•  Eenzaamheid en aftakeling

     Eenzaamheid en aftakeling

    ‘Het ergste moet nog komen’. Deze veel aangehaalde woorden van Arthur Schopenhauer zijn een aansporing om tijdig de hoop op een happy end te laten varen. Omdat de meeste mensen zich er niets bij voorstellen, leven ze er doorgaans lustig op los totdat de feiten dwingen tot verandering. Het boekje Het leven moe van Detlev van Heest maakt de lezer getuige van een in de versukkeling gerakend bestaan.

    Schrijver Detlev van Heest is bekend als vriend en bewonderaar van J.J. (‘Han’) Voskuil en diens vrouw Lousje Voskuil-Haspers. Al eerder kwam Lousje Voskuil via Van Heest uitgebreid aan het woord in het boek Ik ben ik niet (Van Oorschot, 2014). Sindsdien zijn ruim tien jaren voorbijgegaan: Lousje is 99 jaar oud, enerzijds verward en kwetsbaar, en tegelijk opstandig en boos. Het een heeft ongetwijfeld met het ander te maken.

    Nog steeds is in deze hoogbejaarde dame Nicolien ter herkennen, de vrouw van Maarten Koning, hoofdpersoon van de befaamde 7-delige romancyclus Het bureau, die verscheen in de jaren 1996-2000. Nicolien is obstinaat, tegendraads, dwingend en eigenzinnig en toch tegen wil en dank: steun en toeverlaat van Maarten Koning. Nu Nicolien / Lousje de leeftijd der zeer sterken bereikt (zij is weduwe sinds 2008) laten eenzaamheid en aftakeling zich gelden.

    Konden eerder lezers om de slapstick der huwelijkse perikelen tussen Maarten en Nicolien nog schateren, de ontreddering die de ouderdom onvermijdelijk met zich meebrengt doet een mens het lachen wel vergaan. Uit een negental prozafragmenten – overwegend dialogen – rijst een ontluisterend beeld op dat de lezer met mededogen vervult. Lousje breekt een arm, ze wil geen gips, ze maakt haar mitella zoek. Ze weet niet meer wanneer dingen gebeuren, wat er is afgesproken. De poes die dood is beweegt nog, en begint weer te eten. Lousje beschuldigt de dierenarts van moord en zichzelf van medeplichtigheid. Ze durft de straat niet meer op. Ze is soms dronken en weerloos, en heel vaak heel erg moe. Het relaas zal voor veel mantelzorgers herkenbaar zijn.

    En voor wie de geschreven impressies nog niet overtuigend genoeg zijn, bevestigen bijna veertig foto’s van het interieur het verhaal nog eens indringend en onmiskenbaar: de tijd is in huize Voskuil tot staan gekomen. Niemand hoeft er meer naar op zoek, de details spreken boekdelen.

    Trouwe Bureau-lezers moeten zich dit werkje niet laten ontgaan. En los daarvan is het voor iedereen een relevante oproep: memento mori, gedenk te sterven, eens, ooit. En meer nog misschien voor nu, vóór het te laat is: pluk de dag.

     

    Detlev van Heest / Het leven moe / 88 blz. / uitgeverij Hof van Jan / beeld: Michèle Baudet / prijs € 18,-

     

  • Pats, boem, Shakespeare

    Pats, boem, Shakespeare

    Tamelijk onopgemerkt verscheen in mei 2025 een nieuwe vertaling van de 154 sonnetten van William Shakespeare (1564-1616). De eerste Engelse uitgave van deze gedichten dateert uit 1609. In de 19de eeuw verscheen voor het eerst een volledige vertaling, door L.A.J. Burgersdijk (die trouwens ook alle toneelstukken van Shakespeare in het Nederlands vertaalde). Deze nieuwe integrale vertaling van deze wereldberoemde sonnetten is de zestiende.

    Het is verleidelijk om al die zestien verschillende vertalingen eens bij elkaar te zetten en te gaan vergelijken, integraal of gedicht voor gedicht. Maar aan die verleiding is vooralsnog weerstand te bieden. Laten we het hebben over déze uitgave. Want alles eraan is prettig. Het formaat, het papier, de in katernen genaaide en gebonden uitvoering, de mooie tweekleurendruk en de lichtvoetigheid waarmee de tekst wordt gepresenteerd. Of beter gezegd: niet wordt gepresenteerd.

    Want de uitgave bevat geen inleiding, geen verantwoording of bronvermelding, en ook geen Engelse tekst naast de Nederlandse vertalingen, gewoon pats, boem: gedichten om te lezen. Laat één voorbeeld iedereen ervan overtuigen dat vertaler Frans van Deursen het Engels van Shakespeare van meer dan vierhonderd jaar geleden soepel overzette in hedendaags Nederlands.

    In boeken uit reeds lang vervlogen tijd
    zie ik de knapste lieden uitvergroot;
    hoe schoonheid wonderschone verzen wijdt
    aan jonkvrouwen en ridders, mooi maar dood.
    Met zwier doet de antieke pen verslag
    van hand, van voet, van voorhoofd, oog en mond.
    Breedvoerig rijmend maakten ze gewag
    van schoonheid die vóór jou niet eens bestond.
    Dus al hun odes zijn slechts profetie,
    een toekomstbeeld waarin jij wordt voorzegd.
    Toch wordt het nergens grote poëzie:
    geen van die zieners zag jou immers echt.
    En ik, die hier en nu de muze dien,
    ben sprakeloos terwijl ik je kan zien.

    Hedendaags – en niet alledaags, verre van. In heel veel andere sonnetten weet de vertaler met zijn rake woordkeus en ‘een gezonde dosis overmoed’ de poëzie van Shakespeare te vertolken. Keurig conform de impliciet vereiste regels, met behoud van regellengte en metrum, en dat zonder enige kramp of nadrukkelijkheid. Eeuwige ontroering, gevangen in een ogenblik, telkens veertien regels. Heel warm aanbevolen.

     

  • Monument voor een vriend

    Monument voor een vriend

    Willem Otterspeer schreef een biografie over dichter, schrijver, criticus, programmamaker en boekenmens pur sang Michaël Zeeman (1958-2009). Otterspeer dekt zich van tevoren terdege in: hij en Zeeman waren goed bevriend, wat vragen kan oproepen over de vereiste objectiviteit. Als we dat gehad hebben kan de lezer al snel constateren dat de vriendschap de biografie vooral warmbloedig maakt: goed geschreven, betrokken en liefdevol. Wat ook snel duidelijk wordt is dat we met een hoofdpersoon te maken hebben die alles is behalve gewoon. En dit maakte Zeeman ook raadselachtig. Otterspeer schreef de biografie om zijn vriend te begrijpen. Aan het slot van hoofdstuk een wordt de lezer flink nieuwsgierig gemaakt: ’Zijn leven was lezen, zijn lezen schrijven, zijn schrijven schandaal. Elke minuut ervan was boeiend.’

    De grote gebeurtenis in Zeemans leven was de arrestatie in 1986 op verdenking van grootschalige boekendiefstal. Die zou hebben plaatsgevonden gedurende de jaren dat Zeeman werkte bij boekhandel De Tille in Leeuwarden. Wat de een beschouwde als verduistering, was voor de ander een uitbetaling in natura, in alle openheid, ter compensatie van gewerkte overuren en opgeofferde vrije dagen. De administratie van een en ander bleek een gatenkaas, voor zover deze überhaupt werd bijgehouden.

    Zeeman werd opgesloten en intensief verhoord. Toen hij onverwacht na enkele dagen werd vrijgelaten realiseerde hij zich twee dingen: dat hij niet ‘gewoon’ meer wilde zijn, geen burgerman, en het belang van vriendschap. Otterspeer behandelt deze cruciale episode uit het leven van Michaël Zeeman indringend. Na langdurig procederen kwam een veroordeling er uiteindelijk niet. ’Hij heeft het niet gedaan maar hij heeft het ook niet niet gedaan,’ aldus Otterspeer. Dat de affaire Zeeman blijvend heeft beschadigd wordt overtuigend duidelijk.

    Slaag en vrouwen

    Michaël Zeeman was een domineeszoon. Het intense gevoel voor taal en boeken ging van de vader op de zoon over. Tot in kerkdiensten en uitvaarten imiteerde de kleine Michaël zijn vader, met zijn zusjes als toehoorders en deelnemers in het spel. Overigens werd de verstandhouding met de ouders met de jaren slechter en slechter: steeds meer gekenmerkt door afstandelijkheid en onbegrip, en gelardeerd met veel slaag.

    De liefde komt in Zeemans leven: hij stort zijn hart uit bij de vrouw die door biograaf Otterspeer wordt aangeduid met de letter ‘M.’ omdat zij niet herkenbaar in het boek wil figureren (ze is de enige niet). Ze wordt overladen met post, vol van hartstocht en (beschouwingen over zijn) belevenissen. Na verloop van tijd echter rest de illusie. Er volgen andere vrouwen en al snel is een patroon herkenbaar: van overrompelend en liefdevol geluk, met als keerzijde een verstandhouding die al snel zwaar te lijden heeft onder Zeemans angstaanvallen, gewelddadigheid en ontrouw.

    In diverse functies ontwikkelt Zeeman een tomeloze inzet. Als boekhandelaar en uitgever, als bestuurder/organisator bij de Rotterdamse kunststichting, als initiatiefnemer voor literaire projecten in Leeuwarden, als student-assistent bij de opleidingen Filosofie in Utrecht en Groningen. Het duizelt de lezer geregeld, want daarnaast schreef Zeeman ook nog toneelrecensies, literaire kritieken en poëzie. Vanaf begin jaren negentig van de twintigste eeuw fungeert Zeeman als chef kunst bij de Volkskrant en ook daar was zijn inzet groot. Hij maakte plannen, ontvouwde perspectieven en visies, schreef zelf bovenmatig veel. En hij stelde hoge eisen aan zijn collega’s.

    Fascinerende schelm

    Biograaf Otterspeer dist het allemaal smakelijk en meeslepend op. Zeeman en de poëzie. Zeeman en het proza. Zeeman als televisiepersoonlijkheid. Geregeld vat Otterspeer samen, of herneemt hij het voorafgaande, vaak compact en overtuigend, met af en toe een cliffhanger. Het is bijna verslavend om zinnen te lezen als ‘Kwetsbaarheid is de kwintessens van zijn poëzie’ of ‘… die vreemde combinatie van zelfkennis en zelfmisleiding die bij Michaël, door de intensiteit en omvang ervan, een wezenskenmerk is’ of ‘ambitie was het product van zijn talent, faalangst het resultaat van zijn opvoeding. Met elkaar vermenigvuldigd leverden ze de fascinerende figuur van de schelm op (…) die bluf tot kunst- en levensvorm maakte’.

    Overigens verliep Zeemans werkzame leven bij de Volkskrant inderdaad tumultueus. Een sleutelroman waarin collega’s voor sommigen herkenbaar optraden leidde tot spanningen die niet Zeemans vertrek tot gevolg hadden, maar een functie elders. En niet tot Zeemans verdriet: hij werd cultureel correspondent te Rome.

    Geliefde dode

    Al lezende leren wij Michaël Zeeman aan Otterspeers hand beter en beter kennen: als veelgevraagd presentator en gespreksleider, als bibliomaan, als denker en publicist over Nederlandse identiteit, over de rol van de elite, over het multiculturele vraagstuk. Indrukwekkend bij dit alles zijn Zeemans toewijding en radicaal internationale oriëntatie. Maar Zeeman was ook een intrigant, die er behagen in schiep conflicten op te stoken. Zijn verhoudingen met vrouwen waren complex, om het vriendelijk te zeggen. Hij was romantisch, genereus en veeleisend, hals over kop straalverliefd en vroeg of laat toch weer verveeld, jaloers, ontrouw.

    Vooral toch was Zeeman erudiet, belezen, creatief, onconventioneel en onstuitbaar. Zijn veel te vroege dood op 50-jarige leeftijd, als gevolg van een ruim twee maanden daarvoor vastgestelde hersentumor, treft de lezer als een aangrijpend verlies, omdat er nog zoveel gaande was, omdat dit leven nog niet af was.
    Wat wel af is is dit bijzondere, rijke boek over een bijzonder mens. Samen met een eerder samengestelde keuze uit Zeemans artikelen, verschenen in 2010, vormt de biografie een monument voor een geliefde en bewonderde dode. Deze biografie over zijn vriend Michaël Zeeman, aldus Willem Otterspeer, ‘maakt de complexiteit van het verschijnsel mens duidelijk. Zoiets gaat niet ten koste van de vriendschap, maar is er het bewijs van.’ Waarvan akte.

     

  • Een smakelijk en met vaart geschreven biografie

    Een smakelijk en met vaart geschreven biografie

    In september verscheen de biografie Een gat in het hoofd, Leven en werk van Heere Heeresma van de hand van radiomaker, presentator en voorheen boekverkoper Anton de Goede. Het is een dik boek geworden dat uitvoerig ingaat op werk en leven van deze schrijver, voor zover dat mogelijk was. Want Heeresma hield zijn privéleven zorgvuldig afgeschermd voor buitenstaanders, pottenkijkers en overheidsdienaren. Daarentegen is Heeresma’s werk – romans, verhalen, gedichten, brieven, ‘porno-persiflages’ en beschouwingen op de radio – zeer toegankelijk. Er verschenen van Heeresma tientallen boekuitgaven, verzamelbundels en herdrukken. Bovendien werd een flink aantal van zijn werken verfilmd en is zijn markante stemgeluid te horen op talrijke geluidsopnamen van gesproken columns voor de radio. Ook sprak hij zelf de luisterversie van een van zijn bekendste boeken in: Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp.

    Heere Heeresma (1932-2011) werd geboren als zoon van een godsdienstonderwijzer, kennelijk minstens zo eigenwijs als zijn zoon. Heeresma senior overleed toen de jonge Heere elf jaar oud was. De dood van de vader, midden in de Tweede Wereldoorlog, was uiteraard een ingrijpende gebeurtenis voor het gezin, dat naast Heere zelf en zijn moeder inmiddels uit nog twee jongetjes bestond. Bovendien hadden de oorlogsomstandigheden onvermijdelijke gevolgen voor de Heeresma’s.

    Een wonderlijk mens

    Van enige schoolcarrière is in het leven van de schrijver in de dop nauwelijks sprake. Hij bracht jaren door op een internaat waar hem praktisch onderwijs werd geboden. Daarna begon een loopbaan van allerlei verschillende betrekkingen die korter of langer duurden, maar meestal korter. Vanaf het begin van de jaren zestig begon Heeresma duchtig te publiceren en met succes. Met name Een dagje naar het strand (1962) maakte veel indruk. Bij de presentatie van deze biografie zei auteur Anton de Goede: ‘Je kunt veel van Heeresma zeggen, maar hij bracht wel leven in de brouwerij’ en ‘Wanneer de naam Heeresma valt, is een schaterlach nooit ver weg’. Dat moge zo zijn, maar uit het boek rijst toch vooral het beeld op van een wonderlijk mens, met wie de omgang vaak zeer moeilijk tot onmogelijk moet worden genoemd. Berucht was Heeresma om het dwingende beslag dat hij op zijn gezelschap wist te leggen, vaak ongevraagd en soms tot diep in de nacht. Hij bouwde ook een reputatie op wegens zijn veeleisende omgang met uitgevers, die hij geld afhandig maakte door voorschotten te eisen voor boeken die vervolgens nooit verschenen. Dit alles combineerde hij met een onafzienbare reeks sterke verhalen over woonplaatsen, vervoermiddelen, belevenissen en zakelijke successen. Wat ervan waar was wist hij alleen – en waarschijnlijk was dat eigenlijk maar heel weinig. Juist omdat Heeresma met name in de jaren zeventig een aantal sterke en goedverkopende boeken schreef, werd hem veel vergeven. En ja, er viel vaak wat te lachen.

    De schrijver en publicist

    De Goede schrijft overtuigend en goed gestructureerd. In het boek wordt Heeresma behandeld als schrijver en publicist, maar ook als (ontrouwe) echtgenoot en vader, als onverzoenlijke broer, als man van het Bijbels taaleigen, als filosemiet. De auteur bewonderde Heeresma als adolescent, leerde hem in zijn tijd als boekverkoper bij boekhandel Athenaeum persoonlijk kennen en werkte later met hem samen bij de VPRO. Hij stond dus betrekkelijk dicht bij zijn onderwerp en is verfrissend oprecht wanneer hij soms ook gewoon toegeeft niet zeker te weten hoe sommige feiten zich hebben voltrokken. Uit veel verschillende bronnen heeft de biograaf zijn informatie betrokken en heeft daaruit een krachtig en coherent beeld gecreëerd van Heeresma, die desondanks zijn raadselachtigheid volstrekt behoudt.

    Treurig is Heeresma’s persoonlijke lot geweest. Aan het eind van zijn leven wendden zelfs zijn allernaasten zich van hem af. Zoals zijn vrouw, met wie hij meer dan veertig jaar gehuwd was geweest, en zijn zoon Heere Heeresma jr., die tot dan toe kennelijk symbiotisch met zijn vader had geleefd en gewerkt. Senior heeft het ernaar gemaakt, denkt de lezer. Hij stierf uiteindelijk schamel behuisd, armelijk en eenzaam. Daar staat tegenover dat Heere Heeresma iets flikte wat maar weinig schrijvers lukt: in de nadagen van zijn loopbaan schreef hij ‘opeens’ nog een paar boeken die door de pers zeer verrast en met groot enthousiasme werden onthaald, met name Een jongen uit plan Zuid ’38 – ’46, dat zelfs nog in het Duits werd vertaald.

    Toch ook onaangenaam

    Een gat in het hoofd is een smakelijk en met vaart geschreven boek over een wonderlijk, markant en ten slotte toch ook onaangenaam mens, die niettemin een volstrekt eigen plaats inneemt in de Nederlandse literatuur, en deze met enkele onverwoestbare titels heeft verrijkt. Verbluffend is het aantal rake typeringen dat Anton de Goede van Heeresma heeft opgeduikeld, van hen die met hem omgingen of van bewonderaars op afstand. De quote van criticus Wim Zaal, die Heeresma tientallen jaren had gekend, moet wel een van de meest treffende zijn.

    ‘En wat was hij begaafd, zij het slordig van beheer! Bij sommige verhalen denk je: Wat zou dit een meesterwerkje zijn geworden als de schrijver er meer zorg aan had besteed. Maar ik heb geleerd, schrijvers te nemen zoals ze zijn. Heere was een flamboyante melancholicus, een religieuze woningzoekende, een pathologische jongleur, een geldbeluste provo, steeds geteisterd en getroost door de gave van het woord.’

     

    In 2024 stelde biograaf Anton de Goede een bloemlezing samen uit Heeresma’s oeuvre, In 2024 verscheen Heeresma houdbaar / samenstelling Anton de Goed/ (Gedundrukt) bij Van Oorschot. Een signalement daarvan vindt u hier.

     

     

  • Verbindend evenement van woorden en mensen

    Verbindend evenement van woorden en mensen

     


    De 42ste Nacht van de Poëzie ligt weer achter ons. Twintig nachtdichters, een handvol spetterende entr’actes en tal van andere activiteiten werden in een uitverkochte grote zaal TivoliVredenburg met overgave omarmd en beleden door meer dan 1500 poëzieliefhebbers.

    Als Esther Naomi Perquin, die samen met Piet Piryns het publiek door de Nacht leidt, de zaal begroet met ‘Lieve nachtdieren’ – dan weet je dat het is begonnen: dat wonderlijk intieme evenement van woorden en mensen, taal en muziek, dat naarmate het later wordt meer en meer verbindt. Logisch en bezwerend voor wie er onderdeel van is, niet uit te leggen aan wie het heeft gemist.
    Dat poëzie, actualiteit en engagement hand in hand gaan was al langer duidelijk. Onthutsende ontwikkelingen doen zich onophoudelijk voor op het wereldtoneel en deze klinken in de voordrachten door. Paul Demets neemt zijn gehoor mee in een relaas over een voorgenomen reis naar de brandhaard: “Ik wou de trein naar Gaza nemen”; verbluffend is dat zelfs voor zoiets poëzie zich overtuigend leent. Froukje van der Ploeg dicht over femicide: ’87 procent van je gevaar woont in huis, zit op je bank’.

    In de ban van poëzie

    Twintig dichters, in meer dan een opzicht divers en inclusief, betraden deze Nacht het podium onder het motto van ‘overal smelt het, zwelt het, glimt het – nu gaan de dingen weer beginnen’. Een regel van Judith Herzberg die betrekking heeft op de lente, maar niemand vond het erg dat dit in oktober als inswinger aan beide zijden van het podium prijkte.
    Judith Herzberg (1934) zelf was voor de tiende maal present tijdens de Nacht. Ze zette de zaal aan het denken met haar opsomming van wat allemaal kan worden beschouwd als vormen van gekte. ’tegen poezen praten, ja – maar ook: hopen, en wanhoop net zo goed, is een vorm van gekte’.

     

    Uitgeverij C.J. Aarts en uitgeverij Masjenka

     

    Een andere dichteres hield het publiek een spiegel voor door te stellen dat dit leven ‘lelijk maar dragelijk’ is, onder verwijzing naar protestkunst op de pleinen van Europa ‘met een glaasje gin voor wie het kan gebruiken’. Charlotte Van den Broeck, werkelijk nog maar pas moeder geworden, draagt het gedicht ‘Postpartum beach’ voor met daarin de regels: ‘pas geopende / stug-rood bebloste vrouwen / in hun plotsklaps lege vel blubberende / bloedverliezende vrouwen’.

    Muisstil is het in de vol bezette zaal wanneer een dichter ze met zijn voordracht in de ban houdt. Daarentegen moet van sommige entr’actes gezegd worden dat het – dreunende –  geluidsvolume soms veel te hard stond. Misschien goed om in de late Nacht mensen wakker te schudden, maar nu ontvluchtten velen de zaal uit vrees voor bonkende hoofdpijn of zelfs gehoorschade.

    Voorbij de Nacht

    Het wordt leger in de zaal als het later wordt. Maar de intense sfeer van verbondenheid geldt nog meer voor hen die tot het eind toe blijven. Tot slot is er het prachtige optreden van debutante Lin An Phoa, aangekondigd als ‘grand dessert’ van de Nacht. Ook zij vertolkte geëngageerde poëzie en bevestigt het bestaansrecht van depressieve tienerpoëzie: (‘we hadden geen stijl, wel een streefgewicht’) maar geeft er vervolgens blijk van zelf inmiddels een nieuw stadium te hebben bereikt als dichteres, met haar gedicht: ‘Op een dag zullen we het ons anders herinneren’:

    ‘we zullen het weer met elkaar eens zijn
    dan zullen we doen alsof we altijd al met onze armen ingehaakt
    de straat op gingen met vlaggen en een stuk bezorgkarton
    waarop we na lang nadenken schreven: nee!’

     

    Tom Lanoye tijdens de Nacht van de Poëzie

     

    Traditie van de Nacht is dat de dichter die als laatste optreedt volgend jaar het spits mag afbijten. We zullen ons Lin An Phoa dan zeker herinneren – en toch zal een en ander dan weer anders zijn. Zoals in deze Nacht, toen er een meer dan exuberante toegift volgde door Tom Lanoye die het publiek middels zijn brandnieuwe ‘Reinaard’-bewerking in ronkende vertelling en hoge versnelling meenam naar de Middeleeuwen. Waarna omstreeks half vier de laatste nachtgangers het donker van Utrecht betraden, vergezeld door poëzie tot ver na thuiskomst.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm


    De Nachtdichters van dit jaar waren: Judith Herzberg, Yentl van Stokkum, Tom Lanoye, Charlotte Van den Broeck, Pim Lammers, Sophia Blyden, Sasja Janssen, Neeltje Maria Min, Asmae Amaddaou, Sytse Jansma, Lieke Marsman, Marc Reugebrink, Yasmin Namavar, Froukje van der Ploeg, Gustaaf Peek, Bob Vanden Broeck, Paul Demets, Jan Baeke, Lin An Phoa en Peer Wittenbols.

     

  • Intense waardering van twee mannen

    Intense waardering van twee mannen

    Het gewicht van woorden. Brieven aan mijn uitgever van Geerten Meijsing is een zeer rijk boek. Vóór alles biedt het wat de titel belooft: brieven van Meijsing aan zijn uitgever Theo Sontrop, uit de periode 1973-2017. In zijn verbluffend originele, soepele en elegante Nederlands neemt Meijsing de lezer mee langs toppen en dalen, obsessies, zorgen en genoegens uit de halve eeuw die zijn literaire loopbaan nu omspant. Maar het boek is méér. Het documenteert ook vijftig jaar letterkundig leven van de Lage Landen. Weliswaar vanuit een zeer persoonlijk standpunt, eenzijdig wellicht – maar toch. Het boek behandelt op minstens zo particuliere wijze de geschiedenis van uitgeverij De Arbeiderspers, die met name in de jaren zeventig, tachtig en negentig, onder de bezielende leiding van Theo Sontrop en Martin Ros, toonaangevend was in literair Nederland.

    Bloemrijk proza

    De uitgeverij was als een thuishaven voor schrijvers als Jeroen Brouwers, Maarten ‘t Hart, Mensje van Keulen en Gerrit Komrij. En ten slotte is dit boek een must voor liefhebbers van de befaamde reeks Privé-domein, waarin (sinds 1966 al) egodocumenten van schrijvers uit binnen- en buitenland zo plezierig uniform en schitterend vormgegeven zijn ondergebracht. Het gewicht van woorden is Meijsings eerste boek onder zijn eigen naam in deze reeks. Eerder publiceerde hij onder zijn schuilnaam Joyce & Co. in Privé-domein, en verzorgde hij talrijke vertalingen van verschillende delen in de reeks. Daarnaast bevat het boek ook brieven áán Geerten Meijsing, geschreven door Theo Sontrop en door tal van andere medewerkers van uitgeverij De Arbeiderspers.  

    Het boek is nóg meer. Op dit alles namelijk levert Meijsing ook nog eens uitvoerig commentaar. Ook dat gebeurt in bloemrijk proza, soms opgewekt en bevlogen, soms ironisch en gelaten, soms feitelijk, met af en toe een bitterzoete scheut scepsis erdoorheen. Het is lastig citeren uit het overvloedige, eloquente geroddel over collega’s, vormgevers, medewerkers van de uitgeverij, familieleden. Op elke bladzijde is wel iets smakelijks, treffends of amusants te vinden – en dat Meijsing af en toe ook zichzelf te kijk zet maakt het alleen maar beter. Zo schrijft hij over Martin Ros:

    Ros was een bangelijke man, die permanent op alle paarden tegelijk wedde om zich in te dekken tegen alle eventualiteiten: hij was zowel katholiek als calvinist, én socialist én communist én anarchist én liberaal. Hij zag zichzelf als een Jood in oorlogstijd die mocht en moest collaboreren om te overleven. Elke collega door wie hij zich ook maar enigszins gekwetst of bedreigd voelde, kreeg een anoniem getypte brief onder de deur doorgeschoven.’ 

    Hoop op enige vorm van welstand

    Een onderstroom in dit geheel wordt gevormd door de verzoeken om betalingen, wat de geldzorgen weerspiegelt waar de schrijver vrijwel permanent mee kampte. Zelfs na het winnen van die ene grote prijs – de AKO literatuurprijs in 1988 voor Veranderlijk en wisselvallig – is de toon, wanneer geld ter sprake komt, er een van bezorgdheid. Daarentegen vertegenwoordigt uitgever Theo Sontrop de zakelijkheid. Wat niet wegneemt dat ook zijn brieven elegant en ter zake zijn, en doorgaans zeer puntig geformuleerd. Sontrop belichaamt  natuurlijk de verhoopte belofte van enige vorm van welstand, of in elk geval van een situatie zonder acute zorgen. Deze tegenstrijdigheid of ongelijkwaardigheid bepaalt de ontwikkeling van de vriendschap tussen schrijver en uitgever in hoge mate, zeker in het begin.

    Maar het allerbelangrijkste van deze prachtige verzameling brieven, beschouwingen en boutades is de liefde die eruit spreekt voor de troost en de kracht van literatuur. En de intense waardering van twee mannen die – hoe verschillend hun positie aanvankelijk ook is – heel geleidelijk innige gevoelens van respect en vriendschap ontwikkelen, ja: een vorm van liefde, die hun samenwerking beter, groter en mooier maakte dan de som der delen ooit zou zijn geweest.    



  • Ademloos luisterend en enthousiast applaudisserend publiek

     

    Na twee weken dagelijke literaire festiviteiten in Utrecht sloot ILFU op 5 oktober traditiegetrouw af met de Nacht van de Poëzie.



    Onder het motto van M. Vasalis, ‘Er is geen nacht oneindig en geen stilte stil’, traden 
    tijdens de 41ste Nacht van de Poëzie twintig Nederlandse en Vlaamse dichters op in Tivoli Vredenburg in Utrecht. Voordat de de Nacht begon dwaalden bezoekers vol verwachting door de immer onoverzichtelijke rondgangen. Eenmaal in de zaal aanbeland trekken grote schermen de aandacht, waarop geprojecteerde foto’s van dichters die tijdens eerdere Nachten hebben opgetreden. Het vervult de bezoeker met een zekere nostalgie en droefenis. Want oh, oh, oh, wat zijn er al veel van die gasten niet meer onder ons! Gerrit Komrij, Leo Vroman, F. Harmsen van Beek, Menno Wigman en ga zo maar door: allemaal dood.

    Het woord oorlog

    De brute actualiteit van de boze buitenwereld gaat aan de grote rode zaal vol poëzie in Utrecht niet voorbij. Zelden viel op een avond als deze zo vaak het woord ‘oorlog’. Terloops misschien – maar toch. Mahat Arab, Spoken Word Artist, geboren in Ethiopië en opgegroeid in Arnhem die vorig jaar de Nacht afsloot en traditiegetrouw de Nacht mag openen, brengt zijn taal en professie meteen in stelling met de zinsnede: ‘ik dacht dat poëzie verzet was’. Anna Enquist, grand old lady van de Nederlandse poëzie, wil volgens de aankondiging iets belangrijks zeggen met ‘gevonden voorwerpen’. De zaal luistert ademloos, applaudisseert enthousiast, en ook bij Enquist valt het woord: ‘Vrijheid heeft steeds nieuwe oorlog nodig’. Peter Verhelst (’een prijsbeest’) leest eveneens een oorlogsgedicht voor. Met Daan Doesborgh staat er een dichter op het podium die net zo goed performer is. Ook hij refereert aan oorlog (met water als inzet) en raakt het publiek met een ontroerend gedicht over een jong gestorven vriend: 

    ‘Spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan
     Bestaan in het volle licht van het bestaan’

    Bibi Dumon Tak was vereerd dat ze voor deelname aan de Nacht werd gevraagd. Ze had echter naar eigen zeggen zo weinig poëzie geschreven dat ze vreesde de toegemeten zeven minuten niet vol te krijgen – maar dat lukte prima. Haar voordracht liep over van aandacht en liefde voor dieren. Tamelijk onpoëtisch en zeer indringend nam de dichteres de zaal mee op sleeptouw in het kielzog van een transport per vrachtwagen van pasgeboren kalfjes. Honderden kilometers lang, kriskras door Europa. En een non-fictie prozafragment over evenhoevigen (wel de koe, niet de tapir) liet zich perfect poëtisch vertolken. 

    De lach, die toch kwam

    Ted van Lieshout spreekt het publiek direct aan als hij de denkbeeldige vraag verwoordt: ‘Ga je ons laten lachen? Nee.’ Waarna een aangrijpend gedicht volgt over zijn overleden jongere broer. De toehoorders krijgen geen tijd om het effect op zich te laten inwerken, want hoe pregnant Van Lieshout het publiek met dit gedicht ook benadert, hij doorbreekt de opgeroepen stemming door de voordracht direct te vervolgen met de verzuchting, ‘Erg hè?’. Waarna er alsnog genoeg is om hard om te lachen.

     

     

    Als immer tijdens de Nacht worden voordrachten van dichters afgewisseld met entr’acts. Deze zijn doorgaans van zeer hoog niveau. Zo kreeg theatermaker Steef de Jong het publiek op de banken met zijn hartveroverende presentaties: vernuftige kartonnen constructies, De Jongs performance en de verbeelding van de toeschouwers leidden tot een uitzinnig geheel. Hilarische slapstick, origineel en onweerstaanbaar: van een negentiende-eeuws operettefragment van Jacques Offenbach tot een optreden van Queen en een uitstapje naar de Oostenrijkse Alpen, waar Maria von Trapp de vreugde van muziek bezingt. Schijnbaar moeiteloos en opgewekt brengt Steef de Jong het in een dik kwartier allemaal voor het voetlicht.

     

     

    Heel anders van aard was de muziek van het Cello Octet Amsterdam. Deels ritmisch ‘monotoon’ en modernistisch, deels toegankelijk met een schitterende uitvoering van ‘Within you without you’ van The Beatles. Waarbij ‘When I’m 64’ de zaal zachtjes meezong.

    Geëngageerde poëzie  

    Ramsey Nasr dichtte en acteerde geëngageerd over Wilders en Rutte. En hoe een gedicht uit 2010 tegen de achtergrond van de actualiteit aan schrilheid heeft gewonnen. Met zijn opzwepende voordracht oogste Nasr een enorm applaus. En wat je voelde aankomen gebeurde inderdaad: Nasr citeerde de regels van Vasalis die het motto zijn van deze Nacht en vervolgde geëmotioneerd: ‘Lang leve Palestina’. Maarten Inghels probeert naar eigen zeggen al twintig jaar te stoppen met schrijven. Gelukkig slaagde hij daar niet in – en blijkens zijn website doet hij bovendien nog veel meer. Zijn voorstel voor een voetbalwedstijd tussen tweemaal elf bomen (een team inheemse, een team uitheemse bomen), die in de loop van honderd jaar ‘naar elkaar toe groeien’ was een verbluffend staaltje van de grenzeloos rekbare mogelijkheden van de poëzie. Roan Kasanmonadi – schrijver, danser, psychiater in opleiding – demonstreerde aanstekelijk en overtuigend dat de wijze waarop games zijn gestructureerd, ook een prima kapstok kunnen zijn voor gedichten.    

    Soms ongemakkelijk, immer poëtisch

    De  entr’acte van Brilhang, rapper uit Knokke-Heist, paste met zijn prachtige teksten, uitgevoerd in het West-Vlaams en indringend begeleid op een synthesizer naadloos tussen de andere poëtische voordrachten. Veel dichters vertolkten gedragen lange teksten, bezwerend, verhalend, soms sprookjesachtig, soms ongemakkelijk, immer poëtisch. De finale entr’acte van de Nacht behelsde een muzikaal spektakel opgevoerd door een ensemble bestaande uit negen vrouwen dan wel non binaire bandleden. Veel bezoekers waren al vertrokken maar de blijvers hadden gelijk en dansten de vermoeidheid uit hun ledematen. En konden zo om kwart voor drie nog aandachtig luisteren naar de laatste dichter, Yentl van Stokkum, die traditiegetrouw volgend jaar de 42e Nacht mag openen.

    Buiten de zaal was er gedurende de hele Nacht de roezige dynamiek van boekverkoop, stands van poëzie-uitgevers, tijdschriften als Vooys en Awater, signeersessies. Wie wilde kon terecht in een literaire tattooshop of naar een poëzie apotheek.
    ‘Wat goed dat dit bestaat!’, begon dichter Bernard Wesseling zijn voordracht. Daaraan hoeft niets meer te worden toegevoegd.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm

     

  • Een eenpersoons fanfareorkest

    Een eenpersoons fanfareorkest

    In 2013 verscheen bij uitgeverij Van Oorschot het boek Gedundrukt van S. Carmiggelt. Deze uitgave viel op door de gedistingeerde uitvoering: smal en hoog, netjes in linnen band, echt in katernen genaaid gebonden, uitgevoerd met leeslint, stofomslag en buikbandje. Het omslag prijkt met rustige en klassieke typografie, wat verwijst naar het werk van Helmut Salden, eertijds de befaamde huisboekverzorger van Van Oorschot. Na het Carmiggelt-boek verschenen in deze aansprekende uitvoering méér uitgaven van Nederlandse auteurs, mannen en vrouwen, levend en ‘reeds aan de overzijde’. Denk daarbij aan namen als Theo Thijssen, Annie M.G. Schmidt, Mensje van Keulen, Kees van Kooten, Marga Minco en Godfried Bomans. 

    In april van dit jaar verscheen in deze reeks een uitgave met proza van Heere Heeresma (1932-2011), onder de titel Houdbaar. Heere Heeresma was een productief en veelzijdig auteur. Tussen 1954 en 2006 pende hij een omvangrijk oeuvre bij elkaar, dat bestond uit verhalen, romans, gedichten en al dan niet autobiografisch getinte opstellen, schimpscheuten, radiocolumns en boutades, alsmede enkele brievenboeken. Sommige van zijn titels verwierven een klassieke status, zoals Een dagje naar het strand (1962), Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (1973). Meermalen zijn er verfilmingen van zijn werk gemaakt en Heeresma’s boeken werden regelmatig herdrukt. Toen zijn schrijverscarrière wel zo ongeveer voorbij leek te zijn, verraste Heeresma vriend en vijand met de gestileerde herinneringen aan zijn jeugdjaren tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de titel: een jongen uit plan Zuid, dat verscheen in 2005. Een literaire prijs van enig belang kreeg Heeresma nooit; en hoe vaak zijn werk tijdens zijn leven ook werd gedrukt, herdrukt, verzameld en opnieuw uitgegeven, vrijwel zijn gehele oeuvre is thans alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. 

    Onmogelijke man

    Heere Heeresma was ‘een onmogelijke man’. Iemand met een uitgesproken reputatie van dwarse eigenzinnigheid, over wie talrijke anekdotes bestaan. Hij was een volstrekte eenling die vaak met zijn omgeving overhoop lag. Heeresma had geen telefoon, gaf zijn adres aan niemand, correspondeerde via zijn postbusnummer en wenste alleen contant betaald te worden voor het werk dat hij leverde. Omdat hij zich niet kon verenigen met het Nederlandse onderwijssysteem nam hij zijn zoon van school en onderwees hem zelf, thuis. Heeresma’s weerbarstigheid blijkt ook uit het grote aantal uitgevers met wie hij zijn boeken maakte. Telkens vertrok hij met ruzie of bedong hij ergens anders betere voorwaarden. Hij stichtte met kennelijk plezier verwarring met verhalen over zijn inkomsten uit exploitatie van een keten wasserettes in Frankrijk of over het manuscript ‘Kaddish voor een buurt’, een meermalen aangekondigd boek dat desondanks onder die titel tijdens Heeresma’s leven niet verscheen.        

    Houdbaar bevat een dertigtal verhalen, opstellen en romanfragmenten. De langste beslaat 24 bladzijden, de kortste en niet toevallig (?) laatste bijdrage is slechts anderhalve pagina lang. Daarin noemt Heeresma zichzelf een ‘eenpersoons fanfareorkest’ en de literatuur ‘een nering in de kleren van de keizer’. De lezer is dus terdege gewaarschuwd, zij het helemaal aan het eind van het boek. Deze dundruk is vintage Heeresma, zoveel is duidelijk. Scherpe observaties, verhalen met opvallend oog voor detail, en een kenmerkende mengeling van weerbarstigheid en melancholie. Een mooi en kernachtig voorbeeld van dit laatste is te vinden in de afdeling ‘Dronken deuren uit een verzopen verleden’. Daarin krijgen we korte, dagboekachtige notities te lezen over te veel drankgebruik – en de gevolgen. 

    Dagcafé Koninck

    ‘Fietsenrek niet meer aanwezig. Twaalf halve litertjes Dommelsch bier; flesje cola, kop koffie; vleesstang; 9 vieux. Niets hielp. Door ruit achterkamer gevallen maar geen letsel van betekenis. Ter ontnuchtering opgesloten hoofdbureau gemeentepolitie ’s-Hertogenbosch. Schone cel. Betonnen vloer die cementstof afgeeft. Geen slaapgelegenheid. Een kruk aan de muur. Om half zes vrijgelaten. Koffie gekregen van oude adjudant die begrip toonde. Gehuild.’    

    Teksten die worden gemist

    Houdbaar is samengesteld door radioprogrammamaker en Heeresma-biograaf Anton de Goede, die veel met de auteur heeft samengewerkt. De meeste bijdragen in Houdbaar (zes in totaal, 17 blz.) komen uit Zacht gelag, een bundeling radio-voordrachten die verscheen in 1996. Uit de befaamde bundel Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming uit 1973 werden vier van de in totaal vijf verhalen overgenomen (in totaal meer dan 80 blz. in Houdbaar), waarmee deze bundel dus nagenoeg integraal is herdrukt; alleen het verhaal ‘Anna’ ontbreekt. Juist uit twee van Heeresma’s bekendste boeken, Een dagje naar het strand uit 1962 en Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) werd geen enkel fragment geselecteerd. De verantwoording van de keuze uit Heeresma’s oeuvre had wel wat uitgebreider gemogen. Zo is bijvoorbeeld niet vermeld waarom  er geen poëzie is opgenomen.

    Volgens welke volgorde de fragmenten en verhalen worden gepresenteerd is onduidelijk. Chronologisch in elk geval niet – integendeel, zoals blijkt uit de inhoudsopgave. Ook is niet vermeld aan welke edities de teksten zijn ontleend, wat toch relevant is bij een auteur wiens boeken zo dikwijls werden herdrukt. Er zijn ook verschillen tussen de teksten in de eerste uitgaven van Heeresma’s boeken en de verhalen in Houdbaar, wat de vraag om opheldering qua precieze tekstkeuze enkel groter maakt.

    Dit alles laat onverlet dat Houdbaar – prachtig vormgegeven en smaakvol uitgevoerd – een uitgelezen kans is tot kennismaking met het werk van een auteur die de aandacht ten volle waard is. Om zijn pronte stijl, zijn stroeve troost en om zijn volstrekt eigen en bij vlagen uitzinnige humor.            

     

     

  • Beeld van een getalenteerd en gevoelig kunstenares

    Beeld van een getalenteerd en gevoelig kunstenares

    Gedurende vele jaren heeft literatuurhistoricus Nop Maas (1949) intensief contact gehad met de dichteres Hanny Michaelis (1922-2007). In 2002 bezorgde Maas Michaelis’ boek Verst verleden. Jeugdherinneringen verteld aan Nop Maas verschenen bij Van Oorschot. Maas ondervroeg Michaelis natuurlijk over haar huwelijk met Gerard Reve voor zijn driedelige biografie over Reve, getiteld Kroniek van een schuldig leven (2009-2012). Hij was ook de bezorger van de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis, die postuum zijn uitgegeven in twee delen bij Van Oorschot, samen ruim 2.000 pagina’s. De Tweede Wereldoorlog betekende voor de joodse Hanny Michaelis persoonlijk een catastrofe: haar beide ouders werden door de nazi’s in Sobibor vermoord. Zelf overleefde ze de shoah door onder te duiken. 

    Talrijke herinneringen, opmerkingen en uitspraken van Michaelis, gedaan tijdens vele ontmoetingen heeft Nop Maas op geluidsband opgenomen en later schriftelijk uitgewerkt. Zelf spreekt hij van ‘ongeautoriseerde momentopnamen’. Deels in combinatie met wat Maas al eerder over haar schreef, heeft hij dit alles nu bewerkt tot het boek Vastgenageld aan de rand van het niets. Hiermee heeft Nop Maas geen biografie over Hanny Michaelis geschreven, en ook niet willen schrijven. Wel heeft hij uit al die soms terloopse uitlatingen en gespreksfragmenten een kaleidoskopisch geheel weten te maken dat boeit van begin tot eind.

    De vrouw die getrouwd was met

    Heel knap heeft Nop Maas de uitspraken en boutades van Michaelis geordend in een negental hoofdstukken, chronologisch en thematisch: Jeugdherinneringen, Na de oorlog, Leven met Reve, Na de scheiding, Jodendom, Eigen werk, Schrijvers, kunstenaars en uitgevers, Varia en ten slotte Haar laatste jaren.

    Dikwijls werd Michaelis vooral gezien als de vrouw die van 1948-1959 met Gerard Reve was getrouwd. In dit boek komen juist andere aspecten van haar leven aan bod. Even opmerkelijk als terecht is de aandacht voor Michaelis’ eigen poëzie. Tussen 1949 en 1971 publiceerde ze een vijftal bundels met gedichten, tezamen ruim tweehonderzeventig bladzijden. Ook daarover praat Michaelis laconiek, relativerend, spottend soms. Dat dit geen valse bescheidenheid is, blijkt wel uit het feit dat ze na 1971 inderdaad met dichten stopte, of in elk geval: het lukte niet meer. En hoe jammer is dat niet: ze wist met haar gedichten telkens nieuwe lezers te bereiken, haar werk werd met regelmaat herdrukt. 

    Roddelpraat van een lief mens

    Zeer aansprekend is het grote hoofdstuk over collega-dichters en -schrijvers en uitgevers. Niet alleen Nederlandse auteurs die zij gekend heeft, ook over veel anderen die zij alleen uit de lectuur heeft leren kennen, laat Michaelis zich over uit. Van Hans Christian Andersen tot aan de Zangeres zonder Naam. Met name omdat Michaelis totaal geen blad voor de mond neemt en de halve Nederlandse literatuur van de 20ste eeuw afwerkt, levert dit een verrukkelijk brok ongepolijste, uiterst levendige literaire geschiedenis op. Zo vond ze dat iemand van de portuur van Carry van Bruggen nog geboren moest worden, Hermans was iets heel bijzonders, H.J.A. Hofland is een ontzettende zak, de smaak van Komrij kan Michaelis gestolen worden, Harry Mulisch noemt ze een prulschrijver, Du Perron kon schrijven als de ziekte, Ethel Portnoy is een kolerewijf, A. Roland Holst viel omhoog door gebrek aan gewicht, Renate Rubinstein was narcistisch en jaloers. Roddelpraat? Och ja, maar van een oprecht, toegewijd en liefdevol mens. De dankbare en geamuseerde lezer vergeeft haar veel, zo niet alles.     

    Al lezend in dit boek wordt men telkens weer getroffen door de onnadrukkelijkheid waarmee Michaelis haar uitlatingen doet. Dit kan te maken hebben met de gefragmenteerde opbouw: allemaal miniatuurtjes die in hun samenstelling een gaaf en veelzijdig beeld opleveren. Een beeld van een getalenteerde, gevoelige kunstenares, die een dramatisch leven leidde en zich door haar opmerkingsgave, groot gevoel voor humor en neiging tot relativeren staande wist te houden. En zelfs meer dan dat. Michaelis’ poëzie verdient het gelezen te worden. Dit boek met herinneringen en commentaren is met Michaelis’ dagboeken en poëzie het sluitstuk van een boeiend en indrukwekkend drieluik.

     

     

  • Brieven vol treffende uitspraken, ontboezemingen en observaties

    Brieven vol treffende uitspraken, ontboezemingen en observaties

    In 1939 bezorgde de letterkundige dr Garmt Stuiveling De briefwisseling Vosmaer-Kloos (Groningen, Wolters; 257 p.). Deze literair-historische publicatie handelt in hoofdzaak over de totstandkoming en eerste uitgave van de bundel Gedichten van Jacques Perk in 1882. De schrijver E. du Perron, die bevriend was met Stuiveling, vatte zijn waardering voor De briefwisseling Vosmaer-Kloos prachtig samen. In een brief aan Stuiveling van 13 januari 1940 schreef hij: ‘Ik ken wel mooiere, maar geen prettiger lectuur dan deze’. Hetzelfde kan worden gezegd van het boek Willem Witsen (1860-1923). Een kunstenaarsportret in brieven. 

    In 2023 was het precies honderd jaar geleden dat de schilder, tekenaar, fotograaf en graficus Willem Witsen overleed. Reden voor de Stichting Willem Witsen om middels publicatie van een afgewogen keuze van een 140-tal brieven uit Witsens uitgebreide correspondentie de aandacht te vestigen op deze interessante en veelzijdige figuur. Het boek bevat brieven van Witsen zelf en van collega’s en vrienden áán hem. Met schilders wisselt hij gedurig van gedachten over allerlei aspecten van de beoefening van het kunstenaarsvak. En en passant komen namen voorbij van lieden met wie Witsen daarnaast nog meer verkeerde, onder wie schrijvers en dichters als Frederik van Eeden, Willem Kloos en Albert Verwey.     

    Ongepolijst schrijven

    In verschillende opzichten is dit boek onweerstaanbaar. Wat de lezer direct treft is de geweldige levendigheid van de brieven. De allereerste lange brief die is afgedrukt schrijft Witsen op 16-jarige leeftijd. Letterlijk staat dan halverwege: ‘Ik zal wel veel fouten hierin hebben, maar ik heb geen lust deze brief geheel over te lezen, ’t zijn allemaal fouten van ’t gauwe schrijven.’ Ook in ander opzicht treft de grote levendigheid van het ongepolijste schrijven. Dat bijvoorbeeld in 1885 een woord als ‘verneukeratief’ al werd gebruikt in het Nederlands is iets dat onomstotelijk uit deze uitgave blijkt.  

     De brieven zelf krioelen van treffende uitspraken, ontboezemingen en observaties. Prachtig hoe schilder en schrijver Jacobus van Looy vanuit Venetië zijn indrukken van de stad in een brief aan Witsen verwoordt: ‘Venetië is zulk een (vooral ’s avonds) geruischlooze stad, dat men alles hoort, en zelfs de stilte een geluid is.’ En als Van Looy dan zoiets typisch prozaïsch beschrijft als het toeristisch voeren van Venetiaanse duiven, verbluft hij de lezer met een uitgebreide omschrijving van kleuren, vormen en beweging, zoals alleen een zeer scherp waarnemer die maken kan. Natuurlijk behoren de meeste lieden die in dit boek aan het woord komen tot de financieel meer bevoorrechten. Niettemin getuigt menige brief van geldzorgen. En de roeping van het artiestenbestaan wordt met wisselend enthousiasme ondergaan: “Waarom moeten wij toch zoo veel meer tobben dan anderen?”, verzucht Witsen in een brief aan Van Looy.  

    Volheid van leven weerspiegeld in brieven

    Het kunstenaarsbestaan heeft dus zo zijn zorgelijke kanten. En ook liefde en vriendschap gaan niet altijd over rozen. Willem Witsen trouwde met Betsy van Vloten; haar zussen Kitty en Martha waren getrouwd met resp. de dichter Albert Verwey en de schrijver-arts Frederik van Eeden. Kunstzinnigheid alom dus, in de familie. Helaas: Witsens huwelijk met Betsy liep op de klippen – ondanks dat zij binnen enkele jaren aan drie zoons het leven schonk. Een scheiding betekende ook lange tijd minder omgang met die jongens, maar een nieuwe liefde brengt nieuwe lichtheid. Sommige vriendschappen lopen door misverstand, onzekerheid en wantrouwen forse deuken op, waarover soms uitvoerig in de brieven wordt gedelibereerd. Na al die jaren is de urgentie daar wel van af natuurlijk; toch vormt ook zo’n vriendenruzie een onmisbaar aspect van de volheid van het leven die deze brieven onopzettelijk zo treffend weerspiegelen.   

    Details over het dagelijkse leven

    In 1918 feliciteert Witsen zijn vriend de dichter Willem Kloos met diens verjaardag. Kloos bedankt nog op de dag zelf (6 mei) voor deze attentie. Terloops vermeldt hij in zijn briefje details over de gevolgen van de oorlogsomstandigheden voor het dagelijks leven (ondanks dat Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal was). Kloos schrijft: ‘Toch hebben wij (zonder bluf) in het geheel nog geen honger geleden: met erwten, boonen, maizena, aardappelen, kaas, wat visch en een enkel ei zijn ware wonderen te doen, ook wat voedzaamheid betreft. Er is een tentoonstelling geweest van de Haagsche huishoudschool van basisgerechten, waar croquetten, taarten, puddingen, salades etc. waren geëtaleerd, waarin geen spiertje vleesch zat, en die toch zeer smakelijk waren.’           

    Deze uitgave kan niet genoeg worden aangeprezen, al was het alleen al om het feit dat gekozen is voor voetnoten in plaats van eindnoten, wat het gebruik zeer bevordert. Ondanks dat die noten in zo’n kleine letter gedrukt zijn dat dat het lezen wel wat bemoeilijkt. Het boek stemt ook weemoedig, want het staat vast dat over honderd jaar er geen uitgave te maken zal zijn van brieven die schilders en dichters elkaar heden ten dage nog schrijven – ‘if any’. En of tegen die tijd alle emails of uitingen en epistels op sociale media bewaard zijn gebleven? Het staat te bezien. Dat dit boek met brieven van en aan Willem Witsen dan nog gewoon voor geïnteresseerden te lezen zal zijn, is een inspirerende en geruststellende gedachte.     

     

     

  • Leven en werk van Wigman in prachtig vormgegeven boek

    Leven en werk van Wigman in prachtig vormgegeven boek

    Op een of andere manier is in het huis van de literaire historie altijd plaats voor de gedoemde dichter. Tijdens zijn leven verguisd, bespot, gemeden of in elk geval niet goed begrepen. En na zijn dood juist herkend als kwartiermaker en wegbereider. In Nederland was Slauerhoff er zo een. Het ultieme specimen is de Franse 19de eeuwse dichter Charles Baudelaire. Ten slotte ook maar de schrijver van één werkelijke bundel, maar wat voor een: Les fleurs du mal (1857) groeide uit tot een van de meest invloedrijke gedichtenbundels ooit. 

    Menno Wigman voelde zich sterk verwant aan Baudelaire. Al op 21-jarige leeftijd vertaalde Wigman gedichten van Baudelaire en publiceerde deze in eigen beheer, onder het halfpseudoniem Menno Wichman, met c h, waarmee hij een saluut bracht aan die ándere Nederlandse zeer onburgerlijke poète maudit: Erich Wichman(n), die leefde van 1890-1929. Menno Wigman overleed in 2018, slechts eenenvijftig jaar oud. Aan zijn dichterschap is nu (vijf jaar na zijn ontijdige dood) een ondanks alles, bijzonder feestelijk lees- en kijkboek gewijd.

    In een tiental hoofdstukken wordt Wigman’s leven en werk van verschillende kanten belicht. Sommige van die hoofdstukken zijn in principe ‘tekstloos’, d.w.z. er is genoeg te lezen maar het betreft vooral afbeeldingen van schrijvers en boeken die Wigman hebben geïnspireerd, vaak knipsels, handschriften, plakboeken en ander geknutsel uit de nalatenschap van de dichter zelf. Andere meer beschouwende hoofdstukken zijn van de hand van vriendin van Wigman en vertaalster Kiki Coumans, en de dichters Rob Schouten, Willem Thies en Vrouwkje Tuinman. 

    Op 16-jarige leeftijd maakte Wigman in eigen beheer zijn eerste poëziebundel, hij gaf een eigen tijdschrift uit (‘Nachtschade’) … alles getuigde van ‘het vuur van zijn ambitie’. En ook voor het overige komt het allemaal voorbij: drummen in een punkbandje, de telkens weer veel te tijdelijke troost van seks, verlangen naar Parijs, spleen, dwepen met vergankelijkheid en dood. Juist in de context van dit laatste manifesteerde Wigman zich – zeer toepasselijk – als een der initiatiefnemers van het fenomeen ’eenzame uitvaart’.  

    Pièce de resistance is het slot van het boek, dat een inventaris behelst van Wigman’s bibliotheek. Het gebruikte lettertype is helaas te klein om makkelijk te kunnen lezen; ongetwijfeld is hiervoor gekozen met het oog op de nodige ruimtebesparing, en met een vergrootglas is het leesbaar. Aldus is men erin geslaagd om op zestien bladzijden ruim 3.200 titels op te sommen van boeken die bij Wigman in de kast stonden. Een prachtige lijst met – wie zal het verbazen – heel veel poëzie. Van Achmatova tot Yeats en van Achterberg tot Tuinman. En heel veel Baudelaire. 

    Het is ongerijmd dat een boek over een helaas te jong gestorven dichter, die zelf bezeten was van dood en vergankelijkheid, zoveel enthousiasme weet los te maken. Want dat doet het. Voor de makers van dit boek, van wie zeker ook vormgever Huug Schipper moet worden genoemd, voor dichter Menno Wigman en voor de poëzie zelf. Bron van schoonheid, inspiratie en troost. 



  • Soms lieflijk en scherpzinnig

    Soms lieflijk en scherpzinnig

    Lilian Zielstra (1991) studeerde Nederlands en was gedurende twee jaar stadsdichter van Groningen. De catalogus van de nationale bibliotheek vermeldt dat ze in 2019 een bundel gedichten publiceerde, en in 2018 de bloemlezing Dichten met oma: de mooiste gedichten voor en over Groningse ouderen. Dit jaar verscheen haar nieuwe poëziebundel, Mijn dochter draagt een steen. In de nationale bibliotheek is deze nog niet te vinden. Zielstra’s debuutbundel uit 2014, Specimen, ontbreekt trouwens ook nog aan de collectie. Haar nieuwe bundel telt dertig gedichten.

    Het eerste gedicht is getiteld ‘Vader’, het laatste gedicht heet ‘De moeder de vrouw’. In de titel van de bundel wordt een ‘dochter’ genoemd. Vader, moeder, dochter … De lezer zou kunnen verwachten dat Zielstra’s poëzie dicht bij huis blijft, betrekking heeft op familie, de nabije omgeving van belangrijke verwanten. In vrijwel alle gedichten valt het woordje ‘ik’ meerdere keren. Tien gedichten beginnen met ‘Ik’: Ik was op vakantie naar de cycladen, Ik mag geen gedicht schrijven over bevallen, Ik werd in november verliefd op een boer, Ik droom elke nacht over een man … Deze poëzie is, kortom, hoogstpersoonlijk, en sluit daarmee aan op het credo van de Tachtigers: kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Een voorbeeld:

    Handen

    ‘Ik was altijd rechtshandig, maar ik verzorgde
     mijn pasgeboren kind ineens met links.

     Alles in haar kamer moest worden verplaatst en aangepast.
     De deuren klopten niet meer. Ik was in de war en mijn lief zei:

    Het komt vast omdat je linkerhand dichter bij je hart zit,
     het is een teken van je lijf dat je zoveel van haar houdt. 

    Maar ik dacht dat het kwam doordat iets in mij zich had omgedraaid
     en de andere kant uitkeek, maar achteren, waar ik gebleven was.’   

    Persoonlijke poëzie

    Naast figuren als moeder, dochter en de ik, komen nog andere protagonisten voorbij: een vorig vriendje, maar ook ‘een man die ik niet kende’ of ‘De gothicmeisjes in lunchroom Eventjes’. In het algemeen gesproken is er natuurlijk niets tegen ‘persoonlijke’ poëzie. Zielstra weet ook geregeld haar individuele sensaties en ervaringen poëtisch treffend te verwoorden. Zoals in

    ‘Mijn moeder heelt een wond’ 

    ‘Mijn moeder leerde me namen
     van wat er in de berm leeft:
     meidoorn, braam en hondsroos.

    In haar tuin woekert vrouwenmantel.
     Ze pelt de flinterdunne laag van een blad
     en legt die op mijn geschaafde knie. 

     Zo geeft ze me voor de tweede keer
     een ongeschonden huid.’

    Wat in deze gedichten ontbreekt is juist dat wat poëzie soms zo krachtig en tijdloos maakt: namelijk dat de poëtisch verwoorde impressie of sensatie het individuele ontstijgt, en algemene geldigheid verkrijgt, en daardoor ‘herkenbaar’ is voor velen in plaats van voor de dichter alleen. In het gedicht ‘Bruiloft’ van Gerrit Achterberg gebruikt de dichter de regel ‘Familie duurt een mensenleven lang’. Dit is ijzersterk: herkenbaar voor iedereen en toch tegelijkertijd – juist door de formulering – munt Achterberg een krachtig nieuw inzicht. 

    Allerindividueelste expressie

    Precies op het belang hiervan werd gewezen door de dichter Jean Pierre Rawie in een interview dat hem werd afgenomen tijdens de Nacht van de Poëzie in 2023, beschikbaar als podcast. Als Rawie in een sonnet het overlijden van zijn vader memoreert, weet hij dat zodanig te doen dat het talrijke lezers raakt in het hart, omdat het ook over het heengaan van hún vader gaat. Dus om het credo van de Tachtigers uit te breiden: allerindividueelste expressie van allerindividueelste emotie, en dan zo, dat dit ook de emoties van anderen vertolkt. 

    Of dichteres Lilian Zielstra ooit zodanig gaat dichten over haar gevoelens en belevenissen dat dit voor haar lezers ‘herkenbaar’ wordt, is de vraag. Haar gedichten zijn op zichzelf scherpzinnig en soms lieflijk. Maar echt ‘raken’ doet haar poëzie niet.

     

    Poëziepodcast Camping de Vrijheid: Veertigste Nacht Van De Poëzie • ILFU.