• Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Filter, tijdschrift over vertalen, onderzoekt in deze derde editie van dit jaar de andere kant van de vertaling, die van de ontvanger, de lezer. Een twintigtal vooraanstaande lezers werd uitgenodigd hun boekenkast te onderzoeken op wat hun favoriete vertaling is, of zelfs ‘hun favorietste aller tijden’. De vraag is even interessant als persoonlijk (welke vertaling bleef je bij, veranderde je leven). Vertalen is een ambachtelijk werk waarbij vakkundig aan een tekst gesleuteld wordt, maar een vertaler moet ook creatief en origineel. Een vertaler is voor alles een literatuurvorser, niemand leest een boek zo grondig als de vertaler, vertalers zijn analyserende lezers. Maar wat merkt de lezer van een vertaling?

    Een buiging

    Joyce Roodnat opent deze Filter met een eerbetoon aan de vertaler, getiteld ‘Saluut’. Voor haar zijn vertalers poortwachters en bruggenbouwers. Ze studeerde Italiaans, maar had Umberto Eco ‘nooit kunnen volgen zonder vertaling.’ En zonder vertalers had ze de romans van Margaret Mazzantini niet gekend. Ze vertelt hoe enthousiast ze wordt als ze een schrijver ontdekt, die ze dankzij de vertaler, kan lezen. Zoals Nicola Pugliese, van wie dit jaar uit zijn roman Malacqua een hoofdstuk in tijdschrift Terras stond, vertaald door Annemart Pilon. Roodnat was enthousiast over de schrijver, en over de vertaler, die op voorhand uit gedrevenheid een stuk vertaald had, in de hoop dat een uitgever het zou oppakken. Daarvoor maakt zij een buiging, voor dat enthousiasme, het vertaalwerk, het publiceren. Een buiging, ‘Met mijn neus tot de grond.’

    Dichteres Vicky Francken zocht in haar boekenkast niet naar de beste vertaling, maar naar de vertalingen die haar eigen zijn geworden. Ze schrijft, ‘De vertalingen die me dierbaar zijn, werpen vaak een licht op iets dat onbegrijpelijk is maar instinctief wáár, iets waar ik zelf nog geen taal voor had.’ Het mooiste boek dat ze ooit las is van Amos Oz, Het verhaal van liefde en duisternis, vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. 

    Kousbroek als vertaler

    Een vermakelijke stuk, getiteld, ‘Lijn spestien op het zituur’ is van literair vertaler Spaans Lisa Thunnissen. In haar pubertijd ontdekte ze Stijloefeningen van Raymond Queneau, in vertaling van Rudy Kousbroek. Al voorlezend aan haar moeder en zusje werkte het haar op de lachspieren, ‘In lijn spestien op het zitsuur ontmande ik een jongewaard met een nange mek en een hare roed.’ Over het vertalen van zulke taalgrapjes, daar is iets over te zeggen, maar becommentariëren doet ze de vertaling niet, ‘want Kousbroek is niet de minste’.

    Publicist en redacteur van tijdschrift Terras Tommy Van Avermaete vraagt zich af hoe je een vertaling beoordeelt en volgens welke maatstaven. In ‘De boel naar je hand zetten’, onderzoekt hij aan de hand van, Het meisje dat te veel van lucifers hield, van de Canadese schrijver Gaétan Soucy (1958-2013), vertaald door Han Meijer. Hoe een boek, geschreven in een ‘nogal onalledaagse taal’ (waarbij de associatie: onvertaalbaar opkomt) verklaard kan worden. Overigens een titel, die je na lezing van deze bijdrage, onmiddellijk wilt lezen. 

    Zorg en ongemak

    Literair vertaler en vertaalwetenschapper Désirée Schyns, benadrukt in ‘Vertalen is ongemak’ de complexiteit van vertalen. Dat het bij vertalen niet alleen gaat om het behoedzaam omgaan met het werk van een ander. Ze haalt daarbij de vertaalrelletjes aan die zich het afgelopen jaar hebben afgespeeld rond de vertaling van Amanda Gormans gedichten, en het weglaten van een stuk uit Dantes Inferno bij een vertaling voor jonge lezers. Zij benadrukt ook  dat vertalen steeds meer gewaardeerd wordt met begrippen als ‘zorg’ en ‘zorgzaamheid’. Schyns ontdoet het vertalen van de wat muf makende opvatting dat vertalen ‘vreugde schenkt’. Terwijl het niets meer of minder is dan hard werken dat gepaard gaat met ‘ongemak, onzekerheid, mankementen en mislukking’. Daarbij haalt ze onder meer de Britse schrijver Max Porter aan. Porter associeert vertalen ‘met tussendoor glippen, met reizen zonder grenzen, met verplaatsing, soepelheid, behoedzaamheid en liefde, maar ook met gevaar, kwetsbaarheid, misbruik, luiheid, toondoofheid, censuur.’ Een interessant en genuanceerd stuk dat de kijk op vertalen doet bijsturen.

    Dit tijdschrift is niet alleen voor vertalers en literatuurwetenschappers interessant, maar voor iedereen die graag vertaalde literatuur leest. Literaire vertalingen maken het verschil, zoveel is na lezing wel duidelijk. Vertalers als ‘poortwachters en bruggenbouwers’, volgens Joyce Roodnat, een mooie gedachte. Mooie bijvangst is dat veel van de auteursnamen die in deze Filter zijn gevallen, nieuwsgierig maken naar hun werk.

     

    Overige bijdragen zijn van: Cees Koster  met Ton Naaijkens, Riet Schenkeveld-van der Dussen, Peter Nijssen, Janneke van der Meulen, Maarten Asscher, Lia van Gemert, Ger Groot, Maurits Lesmeister, Barber van de Pol, Dirk Schoenaers, Miek Zwamborn  Derek Crook, Jos Vos, Rob Zweedijk, Erik Bindervoet, Lieke van Deinsen en Beatrijs Vanacker.

    Kijk ook op: Filter, tijdschrift over vertalen.

     

  • Zomerboeken 2018 – In het hoofd van de lezer

    Zomerboeken 2018 – In het hoofd van de lezer

    Jaloezie

    In Jaloezie (1957) van Alain Robbe-Grillet mag de lezer zelf het verhaal achter de tekst construeren. Het decor van een Afrikaanse bananenplantage wordt ogenschijnlijk afstandelijk beschreven als door een camera-oog. Dat Robbe-Grillet ingenieur is proef je aan de vele staaltjes geometrische beschrijvingskunst. De observerende blik is die van de afwezige echtgenoot die nauwgezet registreert hoe zijn vrouw A… en zijn vriend Franck (die getrouwd is met een zekere Christiane die niet goed tegen het tropische klimaat bestand is) met elkaar omgaan. Als vanzelf laadt de tekst zich met een zekere suspense. De jaloerse echtgenoot neemt zelf niet actief deel aan het ‘verhaal’, maar zijn aanwezigheid wordt verondersteld als er bijvoorbeeld wordt ingezoomd op de tafelschikking. Heel subtiel lijkt er toch sprake van enig contact tussen hem en de geobserveerden.

    Het boek kent een aantal scènes die keer op keer in iets gewijzigde vorm terugkeren, al naar gelang de observerende verteller zich op iets andere details richt. De jaloerse argwaan van de ‘vertelinstantie’ raakt verstrikt in het cyclische verhaalverloop. Typisch voor Robbe-Grillet is ook dat A… en Franck op hun beurt praten over een roman waarvan de handeling zich in Afrika speelt en de heldin niet tegen het tropische klimaat lijkt opgewassen…

     

     

    Jaloezie
    Auteur: Alain Robbe-Grillet

    Stijloefeningen

    Een ander strak vormgegeven boek dat een eenmaal ingeslagen weg met een uiterste consequentie vervolgt is Stijloefeningen (147) van Raymond Queneau. Alleen spat hier wel de speelsheid van de 99 stijlversies van een en dezelfde gebeurtenis van de pagina’s af: een buspassagier neemt waar hoe een jongeman met een raar hoedje een medereiziger ervan beschuldigt voortdurend tegen hem op te botsen in het gedrang van in- en uitstappende mensen. Een paar uur later komt hij dezelfde jongeman in de stad weer tegen, lopend naast iemand die hem de raad geeft een extra knoop aan zijn overjas te zetten. Banaler kan het niet, zou je denken. Des te groter de uitdaging om dit Zinloze Feit de wereldliteratuur binnen te smokkelen door het in bijna ieder denkbare vorm te gieten: van telegramstijl tot alexandrijnen, van een ode tot een heus blijspel, van een breedsprakige stijl tot een eentje uit alleen maar tussenwerpsels opgebouwd.
    Speelde het verhaal zich oorspronkelijk in Parijs af, de vertaling uit 1978 van Rudy Kousbroek heeft het hele gebeuren naar het Amsterdamse getrokken en de boel dus flink vernederlandst. Heel behoorlijk werk, maar het voordeel van een vertaald boek is dat het opnieuw vertaald kan worden. Weinig boeken nodigen zo uit om om de 25 jaar opnieuw vertaald te worden als dit. En dat is een reuzecompliment voor Raymond Queneau.

     

     

    Stijloefeningen
    Auteur: Raymond Queneau

    Kindertijd

    Het derde boek, Kindertijd (1983), speelt deels op Frans grondgebied en deels op Russisch. De in 1900 in Ivanovo uit Russisch-joodse ouders geboren Nathalie Sarraute stond niet alleen aan de wieg van de Nouveau Roman maar wist die ook ruimschoots te overleven. Onder andere met dit op 83- jarige leeftijd geschreven boek dat in plaats van een anonieme verteller een autobiografische ik aan het woord laat. Al is de vorm niet bepaald die van een chronologisch afgerolde standaardautobiografie. De opgerakelde herinneringen aan de eerste, niet al te gelukkig verlopen twaalf jaar van haar leven, pendelend en opgedeeld tussen haar gescheiden ouders in Parijs (moeder) en Sint Petersburg (vader) en ingeklemd tussen beide talen, worden door een wantrouwende tegenstem steevast ondervraagd en kritisch tegen het licht gehouden: ‘Ben je daar zeker van?’ ‘Voelde je dat echt op dat moment?’. Het eigenlijke onderwerp is dan ook meer: hoe een zelfbewustzijn vorm krijgt. Een belangrijke component daarvan is haar gevoeligheid voor het zintuiglijke van woorden, en uitdrukkingen; het ‘blootleggen van alle rijkdommen’ die een woord in zich bergt. Ook de dubbelzinnigheid van taal en het gemak om met woorden iets anders te bedoelen dan men zegt. Zo heeft het jonge meisje op gegeven moment met haar moeder afgesproken dat ze haar als ze ‘gelukkig was zou schrijven: “Ik ben hier heel gelukkig” met een streep onder ‘heel’. En alleen ‘Ik ben gelukkig’ als ik het niet was.’ Sarrautes stijl is zoekend en tastend met bijbehorende puntjes… Nergens thuis en op haar plek weet zij zich uiteindelijk geborgen in haar zelf geschreven woorden.

     

    Kindertijd
    Auteur: Nathalie Sarraute
  • Waar is Parijs gebleven?

    Waar is Parijs gebleven?

    Onder de grond ken ik de stad op mijn duimpje. Ik weet dat Châtelet-Les Halles het eerste station is na Gare du Nord, en dat daarna Saint-Michel – Notre-Dame, Luxembourg, Port-Royal en Denfert-Rochereau volgen. Allemaal bestemmingen die het bezoeken waard zijn, maar ik moet verder. Bovengronds volgen er nog 21 veel minder tot de verbeelding sprekende stations voordat ik in de voorstad waar ik moet zijn uitstap, het station aan de achterkant verlaat, bij de acacia’s linksaf sla en na een kort venijnig klimmetje mijn bestemming bereik.
    De keren dat ik echt in Parijs ben geweest, zijn op de vingers van één hand te tellen. Maar dan reken ik die keer dat ik een houten poppenhuis door het 6e arrondissement zeulde niet mee.

    Ik ken Parijs dus niet goed, wil ik maar zeggen. Dat zou geen bezwaar zijn als ik het Parijs van horen zeggen maar herkende. Dan zou ik er mijn weg wel vinden. Maar dat herkennen, valt niet mee. Hoewel het decor bekend oogt, gaat er achter de gevels inmiddels een andere stad schuil. Ik zoek tevergeefs naar het Parijs dat uit boeken en beelden tot mij kwam. Naar de culturele metropool die als een magneet werkte op bohemiens en jetset, en naar de andere kant. De frivole kant die voor ophef en vertier, en ook voor overlast zorgde. De zelfkant, waar het canaille geur gaf aan de stad.
    Die tweeledige stad lijkt definitief verdwenen. Veel van wat Parijs maakte tot de stad die ze was, is letterlijk, figuurlijk en moedwillig onder het plaveisel verdwenen. Planologie maakte korte metten met het organisch gegroeide stratenplan. Door Hausmanns herinrichtingsideeën werden hele groepen inwoners naar voorsteden verbannen. Waarna een deel van die voorsteden veranderde in beruchte banlieues.

    Gelukkig hebben we de boeken nog. Dat Ernest Hemingway zich in Parijs is een feest niet altijd aan de waarheid hield – zo arm als hij zich voordeed was hij bijvoorbeeld niet, doet aan zijn ontmoetingen met Gertrude Stein, Scott Fitzgerald en Ezra Pound, en aan de roaring twenties niets af. Dat de pleisterplaatsen van de subculturen die in Het andere Parijs door Luc Sante zo liefdevol beschreven worden, tegenwoordig toeristische attracties zijn, weerhoudt mij er niet van ze te bezoeken.

    Ik wil Parijs gewoon heel graag beter leren kennen, en vraag me af welke strategie ik de volgende keer dat ik er ben zal volgen. Flaneren zoals Adriaan van Dis dat in de voetsporen van vele voorgangers deed, of à la Georges Perec gewoon ergens gaan zitten, om me heen kijken en in me opnemen wie ik zie en wat er gebeurt.
    Voor beide valt iets te zeggen. Flanerend ben ik min of meer degene die de route en het tempo bepaalt; vastgepind op één plek ben ik in alle opzichten overgeleverd aan het toeval. Welke keuze ik ook maak: het zal mijn kijken naar Parijs beïnvloeden, en daarmee ook het beeld bepalen.
    Voorlopig voel ik het meest voor de methode Perec (al denk ik dat flaneren effectiever is). De vraag is dan wel welk terras of bankje zich het beste leent voor mijn ontdekkingstocht. Suggesties zijn welkom.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    Onder het zink: un abécédaire de Paris – Adriaan van Dis
    Parijs is een feest – Ernest Hemingway (vertaling: Arie Storm)
    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs – Georges Perec (vertaling: Kiki Coumans)
    Zazie in de metro – Raymond Queneau (vertaling: Jenny Tuin)
    Het andere Parijs
    – Luc Sante (vertaling: Hans E. van Riemsdijk)

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Heraklion, Rotterdam en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.