• Oogst week 13 -2024

    Yellowface

    In het lijstje met ‘Beste boeken van 2023’ van de Volkskrant in december vorig jaar stond tussen alle Nederlandse en vertaalde boeken ineens het Engelse Yellowface van R.F. (Rebecca) Kuang. Het gaat over een schrijfster, June Howard, die maar geen successen oogst. Maar dan is ze de enige getuige van de dood (ze stikt in een pannenkoek) van de wel populaire vroegere klasgenoot, de Chinees-Amerikaanse Athena Liu, op wie ze flink jaloers is. Ze ontdekt het manuscript waaraan Liu bezig was. Het gaat over de ronseling door het Britse leger van Chinese arbeiders in de Eerste Wereldoorlog. June doet alsof ze Athena’s beste vriendin was. Ze gaat het boek herschrijven en meer en meer naar haar hand zetten om de roman uiteindelijk onder pseudoniem als haar eigen werk te publiceren. Het wordt een succes, maar wordt het bedrog ontdekt? Yellowface is nu er nu in het Nederlands. Het is een satire op de omgang met diversiteit in de uitgeverswereld die in de Engelstalige pers nogal wisselende kritieken kreeg. Toen Kuang haar eerste versie in 2021 afhad werd haar zelfs afgeraden het te publiceren omdat uitgevers afhoudend zouden zijn.

    Yellowface
    Auteur: R.F. Kuang
    Uitgeverij: The House of Books

    De contractarbeiders van Deli

    Reggie Baay (1955) is gespecialiseerd in Indische koloniale en postkoloniale literatuur. Tot zijn vele publicaties op dit terrein behoort De njai. Het concubinaat in Nederlands-Indië uit 2018. In dat boek speelt onder andere zijn oma een rol die een ‘njai’ (een inheemse concubine van de Europese witten in Nederlands-Indië)was. Zij werd daar haar Europeaan, Baays opa, weggestuurd toen hij terugging naar Nederland. Baay slaagde er lang niet in te weten te komen hoe het zijn oma verder was vergaan, tot een toevallige ontmoeting met een onderzoeker hem duidelijk maakte dat veel van die njai later om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien contractarbeider werden op Sumatra. Dat spoor trok Baay na en hij ontdekte inderdaad zijn oma. Hoewel de slavernij al lang was afgeschaft bleken de omstandigheden waaronder de njai contractueel diensten moesten verrichten zo streng dat die nauwelijks van slavernij verschilden. De contractarbeiders van Deli is opnieuw een boek waarin Baay persoonlijke verhalen verweeft met de grote geschiedenis.

    De contractarbeiders van Deli
    Auteur: Reggie Baay
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Papieren vrienden

    Jan Konst maakte in 2012 samen met de arts de overlijdensakte van zijn vader op. Ineens flitste het beeld bij hem op van de keren dat hij de geboorteaktes van zijn dochters in ontvangst nam. Zonder erop bedacht te zijn ervoer hij de kringloop van het leven. Met zijn vader had hij vaak gesprekken gevoerd over de zin van dat leven. Hij wilde er een boek over schrijven, maar het lukte niet. Tot hij dacht aan de literaire personages die hem al jaren vergezellen (Konst is literatuurwetenschapper aan de Freie Universität Berlin en richt zich vooral op moderne Nederlandse literatuur en relaties daarvan met de Duitse). Van hem is er nu het boek Papieren vrienden, waarin hij ingaat op vragen over de zin van het leven in een ‘gesprek’ met zestien literaire voorbeelden – ‘papieren vrienden’. Hij put daarvoor uit achthonderd jaar Nederlandse literatuur. Zestien hoofdstukken zijn het geworden, gewijd aan personages / schrijvers als Onno Quist (‘De ontdekking van de hemel’), Margriete van Limborch (geesteskind van Jan van Aken), Bert Alberegt (‘Herinneringen van een engelbewaarder’) , Tibbolt Satink (‘The MOVO-tapes’), Sofie Lakmaker en elf anderen.

    Papieren vrienden
    Auteur: Jan Konst
    Uitgeverij: Balans
  • Verzwegen geschiedenis onontkoombaar verteld

    Verzwegen geschiedenis onontkoombaar verteld

    Elk jaar op 1 juli wordt bij het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark in Amsterdam een herdenkingsbijeenkomst gehouden. Die datum is niet toevallig. Op 1 juli 1863 werd door Nederland de slavernij afgeschaft. In Suriname en de Nederlandse Antillen wel te verstaan. Op 1 januari 1860 was dat in Nederlands-Indië al gebeurd. Maar dat lijkt vergeten en daarmee ook het feit dat slavernij in Indië voorkwam. De canon van Nederland die in 2006 door de Commissie-Van Oostrum werd gepubliceerd wijdt een venster aan de slavernij, maar doet alsof daarvan alleen in de West sprake was.

    Voor de lezer van Daar werd wat gruwelijks verricht van Reggie Baay groeit per hoofdstuk de verbazing over die omissie. Slavernij kwam ook voor in Indië met alle vernederingen en misbruik die we elders tegenkomen. De handel in slaven was daar waarschijnlijk zelfs omvangrijker, becijfert Baay, dan in de West, waar het gebruik ervan waarschijnlijk groter was.

    Reggie Baay, die al vaak publiceerde over het koloniale verleden in Indië, heeft het slavernijverleden in de voormalige kolonie op een bewonderenswaardige manier in kaart gebracht. In zijn poging om de slaven zelf aan het woord te laten kwam hij, bij zeldzaam toeval, welgeteld één persoonlijk document op het spoor: een late herinnering van een slavenkind dat het geluk had in Nederland terecht te komen. Voor het overige moest hij zich verlaten op rechtszaken waarin slaven en slaveneigenaars getuigden. Baay realiseert zich terdege dat die verslagen een vertekend beeld geven. Er kwamen immers alleen misstanden op tafel. Het enige persoonlijke relaas dat hij vond liet zien dat een slaaf ook wel eens (redelijk) goed werd behandeld. Maar uit de voorbeelden die Baay analyseert krijg je toch een overheersend beeld dat niet optimistisch stemt. Het verweer van een slaaf werd vrijwel nooit geloofd; de eigenaar kreeg bijna per definitie gelijk. De stem van de slaaf in de rechtszaken was daarmee een wanhoopskreet die niet werd gehoord.

    Voor de beschrijving van de geschiedenis van de slavernij in Indië had Baay natuurlijk meer bronnen dan de persoonlijke getuigenissen uit de rechtszaken: de archieven van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, kamerstukken, onderzoeken, politieke geschriften enzovoort. Het verhaal dat daarop uitrijst is al evenmin iets om trots op terug te kijken. De slavernij waarover het hier gaat, werd ingevoerd door de VOC. In eerste instantie werden inlandse mannen en vrouwen als goedkope en rechtenloze krachten ingezet voor werk aan infrastructuur en bedrijvigheid, maar al snel werd er een inkomstenbron in gezien. De VOC kocht de slaven elders goedkoop op slavenmarkten en verhandelde ze voor vele malen de aanschafprijs op de eigen markt in Batavia. Maar de VOC maakte ook gevangenen tot slaaf. Dat kostte helemaal niets. Vervolgens verrichtten zij als onbetaalde krachten werk voor de VOC of kwamen in dienst van particulieren die op hun beurt weer aan de VOC belasting afdroegen voor elke slaaf die ze bezaten.

    Na het failliet van de Compagnie gingen alle rechten over op de Nederlandse staat. Die zette de slavernij op dezelfde voet voort. Misschien nog wel hardnekkiger. Want terwijl overal in Europa de verlichte ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap opgeld deden, bleef Nederland vasthouden aan politiek conservatisme en financieel gewin. Tekenend is dat Nederland achteraan kwam in de rij van moderne staten die wettelijk een einde maakten aan de slavernij. Voor Indië trad die wetgeving in op 1 januari 1860. Twaalf jaar na Engeland en zeven jaar na Frankrijk. Maar zelfs toen die afschaffing er formeel was, ging de slavernij gewoon door. Voorzover het geen slavernij meer werd genoemd kwamen er het cultuurstelsel en de koeliecontracten die volgens Baay personeel hetzelfde behandelden en dus in wezen de slavernij continueerden. Steeds opnieuw had de Nederlandse regering, ondanks voorvechters als Van Hogendorp en Van Hoevell die er schande van spraken, bedenkingen om de afschaffing van de slavernij daadwerkelijk uit te voeren. Dat waren politieke (de angst dat de vrijgekomen slaven in opstand zouden komen tegen het koloniale gezag), maar vooral financiële bedenkingen: de slaveneigenaars moesten een vergoeding krijgen voor de vrijlating van hun slaven en dat drukte te zwaar op de staatsbegroting. Baay haalt diverse voorbeelden aan waaruit blijkt dat de Nederlandse regering zich tot diep in de 20ste eeuw (dus ruim 50 jaar na de formele afschaffing) nog altijd schuldig maakte aan het toedekken van kwalijke praktijken van slavenhouders.

    Overigens werden de slaven zelf, nadat ze waren ‘vrijgemaakt’ aan hun lot overgelaten. Het kleinste beetje bescherming dat ze genoten hadden in de vorm van onderdak, eten en kleding raakten ze met hun vrijlating kwijt zonder ook maar enige compensatie.

    Vooral in hoofdstuk 3 (Een slavenleven in de Oost) geeft Baay schrijnende voorbeelden van slaven die op de meest grove wijze werden mishandeld (geseling, afhakken van lichaamsdelen, doorboringen, radbraken) na een veroordeling. Een dergelijk vonnis kon al worden uitgesproken wegens zogenaamde onwilligheid of verdenkingen van onoorbaar gedrag. De VOC zorgde er ook in die rechtszaken voor in elk geval zelf geen schade te lijden, want de proceskosten én de kosten van de uitvoering van de straf kwamen voor rekening van de eigenaar van de slaaf.

    Dat roept trouwens een vraag op die Baay in zijn boek niet stelt: hoe betrouwbaar zijn de gegevens uit de rechtszaken voor het totaalbeeld van de bestraffing? Kunnen veel eigenaars een procesgang niet hebben gefrustreerd uit vrees voor de kosten? Ze verloren immers een arbeidskracht (die op de markt wellicht nog te slijten was) én ze draaiden voor de proces- en executiekosten op. Hoeveel eigenaars zullen om die reden voor eigen rechter hebben gespeeld?

    Uiteindelijk wil Baay met zijn boek opkomen voor de erkenning van een geschiedenis die goeddeels veronachtzaamd lijkt te zijn: die van de slavernij in Indië. Een bijzonder interessante vraag, waarbij hij in zijn laatste hoofdstuk stil staat, is hoe die geschiedenis vergeten kón worden. Daarop heeft hij aansprekende antwoorden. Eén daarvan is dat wij een romantisch beeld koesteren van vriendelijke baboes in plaats van huisslavinnen; een andere reden is dat de nakomelingen van slaven uit de West zich onderscheiden doordat hun ouders van een ander continent (Afrika) werden ingevoerd naar Suriname en de Antillen. Ze vielen daardoor fysiek op en veel van hun kinderen kwamen naar Nederland en vertelden de geschiedenis van hun slavernijverleden door. Zo niet de afstammelingen van slaven in Indië. Die waren even oosters als de vrijen in het land waar ze werden uitgebuit. Toen ze eenmaal van hun slavenbestaan waren verlost konden ze in eigen land weer onopvallend opgaan in het volk.

    Baay levert met Daar werd wat gruwelijks verricht een belangrijke bijdrage aan een geschiedenis die lange tijd liever werd benoemd als Daar werd wat groots verricht. Daarop kwamen al decennia geleden de eerste smetten doordat steeds meer duidelijk werd over het gedrag van Nederland tijdens de politionele acties en doordat we openlijk durfden te kijken naar de zwarte kanten van de ooit verheerlijkte Jan Pietersz Coen. Baay heeft een belangrijke aanvulling op die correcties geleverd. Het is van belang dat we daar naar durven kijken.

    Lezen dus, dit boek!

     

     

     

  • Fascinerende roman over klein stukje koloniale geschiedenis

    Fascinerende roman over klein stukje koloniale geschiedenis

    De lezer wordt ondergedompeld in dit verhaal. Al na een paar bladzijden bestaat de wereld om je heen niet meer en leef je mee met Nyoman Darma Koesoema, een van oorsprong Balinese edelman die zoals later in het boek zal blijken in Amsterdam wordt misvormd tot Christiaan Darma. Hij volgt er een opleiding tot onderwijzer aan de Gemeentelijke Kweekschool en behaalt daar ook zijn hoofdakte. Intussen maakt hij kennis met de werken van Multatuli en Roorda van Eysinga en raakt geïnspireerd door deze grote opstandige geesten en hij neemt zich voor een rol te gaan spelen in het beëindigen van het onrecht dat in Indië heerst. Het wordt hem ook duidelijk op welk een gewelddadige en wrede wijze sommige delen van het toenmalige Nederlands-Indië waren onderworpen door generaals waar later in Nederland standbeelden voor werden opgericht.

    Hoofdonderwijzer Ekker en zijn vrouw, waar Nyoman onderdak heeft gevonden, doen er alles aan, overigens met de allerbeste bedoelingen, om van de jongeheer Darma een Europeaan te maken. Tot op zekere hoogte slagen ze daar ook in met als gevolg dat Nyoman Darma na terugkeer in zijn geboorteland zich erg ongelukkig voelt omdat hij door zowel de Europese ‘elite’ als de inlandse bevolking niet geaccepteerd wordt. Hij krijgt een aanstelling als hulponderwijzer aan de opleidingsschool voor inlandse ambtenaren te Bandoeng, waar de zonen van de inlandse adel worden opgeleid tot kundige, eerzame en loyale medewerkers die zich na hun opleiding met volle overgave kunnen inzetten in dienst van het Nederlands-Indisch gouvernement. In Holland is Nyoman, door een hoge ambtenaar van het Ministerie van Koloniën al te verstaan gegeven dat hij zich in ruil voor zijn reis, verblijf en opleiding, levenslang verplicht heeft zich in dienst te stellen van het gouvernementsonderwijs in Indië. Min of meer een lijfeigene dus.
    In Bandoeng neemt Nyoman zijn intrek bij de niet meer zo jeugdige maar nog steeds aantrekkelijke weduwe Tidens-Hiddema met wie hij na enige tijd een innige relatie begint hetgeen uiteindelijk uitmondt in een zwangerschap. Er wordt een dochter, Jeanette Pauline, geboren. Hermine Tidens heeft al een dochter Mina uit een eerdere relatie. De reacties van de omgeving zijn ontluisterend. Eieren en rottend fruit worden tegen de woning gegooid, honden worden vergiftigd en de pesterijen nemen dusdanige vormen aan dat Nyoman zich genoodzaakt ziet te verhuizen, weg uit de Europese wijk.

    Hermine vertrekt voor twee weken naar de kust om bij te komen van de Bandoengse terreur en tijdens haar afwezigheid ontwikkelt zich tussen Nyoman en zijn veel jongere stiefdochter Mina een relatie die voornamelijk is gestoeld op wellust. Na haar terugkeer neemt Hermine haar intrek in de bijgebouwen en Nyoman en Mina treden in het huwelijk. Hermine leeft enige tijd in vrijwillige ballingschap, onder grote emotionele spanningen die veroorzaakt worden door de hoon en verwensingen van de Europese gemeenschap, en bezwijkt later aan een hartaanval. Op haar begrafenis verschijnt een jonge Europese vrouw die zich bekend maakt als Betsy Hoogduin-De Vijver. Zij zal een belangrijke plaats gaan innemen in het leven van Nyoman en Mina. Vooral Mina laat zich beïnvloeden door Betsy en haar niet altijd zuivere bedoelingen. Na de geboorte van een tweede dochter Christine, wordt Nyoman steeds vaker door Mina afgewezen en hij zoekt dan troost bij een Soendanese vrouw, Kassijem.

    Nyoman wordt ook politiek actief en hij probeert aansluiting te vinden bij de aarzelend op gang gekomen stromingen binnen de Indische gemeenschap die streven naar onafhankelijkheid. Er is een te grote verdeeldheid tussen de verschillende bewegingen, een duidelijk toekomstbeeld ontbreekt en teleurgesteld verbreekt hij na enige tijd de banden met de revolutionairen.

    Als de directeur van de opleidingsschool voor inlandse ambtenaren, Theodorus Vaneck komt te overlijden, wordt Nyoman beschuldigd van betrokkenheid bij diens dood. Ketoet, de trouwe Balinese huisbediende waarschuwt voor de plannen die familieleden van Vaneck zouden hebben om Nyoman om het leven te brengen. Ook Betsy Hoogduin speelt een kwalijke rol. Mina is voortdurend neerslachtig en gedraagt zich neurotisch en zelfs wanneer Nyoman, na een daartoe ingesteld verzoek, officieel gelijkgesteld wordt aan een Europeaan, komt daar geen verandering in. Als Mina zich na verloop van tijd weer heel levenslustig toont en weer graag naar buiten gaat, blijkt dit toch een bijzondere reden te hebben. Ketoet waarschuwt Nyoman voor haar buitenechtelijke escapades. De nieuwe minnaar Johannes zweert samen met Betsy en Mina. Een Ambonees met een kwalijke reputatie wordt ingehuurd om Nyoman om te brengen.

    Vooral de tweestrijd waarin de hoofdpersoon vanaf zijn aankomst in Amsterdam maar vooral ook na terugkeer in zijn geboorteland verkeert, wordt op treffende wijze weergegeven. De karakters van de hoofdpersonen worden tot in detail omschreven. Veelvuldig voegt de schrijver maatschappijkritische noten aan het verhaal toe en we krijgen een goed beeld van de tegenstellingen tussen blank en bruin in het voormalige Nederlands-Indië. Door de uitstekende wijze waarop het  boek het onrecht beschrijft dat de inlandse bevolking destijds is aangedaan, zal het verhaal zeker verontwaardiging opwekken bij de lezer.
    Wat verder direct opvalt aan dit boek is het gedateerde taalgebruik dat helemaal past bij de beschreven periode (1879-1909). De schrijver slaagt er op meesterlijke wijze in om dit tot aan het einde van zijn verhaal vol te houden. Een woordenlijst, in de toenmalige spelling, van de in het boek voorkomende Maleise woorden, is toegevoegd.