelijk speelt mee dat de Duitstalige literatuur aan relevantie heeft ingeboet na het wegvallen van de oorlogsgeneratie. Met bijvoorbeeld Judith Schalansky en Juli Zeh weet de jongere lichting schrijvers het gat nog niet te vullen dat Lenz en Grass en eerder al Böll en Frisch hebben nagelaten. Ook Hochgatterer slaagt daar niet in. De zwarte klok (vertaling door Gerrit Bussink van Das Matratzenhaus, 2010) boort nergens een niveau aan dat voorbij de oppervlakte van de tekst ligt. Het is een roman met veel personages, meerdere verhaallijntjes en aan het einde wordt alles aan elkaar geknoopt, een beproefd maar nogal bloedeloos concept.

    Kovacs ziet zich als rechercheur geconfronteerd met een mysterieuze serie mishandelingen van kinderen. Dat wil zeggen, de kinderen vertellen dat ze geslagen werden door ‘een zwarte klok’, veel meer laten ze niet los. Horn ondertussen heeft naast zijn werk in een psychiatrische kliniek diverse gezinsbeslommeringen aan het hoofd. Beide heren zijn archetypes: de mismoedige Kovacs, die zich aan niemand veel gelegen laat liggen, lijkt weggelopen uit een Scandinavische politieroman en Horn kan als cynische psychiater zijn eigen zoon niet uitstaan, dat sprankelt evenmin van originaliteit. Naast dit tweetal zijn er trouwens nog meer personages van belang, want De zwarte klok bevat ook hoofdstukken waarin een lerares en een jong pubermeisje worden gevolgd. Vier verschillende invalshoeken dus en vanuit alle vier komt een zwik namen en figuranten voorbij, vaak met een korte beschrijving van enkele (uiterlijke) kenmerken. Interessant is dat nauwelijks omdat niemand van hen reliëf krijgt. Hochgatterer plakt het allemaal aan elkaar met veel dialogen, zonder dat hij stilistisch iets bijzonders weet te brengen.

    Oppervlakkig vertelprocedé

    Het mysterie van De zwarte klok (of eigenlijk van Het matrassenhuis, de originele titel is niet overgenomen in de Nederlandse uitgave) heeft alles te maken met kinderporno van het ergste soort. Hochgatterer beschrijft dit nergens heel expliciet maar hij blijft er ook niet van weg. Verstoorde of op z’n minst gemankeerde relaties zijn in dit boek alomtegenwoordig. Het lijkt er daarbij soms meer op dat de auteur zijn territorium afbakent dan dat de beschreven problematiek  inzichtelijk wordt gemaakt vanuit het romankader. De zwarte klok schetst geen optimistisch mensbeeld, zoveel mag duidelijk zijn. Wellicht staat de zichzelf geen illusies makende Raffael Horn niet ver af van Paulus Hochgatterer.

    De kurk waarop de leeservaring drijft moet de structuur van de roman zijn, enerzijds doordat de verschillende gezichtspunten op elk hun eigen wijze het mishandelmysterie geleidelijk onthullen, anderzijds omdat het bevredigend is om toe te werken naar het verband tussen de vertellijnen. Dit is hier echter niet meer dan een procedé. De manier waarop Hochgatterer deze schrijftechniek gebruikt, leidt er vooral toe dat het verhaal constant over de oppervlakte blijft scheren en nooit de diepte in gaat. Weinigen zullen zich een dag na het omslaan van de laatste pagina’s nog de namen herinneren van Kovacs’ dochter of de zoon van Horn, die beiden toch geen onbelangrijke rol spelen. Het beeld dat wordt opgeroepen in de suggestieve passages over seksueel kindermisbruik blijft waarschijnlijk langer hangen, maar dan als tekstuele oorwurm. Op z’n best kan ‘Kovacs & Horn 2’ een makkelijk leesbaar tussendoortje worden genoemd. Daarmee hoeft op zichzelf niks mis te zijn, ware het niet dat de zware thematiek van dit boek ieder luchthartig vermaak in de weg staat.

     

  • Er staat veel op het spel in de verhalen van Stefan Zweig

    Er staat veel op het spel in de verhalen van Stefan Zweig

    In 1942 publiceerde Stefan Zweig zijn laatste en beroemdste verhaal, Schaaknovelle. Datzelfde jaar voltooide hij zijn memoires en aansluitend pleegde hij samen met zijn vrouw zelfmoord. Uitgave van de novelle vond plaats in Buenos Aires, waarnaar ook de personages uit het verhaal per oceaanstomer op weg zijn en waarheen de schrijver zelf was uitgeweken terwijl de Nationaal-Socialisten de ‘wereld van gisteren’ en zijn droom van een verenigd Europa aan diggelen sloegen. Alle ingrediënten die Zweig tot een geliefd schrijver maken zijn in dit krachtige werkje aanwezig: een gedegen plot, sterke contrasten en veel psychologische spanning. Ria van Hengel vertaalde het opnieuw en plaatste het helemaal achteraan in een verzameling van 18 bekende en minder bekende korte verhalen van de Oostenrijkse succesauteur.

    Aan zet

    Opvallend veel teksten laten zich lezen als een schaakspel, een mentale krachtmeting tussen twee of meer opponenten. De handeling bestrijkt bijna zonder uitzondering een scharnierpunt in het leven van de beschreven personages. Dit geldt bijvoorbeeld meteen al voor het eerste stuk, ‘De gouvernante’, waarin Stefan Zweig een tweetal jonge kinderen ruw laat kennismaken met de hardvochtige wereld der volwassenen. Op een complexere manier doet hij dat later nogmaals in ‘Brandend geheim’, een echt coming-of-age verhaal over een jongen die de strijd aanbindt met de man die zijn moeder wil verleiden. Het kind ziet alles op het spel gezet; moederliefde, zijn wereldbeeld en de onbezoedelde toekomst, en hij vecht met een verbetenheid waaraan het de volwassenen ontbreekt. Zoals vaak bij Zweig culmineert de worsteling in een nieuwe geestelijke balans, die een rijker maar eveneens duurzamer gevoelsleven mogelijk maakt.

    Naast inhoudelijke overeenkomsten tussen de diverse stukken, geschreven in een tijdsbestek van ruim veertig jaar, is ook de stijl van Stefan Zweig heel consistent. Dit zit onder meer in het barokke taalgebruik, dat soms passend maar soms ook wat ‘too much’ is. Zoals hier: ‘En toen is die knaap de hoge kasteeltrap weer afgegaan naar de tuin, die donkere kring waar de hemel matglanzend omheen ligt als een aureool en waar een volle, door vele onzichtbare bloemen uitgeademde geur hem lokkend tegemoet trilt (uit ‘Verhaal in de schemering’). De beelden die worden gebruikt, bijvoorbeeld om de natuur te beschrijven, zijn accuraat maar een tikje uitgesleten. Zweig gebruikt vrij veel woorden en moduleert weinig in het tempo waarin een plot zich ontwikkelt. Qua structuur gaat het meer dan eens om een verhaal in een verhaal of raamvertelling, maar een experimenterend karakter krijgt de vertelwijze nooit.

    Onbeantwoorde liefde

    Door de thematische en stilistische verwantschap binnen de verzameling laat Fantastische nacht en andere verhalenzich lezen als variaties op een thema, met een opmerkelijk constante kwaliteit. Binnen dit aangename landschap is ‘Brief van een onbekende’ één van de beste stukken. Het heeft een eigen reputatie, mede door de klassieke verfilming van Max Ophüls (Letter from an unkown woman, 1948). Een man ontvangt een brief waar als opdracht boven staat; ‘Voor jou, die mij nooit gekend heeft’. Hij pakt de brief op en de lezer leest rechtstreeks mee.

    Aan het woord is een vrouw die in haar vroege puberjaren verliefd wordt op de nu aangeschreven man en hem haar hele leven trouw blijft. Hij heeft haar nooit herkend als degene die hij een vriendelijke blik schonk, noch de grootsheid van haar gevoelens nadien gepeild. Zonder wrok schrijft ze haar levensverhaal op en lucht ze haar hart, deze ene keer en louter op papier. Het beschreven fenomeen doet wat denken aan de Bieber-mania die menig tienermeisje de afgelopen jaren in z’n greep had. (Het achttienjarige popicoon Billie Eilish, inmiddels zelf een aanbeden superster en nog met reden ook, was zo’n meisje. Ze vertelt daarover dat dit voor haar een reële liefde was, die ze als perfect heeft ervaren zonder dat ze Justin Bieber ooit sprak of ontmoette.) De onbekende briefschrijfster kwam haar liefdesideaal wel in levenden lijve tegen, maar wachtte vergeefs op (h)erkenning. Deze vrouw bracht het ene offer na het andere en zette zichzelf uiteindelijk schaakmat in een voor haar opponent onzichtbaar gebleven partij. Ook na het uitlezen van de brief herinnert de man zich de vrouw niet.

    De gehele verzameling van Fantastische nacht en andere verhalen overziend wekt het geen verbazing dat Stefan Zweig, zelf zo geworteld in het eerste deel van de 20e eeuw, nog steeds een geliefd auteur is. De korte verhalen die hij schreef zijn zeer toegankelijk en gaan over situaties die er echt toe doen in een mensenleven, momenten die om een beslissende zet vragen. Intense emoties of ervaringen worden ontrafeld en zo gepresenteerd dat ze, al is het maar als concept, herkenbaar zijn. Een literaire vernieuwer was Zweig niet en hij bespeelt vooral stilistisch een beperkt register, wat des te duidelijker wordt wanneer de achttien verhalen in deze fraaie uitgave achter elkaar worden gelezen. Toch blijven ook dan pareltjes als ‘Brief van een onbekende’ en ‘Schaaknovelle’ indruk maken.

     

     

  • Onafwendbaar onheil

    Onafwendbaar onheil

    Er komen diverse fantasiewoorden voor in Daisy Johsons debuutroman, zoals ‘sjeesjtijd’, ‘sproenken’ en ‘harpiedoedel’.  Een grote rol speelt ‘de Bonak’, die staat voor datgene waar we bang voor zijn. Is de Bonak een reële dreiging of creëren wij zelf het gevaar?

    De Britse auteur Daisy Johnson (1990) won met haar verhalenbundel Veenland uit 2016 direct diverse prijzen en was twee jaar later een van de jongste genomineerden voor de Man Booker Prize met Onder het water, nu vertaald door Callas Nijskens. Deze roman stopt mythologische angsten in een modern jasje. Het verhaal van Gretel, die de hoofdpersoon is maar toch een buitenstaander blijft bij het drama dat zich onder haar neus heeft afgespeeld, fungeert als omhulsel voor oeroude thema’s.

    Opdiepen en terugroepen

    Eén van de troeven van het boek is de manier waarop informatie over de personages slechts geleidelijk onthuld wordt. Het begint allemaal lichtjes verwarrend en voordat je iedereen bij naam kent en de onderlinge relaties begrijpt ben je al een goed eind op weg in de roman. Johnson reikt een leeswijzer aan door middel van de hoofdstuktitels, die zich telkens herhalen: ‘De rivier’, ‘Het huisje’ en ‘De jacht’. Onder de noemer ‘Het huisje’ vallen die gedeelten waarin Gretel terugkijkt. Ze spreekt haar moeder aan, die ze na jaren van afwezigheid heeft teruggevonden maar die nu schijnbaar kampt met een vorm van alcoholdementie. ‘Het vertellen van jouw verhaal lijkt eerder een daad van opdelven dan van simpelweg vastleggen. Er zijn momenten dat je stilletjes luistert. Er zijn momenten dat je me onderbreekt en dat onze twee vertellingen zich verweven, samenvallen.’

    Gretel zit eerst en vooral met de vraag waarom ze op zestienjarige leeftijd werd achtergelaten door haar moeder Sarah. Terwijl de twee altijd samen waren opgetrokken, vooral in de tijd dat ze op een woonboot aan de rivier woonden, zonder bemoeienis van buitenaf. Zelfs de taal waarmee Gretel opgroeide was er een die niemand anders sprak, vol vreemde, verzonnen woorden, een taal die Sarah haar meegaf. Deze moedertaal isoleerde haar van de buitenwereld. Wellicht is het overcompensatie dat Gretel, inmiddels volwassen, nu woordenboekdefinities herschrijft en zich zo in dienst stelt van de officiële, door iedereen erkende wijze van uitdrukken.

    Oog in oog met de mythe

    Geleidelijk aan blijkt dat de langdurige verdwijning van Sarah in verband staat met een derde personage, Marcus. Deze Marcus woonde ooit gedurende een maand op de woonboot bij Gretel en Sarah. Het was tijdens een winter waarin andere rivierbewoners een voor een hun standplek verlieten omdat de omgeving niet langer veilig leek. Iets broeide er onder het wateroppervlak, dreiging hing in de lucht. Waar de jonge Gretel vooral het concrete gevaar ziet van een onbekend watermonster, de Bonak, die ze probeert in de val te lokken, draagt de mysterieuze Marcus een geheim met zich mee over onheil dat veel dieper gaat. Op knappe wijze weet Daisy Johnson lang in het midden te houden wat hiervan waar is en wat ingebeeld. ‘Wat het ook was dat door het kalme, koude water bewoog die winter, dat zich om onze dromen heen wikkelde en zijn geklauwde voetafdrukken in onze gedachten achterliet. Ik wil je vertellen dat hij misschien nooit was verschenen als wij hem niet verzonnen hadden.’

    De intrige van Onder het water grijpt uiteindelijk terug op een bekende Griekse mythe, waarbij een zelfvervullende voorspelling fungeert als drijvende kracht achter het drama. Aan de lezer om te ontdekken hoe alles in elkaar grijpt. Thema’s als het lot en de vrije wil komen voorbij maar worden niet echt uitgewerkt. Modern is de feminiene gedaante die het oerverhaal aanneemt en ook actueel is de rol van transgender identiteit, hoewel hiervoor net zo goed geldt dat nadere uitdieping achterwege blijft. Meer dan een inhoudelijke toevoeging zijn het elementen die de mythologische vertelling naar het nu trekken. Het gaat wat ver om het, net als de handvol verwijzingen naar sprookjes (zoals de naam Gretel), louter sfeerelementen te noemen, maar je kan het zien als bouwstenen om het oude in een nieuwe vorm te gieten. Johnson schrijft het keurig op, in een taal waar weinig op aan te merken valt, behalve dat de beelden niet altijd even treffend zijn. Kraaien die zich verzamelen om dan weer uiteen te breken ‘als puzzelstukjes’, dat overtuigt bijvoorbeeld niet.

    Oud en nieuw

    Onder het water is een verdienstelijke debuutroman, die goed verteld wordt maar niet weet door te boren tot de diepste lagen van de thematiek. Daisy Johnson onderscheidt zich, mede daardoor, niet radicaal in de stapel van jonge auteurs waaruit te kiezen valt. Desondanks is het hybride-karakter van het boek, de mythische onderstroom die zich manifesteert in een hedendaagse verhaalvorm, best interessant en geslaagd.

     

  • Moeder en vader: de reconstructie

    Moeder en vader: de reconstructie

    Van zijn vader leerde P.F. Thomése dat mensen door verhalen aan elkaar verbonden zijn, en dat we loze eindjes worden als we niet doorvertellen. De schrijver noemt zich een erfgenaam van verhalen. Nu zijn beide ouders dood en al begraven zijn, reconstrueert hij in Vaderliefde de familiegeschiedenis.
    Net als met Schaduwkind uit 2002, over zijn gestorven dochtertje, begeeft Thomése zich dus in het genre van de literaire biografie. Achterin het boek staan de stambomen van zowel vaders- als moederszijde: de ene reikt zes en de andere vier generaties terug. Vaderliefde wordt echter niet chronologisch maar eerder per onderwerp verteld, in zeven hoofdstukken. Dit geeft ruimte voor inhoudelijke overpeinzingen. Wel blijkt het in de lopende tekst lastig om de familieleden altijd te onderscheiden; je weet soms niet meer welk karakter bij welk verhaal hoort.

    De auteur schrijft heel eerlijk over de moeizame relatie met zijn ouders. ‘Het liefst zou ik mijn moeder negeren’. Maar wanneer hij zich ertoe zet, haalt hij juist postuum kanten van haar naar boven die voorheen een gesloten boek bleven. De moederfiguur, bij leven een raadselachtige schim die nooit over gevoelens sprak, treedt in Vaderliefde meer uit de schaduw. Het zwaartepunt van de familiebiografie ligt echter bij de vader, die een onvervuld leven leidde en vroeg overleed. Over hem schrijft P.F. Thomése met meer mededogen. Ook hun relatie was moeizaam (‘Ik heb nooit goed met hem kunnen praten’). Aan zijn vaders sterfbed doen beiden een uiterste, slechts halfgelukte poging elkaar te bereiken. Het is een van de meest intieme passages van het boek, te vinden in het laatste hoofdstuk.

    Ondanks de persoonlijke aard van het vertelde, blijft de tekst op twee manieren afstandelijk. Allereerst is er de licht ironische en zelfrelativerende toon, die past bij de bezadigde schrijver maar minder bij de ‘nagelaten zoon’. Daarnaast maakt het vocabulaire dat Thomése inzet geregeld een behaagzieke indruk. Formuleringen als ‘funeraire vaklieden’, ‘meticuleus documentalist’ of ‘houriachtige dooreenkroelen’, het is allemaal wat dik aangezet. Of ‘verzwolgen door de golven van de tijd, aangespoeld op het strand van de herinnering’, dat soort zinnen.

    Als memoires van een familie is Vaderliefde op veel fronten geslaagd. Het tijdsbeeld van de jaren rondom de Tweede Wereldoorlog, de uitwerking van de vader- en moederfiguur, dit komt allemaal goed uit de verf, en dan zijn er nog de kleurrijke ooms en vreemde tantes. Over de gehanteerde stijl valt te discussiëren. P.F. Thomése lijkt zich soms te verschuilen achter het gereedschap van zijn taal. Dit levert in zekere zin vakwerk op maar het komt de waarachtigheid niet altijd ten goede.