• Een boek als een verdovend middel

    Een boek als een verdovend middel

    Recensie door Rein Swart

    Net als Minder dan niets kent het vervolg De figuranten een duizelingwekkende dynamiek. Het zijn nog steeds drugs, seks, drank die het leven in Hollywood bepalen. Verveelde kinderen van steenrijke ouders draaien om elkaar heen. In twintig jaar is er wat dat betreft weinig veranderd, al wordt er meer gemoord. We ontmoeten opnieuw Clay en zijn louche vrienden, die snuiven, spuiten en zich prostitueren. Clay’s handen trillen nog steeds en op weg naar een afspraak met een dealer heeft hij zo’n kater dat hij niet meer weet hoe hij de tank van zijn BMW moet volgooien. Meteen wordt al duidelijk dat Clay zich betrokken voelt bij de moord op zijn jeugdvriend en dealer Julian. In een achteloos – zo lijkt het – tussengevoegde paragraaf zegt Clay dat het eerder tot hem had moeten doordringen welke rol hij in het drama heeft gespeeld.

    Het is vermakelijk dat Clay in het begin met de schrijver in de clinch gaat over een film die van Minder dan niets is gemaakt, over zijn eigen rol in het boek en de manier waarop hij door de schrijver werd neergezet.

    ‘Zo werd ik de jongen die overal de ballen van snapte. Zo werd ik de jongen die naliet een vriend te redden. Zo werd ik de jongen die niet van het meisje kon houden.’

    Daarmee houdt het grappige op. Vanaf het moment dat Clay aankomt uit New York zit je in een complot. Wat dat eerste betreft lijkt dit boek op het vorige waarin Clay in New Hampshire studeert en met kerst een maand naar huis komt.

    Hij wordt door een auto gevolgd als hij op weg is naar zijn tijdelijke luxe appartement, dat is ingericht door een partyboy uit Hollywood die in zijn slaap overleden is, maar wiens geest daar nog rondhangt.

    Clay is inmiddels scenarioschrijver en wordt door de producent en de regisseur gevraagd om mee te denken over de casting voor een nieuwe film. De knappe Rain wil graag een rol in de film. Ze weet dat het soort meisjes waar zij toe behoort maar een korte houdbaarheidsdatum heeft en is er niet vies van om met Clay naar bed te gaan om haar kansen te vergroten. Clay raakt echter verslingerd aan haar. Hij houdt haar aan het lijntje en kan het niet uitstaan dat ze opeens naar San Diego moet, zogenaamd vanwege een bezoek aan haar moeder. Clay krijgt van alle kanten waarschuwingen dat hij met Rain moet kappen, maar hij kan dat niet en offert zijn vriend Julian op.

    Dit boek is meer dan het vorige een crimi met telefoonlijnen die afgeluisterd worden, mensen die geschaduwd worden en geheimzinnige sms-jes die Clay schrijft en die ook vanuit zijn eigen account verstuurd worden. Het is een schaakpartij met vele personen en zetten. Angst speelt een grote rol in het leven van Clay. Hij ziet de woorden Verdwijn hier midden in de nacht in de spiegel. Deze waarschuwing las hij ook al in Minder dan niets op een billboard. Zijn psychiater wil liever niets meer met hem te maken hebben vanwege de gevaarlijke relatie met Rain, die deel uitmaakt van een misdadig netwerk.

    Het boek leest als een drug en is zo verslavend, dat je het niet opzij kunt leggen. Ellis schrijft bedwelmend. Het verhaal wikkelt zich als een Bond-film af met veel verschillende wendingen en korte flitsende scènes. Het nadeel is dat het allemaal nogal veel en vluchtig is wat er gebeurt.

    Wat is het ergste dat je kan overkomen? luidt de slogan die enkele keren over het voetlicht gaat. Onvoorwaardelijke liefde is het antwoord, dat in een filmscène wordt gegeven en dan ook nog ironisch uitgesproken terwijl dat in het script ernstig was bedoeld.

    Daarmee zijn we terug bij Minder dan niets waarin gesteld wordt dat om iets geven pijn kan doen en vermeden moet worden. Een indringend tijdsbeeld van mensen die in de ban zijn van kicks en steeds meer van het rechte pad af raken.

     

     

  • Een wat onbevredigend resultaat

    Een wat onbevredigend resultaat

    Recensie door Rein Swart

    ‘Masturbatie heeft een inktzwart verleden, maar soloseks wacht een gouden toekomst.’ Mels van Driel is als uroloog en seksuoloog verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Groningen. Eerder publiceerde hij bij De Arbeiderspers twee boeken over de ‘geheime delen’. Hij schrijft in zijn inleiding dat hij het taboe op masturbatie zou kunnen opheffen, of in elk geval alle onzin over masturbatie uit de wereld kan helpen.

    Voor dit boek is hij begonnen met het lezen van omvangrijke werken van historici en sociologen, maar kwam van hen niets te weten. Vervolgens knipte hij wat uit zijn vorige boeken, struinde het internet af en dook de bibliotheek in. In zijn nawoord bedankt hij Rob Schouten uit wiens bundel, Met de hand. Bevredigende gedichten hij rijkelijk geput heeft. Zelfs de titel heeft hij schijnbaar geleend.

    Het boek is verdeeld in korte en lange hoofdstukken met titels als Voorlichting, Hulpmiddelen, Dieren, Cultuur, Kunstenaars, etc. Elk hoofdstuk bestaat uit een opsomming van de informatie, anekdotes en citaten. Een visie ontbreekt veelal, waardoor het geheel een lijvig werkstuk wordt. Van Driel laat zichzelf soms merkwaardig denigrerend uit, bijvoorbeeld over een masturbatiemarathon: ‘Mensen die zin hebben om met zijn allen een potje te trekken of vingeren…’ en over de dildo: ‘Het gebruik van instrumenten bij eenzame seksuele bevrediging…’.

    De schrijver zal als uroloog voldoende kennis van het menselijk lichaam hebben, maar toch is niet alles even helder. In het voorwoord wordt gesteld dat in geval van volledige onthouding de zaadcellen na veertien dagen een uitweg vinden via de urine. In het hoofdstuk Over leeftijden, locaties en frequenties staat echter dat elke uroloog weet dat oudere heren wel degelijk masturberen. In hun urinemonster worden namelijk vaak zaadcellen aangetroffen. Maar betekent dat juist niet dat deze heren aan algehele onthouding doen?

    Veel onduidelijkheden zijn te wijten aan de stijl. Over besnijdenis: ‘De ingreep kan thuis worden uitgevoerd of in het huis van de buren, in een kliniek of op een speciaal uitgekozen plek.’ Is er een bijzondere reden om het bij de buren te doen? Wat bedoelt Van Driel precies? Over masturbatie bij dieren: ‘Mannelijke edelherten doen het door met de punten van hun gewei door het gras te wrijven. Van begin tot het eind duurt het niet langer dan vijftien seconden. Vraag is of er ook andere mannetjes zijn die het net als de zeeleguanen doen uit angst om in bed gestoord te worden?’ Dat van die zeeleguanen wordt verderop uitgelegd, maar van dat gewei blijft onduidelijk.

    Hoewel de schrijver dikwijls verontwaardigd is over het gebrek aan kennis, blijkt dat hij zich in zijn onderzoek vooral gericht heeft op westerse geleerden en veel minder op eeuwenoude tantrische kennis. Zo beweert hij dat een orgasme zonder ejaculatie onmogelijk is en besteedt hij slechts één pagina aan meervoudige orgasmes van vrouwen, waarover hij eigenlijk niets weet te zeggen. Een gemiste kans, omdat juist in trantrische disciplines solo-cultivatie volledig geaccepteerd is en bevorderlijk geacht wordt voor een gezonde seksbeleving.

    Aan leuke anekdotes is in dit boek geen gebrek. Wist u dat Engelse schooljongens samen masturbeerden op koekjes en dat degene die als laatste zijn zaad erop spoot die op moest eten? Dat militairen in Afghanistan verplicht met slippers moeten douchen omdat ze anders uitglijden over de ‘liefdesmayonaise’? Gestaafd worden de meeste anekdotes niet. ‘Een wel heel bijzondere vorm van masturbatie werd enkele jaren geleden in een urologisch vakblad beschreven.’ Welk vakblad en wanneer? Hierna volgt een verhaal over een man die op zijn werk zijn penis tegen de drijfriem van een lopende band hield, klem kwam te zitten, zijn scrotum verloor en de wond met acht schoten van een nietmachine dichtte. Dit zijn verhalen die je onthoudt en die in elke versie fantastischer worden.

    Het boek eindigt met een uitgebreide opsomming van kunstwerken, romans, toneelvoorstellingen en films waarin masturbatie een rol speelt. Ook hier ontbreekt gedegen onderzoek en visie. Over masturbatie op schilderijen. ‘Ik heb het voor wat betreft mijn volstrekt willekeurig gekozen schilderijen geturfd: zowel door afgebeelde mannen als vrouwen wordt de linkerhand even vaak gebruikt als de rechter.’ De schrijver zegt in zijn slotwoord: ‘Na het onderwerp masturbatie intensief bestudeerd te hebben, blijf ik in zeker opzicht onbevredigd achter.’ Datzelfde geldt voor de lezer.

     

     

  • Over Engelse en Tasmaanse hartstocht

    Over Engelse en Tasmaanse hartstocht

    De Tasmaanse Flanagan noemt dit boek geen historische roman, maar hij liet zich wel ínspireren door bepaalde personen en gebeurtenissen uit het verleden, zoals Charles Dickens en een verdwenen pool-expeditie van John Franklin. Het verhaal speelt zich behalve in Londen af op de eilanden rond en op Tasmanië in de tijd van de kolonisatie en de kerstening van de Aboriginals (1850).
    Hoofdpersoon van de tweede verhaallijn is het meisje Mathinna, dochter van een stamhoofd, die door de regent Robinson wordt gekaapt, nadat een eerdere verzoeningstocht op niets is uitgelopen. Robinson neemt haar in een groep gevangengenomen Aboriginals mee naar Flinders eiland, geeft haar een christelijke naam en een dito opvoeding. Later wordt ze opgemerkt door Jane, de vrouw van John Franklin die tussen de poolexpedities door het eiland bestuurt. Jane, die zelf geen kinderen kan krijgen, adopteert het meisje, maar mag van zichzelf geen enkele affectie tonen. Later raakt ook gouverneur John Franklin van het levendige meisje begeesterd, zozeer dat hij zijn werk verwaarloost en liever met haar vogels gaat vangen. Hij krijgt daardoor de kolonisten op Tasmanië tegen zich, wordt ontslagen en begeeft zich weer op expeditie.

    In de verschillende hoofdstukken worden fragmenten over Dickens en over Mathinna afgewisseld. De schrijver zegt in het nawoord dat hij ontdekte dat hun levensverhalen met elkaar verbonden waren. Hij kreeg daardoor het idee ‘van een meditatie over hartstocht ? de prijs van het verdringen ervan, het belang en de invloed ervan bij menselijke betrekkingen.’ Dat, en niet de geschiedenis, is het ware onderwerp van Verlangen.
    Ik zet vraagtekens of Dickens’ bandeloze hart, het verlangen van Jane naar een kind en de magische wereld van de Aboriginals die door de Engelsen op een vreselijke manier van hun cultuur werden beroofd, onder één noemer gebracht kunnen worden.
    De Engelse titel Wanting wordt mijn inziens niet adequaat vertaald door het fletse Verlangen.

    Toch heb ik zeer genoten van de magische sfeer in het boek. Het was boeiend om in de huid te kruipen van Charles Dickens, die zijn huwelijk vergeleek met het tevergeefs vinden van een doorgang voor de doorvaart langs de zuidpool, ‘een bevroren kanaal naar liefde, dat altijd voor hem lag en waar geen doorgang mogelijk was.’
    De afstand wildheid en beschaving bestond volgens hem in de mate waarin we overgaan van lust naar logisch denken; zijn leven was een toonbeeld van het beheersen van hartstochten; die uitte hij wel in zijn werk. Hoewel hij bang was dat zijn werk zijn ziel zou verteren, liet de hartstocht zich er toch niet onder krijgen.
    ‘En hij, een man die een leven lang had geloofd dat toegeven aan begeerte het kenmerk van een wilde was, besefte dat hij het verlangen niet meer kon negeren.’
    Ook zeer de moeite waard waren de beginhoofdstukken over de goedbedoelde maar vergeefse pogingen van Robinson om het inheemse volk te verbeteren. De regent die eerder timmerman was, zocht tijdens het schrijven in zijn dagboek naar woorden, ‘die in de juiste vorm konden worden gegoten, zoals hij in een ander leven hout in de juiste vorm had gebogen en gewrongen. Hij zocht naar een serie woorden die, als een plank, een bedekking kon vormen voor een of andere onverklaarbare maar beschamende vergissing.’ Hij kon er namelijk niet bij dat er zoveel Aboriginals dood gingen in de kampen waarin ze onderdak en goed voedsel kregen.
    En dan heb ik het nog niet eens over Mathinna die in haar leven veel ellende meemaakt.
    Ook als we met onvergelijkbare grootheden te maken hebben en dat het uitgangspunt misschien niet klopt, blijven de verhalen vol magie een prachtige sfeer uitstralen.

    Door Rein Swart

    Richard Flanagan, Verlangen. Anthos, paperback, 288 p., € 19,95. Vertaald door Ankie Blommesteijn.

  • Feindbeoachtung zolang er nog één nazi leeft

    Feindbeoachtung zolang er nog één nazi leeft

    Recensie door Rein Swart

    Deze essays die eerder in 1982, 1983 en in 1988 in boekvorm verschenen, zijn gebundeld ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van de schrijver. De uitgeverij pakt groot uit met ook nog een nieuwe gedichtenbundel en het prozawerk Eindelijk. Misschien voelde men zich schuldig dat men eerder niets aan een jubileum deed. Armando klaagt namelijk in het derde deel van deze bundel dat het volk geen aandacht besteedde aan zijn vijftigste verjaardag.

    Het eerste deel uit 1982 is beschouwend, in het tweede deel laat hij de mensen zelf meer aan het woord en in het laatste deel uit 1988 bezoekt hij ook andere Duitse steden en maakt daarvan nogal oppervlakkige portretten.
    Volgens het nawoord van de samenstelster woonde Armando in de jaren tachtig regelmatig in Berlijn. Na de val van de muur vond hij het leven daar minder inspiratief. De splitsing gaf de stad een extra geladenheid. Voor Armando was de oorlog nog steeds aan de gang. Overal waar hij kwam hing er nog die geur. Gebouwen waren niet van steen, maar plekken waar een partijlid gewoond had of waar iets opmerkelijks gebeurd was. Armando ziet het als zijn taak de vijand te ‘beoachten’, zoals dat zo mooi in het Duits heet. Bij oudere mensen vraagt hij zich meteen af wat die in de oorlog deden. Oude vrouwen, die wuiven naar een panda in de dierentuin deden dat eerder naar Hitler.

    Van de jongeren met hun anti-amerikanisme moet hij weinig hebben. Ze denken dat ze beter zijn dan de vorige generatie, maar ze lijden onder zelfhaat, zegt Armando. Ook heeft hij een scherp oog voor de verschillen tussen oost en west: ordelijkheid en gehoorzaamheid versus pluriforme chaos en protest. Dissidenten, die vanuit het oosten naar het westen kwamen kregen weinig steun van de linkse intellectuelen en vroegen zich af wat men hier met de vrijheid had gedaan. Armando zelf vindt alles altijd een warboel. Er is geen uitweg, zegt hij. De mens is een wormstekig wezen. We mogen blij zijn met onze democratie en dat wij niet onder het mom van vrijheid uit onze huizen gesleurd worden. Bij dit alles bedenk ik dat hij schreef in de tijd van de Raf, toen de verhoudingen in Duitsland zeer gepolariseerd waren.

    Armando is een onafhankelijk denker, die zijn eigen werk eerst zelf goed moet vinden voor hij het naar buiten brengt en de respons heeft daar dan geen invloed meer op. In deze bundel hoor je bijna zijn wat sombere stem en zie je zijn wat loenzende, melancholische blik, zoals die heel mooi liet kennen in de documentaire van Cherry Duyns uit 2005. Hij schrijft zoals hij spreekt, maakt soms zinnen niet altijd af, slikt woorden in.

    Zijn stijl is die van een bokser die na de wedstrijd de ring niet kan verlaten, omdat hij zo’n liefhebber van zijn sport is. Zelf noemt hij een van zijn eerdere boeken hoekig, een toepasselijke term in dit verband. Hij geeft soms ook een fantastische draai aan een verhaal zoals wanneer de ik-figuur na een wandeling het bos uit komt en een hond (de ‘hij’ in dit fragment) ziet:

    ‘Hij zette zijn bril af en begon te blaffen. Ik heb even naar ’m gezwaaid, toen hield ie op met blaffen. Hij keek verlegen de andere kant op. Hij vond het, geloof ik, gek dat ik zwaaide. Ik liep enkele passen door en keek nog es om, hij was alweer aan het lezen in zo’n goedkoop romannetje met een gekleurd omslag vol moddervlekken, je weet wel. Teruggekomen in Berlijn besloot ik dienst te nemen in het keizerlijke leger, maar men vond mij te oud. Bovendien was ik, zei men, veel en veel te laat. De keizer was lang geleden gestorven en lag in een graf. Men had mij en m’n harnas, dat ook nog in goede staat was, niet meer nodig. Ik heb maar gedaan alsof ik het geloofde, toch was het wel een teleurstelling.’

    Armando heeft iets met een bos, zoals hij ook in de documentaire over kamp Amersfoort vertelde. Het bos is getuige, de bomen fluisteren, zijn schuldig, de harsgeur ruikt naar de oorlog.

    Armando zelf blijft zich over de mensheid verbazen. Kunst deugt niet, maar hij houdt er heel erg van. Hij weet het zelf ook allemaal niet. Hij schrijft met relativering, ook over de Duitsers die niets tegen hun kinderen over de oorlog zeiden. ‘Gewoon omdat het mensen waren met ochtendpap en avondbrood, mensen met handremmen in hun hoofd, je denkt toch niet dat wij die niet hebben.’

    Zelfrelativering is hem niet vreemd. Een opstel over Bayreuth vindt hij nogal belerend uitgevallen. ‘Dat is eens en nooit weer.’
    Soms neemt hij zichzelf op de hak. Hij vindt het eigenlijk zinloos zich bezig te houden met vergankelijkheid. Het leven is bont en het protest tegen de tijd is een verdwaald protest. Armando legt zich daar weemoedig bij neer. Dat levert mooie beschouwingen op die ik met veel genoegen heb gelezen.

     

  • Scherpe waarnemingen van een gedreven evolutiebioloog

    Scherpe waarnemingen van een gedreven evolutiebioloog

    Bij het aanschouwen van de nogal simplistische titel en het kinderlijke plaatje dacht ik eerder aan een populaire verhandeling over vingers dan aan een doorwrocht wetenschappelijk boek met veel aandacht voor onderzoek en verluchtigd met diagrammen en grafieken en met een uitgebreid notenapparaat.
    Ik bereidde me voor op saaie lectuur, maar werd steeds meer geboeid door een zeer gedreven wetenschapper die een duizelingwekkend aantal feiten en veronderstellingen over de lezer uitstort.
    Manning ontwikkelde eerder een theorie over seksuele selectie. Acht jaar lang deed hij vervolgens onderzoek naar symmetrie als teken van goede genen. Hij ontdekte dat de vingers van mannen niet alleen gemiddeld langer waren dan die van vrouwen – hetgeen natuurlijk niet spectaculair is omdat mannen gemiddeld groter zijn dan vrouwen – maar ook dat de verhouding tussen hun ringvinger en hun wijsvinger groter (‘lager’ in de terminologie van Manning) is dan die van vrouwen. De vingerverhouding bleek mannelijke vruchtbaarheid beter te voorspellen dan de symmetrie.
    Manning onderscheidt twee typen mannen. Het meest voorkomende Casanova-type heeft een lange ringvinger en bij het naar de Duitse neoklassieke schilder Mengs genoemde Mengspatroon is daartegenover minder verschil tussen wijs- en ringvinger. Dat laatste type is meer kenmerkend is voor vrouwen. Bij hen is de verhouding in het algemeen omgekeerd. Mengs staat kort gezegd voor schoonheid en het Casonova-type komt meer in de buurt van het beest. De individuele vingerverhouding hangt samen met de balans tussen testosteron en oestrogeen in de baarmoeder aan het eind van de eerste drie maanden van de zwangerschap, maar er is nog veel onduidelijkheid geeft Manning toe, bijvoorbeeld door de invloed van cortisol en stressfactoren. Ook de vrouwelijke vorm zelf speelt een belangrijke rol:

    ‘Weelderige vrouwen geven genen voor een hoge oestrogeen ? en een lage testosteronspiegel door aan hun dochters en zoons, die daardoor een hoge vingerverhouding krijgen. Kokervormige vrouwen geven genen door voor een lage oestrogeen ? en een hoge testosteronspiegel door en hebben dochters en zoons en een lage vingerverhouding.’

    De vingerverhouding bepaalt voor een groot deel onze persoonlijkheid en ons gedrag: onze aanleg voor sport, onze seksuele geaardheid en de vatbaarheid voor borstkanker en hartaanvallen. Dit alles door de concentraties testosteron en oestrogeen waaraan het embryo in de baarmoeder heeft blootgestaan. De toestand van het embryo heeft een programmerend effect op onze biologische gesteldheid. Zo beschermt het prenatale testosteron de man tegen hartaanvallen. Dat is dus heel wat anders dan de testosteron die later kan worden toegediend en die vaak hartaanvallen op vroege leeftijd tot gevolg heeft.

    Manning komt met uitvoerige beschrijvingen van onderzoeken, bijvoorbeeld over de invloed van mono- of polygamie op de hormoonspiegel in de baarmoeder en draagt veel bewijsmateriaal voor zijn stellingen aan. Hij schuwt geen complexe verbanden en legt het bestaan uit van schizofrenie en van homoseksualiteit, dat zich in evolutionair opzicht toch uit de markt zou moeten prijzen.
    Zelfs het voetbal ontkomt niet aan zijn blik, misschien ook omdat hij ooit zelf een David Beckham was geworden als hij niet was gezwicht voor de verlokkingen van de evolutiebiologie. Talent voor voetbal blijkt ook al te maken te hebben met een ruime mate van prenataal testosteron. Het is niet voor niets dat Brazilië met zijn sterk gemasculiniseerde bevolking het beste voetballand is.
    Manning zet aan het denken, vooral ook omdat hij niet drammerig is. Als wetenschapper staat hij open voor twijfel, maar aan de andere kant houdt hij wel vast aan zijn eigen opvattingen:

    ‘De mogelijkheid dat prenatale omstandigheden iets te maken hebben met homoseksueel gedrag, klasse en ras hoeft progressieve opvattingen niet per se te ontkrachten of extreme ideologieën te bevestigen. Allereerst moeten we de gegevens afwegen en een goede theorie ontwikkelen; de politieke polemieken komen daarna, indien nodig.’
    Die laatste woorden geven aan hoe gedreven Manning aan het onderzoeken is. Als we hem mogen geloven hoeven we minder te investeren in opvoeding of een dieet, want alles ligt al vast en de neo-freudiaanse theorieën zoals die van Nancy Chodorow over sekse-specifieke socialisatie kunnen zo de kast in.

    Zijn conclusies zouden kunnen leiden tot practische adviezen, bijvoorbeeld voor de luchtvaart.
    ‘Het kan handig zijn om via de vingerverhouding passagiers met een verhoogd risico op te sporen, zodat gericht advies kan worden gegeven om te bewegen en water te drinken (en geen alcohol, waardoor het lichaam juist uitdroogt).’
    Wellicht staat straks onze vingerverhouding naast de vingerafdruk in ons paspoort.

    In het nawoord ? en niet voorwoord zoals abusievelijk op de omslag vermeld staat ? doet bioloog Tijs Goldschmidt er nog een schepje bovenop. Hij stelt dat mannen met een korte penis er niet om gevraagd hebben om negen maanden in vruchtwater gemarineerd te worden dat relatief weinig testosteron en veel oestrogeen bevatte. Men heeft dus altijd verkeerd gekeken, namelijk naar de handpalm en niet naar de vingers. Als hij eerder op de hoogte was geweest van deze kennis, was hij een vingerlengteratiopraktijk begonnen.

    Manning gaat aan het eind van het boek in op onze toekomst waarin we steeds oestrogener worden. ‘Wat ons tot mens maakt is het bad met een hoge oestrogeen- en een lage testosteronconcentratie waarin het menselijke embryo ligt.’ We zijn gefeminiseerde of ge-oestrogeniseerde apen. Die visie komt overeen met andere hedendaagse opvattingen over de man. Manning wijst op de nadelige gevolgen, die het meest bij mannen optreden: verlies aan kracht, verslechtering van het hart- en vaatstelsel, afname van het aantal zaadcellen en een slechtere kwaliteit sperma. Gelukkig konden we door de oestrogenisering taal ontwikkelen en werden we daardoor slimme apen, die de schade kunnen beperken door intelligente oplossingen te verzinnen. Manning is daar echter niet gerust op, getuige de laatste zin: ‘Maar die intelligentie ontwikkelt zich in een richting die ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor het succes van onze soort op de lange termijn.’ Die stelling had hij nog wat nader mogen toelichten, maar dan begeeft hij zich natuurlijk buiten zijn vakgebied.

    Door Rein Swart

    John Manning, Het vingerboek. Athenaeum, paperback, 191 p., € 19,95

  • De woorden leven en hoe!

    De woorden leven en hoe!

    Over sommige boeken zou ik helemaal niets willen zeggen om er niets over te verklappen, maar er alleen op wijzen of er desnoods iets over te zingen, net zoals in dit boek de potige vader Jay en later ook de moeder Laura doen voor hun zoon op een gestikte deken in de achtertuin.

    ‘Meestal werd er dan niet gesproken, ze luisterden maar wat naar de geluidjes en keken omhoog naar de sterren en voelden zich heel erg kalm en blij en droevig tegelijk, en dan zette zijn vader opeens heel zachtjes in, haast alsof hij voor zichzelf zong: ‘Daal neer,’ en wanneer hij bij ‘zegekar’ kwam zong zijn moeder al mee, even zachtjes, en bij ‘voer me mee en breng me thuis’ gingen hun stemmen de hoogte in, en als hij omhoog keek van waar hij lag tussen hun hoofden dan keek hij recht naar de sterren, zo dichtbij en gezellig, met daarachter, over het topje van de hemelboog, een enorme vlaag sterrenstof als meel.’

    Omdat zingen op papier moeilijk gaat en ik gebonden bent aan letters, zou ik, zonder te veel te onthullen, in zijn algemeenheid kunnen zeggen dat het gaat om een hartverscheurend portret van een gezin en een grootfamilie in het zuiden van de Verenigde Staten, voornamelijk gezien vanuit de ogen van het jongetje Rufus.
    Maar het is veel meer dan dat. Het is een botsing tussen een kind en de volwassen wereld, tussen de beleving van een gevoelig kind en de vaak broeierige wereld van de volwassenen met vele onbegrijpelijke ondertonen zoals oordelen, sympathieën en antipathieën, strategieën om te overleven, hele en halve conflicten en – in dit boek – vooral geloof en ongeloof.

    Het verhaal speelt zich af aan het begin van de vorige eeuw, in een tijd van de opkomst van de auto en rassentegenstellingen. Als de moeder van Rufus hem opdraagt om niet met de zwarte vroedvrouw Victoria, die hem vlak voor de geboorte van zijn zusje Emma wegbrengt naar familie, over haar huidskleur te praten, kan hij het toch niet laten om haar te vragen of ze een negerin is. Rufus voelt zich daarover schuldig, maar zij stelt hem gerust, waarop zijn wereld weer geheeld wordt.

    ‘Om hen heen verbreidde zich een stilte waarin hij een immense ruimte ervoer, bijna die van de duisternis zelf, en tegelijk een immense vrede en troost; en heel deze onmetelijkheid was gevuld met haar vage gezicht en het wuivende licht van de bladeren.’

    Dat Agee twintig jaar aan de tekst geschaafd heeft is te merken. Hij formuleert zeer zorgvuldig, bijvoorbeeld over het vastmaken van een kousophouder bij Rufus door zijn vader Jay of vijf pagina’s lang over een ritje in de draaimolen, maar vooral toont hij zich een meester in het beschrijven van de vele schakeringen van menselijke emoties, zoals bijvoorbeeld over de spijt van Rufus als hij geprobeerd heeft een pianotoets met een lucifer bruin te maken. In het daarop volgende gesprek wijst zijn oma hem terecht wijst en vergeefs probeert de schade ongedaan te maken.

    ‘Toen ze zei nu blijven ze voorgoed zitten. Ze gaan er nooit meer af, had hij weer spijt. Niet zoveel als eerst maar toch spijt. Hij wilde dit haar zeggen. Maar hij kende alleen het gevoel en niet het woord, dus na even hard nadenken hoe hij het moest zeggen zei hij: Ik bedoelde het niet zo. Ze draaide zich met een ruk naar hem toe en zei nog droger en bitser dan daarvoor Hoe bedoel je je bedoelde het niet zo! Je deed het toch? Daarna had hij al heel wat minder spijt, maar nog wel een beetje spijt en het was de eerste keer in zijn leven dat hij zich zo voelde.’

    De rijk geschakeerde werkelijkheid komt ook tot uiting in de gesprekken. Agee heeft een goed oog voor allerlei verschillende stemmingen. Hij neemt er de tijd voor om de familieleden te laten uitspreken en om hen terug te laten komen op eerder ingenomen standpunten. Daarbij is zijn taal niet zonder humor. Als grootvader Joel Rufus vertelt over een schilderij bij hem aan de muur dat een voorstelling uit Egypte verbeeldt, verstaat Rufus een gipte. De kinderen begrijpen vaker de woorden van de volwassenen niet, maar nooit wordt het verhaal daarmee kinderachtig. Agee beschikt over een groot psychologische inzicht, zoals blijkt uit het volgende citaat:

    ‘Wanneer verdriet en ontreddering het incasseringsvermogen te boven gaan, doen zich korte tijdspannen van uitputting en verdoving voor waarin men betrekkelijk weinig voelt en de illusie heeft nogal wat te onderkennen en te doorgronden.’

    Zoals ook de andere citaten laten zien wordt de hoofdpersoon in de derde persoon aangeduid hetgeen afstand schept maar soms ook wringt.
    Heel even treedt de schrijver zelf het verhaal binnen als hij het heeft over de stille plek waar Rufus wel eens met zijn vader in het donker zit en beseft dat zijn vader deze plek nodig heeft om tot rust te komen.

    ‘Deze dingen waren voor hem zonneklaar, maar natuurlijk volstrekt niet zoals wij het hier in woorden uitdrukken.’

    Agee bediende zich al in 1957 van experimenteel taalgebruik, daar waar hij de Ford laat vertrekken op klanken en dat ook in de bladspiegel laat zien.

    In het nawoord van de vertaler De woorden moéten leven staat dat Agee een poëtische taal wilde ontwikkelen die zo volmaakt en vlak over de hele reeks gebeurtenissen ligt als de huid over alle organen van het menselijk lichaam, de vitale zowel als de triviale. Dat lijkt me in dit magnum opus meer dan gelukt, net als de toon waarvan hij wilde dat die goed zou zijn.

    Door Rein Swart

    James Agee, Een sterfgeval in de familie. Van Oorschot, ingenaaid, 412 p., € 22,50. Vertaling: N. Ysebaert

  • Dunne grenzen tussen socialisme en nationaal-socialisme

    Dunne grenzen tussen socialisme en nationaal-socialisme

    Volgens de achterflap hebben we te maken een doctoraalscriptie, die de Scriptieprijs van de Stichting Lezen 2007 heeft gewonnen. Dat maakt meteen al nieuwsgierig, want zoveel scripties krijgt de gemiddelde lezer niet onder ogen. Ook het onderwerp over het reilen en zeilen tijdens de Tweede Wereldoorlog van de Arbeiderspers, die nauw verbonden was met de sociaal-democratische SDAP, boeit bij voorbaat. Bij mij kwam meteen de vraag op hoe het mogelijk was dat een socialistische uitgeverij ging samenwerken met de nazi’s. Frederike Doppenberg heeft het functioneren van de uitgeverij zeer gedegen onderzocht met als resultaat een boek met een uitgebreid notenapparaat en zelfs de complete fondslijst van de uitgeverij in de oorlogstijd. Soms vond ik het wat te gedetailleerd voor een boek. In het Tot slot vat ze alles in zo’n tien bladzijden nog eens samen en in de Verantwoording laat ze weten dat er nog een uitgebreide toelichting op haar werkwijze te vinden is in haar scriptie, die zich in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam bevindt.

    Na een bespreking van de nationaal-socialistische literatuurpolitiek, die vooral het volkse en het positieve wilde benadrukken en sterk doet denken de opvattingen van Rita Verdonk in onze tijd, komt Doppenberg in hoofdstuk twee bij het dilemma waar de Arbeiderspers in het begin van de bezetting voor stond, namelijk of men de supervisie moest accepteren van de nationaal-socialist Rost van Tonningen en zijn adjudant Kerkmeester, die door de nazi’s aangesteld werden om toezicht te houden op zowel de partij, dagblad Het Volk als op de boekenuitgeverij. Volgens Doppenberg bestond er na de benoeming van Rost van Tonningen geen eenstemmigheid over het precieze verloop van de gebeurtenissen. Algemeen directeur Van der Veen pleegde zelfmoord en partijvoorzitter Koos Vorrink sprak zich uit tegen samenwerking. Willem Vliegen achtte het echter verstandiger om door te gaan om de positie van de SDAP te consolideren. Opheffing van organisaties als de Arbeiderspers en de Vara zou de continuïteit na de oorlog bemoeilijken. Vliegen stelde dat hun lezers wijs genoeg waren om de veranderde verhoudingen te doorzien en besliste de kwestie in zijn voordeel. De nationaal-socialisten zagen in de Arbeiderspers een spreekbuis voor hun ideeën en stelden het voor dat zij het ware het socialisme vertegenwoordigden. Rost van Tonningen deed het zelfs voorkomen dat de Nederlandse zelfstandigheid gewaarborgd zou zijn als men voor samenwerking koos. Af en toe liet men uitgaven van ongewenste schrijvers passeren om de lezers niet teveel af te schrikken en kwijt te raken. Niet iedereen ging mee. Sommigen namen met een opgelucht gevoel ontslag, anderen stapten over naar Singel 262 en zetten tot het verbod in mei 1942 de succesvolle ABC-reeks voort.

    De nieuwe directeur Schuhmacher moest laveren tussen economie en ideologie. Hij wist de boekenuitgeverij overeind te houden temidden van censuur door nationaal-socialistische ambtenaren, papierschaarste, transportproblemen en stroomgebrek, waardoor men tenslotte handmatig de persen moest bedienen. Daarnaast zorgde hij ervoor dat zijn personeel vrijstelling kreeg van de Arbeitseinsatz en regelde hij voedsel voor hen. Onder zijn leiding verschoof het accent naar fictie om de non-fictie te bekostigen. Het waren de hoogtijdagen van de Friese literatuur. Streekromans pasten uitstekend in het ideaal van volkse literatuur. Ook boeken als Veel groenten van weinig grond deden het goed.
    Desondanks verloor men dramatisch veel klanten in het begin van de oorlog. Dat werd in de latere jaren grotendeels werd goedgemaakt door de succesvolle ARBO-reeks die tegemoet kwam aan enorme leeshonger in de oorlogsjaren. Door het eigen distributienetwerk met colporteurs en eigen winkels had men een voordeel op andere uitgeverijen.
    Volgens Doppenberg publiceerde bij de uitgeverij zowel socialistische als nationaal-socialistische schrijvers. Achteraf is het soms moeilijk te bepalen waarom een schrijver als ongewenst werd bestempeld. Doppenberg citeert Sjaak Hubregtse, die schrijft:

    ‘Wat is hier aan de hand? Niets wijst erop dat Rost van Tonningen en Kerkmeester onnozele domkoppen waren. Hadden ze zoveel vertrouwen in Schuhmacher dat hij, behoedzaam en slim, gewoon zijn gang kon gaan? Interesseerde het hen niet, of hadden ze het te druk? Waren ze zo bang de socialistische doelgroep van zich te vervreemden dat ze haar liever voorzagen van socialistische literatuur dan nationaal-socialistische? Of is hun herhaalde uitspraak ‘dat ze eigenlijk ook socialist zijn’ op ironische wijze waar?’

    Volgens Doppenberg was het niet waarschijnlijk dat er een nationaal-socialistische strategie zat achter het uitgeven van boeken van ongewenste auteurs. Het hing allemaal van toeval aan elkaar.
    Schuhmacher kreeg na de oorlog veel kritiek te verduren, omdat hij verantwoordelijk was voor de nationaal-socialistische uitgaven. Een schorsing op zijn vakgebied voor drie jaar werd door het personeel ongedaan gemaakt, maar hij kreeg wel ontslag bij de Arbeiderspers.

    Doppenberg geeft een aardig inkijkje in de wereld van een uitgeverij, die volgens haar niet alleen de geschiedenis volgt, maar die met haar uitgaven ook máákt. Tijdens de oorlogsjaren was een eigen beleid door alle gekonkel en gekronkel moeilijk te voeren.
    De cruciale vraag blijft voor mij nog steeds of de Arbeiderspers wel door had moeten gaan. De uitspraak van Schuhmacher, weergegeven in de titel, laat weinig ruimte voor een andere afweging. Het zou interessant zijn als de kwestie, ook in vergelijking met andere uitgeverijen, nog eens nader zou worden onderzocht.

    Door Rein Swart

    Frederike Doppenberg, De Arbeiderspers moest blijven marcheeren. De Arbeiderspers, paperback, 240 p., € 19,95

  • Op naar de anarchistische vrijstaat

    Op naar de anarchistische vrijstaat

    Het derde deel van het Verzameld Werk van Louis Paul Boon dat 24 delen zal tellen handelt geheel over de roman Vergeten straat die kort na de oorlog werd gepubliceerd. Behalve het verhaal zelf bevat het ook een uitgebreid nawoord, een tekstverantwoording, een bibliografie en noten.

    Het is interessant om in het nawoord, dat uit het L.P.Boon-documentatiecentrum komt, te lezen hoe dit boek tot stand gekomen is. De optimistische thematiek moest eigenlijk neergezet worden in een tweede deel van Abel Gholaerts, maar onder invloed van vrienden uit het verzet koos Boon voor een aparte roman. In de verschillende versies verschuift een zonnige kijk op de mens naar pessimisme en volgens Willem Elsschot, die de laatste versie van het manuscript las, waren de personen schemerig. Het was inderdaad lastig om de verschillende lieden uit elkaar te houden. Het boek vraagt toch al een langzame lezing die wellicht te verklaren is uit de filmische verteltrant, waarbij de camera als in een Dogma-film losjes heen en weer zwenkt tussen de personen. Boon hangt als een alwetende verteller boven het verhaal en manipuleert zijn personages dusdanig, dat het, volgens een andere criticus in het nawoord, teveel unisono wordt.

    Desalniettemin is het verhaal over de straat, die tijdens de bouw van de Noord-Zuidlijn tijdens de Tweede Wereldoorlog in Brussel wordt afgesloten, prachtig. Ik moest meteen denken aan de bouw van de metro in Amsterdam met waarschijnlijk vergelijkbare ongemak en onzekerheid voor de stadsbewoners. De afsluiting van de straat biedt de schrijver de mogelijkheid om, met Koelie als vertolker daarvan, een anarcho-communistisch experiment te wagen. De personages in die microkosmos zijn volkse types, allen met hun eigen sores, die vaak een seksuele achtergrond hebben. Ouders spreken tegen hun kinderen over hun liefdesleven en hun frustraties. Boon beschrijft hen allen met mededogen; de ziekelijke jongen André, die steeds het onderspit delft en ervan droomt om dameskapper te worden; Gaston, een snotneus van 14 jaar, die als een dolle opvoedkundige de ideeën van Koelie aan de man probeert te brengen en geschokt is als een vrouw die nochtans zijn boeken leest, toch van het genoegen van het ogenblik, het leven van vandaag kan genieten; en Hermine, die de zorg voor de zwakzinnige Peu op zich neemt en vaak twijfelt, bijvoorbeeld of ze door André in de krullen gezet wil worden. ‘Zij weet niet meer of ze voldoet aan een natuurlijke neiging, waar de mensch, volgens Gaston, zou MOETEN aan voldoen; dan wel aan een belachelijke persoonlijke neiging, waar moet tegen gevochten worden.’
    Dan zijn er onder meer nog de koopman Sadeleer die steevast niet naar vergaderingen komt, de laffe Nonkel die altijd werkeloos toekijkt en de bedelaar Vieze die steeds op zoek is naar kost voor zijn maag en voor zijn ogen en die droomt van zijn vroegere verblijf in Zuid-Frankrijk. Koelie, die de kost verdient door zijn bloed te laten aftappen als het moet, is enerzijds een welwillend hervormer, maar houdt in het begin zijn dochter Rosa voor zichzelf en kijkt later nauwelijks meer naar haar om, waardoor Rosa met haar lege ziel langzaam omkomt in haar almachtsfantasieën.

    ‘Het is de strijd uit het oerwoud, niet naar rechtvaardigheid,’ zo peinst Koelie als hij op een vergadering de vakbondsman Alfred hoort spreken. Hij wil geen andere poppetjes, maar zint op echte verandering. Hij wil de hemel op aarde, dus geen pasters, facteurs of politie, maar solidariteit en vrijheid, zoals dat in het libertair socialisme heet.

    De welwillendheid van Koelie staat tegenover de dogmatiek van Gaston, die niet weet dat de wereldbeschouwing van een jongen niet die van menschen-op-jaren kan zijn. ‘Wat voor hem naar de anderen oever roeien beteekende, was voor hen misschien verdrinken in een veel te wijde zee.’
    De verteller heeft wel oog voor de onvolmaaktheid van het leven. ‘Och, dat iets zou volmaakt zijn, het is een dwaas die dat wensen zou. Het ware niet meer om te leven, altijd en overal in de perfectie te moeten handelen en spreken en denken.’ En wat later: ‘Neen, het gaat niet zoo gemakkelijk om iets nieuws op te bouwen.’
    De verteller heeft ook zijn bedenkingen over de ideeën van Koelie. ‘Misschien dacht Koelie een oogenblik dat de mensch zich nooit meer vervelen zal, later als de tijd gekomen is.’ Hij stelt vervolgens dat men zich met ‘gansche hoopen’ aan de vensters zal verdringen, om de eersten te zijn die door het raam springen en naar beneden storten en geeft daarmee duidelijk een voorbeeld van de pessimistische visie in een latere versie.

    Boon is een tovenaar met woorden, iemand met een bijzonder poëtisch vermogen; zijn stijl is bedwelmend; de taal is, ook door het Vlaams, rijk en beeldend. De klaterende lach van Hermine in de tuin bijvoorbeeld doet André vermoeden dat er ergens een fontein moet zijn.
    Boon is iemand die speelt met de werkelijkheid zoals Roza met haar poppen. Hij laat graag wijsgerige bespiegelingen los over de mens en de maatschappij, toont zich bezorgd over de botsing tussen natuur en beschaving en is uiteindelijk ook niet tevreden over zijn boek omdat Koelie teveel holle zinnen bezigt.
    Boon las Aantekeningen uit het ondergrondse waarin Dostojveski stelt dat de mens zichzelf als levend wezen bevestigt door van tijd tot tijd in wellust alles kapot te slaan wat ten koste van grote gemeenschappelijke inspanningen is opgebouwd. Hij leerde daarvan dat de enkeling zich spontaan verzet tegen systemen die hem en zijn medemensen het perfecte geluk voorspiegelen, ook als hij daar zelf niet meteen gelukkiger van wordt en zichzelf uiteindelijk misschien wel in de vernieling helpt. Het is als kinderen die in de avonduren een hut weer gaan afbreken, alleen zijn de gevolgen veel erger. De toename van het irrationele geweld aan het eind van Vergeten straat toont dat we in duizenden jaren nog steeds niet in staat zijn onze natuurlijke destructiedrift te sublimeren in een min of meer harmonieuze samenlevingsvorm. Aan dat inzicht en de bezieling om daarover te berichten kunnen tegenwoordige schrijvers, in een tijd van opkomst van een partij die haat wil zaaien tussen mensen, een voorbeeld nemen.

    Door Rein Swart

    Louis Paul Boon, Vergeten straat. De Arbeiderspers, paperback, 296 p., € 22,95

  • Historia magister vitae

    Historia magister vitae

    Recensie door Rein Swart

    Reizen kun je op vele manieren. Het is heel aangenaam om je te laten meevoeren aan de hand van iemand die veel te vertellen heeft. Johan de Boose treedt in de voetsporen van de meester Kapuscinski. Overal waar hij komt ontmoet hij de plaatselijke bevolking en maakt hij afspraken met lieden, die hem meer kunnen vertellen, maar ook zogenaamd met bronzen beelden en met de oude keizer Diocletianus in Split. Nieuwsgierigheid, zo schrijft hij in het nawoord, is zijn vak.
    In dit boek over Kroatië bedient De Boose zich bovendien van twee bijzondere figuren: een oude poppenspeler, die zijn leven lang door het land trok om aan de mensen de geschiedenis uit te leggen en een duivelse Bosnische waarheidszoekster, die hij op de universiteit van Zagreb ontmoette. Deze twee mensen gidsen hem gedurende zijn herfstreis door Kroatië, waarbij hij in een oude Kever veertien eeuwen doorkruist en meer dan vijfduizend kilometer aflegt.
    Het verhaal begint in Krk, het grootste eiland in de Adriatische zee met een sterke Venetiaanse invloed. De schrijver wendt zich meteen heel poëtisch tot een oude vrouw die daar rondsloft: ‘Moedertje, jij die uit de diepten van de tijd tevoorschijn komt en bij elke stap naar adem hapt, zeg me hoe oud ben je?’ De vrouw vertelt dat ze geboren is aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, toen haar land nog Kakanië heette, een term die Musil gebruikte voor de lappendeken van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie, die ook wel werd aangeduid met k.u.k., hetgeen staat voor kaiserlich und königlich en die sfeer is nog steeds terug te vinden in een oude hotelkamer in Osijek.

    De poppenspeler reisde ooit rond met een thespiswagen en bracht het programma het onderbewustzijn van de beschaving. Tot lering en vermaak. Zo onderwees hij over de vier alfabetten die hij voorstelde als legers: het Latijnse, het vierentwintigkoppige Griekse, het Hebreeuwse en het Glagolitische, dat door de broers Constantijn en Methodius op last van de Byzantijnse keizer Michaël III in 863 ontworpen werd. Hoewel dat laatste alfabet niet meer bestaat, zijn er overal in Kroatië nog sporen van terug te vinden in de vorm van ‘kruisen, ringen, oorbellen, krullen, driehoeken die cirkels penetreren, kandelaars, ogen, benen, hutten, galgen, karren, klokken, kelken, weegschalen, dieren met twee ruggen, bergspitsen, vorken, zakken, vazen, slangen, bloemen scharen en zwammen’. De voorstellingen waren zo geestig dat Tito er naar kwam kijken, tot verbazing van de kinderen die de man verdacht vonden lijken op het portret dat in hun klaslokaal hing.
    De Boose bezoekt de poppenspeler in Dubrovnic. Er volgt een mooie scène waarin de oude man een pop erbij neemt om de geschiedenis uit te leggen.
    Met de duivelin loopt De Boose door de stukgeschoten Krajina en bezoekt hij een disco in Zagreb waar jongeren hun visie geven op de geschiedenis. Iedereen is het erover eens dat Joegoslavië een slecht huwelijk is geweest.

    Dit boek, dat zeer compleet is met een tijdtafel, een notenapparaat, een kaartje en een personenregister, belicht het verleden weer eens vanuit een andere hoek. Het land Kroatië, dat eigenlijk geen deel van de Balkan wil zijn, maar haar steven richt naar Europa en bloot heeft gestaan aan vele invloeden, zoals de Latijnse, de Habsburgse en de Slavische, bezit een enorme culturele rijkdom. Behalve de cultuur beschrijft De Boose ook de natuur, zoals het indrukwekkende geërodeerde karst-gebergte en bezoekt hij verschillende concentratiekampen. Zijn stadsbeschrijvingen zoals over Vukovar worden wel eens wat staccato.

    De Boose heeft moeite om het juiste perspectief te kiezen en dat is niet verwonderlijk in zo’n complexe wereld waarin de waarheid niet lijkt te bestaan. Hij ontkomt niet aan het Kroatische gezichtspunt omdat hij, zoals hij schrijft, bij daglicht moeilijk naar de sterren kan kijken.
    Zijn conclusie is niet positief. De geschiedenis is de meester van het leven: alles herhaalt zich en zeker in de Balkan, dat wel het aller-vermoeiendste lichaamsdeel van het versleten Europa genoemd wordt; de slachtoffers van eertijds zijn de beulen van straks en de waarheid wordt in de oorlog als eerste geslachtofferd. Maar een gewaarschuwd mens telt natuurlijk wel voor twee.

     

  • Een frisse wind in schrijversland

    Een frisse wind in schrijversland

    Vierendertig stukjes over een schrijfcursus die Nicolien Mizee aan de Volksuniversiteit in Haarlem gaf en die eerder al in het NRC Handelsblad stonden, zijn nu gebundeld in een echt schrijfcahier en dat leest prettiger dan op krantenpapier. Het viel me bij herlezing op dat de stukjes niet gaan vervelen, zoals vaak gebeurt met ultra korte verhalen. Dat zegt heel veel over de kracht van Nicolien Mizee, die net als in haar romans direct en persoonlijk is. Zo vermeldt ze plompverloren dat ze tijdens de cursus een relatie krijgt met een cursist en dat ze met hem gaat trouwen.

    De bundel heeft vaart, de vrolijkheid spat eraf. Op de eerste pagina verbaast Mizee zich over een cursist die volgens haar naambordje Lalira lijkt te heten, hetgeen Mizee tot het volgende gedachte brengt: ‘Welke ouders geven een kind al zo’n naam? Misschien is ze daarom zo boos.’ Meteen daarop blijkt dat ze het verkeerd heeft gelezen. Het meisje heet Laura.

    Hou het simpel met vlag en wimpel, is het devies van Mizee. Ze gaat uit van één ijzeren wet: ‘Iemand Wil iets, dat gaat Mis, en dan gebeurt er iets Anders.’
    Het is vermakelijk om de reacties te lezen van de cursisten op de beweringen. Ontroerend ook zoals Ben die in plaats van verder te gaan met schrijven, uitkomt bij een betere relatie met zijn vader.

    Voor een deel schuilt de charme van Mizee in haar openlijk beleden onwetendheid. Op school kreeg ze altijd een black-out als de leraar iets ging uitleggen; later leerde ze veel van de schrijver Ger Beukenkamp, die zijn cursisten als medeschrijvers behandelde en haar vooral zelfvertrouwen gaf.

    Mizee vindt het vreselijk als mensen paraplu-woorden gebruiken, zoals structureren, situatie of cognitief; daarover zegt ze treffend dat zulke moeilijke woorden niet in dienst staan van gedachten maar de plaats van gedachten hebben ingenomen. In die lijn past ook haar opmerking dat ze niet van fictie houdt, maar liever rauwe verhalen leest. Ze haalt daarbij Multatuli aan die ? vrij vertaald ? ooit heeft gezegd dat wie zich toelegt op eenvoudige mededeling van wat er om gaat in z’n gemoed, zonder te denken aan schrijverij, weldra even mooi zal schrijven als hij.
    Tegelijk verbaast Mizee zich erover dat haar leerlingen nooit van de Matthaüspassion gehoord hebben. ‘Misschien kun je een kinderbijbel lezen,’ raadt ze hen aan. ‘En de verhalen van de Griekse mythologie en een paar sprookjesboeken.’

    Mizee is solidair met haar leerlingen. Ze is uitdagend: ‘Wie van jullie vindt zichzelf saai?’ en eigenzinnig. Alleen koppigheid kan een mens redden. De cursisten van de volksuniversiteit in Haarlem mochten blij zijn met zo’n juf!

     

     

     

  • Hier is het geen voorwinter

    Hier is het geen voorwinter

    De titel doet denken aan het duistere tijdperk van de hindoeïstische demon Kali, waarin de mens alleen fysiek bestaat en niet geestelijk. Hoewel Handke daar niet expliciet naar verwijst, speelt het verhaal zich af in een vergelijkbare wereld, waarin de mens zelf tot een probleem geworden is. Maar misschien betekent Kali gewoon zout en gaat het over een kalimijn, die volgens Google ook in Oostenrijk te vinden is. Zonder dat de locatie met naam genoemd wordt, moet die ergens in het midden van het Verenigd Europa liggen.

    Het verhaal opent met een dreigende toon, die meteen al intrigeert. ‘Ook mij heeft ze bang gemaakt, maakt ze bang. Maar ik wil de confrontatie met haar aangaan.’

    De vrouw om wie het gaat is een vreemde zangeres die na haar optreden door de verteller wordt gevolgd door een stad vol zwijgende mensen. Ze vindt in de schouwburg een ring en meent dat alles wat ze uitspreekt ook moet gebeuren. De vrouw blijkt een doodaanzegster, die op weg is naar het eiland Dode Hoek waar in een zoutmijn veel emigranten werken en waar ook haar slachtoffer, de zoutbaas, woont.

    Alles speelt zich af in een ijltoestand: de ruimte is niet constant maar dijt zoals in een droom uit, stroken nacht trekken door het daglicht, zoals ’s nachts omgekeerd. Ook in letterlijke zin zijn er veel spiegelingen in de ruiten; een helikopter werpt een zoeklicht op de grond en wijst de vrouw in het donker de weg. Net als in een nachtmerrie komen er opsporingsteams voor, verschijnen er oorlogsvliegtuigen in de lucht, worden er mensen en kinderen vermist.

    Als de winter inzet en de sneeuw valt, zal het leven verstarren, maar zover komt het niet. Het is wellicht het kerstkind dat met zijn intrede nieuwe hoop biedt; zo zit het verhaal vol met verwijzingen en dat maakt deze tekst zeer boeiend.

    Handke kiest een origineel filmisch standpunt en gebruikt een prachtige poëtische taal met daarin nieuwe woorden als ‘orenopenspringing’. Af en toe geeft de verteller commentaar op zijn waarnemingen. ‘Hoezo, een kreet van een valk in de voorwinter? Die heb ik hier gehoord. En bovendien is het bij mij hier geen voorwinter.’
    De strakke lijn houdt de lezer scherp. Handke waarschuwt, maar biedt tegelijk hoop aan een verscheurde wereld waarin mensen vreemden voor elkaar dreigen te worden.

     

     

     

  • Een thriller van een hogere soort

    Een thriller van een hogere soort

    Recensie door Rein Swart

    Een eerlijk en boeiend boek over een problematische ouder-kind relatie en de verwerking daarvan. Het begrip autobiografisch geheugen neemt een belangrijke plaats in bij het nadenken over wie wij zijn. In het nawoord zegt Solange Leibovici daarover dat de wijze waarop wij onszelf waarnemen berust op de interactie tussen oude ervaringen en nieuwe belevenissen, waarbij de laatste de eerste ook veranderen. We reconstrueren ons verleden op basis van nieuwe gegevens en passen het daarmee steeds aan. Iedere opgeroepen herinnering brengt een verandering in onze visie op ons verleden teweeg.

    Vervolgens komt de narratologie in beeld. Volgens de verteltheorie worden betekenissen verleend aan de hand van verhalen die we over onszelf vertellen of die over ons verteld worden. Het leven is geen film die zich voor onze nieuwsgierige ogen ontvouwt, maar eerder een aaneenschakeling van tijdsprongen en ongeordende fragmenten; het lineaire van ons leven is een illusie; mensen, die sterven verdwijnen niet, maar komen in onze verhalen steeds weer terug; het verleden houdt nooit op. Traumatische gebeurtenissen vernietigen de betekenissen en veroorzaken desoriëntatie en dissociatie.

    Het boek begint met een schrijnend en zeer overtuigend portret van Rie, de moeder van Solange, in een Amsterdams verzorgingstehuis in 2006. Alle bewoners lijken op elkaar in hun vergeetachtigheid en vastzittende emoties en de deconstructie van de dood door de medici en hun volgers is in volle gang.

    Rie kampt daarnaast ook met herinneringen aan een huwelijk met een NSB-er. Die heeft haar min of meer verraden door haar aan het eind van de oorlog naar Duitsland te sturen en zelf in Nederland te blijven. In Duitsland leert Rie de krijgsgevangene Bernard kennen. Hij is Frans en joods. Ze worden op slag verliefd en gaan na de oorlog in Parijs wonen. Rie wordt echter achtervolgd door haar verleden. Ook letterlijk. Een Nederlandse opsporingsambtenaar legt incognito contact met haar in een Parijs café om meer over haar aan de weet te komen.

    Na de dood van Bernard gaat Rie met haar dochters Solange en Frederique terug naar Nederland. De dochters dragen de last van het verleden van hun moeder. Solange noemt haar moeder een vrouw met een theatrale persoonlijkheid, maar maakt haar daarmee nog niet zwart. Hun afhankelijkheidsrelatie werkt bij Solange door in haar latere relaties, iets wat ook bij Frederique het geval is, al herkent de laatste zichzelf, in een reactie op het verslag, niet in de beschrijving door haar oudste zus.

    Het boek, dat aan Frederique is opgedragen, is een collage van verschillende persoonlijke stijlen en meer algemene geschiedenissen, die naast elkaar bestaan. Met stukken en beetjes krijgen we de geschiedenis over liefde en verraad, zoals de ondertitel luidt, opgediend. Er worden verbindingen gelegd met filosofische en psycho-analytische gezichtspunten zoals die van Lacan over het verlangen en die van Iki Freud over het Electra-complex. Ook verwijst Solange naar de Franse literatuur, zoals over de symbiotische illusie.

    Het kampleven wordt beschreven op een indringende manier die me herinnerde aan het boek Ik was een der miljoenen van Johan Wigmans. De kampbewoners vertonen gelijkenis met de ouderen in het verzorgingstehuis in het eerste deel. Hun identiteit is vervaagd door alle ellende en terreur.

    Het boek is een whodunnit van een hogere soort. Het leven is, voor degene die er open voor staat, zelf een thriller met vele facetten. Hoe gewenst soms ook, de zaak kan nooit geheel worden gesloten. Indrukwekkend is de eerlijkheid van Solange. Haar onderzoek, dat volgens haar opvattingen ook haar ouders verheft, is een knap staaltje van kwetsbaarheid en intellectuele doordenking. Rest alleen de vraag of haar motivatie niet wordt ingegeven door de nawerking van de symbiotische verhouding met haar moeder. Daarmee is het verhaal dan weer rond. In een niet-eindigende cirkel, dat wel.