• Rotonde als anticlimax

    Rotonde als anticlimax

    Mark Boog (1970) publiceerde vanaf 2000 een tiental gedichtenbundels en romans. Zijn nieuwste bundel De rotonde uit 2015 kreeg als ondertitel mee: ‘roman in verzen’, en is dus een combinatie van het verhalende en poëtische genre. Of er heel veel ‘romans in verzen’ zijn is de vraag … Een overbekend voorbeeld is Jevgeni Onegin van de Russische grootmeester A.S. Poesjkin uit 1833. Maar dat is veel omvangrijker dan De rotonde.

    De rotonde kent een strakke opbouw. Het bestaat uit drie afdelingen, die elk bestaan uit 33 gedichten. Elk gedicht telt vijftien regels, volgens het schema 4 : 4 : 4 : 3. De gedichten krijgen telkens hun beslag in twaalf regels. De drie slotregels vormen – met tal van kleine variaties – een telkens herhaald slotakkoord, een mantra die een ondertoon geeft aan het verhaal van dreigende onrust:

    Hij ziet de weg.
    Hij buigt het hoofd.
    Het onweert in de verte.

    Overtuigende poëzie

    De gedichten zijn gesteld in blanke verzen, ongerijmd dus, en met een krachtig en dwingend metrum en ritme. Daarmee overtuigt de dichter vanaf de eerste bladzijde. Was het niet A. Roland Holst die het een kenmerk van goede poëzie noemde als de lezer onwillekeurig de neiging voelt de gedichten in kwestie hardop voor te lezen? Mark Boog’s poëzie in De rotonde voldoet vaak aan dat criterium. De afzonderlijke gedichten, als ze al zo heten mogen, laten zich  op zich zelf lezen. Maar beter is toch ze tot je te nemen in de context van de hele bundel, als onderdeel van het verhaal, van de ‘roman’, omdat ze dan beter tot hun recht komen.

    Het verhaal gaat over meneer Van Dam. Hij heeft genoeg van zijn uitzichtloze bestaan dat kennelijk wordt bepaald door saai kantoorwerk, door de vergeefse maar niet aflatende zoektocht naar de liefde en door drankzucht. Hij heeft besloten zijn ziel aan de duivel te verkopen. Heel veel specifieke(re) contouren krijgt de figuur Van Dam niet, maar dat belemmert het meeleven of de geloofwaardigheid geen moment.

    Maar zelfs Van Dam herbergt een ziel. Hij loopt
    er jaren al mee rond, en is het dan
    een grauwe ziel, een ongevleugelde,
    het is er een. Zijn kostbaarste bezit.

    De advertentie die hij ooit de krant
    heeft aangeboden: “Ziel te koop. Niet duur.
    Als nieuw, haast ongebruikt. Gevraagde prijs:
    Talent, genie, genot, iets groots en vurigs.

    Ik wacht op vrijdagavond bij het kruispunt,
    na zonsondergang. U herkent mij
    aan de lege blik, de grijze jas
    het stof tussen de kaken.” Geen reacties.

    Overtuigend verbeeld

    En zo gaat Van Dam op pad, naar het kruispunt waar hij zijn ziel aan de duivel wil verkopen, net zoals volgens overlevering talrijke onwaarschijnlijk begenadigde kunstenaars en artiesten. Dit omineuze besluit valt min of meer samen met het concept van de zelfmoord. Zelfmoordenaars werden – eveneens volgens overlevering – begraven nabij een kruispunt, zodat hun zondige zielen de weg kwijt zouden raken. De rotonde verhaalt van Van Dams tocht naar zo’n kruispunt, en maakt de lezer deelgenoot van zijn overpeinzingen en inzichten. Poëtisch verwoord, sterk verbeeld, en overtuigend.

    De mens is een ontkenningsautomaat.
    Hij lacht zijn ziekte weg en pimpelt vrolijk
    de jenever binnen na crematie
    of begrafenis. Begint opnieuw.   

    Zo ook Van Dam – maar nu niet meer. Hij trekt
    zijn natte jas uit, vele kilo’s zwaar
    en laat hem achter op het wegdek. Dan
    slaat weer de twijfel toe. De nacht, het zwart,

    het niets! En onder het asfalt meters diep
    de zware klei, die zuigt, die aan hem trekt.
    Op hem leunt een zuil van storm en regen.
    drager van het al. […]

    Zelfbewust dichterschap

    De catch van Mark Boogs lange gedicht, helemaal aan het eind, is eigenlijk prozaïsch (no pun intended). Geheel in overeenstemming met de actuele praktijk in de wegenbouw is het kruispunt waarnaar Van Dam zo doelbewust en ‘definitief’ op weg was omgebouwd tot …? Juist ja: een rotonde. En daardoor is de betekenisvolle symboliek van het ‘kruispunt’ krachteloos geworden en ontlaadt de door de dichter opgebouwde spanning zich als een anticlimax. Van Dam rest geen andere keus dan doelloos rondjes te gaan draaien, achter een vage, grijze gestalte aan …

    De uitwerking van het verhaal doet denken aan een James Bond-film: Spannend, verrassend, onderhoudend, tot aan het einde, wanneer het verhaal steevast uit de bocht vliegt en het eigenlijk te gek wordt. Het lot van Van Dam in Boog’s De rotonde is niet zozeer ‘te gek’. De spanning, die zo knap, dreigend en beheerst werd opgebouwd, wordt aan het slot gewoon niet ingelost.
    Misschien is poëzie voor zo’n ‘verhaal’ dan toch een ongeschikt vehikel? Wel is het een uiting van Boogs sterke en zelfbewuste dichterschap. Dus: ‘verhalend’ is De rotonde niet helemaal geloofwaardig, poëtisch wel.

     

     

  • Kom eraan kan niet lang meer duren

    Kom eraan kan niet lang meer duren

    De gedichtenbundel Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden is opgebouwd uit afdelingen met gelijknamige titels (en een onderdeel ‘wingewest’). Dit klinkt symbolisch, maar de titels dekken zo te zien de  lading niet helemaal. Het gedicht ‘Fukushima’ maakt deel uit van de Binnenwereld, het gedicht ‘However is a fancy but’, over de vijf meest voorkomende vormen van spijt op het sterfbed, staat in Buitenwijk, het gedicht ‘Drone 3 – afstandbestuurbare karma-agent’ is gerubriceerd onder de Natuurlijke omstandigheden.  Verrassend dus dat Bruinja ons daarmee op het verkeerde been zet. Of  is de betekenis te ver gezocht en is het in die zin alleen maar vrijblijvend? Op het omslag van de bundel een foto van een blinde, gepleisterde bakstenen muur. Voor een boekje met gedichten getiteld Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden is dat een programmatische foto. Het belooft in elk geval weinig romantiek.

    Tsead Bruinja (1974) heeft al enige tientallen publicaties op z’n naam staan, inclusief enkele bloemlezingen. Het betreft hoofdzakelijk poëzie, deels in het Fries. Zijn nieuwe werk is lichtvoetig en anekdotisch – maar begrijpelijk of toegankelijk kan het niet worden genoemd. Hij speelt soms met merkwaardige, typografische ordening, met schuine strepen en extra wit en zelfs met tekst die lichtgrijs is afgedrukt in contrast met zwarte woorden. Ongetwijfeld met een reden – maar die is niet altijd duidelijk. Maar de raadselachtigheid van sommige van zijn gedichten maakt ze niet minder poëtisch. Soms is het gewoon een mooi spel met taal zoals in het gedicht In kannen en kruiken:

    zijn we van plan zal gaan gebeuren
    komt eraan kan niet lang meer duren
    hebben we aan gedacht hadden we ons voorgenomen
    zullen we niet vergeten is bij ons in goede handen
    komen we samen uit gaan we aan werken
    kunt u ons op afrekenen is in kannen en kruiken
    (…)

    Via drones komt de techniek Bruinja’s poëzie binnen alsook verwijzingen naar werk van anderen (vintage, postmodern, van Willy Alberti tot Palinurus). De actualiteit komt aan bod ( Assad, Mark Rutte, een verwijzing naar ‘de sp-leider’), punten en komma’s ontbreken en aan neologismen geen gebrek. Grote gevoelens, doorgaans een populair poëtisch ingrediënt, zijn in Binnenwereld (!) ver te zoeken of worden van zo zakelijke context voorzien dat  voor de hand liggende emoties geen kans krijgen. Een poëtisch procedé dat de dichter meermalen toepast – en met succes – is het effect van herhaling. Bijvoorbeeld in het gedicht Echt:

    wij weten niet waar we aan beginnen als we beginnen
    verbazen ons over wat er uit de verhuisdozen komt
    willen niet weten waar we aan beginnen

    het karton bewaren we achter een kast in de gang
    uitgevouwen dieven van de nacht mogen ze meenemen
    vuilnismannen niet
    denken te menen waar we aan beginnen
    kunnen niet weten waar we mee thuiskomen
    of waar we het achterlaten

    spreken ergens te laat af het niet meer te doen
    en stoppen het te doen
    het is een druppel op een lauwwarme plaat
    die niet sist maar langzaam verdampt
    we verdwijnen tussen de randen

    je herinnert je niet alleen de mooie dingen
    je herinnert je het verkrampte gezicht de woede ziekte
    vermoeidheid het vergelen

    wij weten niet waar we aan beginnen
    moeten kiezen en kibbelen over wat er mee
    of naar de kringloop gaat
    gaan aan elkaar voorbij
    voegen gezichten toe aan de carrousel
    beginnen opnieuw

    menen het dan pas echt

    Bruinja’s gedichten zijn in woordkeus en opbouw constant afwisselend. Alsof de dichter telkens weer aan de verwachting van de lezer wil ontsnappen, alsof hij ongrijpbaar wil zijn. Anderzijds wil de dichter de lezer wel verder helpen: op zijn uitgebreide website zijn de gedichten uit deze bundel te horen en is er ook achtergrondinformatie beschikbaar, afzonderlijk per gedicht gepresenteerd.

    Sterk is Bruinja in poëtische statements, beknopt (geschikt om te twitteren). Pakkend en toch ongrijpbaar. Bijvoorbeeld:

    er is veel wat je kan
    als je niks meer kunt

    of, in het gedicht ‘Bouillon’, met een politieke ondertoon,

    nog even en ik ga de poëzie in
    om de wereld te verbeteren

    of

    nederlanders vinden zichzelf geweldig
    ik vind Nederlanders ook geweldig

    Bruinja’s gedichten zijn beslist de moeite waard om te proeven. Waarbij zich onwillekeurig het befaamde credo van Harry Mulisch aan je opdringt: ‘Het beste is, het raadsel te vergroten’. Bruinja heeft zich met zijn jongste bundel uitstekend van die taak gekweten.

     

     

  • Brievenboek wekt oprechte belangstelling voor eerdere publicaties

    Brievenboek wekt oprechte belangstelling voor eerdere publicaties

    In de onvolprezen reeks Achter het boek, die al sinds 1962 bestaat en lange tijd werd uitgegeven door het Letterkundig Museum, verscheen dit 43ste deel bij uitgeverij Verloren. De briefwisseling tussen de dichters J. Slauerhoff (1898-1936) en Hendrik de Vries (1896-1989) verscheen onder de titel Brieven 1923-1932. Het boek bevat de bewaard gebleven correspondentie tussen Slauerhoff en De Vries van in totaal 49 brieven en briefkaarten: 36 van De Vries en 13 van Slauerhoff. Het moeten er veel meer zijn geweest. In een uitvoerige en solide inleiding bereidt Jan van der Vegt, (biograaf van o.a. Hans Andreus, Jan Elburg, A. Roland Holst), de lezer terdege voor op wat volgt. Van der Vegt gaat in op de correspondentie, de toenmalige literaire tijdschriftcultuur, het belang van de ‘literaire’ vriendschap en uiteraard op figuur, leven en werk van beide dichters en op de ontwikkeling van hun onderlinge contact.

    Van deze beide schrijvers is Slauerhoff natuurlijk de bekendste, niet alleen om zijn proza en poëzie, maar vooral om zijn ‘figuur’: reislustig, met zijn hang naar exotisme en zijn befaamde slordige onverschilligheid, kortom onze eigen poète maudit uit de Hollandse polder. Hendrik de Vries was, zoals ook uit zijn brieven in deze bundel blijkt, als dichter eindeloos ernstiger. Er bestonden tussen Slauerhoff en De Vries nog meer verschillen. Slauerhoff was opgeleid tot geneesheer, had een plezierige studententijd achter de rug in Amsterdam en bereidde zich voor op een carrière als scheepsarts. De Vries had na de lagere school nauwelijks aanvullend onderwijs genoten, woonde met twee volwassen broers bij zijn ouders thuis in Groningen en had een zeer eenvoudig baantje als ‘schrijver’ op het plaatselijke archief. Waarin zij overeenstemden was hun ‘onhollandsheid’ , mogelijk nog versterkt door hun Noordelijke afkomst: Slauerhoff uit Leeuwarden en De Vries uit Groningen.

    Wie in de brieven enige gemeenzame anekdotiek verwacht komt bedrogen uit. Het poëtische soortelijk gewicht van de correspondentie is extreem hoog, wat een eigenaardig soort dichtheid oplevert. Met name De Vries gaat in zijn brieven aan Slauerhoff uitvoerig in op diens poëzie, waarbij onder andere woordkeus, metrum, gebruik van metaforen en sfeer aan de orde komen. Slauerhoff stuurt bijvoorbeeld enkele gedichten min of meer ter beoordeling aan De Vries en deze reageert als volgt:

    De Vliegende Hollander (titel gedicht)  is bijna een varend beest, een nijlpaard of iets dgl. er leeft een zeer wezenlijke glimp van daemonische bovennatuurlijkheid in, een echt brok oerbewustzijn; het klinkt wel zonderling, maar ik geloof dat de smart bij jouw grootendeels de rol speelt die de techniek bij mij heeft. Wil men de vergelijking op redelijker plan brengen, en zeggen dat bij jouw de smart overweegt, bij mij de hartstocht, dan wordt het technisch verschil duidelijk: de smart eischt een soort verwaarloozing, de hartstocht eischt een soort overdrijving.’

    Hierbij frappeert een zekere feitelijkheid.  Even verder, nog zo’n voorbeeld:
    ‘Bestaat het geheele dichterlijke scheppen niet in het actief maken van een behoefte aan een bepaald ‘effect’. Zoolang het voorgesteld effect niet bereikt of behoorlijk benaderd is, noemen wij het werk onaf of mislukt.’

    Behalve over concrete gedichten handelen de (opnieuw: m.n. De Vries’) brieven over het ontstane idee om samen een bundel poëzie te schrijven. Er is ondanks de plannen en grondige voorbereiding niets van terecht gekomen, door ‘moedwil en misverstand’ en ook door praktische bezwaren. De Vries leed aan psychische en seksuele complexen (zo vermeldt de inleiding). Slauerhoff was vaak ziek, verhuisde voortdurend of was dikwijls zo onbereikbaar ver weg op reis, dat de context voor het gezamenlijk produceren van een bundel gedichten verre van ideaal was.

    Naast de poëzie en het gezamenlijk schrijven van een bundel gedichten is ten derde de belangstelling voor de Spaanse cultuur en de Spaanse taal een thema dat veelvuldig in de brieven terugkeert. Voor De Vries was dit min of meer aangeboren, op zichzelf vreemd voor zo’n bescheiden geschoolde en verstokte Groninger. Slauerhoff beschouwde in Spaanse aangelegenheden De Vries min of meer als leidsman en vraagbaak, wat er onder meer toe leidde dat ze – om zich te oefenen – ook enkele brieven hebben gewisseld in het Spaans.

    Bijna aandoenlijk is dat Slauerhoff, in een iets langere brief (eindelijk!), geschreven vanuit de Straat van Formosa op 24 maart 1926, aan De Vries meldt dat zijn brieven de moeite van het bewaren en herlezen waard blijken te zijn: “Je richtte ze zoo in dat ze iets blijvends beteekenen, in tegenstelling met de meeste brieven”. Niet alleen is het jammer dat zovele brieven verloren zijn geraakt, ook de wanverhouding tussen het aantal bewaarde brieven van De Vries en van Slauerhoff vertekent het beeld. Daar komt bij dat Slauerhoffs bewaarde brieven veel korter zijn en ook oppervlakkiger dan die van De Vries … m.a.w. het boek gaat veel meer over De Vries dan over Slauerhoff. Dat is op zichzelf niet erg maar wel  jammer omdat nieuwe bronnen over Slauerhoff schaars zijn en het brievenboek niet veel nieuws toevoegt.

    De indruk die overheerst na lezing van dit boek is verwondering en die geldt vooral de dichter Hendrik de Vries. Waar komt zo’n eigenzinnig en onnederlands dichterschap vandaan, en hoe komt het onder de toch kennelijk zeer ongunstige omstandigheden, zo beslist tot bloei? De bezorger van deze briefwisseling, Jan van der Vegt, heeft ons wat dit betreft op onze wenken bediend: in 1993 voerde hij al de eindredactie over de Verzamelde gedichten van Hendrik de Vries (bijna 2.000 pagina’s!) en in 2006 publiceerde Van der Vegt een biografie van De Vries. Dat deze briefwisseling tussen Slauerhoff en Hendrik de Vries oprechte belangstelling wekt voor die eerdere publicaties, lijkt mij de belangrijkste verdienste ervan.

     

     

  • Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    In het derde hoofdstuk van Max Havelaar vertelt de Amsterdamse koffiemakelaar Batavus Droogstoppel, hoe zijn zoon Frits uit het pak van Sjaalman een lang gedicht van Heinrich Heine had opgevist. Het gebeurde tijdens een avondje bij de familie Rosemeyer.  De zoon had het voorgedragen en zou dat kunststukje, op dringend verzoek van de andere gasten, herhalen:

    ‘Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aanéénhing. Nee ’t hing niet aaneen. Een jong mens schreef aan zijn moeder, dat hij verliefd was geweest, en dat zijn meisje met een ander getrouwd was — waarin ze groot gelijk had, vind ik — dat hij echter, in weerwil hiervan, altijd veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling.’

    Ik moest aan deze Havelaar-passage denken bij het lezen van De schennis van Lucretia van Shakespeare. Dit lange gedicht verhaalt van de beeldschone Lucretia, echtgenote van een Romeinse vorst, die zozeer wordt begeerd door een edelman, dat deze haar  ’s nachts overrompelt en verkracht. Vervuld van schaamte en weerzin pleegt Lucretia, nadat ze haar man gesmeekt had haar te wreken, zelfmoord.

    Reuzensprongen door de tijd

    Deze samenvatting doet geen recht aan Shakespeare’s rijmende vertelling van 265 strofen van elk zeven regels. Toch komt het verhaal hier op neer. Shakespeare wijdt uit, vergelijkt en herhaalt. Hij schrijft, kortom, poëzie. Het is een serieus, soms schokkend gedicht dat ons met reuzensprongen door de tijd voert. De gebeurtenis zelf voltrekt zich ca. 500 jaar vóór onze jaartelling tegen de achtergrond van het ontstaan van de Romeinse republiek. Shakespeare ontleende zijn motief aan teksten van Livius en Ovidius van ruim een half millenium later. Shakespeare zelf  publiceerde dit gedicht in 1594. Het is een uitdaging dit lange en vormvast opgebouwde gedicht te lezen en de bekoring ervan te ondergaan. Hoewel een verkrachting zich moeilijk leent voor een poëtische behandeling, wordt het gedicht zeker spannend en dramatisch wanneer de lezer weet wat de sluwe verkrachter Tarquinus van plan is.​

    De werkelijke betekenis van deze publicatie zit in de toegang die tot de tekst wordt verschaft. Uitgever en vertaler – het moet gezegd – reiken de lezer hierbij optimaal de hand. Op de linkerbladzijde lezen we de Engelse tekst, rechts de metrisch parallelle en dus gelijkvormige vertaling van de hand van Peter Verstegen. De bonus van deze publicatie is verborgen in de noten en het commentaar. Per couplet wordt daar namelijk een letterlijke vertaling van de tekst gegeven, zonder het keurslijf van metrum en rijm. Dat zijn dus drie versies van Shakespeares tekst: het origineel, de dichterlijke omzetting in het Nederlands en de letterlijke vertaling.

    Engels van vierhonderd jaar geleden

    Shakespeare lees je het best in het Engels. Maar het Engels van vierhonderd jaar geleden begrijpen, is niet voor iedereen weggelegd. Waar vertaler Peter Verstegen zich aan de vormvastheid onderwerpt, is de vertaling teleurstellend. Je merkt hoe de vertaler zich in bochten wringt  om het Nederlands metrisch en qua betekenis gelijk op te laten gaan met het Engels, en daar lijdt het resultaat onder. Terwijl de vrije, letterlijke vertaling van  de tekst, (die ‘verstopt’ zit in het verklaringen- en notenapparaat), wel de noodzakelijke verduidelijking biedt:

    ‘This said, his guilty hand plucked up the latch,
    And with his knee the door he opens wide;
    The dove sleeps fast that this night owl will catch.
    Thus treason works ere traitors be espied;
    Who sees the lurking serpent steps aside;
    But she, sound sleeping, fearing no such thing,
    Lies at the mercy of his mortal sting.’

    De Nederlandse metrisch-poëtische vertaling luidt:

    ‘Hij zwijgt, waarna hij stil de klink oplicht,
    De deur wijd openduwend met zijn knie;
    De duif slaapt waar die nachtuil zich op richt.
    Zo werkt verraad eer ’t wordt bespeurd; al wie
    Een slang ziet, stapt meteen opzij, maar zie
    Hoe zij daar in haar onschuld ligt te slapen,
    Reeds prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen.’

    De letterlijke vertaling in het notenapparaat is als volgt:

    ‘Na deze woorden lichtte zijn schuldige hand de klink,
    En met zijn knie opent hij de deur wijd.
    De duif slaapt diep die deze nachtuil wil vangen.
    Zo werkt verraad nog eer verraders bespeurd zijn;
    Wie de slang op de loer ziet liggen, stapt opzij,
    Maar zij, vast in slaap, niet vrezend voor zoiets,
    Ligt overgeleverd aan de genade van zijn dodelijke steek.’

    De lezer kan zelf vaststellen hoezeer in deze strofe de poëtische omzetting afwijkt van de originele tekst, en hoe weinig poëtisch de letterlijke vertaling is. Waar de schone Lucretia in het Engels is overgeleverd aan ‘the mercy of his mortal sting’ is dat in het dichterlijk Nederlands geworden dat zij ‘Reeds [is] prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen’, terwijl Lucretia hier echter nog springlevend is. De Engelse ‘mercy’ is wel in de letterlijke vertaling te vinden.

    Vertaling te prozaïsch

    Kortom, de poëtische vertaling schiet zijn doel voorbij omdat die niet duidelijk genoeg is en vaak gewrongen en te vrij. De letterlijke vertaling is te prozaïsch om voor poëtisch te kunnen doorgaan. Op zijn best poëtisch proza, dus. Maar zo heeft de vertaler het vast niet bedoeld en zo presenteert de uitgever het ook niet.

    In strofe één, meteen al een omineus voorteken, staat: ‘Collatium begroet zijn duistere gloed, / Die niemand ziet […]’ Hoe kan dat nu? Iets begroeten wat ‘niemand ziet’? Shakespeare zelf dichtte over ‘lightless fire’, op zich vernuftig vertaald met ‘duistere gloed’, maar bij Shakespeare is dit ‘fire’ ‘in pale embers hid’ wat zich, met Verstegens letterlijke vertaling bij de hand, laat begrijpen als ‘het lichtloze vuur […] in bleke as verscholen’. Geen sprake dus van een begroeting van iets dat onzichtbaar is.

    Deze publicatie is een goede aanleiding  weer eens met deze poëtische en dramatische tekst van Shakespeare bezig te zijn. Het is voor het betere begrip van de Engelse taal jammer dat de poëtische vertaling tegenover het Engels is afgedrukt en dat de letterlijke vertaling in het notenapparaat is ondergebracht. Dat had beter andersom gekund, omdat het voortdurend bladeren tussen het Engels en het Nederlands dan niet nodig is. Tot troost kan strekken dat Frits Droogstoppel na zijn herhaalde voordracht van Heine’s gedicht bij het avondje van de Rosemeyers weliswaar niet de goedkeuring kreeg van zijn vader:  ‘… maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was.’

     

     

  • Precisiewerk van een chaoot

    Precisiewerk van een chaoot

    Leonard Nolens publiceerde in ruim veertig jaar meer dan dertig dichtbundels en enkele dagboeken. Hij verwierf drie oeuvreprijzen, waaronder de Prijs der Nederlandse Letteren 2012. Nolens’ lyrische en persoonlijke gedichten hebben hun weg naar een groot publiek gevonden. Zijn verzamelde gedichten werden al onder drie opeenvolgende titels gebundeld, Hart tegen hart (1991), Laat alle deuren op een kier (2004) en Manieren van leven, 2dl (2012).

    Opvallend is dan ook dat Nolens met zijn jongste bundel, Opzichtige stilte, na onderwerpen als liefde, het leven, zichzelf, zijn familie en de stad, thematisch een geheel nieuw perspectief opent: namelijk het dagelijks leven in een of andere zorginstelling. De gedichten in deze bundel zijn verdeeld in vier afdelingen: De kuur I en II, Ontslag en Weerzien. Er komen stethoscopen voorbij, valiumslikkers, schreeuwtherapie en een dokter. De nadruk op deze thematiek past bij Nolens’ poëzie, die direct en prominent aanwezig is. Opdringerig haast, maar desondanks moeiteloos aanvaardbaar om de opeenstapeling van verbluffende beelden en verrassende observaties.

    Wat was het dan dat ons ontbrak toen wij belden om hulp?
    Mezelf. En wat kwamen wij ook weer tekort? Mezelf.
    (…)
    Maar wat is mijn kunst? Een doorslaand succes van de wanhoop.
    Gedichten zijn immers precisiewerk van een chaoot.

    De gedichten van Nolens zijn vrij en toch vormvast. Ontregelend en toch regelmatig. Elke afdeling in de bundel heeft, qua lengte en structuur, min of meer overeenkomstige vormen. In De kuur I en II zijn we getuige, en onderdeel van de dagelijkse routine in een verder niet nader te karakteriseren zorginstelling. Er is afstand en vervreemding: tussen patiënt en dokter en de medebewoners onderling.

    Drie keer per nacht verschijnt een zaklamp straal
    in ons gezicht, ze komen je slaap onderzoeken.

    Ze inspecteren je dromen, geen raam kan er open.
    De deuren dragen ons nummer en staan op een kier

    in het gelid. En de wekkers van dienst lopen vrolijk
    te zwaaien met thermometers en klokken van stemmen,

    goeiemorgen! Het gaat als een emmer koud water
    je bed in, geen hond die zich wast om wakker te worden.
    (…).

    Onvermijdelijk dringt de vergelijking zich op met andere dichters die berichtten vanuit een instelling. Maar Jan Arends’ poëzie – ’wie kan zo mager praten met de taal als ik?’ – is kaler dan die van Nolens. Met Achterberg is, door de lyriek en de spanning die de gedichten kenmerkt, meer verwantschap aan te wijzen. Al zijn Achterbergs meest kwetsbare en directe kliniekgedichten pas na zijn dood gebundeld, Blauwzuur (1969). De kuur II bestaat uit vijftien vierregelige gedichten, allen opgebouwd volgens het rijmschema aaba. Nog sterker voelbaar wordt hier de associatie met Achterberg. Het eigentijdse element overtuigt volkomen:

    CODE
    Wij raken langzaamaan verslaafd aan het verdriet
    van onze groep. Wij delen dat als drank en wiet
    en hebben de flessen en spuiten verstopt in de nachtkluis van morgen.
    De code is geheim. En die vergeet ons niet.

    De afdeling Ontslag bestaat opnieuw uit een groep ongeveer gelijkvormige gedichten en bevat vooral aanmoedigingen en bemoedigingen: Leef lang,  Ga dromend, Word wakker, Schrijf, Omhels en

    Kniel
    voor niemand. Knik
    een ogenblik lang naar de man
    die jou verwekte, geef hem een hand
    en rep je, ren het huis uit.
    Ren. En red
    je gezicht.

    In de laatste afdeling Weerzien, kondigt de troost van de  verlossing zich aan in de titels van de gedichten: Liefdesbrief, Thuiskomst, Mei en Nachtegalenpark. Onmiskenbaar is er hier meer ruimte voor Nolens’ vertrouwde en warme thematiek. In het gedicht Mei vindt letterlijk een opruiming plaats met een zeldzame, komische noot als opluchting tot besluit.

    MEI
    Ik hoor mijn lieve zenuwpees weer fluiten
    boven en rommelen in kasten en sleuren met koffers.
    Het huis is tot de nok een reis op til.

    Ik ga naar de kelder en sleep een rinkelende berg
    flessen uit mijn dal van vorige winter
    de trap op en flikker vloekend een klotejaar in de container.

    De glasharmonica bliksemt zijn katers aan scherven.
    Haar fluitende reislust bevlindert de kamers daar hoog bovenuit.
    Een nieuwe lente en een nieuw geluid.  

    Een gedicht Mei noemen en eindigen met de zin ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, dat is weer eens wat anders dan Gorter deed. Nolens speelt voortdurend met de verwachting van de lezer door de ene keer vanuit de ‘ik’ persoon  te schrijven en de volgende keer vanuit de derde persoon. Maar spreekt ook een ‘jij’ en ‘u’ aan. De thematiek van de bundel roept vragen op. Hebben wij hier met autobiografische gedichten te maken? Heeft Nolens zelf een poos in een kliniek gezeten? Antwoorden op deze vragen doen niet werkelijk ter zake als het goed is. En het is goed.