• ‘Een luchtig sprookje’

    ‘Een luchtig sprookje’

    Misschien hebt u dat ook wel, dat u na een zware roman of een ander veeleisend boek even iets lichters wilt lezen, zoals je de dag na een overdadig diner eigenlijk alleen maar trek hebt in een salade. In zo’n geval komt Waterscheerling, een postuum uitgegeven verhaal van de in 2013 overleden Rascha Peper, als geroepen. Echt nieuw is dit verhaal niet, want het verscheen al in de verhalenbundel Een Siciliaanse lekkernij (2014), maar het kan nog steeds bekoren.

    Plaats van handeling van dit sprookje voor volwassenen is een Veluws dorp in de jaren vijftig. Het gezin van Wisselwachter Tienverloren woont daar in een huisje met een diepe, geheimzinnige waterput. Uit voorzorg heeft vader een eikenhouten deksel laten maken waarop een zware steen rust. Zijn eigenzinnige dochter Stella, een nakomertje dat niet veel gemeen lijkt te hebben met haar robuuste, blonde broers of plompe ouders, is van jongs af aan gefascineerd door de put, maar de kinderen krijgen vaak genoeg te horen dat ze uit de buurt moeten blijven.

    Als de kinderen groter worden, schijnt het gevaar van de waterput te zijn geweken. Ook Stella is inmiddels geen klein meisje meer. Jongens interesseren haar weinig, maar ze brengt wel veel tijd door met Pirre, die astronomie studeert. Stella kan met haar complexloze natuur echter op weinig begrip rekenen van haar vader, zeker als hij haar in haar blootje aantreft in het bos: ‘De aanblik van haar naaktheid had de vader een schok gegeven. Niet alleen doordat ze daar zo uitdagend zat met haar zeventien jaren, maar ook omdat ze zo mooi en fragiel was, met haar witte billen op haar voeten en haar kleine meisjesborsten naar de zon geheven. Hij had zijn dochter al jaren niet meer naakt gezien en was haast pijnlijk getroffen door haar schoonheid. Niettemin had hij haar ’s avonds bars tot de orde geroepen over haar gedrag.’

    En dan slaat het noodlot toe, de conflictueuze vader-dochterverhouding triggert Stella’s verdwijning: ‘Kort na haar achttiende verjaardag was Stella op een ochtend verdwenen. Het houten deksel en de steen lagen op de grond naast de put.’ Een grote verrassing is dat niet voor de lezer, want doordat de aandacht haast voortdurend op de waterput wordt gevestigd, weet die wel wat er gaat gebeuren. Hermans zei het al: er mag geen mus van het dak vallen, zonder dat het een gevolg heeft, en voor hem was er Tsjechov: ‘Als er in het derde bedrijf een geweer afgaat, tone men in het eerste een geweer.’ Alleen is het voor de verhaaltechniek dan wel beter om die mus niet al te nadrukkelijk naar beneden te laten donderen en bij voorkeur te laten opduiken op een moment dat de lezer eigenlijk al vergeten was dat het beestje op dat dak zat…

    Stella blijft spoorloos. Pirre mist zijn geliefde en waagt zich in de waterput om haar te zoeken: ‘Afdalend hoorde hij zijn eigen gejaagde ademhaling en het doodse schuren van zijn rug en schouders langs de putwand; de doffe geluiden die zijn voeten maakten bij het stoten tegen de stenen leken direct door het binnenste der aarde verzwolgen te worden.’ Hij volgt haar met andere woorden naar de onderwereld, voor wie de parallel wil trekken met de mythe van Orpheus en Eurydice of het sprookje van vrouw Holle. Dat blijkt een onderwaterwereld te zijn: ‘Toen er een groepje blikkerende vissen uit de boom schoot, merkte hij dat het geen wind was die de takken beroerde, maar een stroming. Hij was onder water.’ Hoe de zoektocht naar Stella daar afloopt, zullen we niet onthullen, maar de hereniging met zijn geliefde is een groots moment: ‘Toen ze moe werd en uithijgde naast zijn struik, zag hij haar roze geworden wangen van opzij, haar ogen met door het water knipperende wimpers, haar blote armen met een armbandje van bloedkoralen om de rechterpols, de welving van haar borsten in het truitje, en hij rilde van begeerte.’ Daarna rest natuurlijk nog het lastigste deel van de reis: de terugkeer naar de bovenwereld…

    Dit sprookje voor volwassenen moet het hebben van de stijl, waarmee Pepers voorliefde voor ongebruikelijke woorden en neologismen naar voren komt (najaden, koptelefoonvlechten, …). Uit een naschrift blijkt dat dit verhaal is geïnspireerd door een interview met filmmaker Alex van Warmderdam, die een scène in zijn hoofd had met een personage dat in het water valt en op de bodem een huisje in een onderwaterwereld aantreft. Die scène bleek te duur te zijn om te verfilmen. Dat technische of financiële beperkingen nooit een belemmering vormen, is natuurlijk een mooi voordeel voor schrijvers waar regisseurs alleen van kunnen dromen. En vandaar dit charmante, op één idee gebaseerde verhaal. Maar soms hoeft het echt niet meer te zijn.

     

     

  • Geraffineerde vertellingen 

    Geraffineerde vertellingen 

    Een Siciliaanse lekkernij (2014) is een bundeling van de tien beste verhalen van Rascha Peper (1949-2013). Het is een keuze uit verhalen die werden gepubliceerd tussen 1990 en 2009.

    Het is een gevarieerde bundel geworden met verhalen uit verschillende tijden. Het titelverhaal ‘Een Siciliaanse lekkernij’ is een twaalfde-eeuws liefdesverhaal, ‘De Waterdame’ en ‘De opdracht’ spelen in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. ‘Waterscheerling’ is een tijdloos sprookjesachtig verhaal. En er zijn verhalen die in de provincie spelen (‘Kiew, Kiew…’) of de stad – Amsterdam – als decor hebben, zoals ‘Zwartwaterkoorts’ en ‘Vrijdag’.

    In ‘De Waterdame’ en in ‘De opdracht’ gaat het over romantische gekte en waanzin. Rascha Peper  noemde deze verhalen in een interview ‘idylles die slecht aflopen’. ‘De opdracht’ is het verhaal over een ontsnapping van een ik-figuur uit een psychiatrische inrichting. Ze klimt in de nacht uit het raam van de inrichting, vlucht door een donker bos naar de rivier. In het water vindt ze haar bestemming. Haar ‘opdracht’ is de doodsengel te zoeken. Het verhaal roept associaties op met het gedicht van Herman Gorter over de zelfmoord van Anna Witsen ‘In de zwarte nacht is een mensch aangetreden’. Anna verdronk zich in 1889 in de vijver van het familielandgoed Ewijkshoeve bij Soest. Aan dat gedicht heeft Rascha niet gedacht bij het schrijven, vertelde ze later in een radio-interview (VPRO Boeken), maar ze kende het gedicht wel. Het lijkt of de bezielde natuur uit het gedicht van Gorter terugkomt in het verhaal: ‘De bomen zien er gevaarlijk uit, ze bewegen zich, ze beramen plannen, ze proberen zich los te trekken’.

    Een ander thema dat naar voren komt uit de verhalen is de passie voor en het verzamelen van kunst en met name de extreme kanten van zo’n passie: het bezeten op jacht zijn naar juist dat ene onbereikbare kunstwerk of bijvoorbeeld die zeldzame Montanaripop. Een passie die fysiek en geestelijk pijn doet, het willen bezitten van iets dat je niet kunt krijgen. Het is het smachten naar het onbereikbare. Als Duvivier, de hoofdpersoon uit ‘Van het vuil op het hemd van een Montanari’, een bijzondere pop bij een negentigjarige bijna demente mevrouw heeft gezien, kan hij nog maar aan één ding denken: hoe krijg ik die Montanaripop in mijn bezit. ‘Hij leed. Hij leed zo hevig dat er geen onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke pijn te maken viel. /…/ Er werd aan zijn hart geknaagd.’ De poppen die hij al heeft verzameld zijn niet meer interessant voor hem. ‘Terug in zijn eigen stille, ordelijk huis /…/ voelde hij zich verloren, op het huilerige af. Zijn collectie was verbleekt en glansloos.’ Duvivier gaat tot het uiterste om de pop in zijn bezit te krijgen. Rascha Peper rekent dit verhaal tot een van haar beste verhalen. In de Verantwoording staat dat in haar nalatenschap een versie met ‘substantiële veranderingen’ werd aangetroffen. Voor deze bundel zijn die wijzigingen overgenomen.

    Het mooiste verhaal uit de bundel is ‘Het slapeloos uur van de nacht’. De titel is ontleend aan het gedicht ‘De Bultenaar’ van Ida Gerhardt. Als motto boven het verhaal staat ‘Maar ik ken de hitte des daags  / en het slapeloos uur van de nacht / waarin de beslissing valt.’ Op een knappe manier komen deze regels of een variatie daarvan terug in het verhaal. Geerten Matthijs Bertolet Bokslag, een gebochelde directeur-geneesheer van tbc-kliniek Slangenstein, wordt omschreven als een ‘groteske bultenaar’, een afschrikwekkende trol ‘die zich met orthopedisch schoeisel stampend door zijn kliniek beweegt’. Aan zijn zorg wordt in 1938 een tuberculeus negentienjarige meisje toevertrouwd. Als hij haar op een warme zomerse zondag tijdens het bezoekuur met een paar jongens op het gazon ziet stoeien, reageert hij op deze manier: ‘Bokslag snoof, draaide zich om en liep, kwaadaardig stampend met zijn rechterschoen naar de lift.’ In het volgende hoofdstuk komen de regels uit het motto terug: ‘De slapeloze uren zijn vol beelden. Beelden die zich niet laten verjagen, die zich opdringen met schaamteloze hardnekkigheid, die rusteloos maken, genoegdoening eisen’. Het wordt duidelijk dat er iets zal gaan gebeuren. Het noodlot is ‘een onverschillig dier’ dat kan toeslaan: ‘Uiteindelijk zál het toeslaan… , maar deze keer al?’ De spanning wordt versterkt door de geluiden in de kliniek, het suizen en tikken van de verwarmingsbuizen. ‘Verborgen wezens zenden signalen uit vanuit kelders en zolders, morsetekens.’ En: ‘De verwarmingsbuizen zongen overspannen en tikten nerveus hun onregelmatige, onbegrijpelijke waarschuwingssignalen.’ Dit verhaal doet af en toe denken aan het werk van Roald Dahl: een ‘fantastisch’ verhaal met een onverwachte  afloop.

    Rascha Peper maakt er geen geheim van dat ze voor haar verhalen soms uitgaat van krantenknipsels. Een mooi voorbeeld is ‘Kiew, Kiew…’ dat geïnspireerd is op het leven van Jeanne-Louise Calment, een Française die ruim 122 jaar oud is geworden. Rascha documenteert zich uitgebreid voor haar verhalen, of het nu gaat over poppen of over de middeleeuwen. De dialogen doen nooit onnatuurlijk aan. Met haar eerste zinnen zit je als lezer meteen in het verhaal en voel je de dreiging. Een voorbeeld uit het sprookjesachtige ‘Waterscheerling’: ‘De kinderen van wisselwachter Tienverloren waren grootgebracht met ontzag voor de waterput achter hun huis.’

    Voor deze verhalenbundel schreef Elsbeth Etty een uitvoerig nawoord.  Over het waarom van het schrijven zei Rascha Peper in 1996 in een interview: ‘De essentie van schrijven is schrijven tegen de dood. Je schrijft om te blijven bestaan.’ Zestien jaar later – ze is dan al ernstig ziek – licht ze die uitspraak toe: ‘Het is belangrijk om iets te maken dat jou zal overleven. Als mensen zeggen: jouw boeken blijven bestaan, dan ben ik daar trots op. Niet dat ik me veel illusies maak, hoor. Kijk hoe het gegaan is met veel bekendere schrijvers dan ik, zoals Vestdijk, mijn grote voorbeeld. Wie leest hem nog? Maar toch: het is mooi als je iets nalaat waarin je je diepste gedachten, je fantasieën, je kijk op de wereld en je gevoel voor humor hebt gelegd.’ (Elsbeth Etty, ‘Teruglezen: het laatste grote interview met Rascha Peper’.  In: NRC Handelsblad, 19 maart 2013).

    Een Siciliaanse lekkernij is een prachtig monument voor Rascha Peper. De romans van haar grote voorbeeld Vestdijk werden na zijn dood in een mooie reeks uitgegeven. Een serie verzamelde werken van Rascha Peper zal economisch waarschijnlijk niet haalbaar zijn, maar het zou mooi zijn als er naast de paperback een gebonden uitgave verschijnt van Een Siciliaanse lekkernij. Zij verdient het gelezen te blijven worden.

    Rascha Peper (pseudoniem voor Jenneke Strijland) debuteert in 1990 met de verhalenbundel De waterdame. Haar eerste roman is Oesters (1991). In 1994 wordt Rico’s vleugels genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In het juryrapport staat onder andere: ‘Peper heeft een fascinatie voor stille wateren en sluimerende hartstochten’. In 1996 wint ze de Multatuli-prijs voor Russisch blauw. Rascha Peper overlijdt op 16 maart 2013. Ze is 64 jaar geworden.

     

  • ‘De voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas grijpen en vasthouden’

    ‘De voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas grijpen en vasthouden’

    ‘De voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas grijpen en vasthouden’

    Recensie door Martin Lok 

    Goede literatuur draait vaak om de liefde of de dood. Dit geldt zeker ook voor Handel in veren van Rascha Peper. Zelfs op meerdere niveaus. Niet alleen in het plot van deze roman, waarin liefde, gebrek aan liefde en de dood centrale thema’s zijn, maar ook in het vakmanschap van Peper, dat haar liefde voor het schrijversvak onderstreept. En in de dood die Peper inhaalde en haar dwong Handel in veren versneld publicabel te maken. Dat deed ze, maar de tijd die haar was gegund bleek zo krap te zijn dat ze de roman niet echt heeft kunnen afronden. Het maakt Handel in veren echter niet minder geslaagd. Want hoe onaf haar laatste roman ook is, Peper toont zich hierin in al haar glorie. Als grootse vertelster en prachtige stiliste, die de lezer raakt en daarmee de pijn van het onaffe verlicht en deze tegelijkertijd met ongekende hevigheid laat voelen.

    Handel in veren gaat over vele liefdes: de liefde van een bioloog voor vogels en voor de wetenschap, de liefde van een moderne jonge vrouw voor het verleden en voor haar oma, de liefde van die oma voor het leven, de eerste grote liefde van een jonge assistent voor de vrouw van zijn baas. Peper vervlecht al deze liefdes in een tijdloos familiegeheim, waarbij het verleden steeds weer wordt opgerakeld om het even vast te kunnen houden en het heden betekenis te geven. Wendy Bronkhorst, een tweeëntwintig jarige studente, houdt daar ook van. Zij houdt van dingen die écht oud zijn, die zijn geworteld in het verleden van haar familie, en struint daarvoor geregeld de zolder van haar oma af. Voor haar is deze zolder een walhalla van familieherinneringen, die haar de ankers biedt die ze nodig heeft ‘in een tijd waarin dergelijke zolders eigenlijk niet meer bestaan en het verleden niet meer wordt geleefd’.

    De fascinatie van Wendy voor het verleden wil niet zeggen dat ze niet midden in het leven staat. In tegendeel. Ze leeft vol overgave en vuur, net zoals haar oma Minke dat altijd heeft gedaan. Want ook voor Minke geldt dat ze haar leven passioneel leefde, waarbij ze zich net als haar kleindochter op sommige momenten aan de ketenen van het alledaagse bestaan trachtte te ontworstelen. Die zielsverwantschap met haar kleindochter was voor Minke eigenlijk altijd al duidelijk en deed haar al vroeg besluiten om ooit, als de tijd rijp zou zijn, haar familiegeheim met haar te delen. Althans, tot op zekere hoogte. Want Minke is een nuchtere vrouw, ‘die haar leven lang had geweten dat het bovenkomen van de onderste steen niet in alle gevallen zaligmakend is. Wat met de mantel der liefde bedekt is voor de onwetenden, kan soms in ieders voordeel maar het beste bedekt blijven.’

    Deze passage illustreert dat Peper in Handel in veren stilistisch op de toppen van haar kunne is. Hoe onaf de roman ook is, hij bevat vele zinnen of passages die niet afgeronder kunnen zijn. De mooiste daarvan volgt op een passage die beschrijft hoe Wendy zich opmaakt om in een oude jurk van haar oma naar een fifties-feest te gaan. Ze vraagt zich dan af wat haar nou zo ontroert aan dingen die écht oud zijn; niet nagemaakt oud maar authentiek. Wendy realiseert zich dan dat ze niet zomaar de oude jurk van haar oma zal dragen, maar een jurk met een verhaal. Haar oma had diezelfde jurk immers gedragen bij de doop van Wendy’s vader. Heden en verleden vloeien ineen en Wendy beseft zich dat ze die avond de fifties echt zou laten herleven. Op dat moment dicht Peper in proza: ‘Alsof je de voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas greep en wist vast te houden.’ Een zin van grootse schoonheid en het hoogtepunt van Pepers roman. Deze eenentwintig woorden alleen al rechtvaardigen de uitgave van Handel in veren dubbel en dwars.

    Ondanks dit soort stilistische pareltjes is het onmiskenbaar dat Handel in veren niet af is. Sommige figuren komen in het geheel niet uit de verf, zoals de vader van Wendy, Bernard Bronkhorst, die als bioloog in zijn vaders voetsporen is getreden, maar het net als Diederik Stapel niet al te nauw lijkt te nemen met de vereiste wetenschappelijke integriteit. Het is daarbij overigens volstrekt duidelijk dat de onvolgroeide karakterschets van Wendy´s vader aan geen ander gebrek te wijten is dan tijdgebrek. Hetzelfde geldt voor sommige verhaallijnen, die niet meer zijn dan een eerste contour, een aanstippen van een wending in de familiegeschiedenis die Peper al wel voorzag, maar niet meer kon uitschrijven. Ze moet beseft hebben dat haar ambities haar tussen de vingers door zouden glippen. Net als bij Henk Bronkhorst, de opa van Wendy, die er maar niet in slaagde om het wetenschappelijk bewijs te leveren dat Bruijns boshoen nog niet was uitgestorven. Maar waar Henk Bronkhorst na zijn vroegtijdig overlijden geen wetenschappelijke doorbraak in Nature op zijn conto kon schrijven, laat Rascha Peper ons gelukkig Handel in veren na.

    Een erfenis met een bitterzoete smaak. Want de pijn die je als lezer ervaart als je Handel in veren na lezing terzijde legt is groter dan bij veel andere boeken. Omdat je je dan niet alleen realiseert dat je afscheid moet nemen van een inmiddels dierbare familie en zijn verborgen geschiedenis, maar ook dat vergankelijkheid onontkoombaar is en vervolmaking soms een illusie. Alles blijkt voorbij te snellen met een snelheid die het onmogelijk maakt alle ambities te verwezenlijken. In het gunstigste geval slagen we erin, zoals Peper in Handel van veren meesterlijk laat zien, om de voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas te grijpen en vast te houden. En die rauwe realiteit is niet van pijn gespeend.

     

    Handel in Veren

    Auteur: Rascha Peper
    Verschenen bij: Em. Querido’s Uitgeverij BV (2013)
    Aantal pagina’s: 232
    Prijs: € 18,95

     

  • De realtie van een archeozoöloog met een escortmeisje

    De realtie van een archeozoöloog met een escortmeisje

    Recensie door Rosalien Koster

    Na de overwinning op een levensbedreigende ziekte besloot Rascha Peper ruim twintig jaar geleden te gaan doen wat ze altijd al had willen doen: schrijven. Inmiddels heeft ze haar sporen als schrijver, met ruim tien romans op haar naam, ruimschoots verdiend. Onlangs verscheen haar nieuwe roman Vossenblond bij uitgeverij Querido, waarnaar ze recentelijk de overstap maakte.

    Haar verstilde verhalen en romans tonen elke keer opnieuw een soort charmante eenvoud. Daarnaast zijn haar boeken dankzij haar vloeiende, natuurlijke schrijfwijze, fijn te lezen. Pepers literaire beweegredenen, zoals ze ooit verwoordde in een interview, liegen er niet om. ‘De essentie van schrijven is schrijven tegen de dood. Je schrijft om te blijven bestaan’. Schrijven als een zaak van leven of dood. Wie zo’n serieuze opvatting erop nahoudt, kan niet anders dan een grote ernst aan de dag leggen. Het is dan ook niet vreemd dat in haar romans de dood, en daarmee samenhangend teloorgang en verlies, altijd op de loer liggen. Of zoals het hoertje Vera in Vossenblond verwoordt: ‘we zijn allemaal moribundi. Het kan geen kwaad om dat te beseffen’.

    ‘Hij stootte zijn schouder onhandig tegen de tochtdeur en zag aan de schim achter het matglas van de voordeur al dat ze het haar in een paardenstaart droeg. Roodblond inderdaad, bleek toen hij opendeed. Een smal gezicht met wat schuingeplaatste lichtbruine ogen. Hij moest dadelijk aan een vos denken’.
    Voor de deur staat Vera, een meisje van het escortbureau, die Walter, een gescheiden man van achter in de vijftig, voor de avond heeft besteld. Walter, hoewel geen onbekende op het gebied van de betaalde liefde, weet niet wat hem overkomt. Vera verschilt in alles van de ordinaire, volkse types bij wie hij normaal gesproken aan zijn trekken komt. Ze is slim, mooi en alles wat aan zijn grijze bestaan ontbrak.

    De dagen na hun eerste ontmoeting lukt het Walter niet om Vera uit zijn hoofd te zetten. Zonder het zelf in de gaten te hebben ontwikkelt Walter een obsessie voor Vera. Hij doet er alles aan om haar voor zich te winnen. De gedachte dat ze het bed deelt met anderen, drijft hem tot het uiterste. Zijn werk als archeozoöloog, het opgraven van doden voor wetenschappelijk onderzoek, voorheen zijn lust en leven, doet hem weinig meer. ‘Hij had nooit veel bijzondere gedachten over de dood. Dat er van een mens alleen een geraamte overblijft, deed hem weinig en wat hemzelf betrof: hij vond het juist een geruststellend idee dat hij weg van alle vlees zou gaan, net als iedereen. Maar kijkend naar dit kind sneed de gedachte door zijn brein dat ook Vera er over enige tijd zo bij zou liggen, dat er voor haar geen uitzondering gemaakt zou worden,..’

    De vertrouwdheid tussen de twee neemt steeds verder toe. Walter ontdekt dat hun levens, buiten de seksuele relatie om, meer verweven zijn dan ze beiden konden vermoeden. Maar voordat hij hierover met haar kan praten, verdwijnt Vera spoorloos, de zorg voor haar hond aan Walter overlatend. Deze hond speelt een grote rol in het verhaal. Afwisselend met de gedachten van Walter, wordt de lezer op de hoogte gehouden van het wel en wee van Vera gezien door de ogen van de hond. Verteltechnisch een slimme zet, want de lezer weet hierdoor meer dan de hoofdpersoon. Al is het jammer dat Peper er niet in geslaagd is om de woorden van de hond geloofwaardig te laten klinken.

    Hoewel er in de rest van het boek van gekunsteldheid absoluut geen sprake is. Zelfs de zaken die niet tot de essentie van het verhaal horen, passen in het geheel. Het eindresultaat is een evenwichtig en intrigerend boek. Indruk maakt Peper eveneens door de schijnbare moeiteloosheid waarmee ze diepgang met lichtvoetigheid weet te vermengen. De dood mag dan dichtbij zijn, uiteindelijk is er ook nog altijd de hoop. Of berusting in het eigen lot. Zoals voor Walter aan het einde van Vossenblond er niets anders op zit dan het aanvaarden van zijn lot. ‘En hij beseft met een zekerheid die over de rivier kwam aanwaaien en zich met kalme beslistheid bij hem onder de deken nestelde, dat hij gedoemd was om alleen te verder te gaan, zoals hij al jaren deed en waarschijnlijk nog wel jarenlang zou volhouden.’

     

  • Rascha Peper – Zwartwaterkoorts

    Liegen en bedriegen

    Joost Zwagerman nam in zijn verzameling beste korte verhalen uit de Nederlandse literatuur het verhaal ‘Ridders’ op van Rascha Peper. Een goede keuze, want het behoort inderdaad tot het beste uit onze literatuur. Ik zou zo nog een aantal verhalen van Peper kunnen aanwijzen die goed in elkaar steken en die ook in de dikke Zwagerman hadden gemogen.

    Het grote publiek kent Rascha Peper voornamelijk van haar grote romans als Rico’s vleugels, Russisch blauw en Vingers van marsepein. Het zou jammer zijn als dat publiek de nieuwe verhalenbundel Zwartwaterkoorts links laat liggen (zoals het grote publiek meestal doet), want opnieuw staan hier weer prachtige verhalen in.

    Het meest ontroerende verhaal is verwant aan ‘Ridders’ en gaat over een vrouw die een geheime geliefde heeft. Ze hebben beiden hun eigen partners, maar de vrijdag (ook de titel van het verhaal) is voor hun romance. Als hij na een ziekte komt te overlijden, krijgt ze een uitnodiging om de begrafenis bij te wonen. Daar is ze, als geliefde die door niemand wordt gekend, op een gruwelijke manier alleen. Peper gebruikt geen grote woorden; ze gebruikt ook geen mooie woorden (iemand die alleen stilistische hoogstandjes wil zien, komt bij Peper niet aan zijn trekken), maar ze weet je wel in een paar bladzijden in het leven van haar hoofdpersoon te trekken zodat je elke nuance in de emotie mee beleeft. De pijn als je het gezicht van je geliefde niet meer kunt zien omdat de kist al dicht is, de hardheid om achteraan in de rij te staan bij het gooien van zand in de kuil ? zij gooit een tak met sierappeltjes op de berg zand ? en de eenzaamheid die met bijna niemand te delen is. Ik begrijp niet hoe het haar lukt, maar je krijgt het er koud van. Ik moest eerst even wat anders doen, voordat ik aan het volgende verhaal kon beginnen.

    Een terugkerend motief in deze roman is de leugen. Personages bedriegen (vrouwen oplichten of boeken stelen) en personages worden bedrogen. Het verhaal ‘Het veertje’ wordt verteld door een oude, blinde man. Hij woont nog in zijn bovenwoning, ondanks dat zijn zoon en schoondochter graag willen dat hij zijn spulletjes alvast wegdoet. Regelmatig verdwijnt er ook iets uit het huis dankzij zijn kinderen, wat de oude man natuurlijk toch merkt. Uiteindelijk neemt hij wraak.
    Het lezen van de verhalen wordt aantrekkelijker gemaakt omdat de hoofdpersonen in het ene verhaal een bijfiguur kan zijn in het volgende verhaal. Zo grijpen die op zichzelf staande verhalen toch in elkaar.

    Misschien werkt die methode bij lezers die nogal weigerachtig staan tegenover verhalen. Tegen die lezers zou je willen zeggen: zet je over je vooroordeel heen en koop deze bundel. Lees elke dag één verhaal en raak onder de indruk van de fenomenale wijze waarop Peper karakters kan neerzetten. Ik kijk alvast uit naar de volgende verhalenbundel.

    Coen Peppelenbos

    Rascha Peper ? Zwartwaterkoorts. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 240 blz. €17,50.

  • Rascha Peper leest voor uit Verfhuid

    Rascha Peper leest op 26 november voor uit Verfhuid

    Naar aanleiding van de Caspar David Fiedrich-tentoonstelling in de Hermitage Amsterdam organiseert het Goethe-instituut op 26 november een avond rond de schrijfster Rascha Peper. Verfhuid is een novelle van Rascha Peper, waarin een kunstverzamelaar ten onder gaat aan de liefde voor een schilderij.
    Al jaren krijgt kunsthandelaar Arnold Kee een verzamelaar van Duitse romantische schilders over de vloer zonder dat er tussen hen veel vertrouwelijkheid is gegroeid. Deze verzamelaar, Terwindus, is ontoegankelijk en eigenwijs, en over verkoop van overtollige stukken valt met hem niet te praten. Toch wordt de kunsthandelaar onverwacht door de verzamelaar uitgenodigd bij hem thuis te komen. Daar maakt hij kennis met de fabelachtige collectie-Terwindus. Sinds die dag raakt Arnold Kee in de ban van zijn stugge klant en als hij aanwijzingen heeft dat deze in geldnood zit, probeert hij door te dringen in diens kluizenaarsbestaan. Eigenbelang en compassie met de gedreven verzamelaar, die alles wat zijn teruggetrokken persoon aan liefde kan opbrengen aan zijn schilderijen schenkt, raken met elkaar verstrengeld en brengen Kee in vertwijfeling. Heeft hij schuld aan de ondergang van Terwindus? En is zijn eigen liefdesleven wel zoveel rijker en dieper dan dat van de wereldvreemde schlemiel die meer van zijn Caspar David Friedrich houdt dan van zichzelf?

    woensdag 26 november 2008 – 20.00 uur
    Goethe-Institut Amsterdam, Herengracht 470, Amsterdam
    Toegang: € 5,00 / met korting: € 3,00