• Een oproep voor meer vrijheid van leven

    Een oproep voor meer vrijheid van leven

    Recensie door Rein Swart

    ‘Edith tikte de laatste zin snel. ‘Seksualiteit is voor sommige meisjes wat een leeuw is voor een kudde grazende gazellen:’
    Aldus begint het tweede en wederom lijvige boek van Minke Douwesz. Hoofdpersoon is Edith Heringa, een veertigjarige gynaecologe die wil promoveren op het onderwerp gender-identiteit en gestoord eetgedrag, zoals dat in vaktermen heet. Ze is echter niet tevreden over het eerste woord van de laatste zin van haar artikel, maar weet ook niet hoe die zin wel moet luiden.

    Met het oplossen van de puzzel en het vinden van het juiste woord voor het probleem van anorexia zoals het onderwerp van haar dissertatie in de volksmond bekend staat, blijft ze het hele boek bezig. De ideeën die ze daarover ontwikkelt worden gestuurd door een aflopende relatie met Norma, die haar werk is kwijtgeraakt en als dieren activiste radicaliseert.
    Edith komt onder andere uit op hechtingsproblematiek en op veronachtzaming. ‘Eindelijk viel te begrijpen wat er met haarzelf was gebeurd.’

    De roman speelt zich af tegen de achtergrond van de verkiezingen en de moord op Fortuyn in 2002. We zien alles door de bril van Edith, een vrolijk meisje dat na de vroege dood van haar moeder, ernstig is geworden en zelfstandigheid hoog in het vaandel heeft staan. Ze is niet de eerste de beste kirrende vrouw die de wegenwacht om hulp belt als ze een lekke band heeft, rookt sigaren en leeft bewust, althans zo bewust mogelijk, want aan een voortdurend bewustzijn zou ze kapot gaan.

    De karakters van Norma en Edith lopen behoorlijk uiteen, zoals blijkt uit een commentaar op een avondje stappen in het verleden van Edith met een arts-assistente: ‘Norma vond dat haar verleden alle aanleiding gaf tot argwaan. Edith echter vond dat je jaloezie het beste kon vermijden door zelf je vriendin te blijven boeien.’ Behalve bescherming zoekt Edith in een relatie ook avontuur. Sinds de verhuizing, enkele jaren geleden, naar het platteland zijn de vrouwen meer op elkaar aangewezen en is de onevenwichtigheid tussen hen gegroeid. Norma is van geliefde tot levensgezel geworden. Overtuigd schetst Minke Douwesz haar jaloezie, verongelijktheid en toenemende wanhoop.

    Edith wordt echter hoorndol van het gedrag van Norma. Teerhartig als ze is, kan ze opeens uitvallen naar haar gemoedelijke vader. ‘Angst, boosheid, onthechting deden een groot beroep op de serotonine huishouding. Ze moest weer eens lol maken, andere neurale netwerken aanboren.’

    Haar angst mee ten onder te gaan met Norma klinkt door in de regels van The Verve, ‘I take you down the only road I’ve ever been down’ – wat ook het motto van het boek is en afkomstig van hun bekendste nummer Life is a bittersweet symphony. Anders dan in Strikt waarin hoofdpersoon Idske juist veel films keek, zegt Edith dat ze de meeste films niet interessant vindt. Zij geeft daarentegen veel om muziek, of het nu pop is of klassiek.

    Tijdens een wandeling met de hond mijmert Edith dat ze koe wil zijn onder de koeien; anders en toch hetzelfde. Een eigen plaats innemen in een groter geheel. Haar onbezorgdheid van weleer en de afschuw van dit moment zijn twee kanten van dezelfde medaille, zo sombert Edith over haar leven.

    De alledaagse handelingen, of de ‘daagsheid’ zoals Douwesz het zelf noemt, scheppen vertrouwdheid. Je ruikt bijna de ezels, je hoort de katten miauwen en je ziet de teckel op je af komen waggelen. De aandachtige observaties, zoals over een fles wodka met ijskristallen, maken dat je die voor je ziet. Hoewel niet alle vergelijkingen even sterk zijn, staan er mooie stukjes in, zoals over roeien: ‘Ze gehoorzaamden, haal na haal als de radertjes van een geoliede machine, verspringend als de wijzers van een klok, een geluidloos staccato gestroomlijnd tot een vloeiende beweging, glad over het water heen.’

    Homoseksualiteit vormt net als in Strikt een belangrijk thema. Een deel van het probleem wordt veroorzaakt door de moeilijkheid een geschikte partner te vinden. Vriendin Lidwien staat op het punt te trouwen met een man en de relatie met bibliothecaresse Loes komt moeilijk van de grond. De onzekerheid van menselijke verhoudingen treft de homoseksueel nog harder. Waarom accepteert de kerk hen niet, vraagt Edith zich af. Kan men zich niet beter bezighouden met de gevaren die elke vorm van liefde bedreigen? Afgunst, bezitterigheid, egocentrisme, ongeduld, het onvermogen frustratie te verdragen, geweld.
    Het boek kan ook gezien worden als een oproep voor meer vrijheid van leven.

    Het inkijkje in het leven van een gynaecologe zal lezers die schrijvers als Voskuil en Frida Vogels op handen dragen, zeker bevallen. Hier is het vooral de verhouding met Loes die het boek draagt, meer dan de verhouding met Norma, de dreiging die van haar en haar mede-dierenactivisten uitgaat en het gemodder van Edith, waardoor je als lezer opgelucht ademhaalt als er eindelijk wat schot in de zaak komt.

    Minke Douwesz beschrijft de neergang van een relatie in een rustige filmische stijl, waarbij je als in een bioscoopstoel heerlijk onderuit kunt zakken. De dunne bladzijden van Van Oorschot en de klassieke vormgeving maken het lezen tot een bijna sacrale ervaring. De vrij korte zinnen lezen gemakkelijk weg.

     

  • Waarin een handicap tot een bijzondere kracht wordt

    Waarin een handicap tot een bijzondere kracht wordt

    Dit Franse boek uit 1969, dat veel in zich heeft van een postmoderne roman, is geschreven zonder de letter “e”. Dat genereert op zich al een soort proza dat anders is dan wanneer de schrijver zonder inperking zou schrijven. Perec zegt zelf in een naschrift dat zijn vormdwang voortkwam uit blufpraat, maar dat het vervolgens een stimulans bleek te zijn voor een fris glansrijk proza. Dat is het zeker zo, ook in de aandachtige vertaling van Guido van de Wiel. Het is een boek dat losscheurt van het gewone, de alledaagse gang van zaken, die ook in de literatuur soms optreedt.

    Het begint evenwel erg cryptisch: ‘’n Kardinaalstriumviraat, ’n rabijn, ’n franc-macon in zijn rol als admiraal, in aanvulling daarop ’n onwaardig trio politici, dat willig ingaat op ’n doortrapt aanbod van ’n Brits trustfonds, waarschuwt via radio, maar ook via billboards voor ’t risico van doodgaan als proviand nog lang uitblijft.’

    Zo gaat het voorwoord door. De lezer krijgt heel wat voor zijn kiezen, maar zijn geduld wordt al snel beloond. De begrijpelijkheid neemt toe en men wordt, ook na het verklarende nawoord van de vertaler zoals over de vijf die mist, een intrigerend verhaal ingezogen, geschreven door iemand die zeer belezen is, over een enorme fantasie beschikt en de overdrijving niet schuwt.

    Hoofdpersoon is Anton Vocalis die maar lastig in slaap komt en op zijn tapijt een hallucinatoir fantoom ontdekt, dat hem haast een punthoofd oplevert (‘…wat blijft is dat hij ’t irritant vindt, omdat d’r nu nog altijd niks is waar hij wijs uit kan’) waarvoor hij een ingreep in de hersenen moet ondergaan.

    Hij houdt een journaal bij met op de omslag de titel van dit boek en dat begint met de woorden: ‘D’r is wat kwijt. Is d’r ’n individu kwijt? Of ’n ding?’ (p. 21)

    ‘’t Vraagstuk draait noch om doodgaan (ofschoon doodgaan daaraan bijdraagt), ’t draait noch om uitbanning (ofschoon uitbanning ’t in zich draagt), maar ’t gaat om wat mist: ’n min, ’n naam, ’n manco’ (p. 30).

    …en dat manco blijkt, zoals in het nawoord te lezen is, meer te zijn dan alleen het missen van een letter…

    In het verhaal verdwijnt Anton. Het raadsel, waar de Zahir, een ovaalvormig pronkstuk, slechts een klein onderdeel van vormt, wordt groter, kent vele facetten en slapstickachtige kanten die hier onmogelijk allemaal weer te geven zijn.

    ‘Iemand wil soms al de hulp van Chomsky inroepen’ (p. 122).

    In ieder geval volgt er een opsporing met hilarische momenten waaraan advocaten en ook een politiecommissaris en zijn adjudant meedoen die Antons vrienden Amaury, Olga en Arthur bijstaan, die, als ze te dicht in de buurt komen van het geheim het loodje leggen, hetgeen weer reden is om uit te zoeken hoe het komt.

    Tenslotte duizelden mij de vele verwikkelingen, die soms deden denken aan een ordinaire klucht en me deden verzuchten dat het was handig geweest als er in het nawoord een stamboom was opgenomen, hetgeen misschien een idee voor de website die het boek gaat ondersteunen.

    In de roman worden veel intertekstuele verbanden gelegd met bijvoorbeeld Moby Dick en met auteurs als Kafka, Virginia Woolf, Thomas Mann en andere boeken van mij onbekende schrijvers.
    Ook worden binnen het verhaal spannende zijwegen ingeslagen, zoals over Turkse clan waarbij alleen eerste kind alle rijkdom erft, hetgeen leidt tot moord en doodslag onder het nageslacht en slinkse manieren om toch zelf de erfenis binnen te krijgen.

    Het boek kent een diversiteit aan stijlen en in de vertaling komen ook Nederlandse gedichten voor, die voor de gelegenheid bewerkt zijn, zoals het bekende gedicht van Marsman dat begint met de regels: Dacht ik aan Holland / Zag ik wijd ’n stroom afwaarts / Traag door langdurig / Laagland gaan,

    De zes delen zijn onderverdeeld in hoofdstukken die alle, uitgezonderd het ontbrekende vijfde hoofdstuk, beginnen met oubollige kopjes die doen denken aan vroeger, zoals bovenaan hoofdstuk 15: Waarin, na twintig jaar van uitvlucht na uitvlucht, op ’t laatst ontward wordt waardoor ’t komt dat dat imposant schip Titanic zinkt; verder gaat het verhaal na elk hoofdstuk gewoon door hetgeen voor de lezer erg prettig is.

    Een aantal personages leent hun naam aan een hoofdstuk zoals de eerder genoemde vrienden van Anton. Daarnaast komt er ook een grappige squaw in voor, die de beginselen van judo kent. zij doet dienst in het landhuis waar veel doden vallen en merkt op het eind na al die gevallenen tegen de politiecommissaris op dat het bijna op een stuk als Much ado about nothing lijkt. Aan het eind van het boek verschijnt ook nog de lugubere Baardmans, gelukkig niet in levende lijve.

    De personen discussiëren zoals in een postmoderne roman betaamt zelf over de tekst, zoals Arthur over het uitdijende proza ‘…zodat ’t noodzaak wordt, of althans, statistisch daar toch kans op loopt, dat d’r toch ooit ’n woord in dat stuk zal staan dat zich, óf door ’t lot, óf doordat ’t ooit zomaar spontaan voorkomt, noch aan ’t protocol noch aan ’t voorschrift houdt…’
    Men is zich soms bewust van hun functie zoals Anton: ‘ik zal doorgaan, dat hoort bij mijn rol in dit symbolisch drama, wat d’r ook voorvalt:…’

    Ook in de vertaling wordt de ontbrekende letter handig omzeilt, zoals zijn kno-arts in plaats van de kno-arts, half dozijn voor zes, triduüm als periode van drie dagen,’t volk voor de gasten en een klinkaard voor (straat)klinker. Alle afgekorte lid- en andere woorden zoals d’r deden me aan teksten van Nescio denken. Het boek is verbazingwekkend goed te lezen gegeven de zelfgekozen handicap van de schrijver, misschien ook vanwege de niet al te brede bladspiegel, maar zeker ook door de uitmuntende vertaling. Het openingsgedicht van J. Roubaud evenals een fragment op p. 58 werd helaas niet vertaald, maar misschien gebeurt dat nog op de site.

    Er valt voor een geïnteresseerde lezer heel wat te beleven, naast de rijke inhoud ook in linguïstische zin. Er staan leuke woordspelingen in en groteske opsommingen. ’t Manco kent schwung en vraagt, net als bij een klucht, om een volle zaal met een levendig publiek.

     

    Recensie door: Rein Swart