• Eigenzinnig debuut over de tragiek van vergeten individuen

    Eigenzinnig debuut over de tragiek van vergeten individuen

    In haar debuutroman Hier komen wij vandaan schetst Leonieke Baerwaldt (1985) in zes betrekkelijk korte delen een wereld die net zo grimmig is als de sprookjes waarin sommige van haar personages hun oorsprong vinden. Eén van die personages is de kleine zeemeermin, die ervan droomt de onderwaterwereld te verruilen voor de mensenwereld, waar ze boven alles de sterren wil zien. Tot die tijd verzamelt ze  vreemde voorwerpen die mensen in zee zijn ‘verloren.’ ‘Bestek, batterijen, autobanden. Een marmeren torso vol vastgezogen zeepokken.’ Koppel haar verzameling aan de mensenwereld die haar zussen beschrijven en als lezer denk je: pas op, kleine zeemeermin, want waar mensen wonen is het vies, overvol en lawaaiig, een plek waar de sterren nauwelijks nog zichtbaar zijn.
    Alleen al de beelden waarmee Baerwaldt die mensenwereld neerzet maken de roman het lezen waard. 

    Strompelend door het leven 

    In het boek leren we personages kennen die een marginaal bestaan leiden aan de randen van de maatschappij. Tegen de klippen op proberen ze een leven op te bouwen in een onbarmhartige en vervuilde wereld die hen bar weinig gunt. Allen hebben ze littekens, vaak letterlijk, en allen strompelen ze door het leven, zich vasthoudend aan hoop op een betere toekomst. Zo is er het stel Loek en Brenda. Hij, getraumatiseerd door een verleden van seksueel misbruik, en zij, met een ‘verweerde stem, de tatoeages in haar nek en op haar handen.’ De oordelende blik van de buitenwereld – en die van de eigen binnenwereld – is nooit ver weg. ‘Ze wist wat mensen zagen, ook al was ze jaren terug gestopt met gebruiken.’ Er is niets dat Brenda liever wil dan een baby en een normaal leven. Het stel brengt hun tijd door op een stuk grond te midden van ‘een vuilstortplaats, een afvalverwerkingsfabriek en een grote chemische fabriek’ waar ze een armoedige woonwagen bewonen en Loek ervan droomt een echt huis te bouwen. 

    Ook is er fabrieksarbeider Alex, veertig jaar en nog thuiswonend bij zijn zieke moeder, wier adem ruikt naar ‘de natte geur van oude koffie en versleten ingewanden.’ Zoals Loek van een zelf gebouwd huis droomt en Brenda van een baby, droomt Alex van een aquarium vol kleurrijke vissen die hem troost zullen bieden in een donkere, van schoonheid verstoken wereld. En dan zijn er Miriam en Ondine, de moeder en dochter die zwervend door het boek trekken. Op zoek naar een prins valt Miriam ten prooi aan mannen die haar misbruiken. Prinsen, zo leert haar observerende  dochter Ondine, zijn zeldzaam – kikkers daarentegen zijn er in overvloed.

    Zintuiglijke schrijver

    Baerwaldt hanteert een spaarzame, registrerende stijl en gaat daarbij bijzonder beeldend te werk. Wateroppervlak rimpelt ‘als loszittend vel,’ dode tetra’s drijven tegen de waterspiegel als ‘rubberen badspeelgoed,’ dichtgetimmerde huizen staan tegen elkaar aan als ‘tanden in een scheef gebit.’ Viezigheid en ziekte zijn  alomtegenwoordig. Neem de binnenkant van Loek en Brenda’s woonwagen die grauw ziet van roet. Of de ‘teflonkoorts’ waardoor Alex een week lang misselijk en zwetend ‘lag te trillen in [zijn] nest.’ Om het benauwd van te krijgen. 

    Opvallend is Baerwaldts fascinatie voor vissen, water en de zee die in alles is terug te vinden. In het dreigende ‘waterwezens kunnen zeer wraakzuchtig zijn’, maar ook in de rust wanneer Alex avondenlang naar de vissen in zijn aquarium tuurt ‘totdat hij moe genoeg was om te slapen’, of Loek vissend aan de waterkant zit waar hij zijn problemen laat ‘meedrijven op de stroming van het kanaal’. En dan weer die mooie taal en observaties. De tinteling die langs Ondine’s ‘ruggengraat omhoogborrelt als zuurstof in een watertank.’ Of: ‘Vissen, begreep ik meteen, leven samen zonder elkaar aan te raken.’

    Weerklank van andere verhalen

    Gaandeweg de fragmentarisch opgezette roman, in korte hoofdstukjes en wisselend perspectief, komen de verhaallijnen op een knappe manier samen. Zo ook de twee voornaamste sprookjes waaruit Baerwaldt haar inspiratie putte, De kleine zeemeermin en Van de visser en zijn vrouw. Maar even interessant zijn de echo’s van andere literaire werken. Neem Michael K bijvoorbeeld, hoofdpersoon uit het bekroonde boek Wereld en wandel van Michael K  (J.M. Coetzee), een verschoppeling overlevend aan de rand van de maatschappij die ook hem weinig gunt. De tranen van vreugde die hij ervaart bij het lukken van zijn pompoenoogst doen denken aan die van Brenda. ‘Met haar handen wroette ze in de aarde en woelde alles los tot ze de laatste ui te pakken had. Er kwam een brok in haar keel, tranen trokken modderige sporen over haar gezicht. Ze huilde omdat de grond zo vruchtbaar was.’

    In dit eigenzinnige debuut gebruikt Baerwaldt sprookjes waar sprookjes in essentie voor bedoeld zijn: om te waarschuwen en om waarheden over het menselijk bestaan aan te tonen. In Baerwaldts boek gaat het om de moeilijkheid van communicatie, van echt contact, van omgaan met het simpelweg in leven zijn en het beheersen van onzuivere neigingen. Maar nog het meest om de moeilijkheid van thuis zijn in het eigen lichaam, van thuis zijn in de wereld. In het tragische vijfde deel zien we de kleine zeemeermin die ploeterend door de modder een weg probeert te vinden in de nieuwe wereld boven de zee. Ooit fantaseerde ze ‘over een wereld die zo anders was dan die waarin ze zelf rondzwom.’ Heel herkenbaar, en gek genoeg heel menselijk. 

    Deze week werd bekend dat Hier komen wij vandaan op de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2022 staat. Hopelijk komt dit bijzondere boek binnenkort op de shortlist te staan. 

     

     

  • Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Goede columnisten en dichters hebben met name één talent gemeen: bondigheid. Waar de columnist met een handvol rake zinnen de maatschappij in haar hemd zet, roept de poëet met een enkel woord een nieuwe wereld op. Als deze twee schrijverstypen een intensieve briefwisseling onderhouden, mag het een doodzonde heten die brieven te laten vergelen in archiefkasten. Bertram Mourits, werkzaam in het Haagse Literatuurmuseum, en Trudy van Wijk, gepromoveerd op het werk van Ellen Warmond (1930-2011), brengen Lief Museum uit: een prikkelende correspondentie tussen Simon Carmiggelt (1913-1987) en Ellen Warmond, (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen). De briefwisseling omvat grofweg vijftien jaar.

    In de inleiding vermelden Mourits en Van Wijk dat Carmiggelt als eerste columnist van Nederland de P.C. Hooftprijs won, maar ook Warmond werd gelauwerd: voor haar gehele oeuvre ontving ze de Anna Bijns Prijs. Niettemin is deze compilatie gespeend van alle gewichtigheid. Lief Museum is lichtvoetig, parlando en cynisch als het werk van de Vijftigers uit de naoorlogse literatuur, ongegeneerd twistziek over het literaire circuit – wie houdt niet van roddelen? – en de brieven bevatten een hoge mate van zelfkritiek, wat stijl aangaat. Dit is echter een karige greep uit al het moois dat dit boek te bieden heeft.

    Verrukkelijke schrijfsels

    Wie inspiratie wil opdoen, hoeft slechts ergens te gaan zitten, luisteren en observeren. Voor zijn Kronkels en kroeganekdotes doet Carmiggelt niet anders: het absurde van alledag komt dan vanzelf zijn pen uitgevloeid. Soms achterhalen zelfbenoemde literaire talenten zijn adres en overstelpen zij hem met hun penoefeningen. Hierover uit Carmiggelt zijn ergernis bij Warmond, zij het met een lichte toets: ‘De naam van het werkje was Hoeperdepoep – geen titel om watertandend op af te vliegen dus. Na het lezen van tien bladzijden bleek de inhoud aan de gewettigde vrees te beantwoorden.’ Als dit flutstuk een jeugdzonde van Warmond zou zijn, zo vervolgt Carmiggelt, ‘(…) dan spring ik in de Stadhouderskade die ’s avonds vlak voor mijn deur ligt te flonkeren als een Gardameer van minvermogenden.’

    Zelfs in zijn teksten die geen literair doel dienen, schrijft Carmiggelt verrukkelijk. Steeds bewaart hij de balans tussen zwarte humor, zelfspot en frivoliteit. Wanneer Warmond hem namens het Museum uitnodigt de Heijermans-tentoonstelling met een praatje te openen, weigert Carmiggelt: ‘Los van het feit dat ik dan in Parijs hoop te zijn, hou ik in mijn leven nog maar één redevoering, namelijk mijn dankwoord voor de Nobelprijs. Ik zie er nu al tegenop, omdat het in het Scandinavisch zal moeten.’ Mulisch doet het hem niet na… Bij wijze van revanche geeft Warmond hem twee ‘sick jokes’ om te verwerken in zijn column voor het Parool, en zo stapelen de brieven zich in rap tempo op.

    Gekronkel wordt gekonkel

    Van oudsher worden pseudoniemen gekozen om de eigen naam te behoeden voor schande. Dat werkt uiteraard averechts, als de schuilnaam je duistere kant eerder typeert dan verdoezelt. Ellen ontpopt zich binnen de schrijverswereld tot gevreesde spraakwaterval: Warmond, met de warrige mond, hoeft maar een slokje wijn te slurpen of ze schoffeert het zoveelste groepje omhooggevallen schrijvers op het Boekenbal. Carmiggelt verkneukelt zich om haar onhandigheid en noemt de uitglijders ‘een punaise venijn.’ Warmond ziet dit heel anders, maar weigert in te binden, ook in haar columnreeks die ze afwisselt met Carmiggelt: ‘Als ik mag schrijven op dezelfde egocentrische restrictieloze geen-teen-ontziende manier waarop ik brieven schrijf, dan dolgraag.’ En er zijn nogal wat tenen die ze tot moes trapt.

    Bij een bedrijfsborrel van uitgeverij Querido botst Warmond op tegen Hendrik Marsmans voorganger, Herman van den Bergh. Hij vindt dat zij te weinig publiceert, waarna Warmond opmerkt hem voor het laatst bij een Maatstaf-avond ontmoet te hebben: ‘aangezien de goede man in dat tijdschrift de laatste maanden steeds wegens plagiaat aan de kaak gesteld wordt, ging hij wat stijfjes doen.’ De kruiperige recensent Willem Brandt moet het eveneens ontgelden: ‘een uit Gods moede hand gegleden blindganger.’ Bevuilen de penvrienden niet een beetje het eigen nest? Nee. Vooral schrijvers die niet twijfelen over eigen kunnen, bekritiseren zij. Wie zichzelf afbrandt, blijft buiten schot. Warmond is toch al uit de gratie geraakt, zo blijkt uit een slotgroet aan Carmiggelt: ‘Na al deze oeverloze roddel en prietpraat de geruststellende mededeling dat ik geen griep heb. Het is lepra.’

    Ken uzelve

    Warmond en Carmiggelt leren ons het volgende: wie expliciet zegt over zelfspot te beschikken, oogst argwaan. Een zelfkritische natuur blijkt namelijk uit terloopse, spontaan uitgebrachte terzijdes. Ellen Warmond leest met de precisie van een ‘sniper’ haar schrijfsels aan Carmiggelt na en komt tot de gruwelijke ontdekking dat ze haar penvriend met eindeloze bijzinnen en komma’s ademnood verschaft: ‘(komma, ik schrijf met een snorkel blijkbaar)’. Als ze in haar rol van medewerker voor het Letterkundig Museum Carmiggelt om een gunst moet vragen, ridiculiseert én continueert ze haar eigen opdringerigheid: ‘Horen we eens wat? Heeft geen haast. (Tenminste: …een klein beetje haast maar) (Ruimte voor het doen van verwensingen)’. Al lonkt natuurlijk altijd een effectief middel om de eigen scrupules te overwinnen.

    De drankconsumptie van enerzijds de dichteres en anderzijds de columnist ontwikkelt zich omgekeerd evenredig. Zelfbenoemd papierfetisjist Carmiggelt was vast verbaasd over de rode verkleuringen op Warmonds brieven: ‘Al die vlekken zijn niet van tranen, maar van sherry.’ Waar Warmond beter schrijft naarmate ze meer drinkt, remt Carmiggelts onthouding zijn spontaniteit – funest voor de Vijftiger, die gedijt bij kinderlijke invallen. In een poging zijn gedachten te verwoorden, wanneer hij wederom de verleiding van alcohol weerstaat, walgt hij van zijn wijdlopigheid: ‘Verkeerd. Zulke lange zinnen denk je niet.’ Zoals het auteurs met writer’s block betaamt, toont de Vijftiger zich andermaal zijn eigen strengste recensent: ‘Die geheelonthouders zitten toch ook maar lelijk uit hun nek te zwetsen.’ Wie blijk geeft van zo veel zelfkennis, heeft geen critici nodig.

    ‘Platoniese’ P.S.

    Hoe langer de correspondentie aanhoudt, hoe vertrouwelijker ze elkaar groeten. Waar eerst ‘hart. gr.’ volstaat, wordt het algauw ‘liefs’. In de aanhef maakt ‘Beste’ plaats voor ‘Lieve’ en Warmond beëindigt haar brieven zowaar met ‘je Ellen’. Toch is de onderlinge band te speels, te luchtig voor een daadwerkelijke liefdesgeschiedenis. Verder dan de humoristische oneliner over een echtpaar in de trein komt het niet: ‘Ze hield van haar man, dat kon je zien aan de pull-over die ze voor hem gebreid had. En hij hield van haar, dat kon je zien aan het feit dat hij hem droeg.’ 

    Zoveel zoetheid vraagt om een grove tegenhanger. Carmiggelt roemt het op-en-top Britse informatiebordje in Madame Tussauds over de vrouwenmoordenaar Dr. Crippen en schrijft Ellen: ‘‘‘Dr. Crippen. Hij vermoordde zijn vrouw. Zij dacht dat zij zingen kon.’’ Dat niveau bereiken wij nooit – geloof me.’ Dat is waar. Lief Museum overtreft het niveau.

     

  • Oogst week 40 – 2021

    A.D.

    Gustaaf Peek (1975) schrijft onder meer proza, poëzie en filmscenario’s. Hij debuteerde in 2006 met de roman Amin. In 2015 won hij een Gouden Kalf voor zijn scenario voor de film Gluckauf. Zijn nieuwste roman A.D. speelt zich af aan het einde van de zestiende eeuw, als de Republiek der Nederlanden nog voor de oprichting van de VOC schepen naar het oosten stuurt om specerijen te halen. Het is een meedogenloze concurrentiestrijd: degenen die als eerste de kruiden vinden, verdienen het grote geld. Verschillende personages zijn aanwezig op een schip naar Indië, allemaal met andere verhalen en visies. De een sterft aan scheurbuik, terwijl de reis voor de ander hoop betekent. De aankomst in Indië vormt het begin van de geschiedenis tussen de twee volken.

    A.D.
    Auteur: Gustaaf Peek
    Uitgeverij: Querido

    Na de moord in Amsterdam

    Zeventien jaar geleden werd Theo van Gogh vermoord. Journalist en publicist Ian Buruma bezoekt de plaats delict en reflecteert op het Nederland voor en na 2 november 2004. Destijds schreef Buruma over de vrijheid van meningsuiting, maar kreeg felle kritiek. In een nieuw essay bij dit werk kijkt Buruma terug op deze kritiek, die vooral tegen de islam werd geuit, en stipt hij onderwerpen aan als rechts-populisme en de vermeende islamisering. Ian Buruma (1951) is sinoloog, japanoloog, journalist en publicist. Hij won verschillende belangrijke prijzen, zoals de Erasmusprijs in 2008 en de Gouden Ganzenveer in 2019.

    Na de moord in Amsterdam
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Vlieg weg, vlieg weg

    Het werk van de Oostenrijkse auteur Paulus Hochgatterer (1961) kenmerkt zich door vele verhaallijnen die uiteindelijk samenkomen. Ook in zijn roman Vlieg weg, vlieg weg (uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink) is dit het geval. Het verhaal speelt zich af in Furth am See, een stadje in Oostenrijk. Een gewonde man, die eruitziet alsof hij in elkaar is geslagen, beweert dat hij uit een appelboom is gevallen. Op de intensive care wordt een kloosterzuster verzorgd, die geen idee heeft hoe er kattenvoer in haar longen is gekomen. Ook wordt er een kind ontvoerd, maar zonder losgeldeis. Psychiater Raffael Horn en politie-inspecteur Ludwig Kovacs proberen de gebeurtenissen los van elkaar te duiden. Dit levert een kennismaking op met een reeks kleurrijke personages, waaronder een priester die tijdens de mis oortjes in heeft en naar muziek van Leonard Cohen luistert.

    Vlieg weg, vlieg weg
    Auteur: Paulus Hochgatterer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Oogst week 36 – 2021

    Hier komen wij vandaan

    In Hier komen wij vandaan van Leonieke Baerwaldt (1985) spelen mensen, dieren en alles daartussenin een rol. Zo koopt een fabrieksarbeider van bijna veertig die nog bij zijn moeder woont een aquarium (‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen,’ zegt zijn collega), maakt de kleine zeemeermin haar opwachting en bouwen twee geliefden samen een huis. Baerwaldt studeerde filosofie en literatuurwetenschappen. Haar werk verscheen onder meer in De Revisor en Papieren Helden. In 2018 won ze de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Hier komen wij vandaan is een sprookjesachtig en uniek debuut van een auteur van wie we nog veel gaan horen.

    Hier komen wij vandaan
    Auteur: Leonieke Baerwaldt
    Uitgeverij: Querido

    De dood in Taormina

    Arnon Grunberg (1971) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij won sinds zijn eerste roman Blauwe maandagen talloze literaire prijzen, zoals de Libris Literatuur Prijs voor Tirza, de Constantijn Huygensprijs en de Gouden Ganzenveer. Zijn nieuwe boek De dood in Taormina is alweer zijn zestiende roman. Het verhaal gaat over de zesentwintigjarige Zelda, die lokeend was bij een jeugdbende en nu een veel te laat antwoord schrijft op een liefdesbrief. Ze reist met een acteur en een cowboy naar Taormina. In deze roman liggen leugens en waarheid dicht bij elkaar, maar is er ook een rol weggelegd voor vergeving en liefde.

     

    De dood in Taormina
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Victorien, ik hou van je

    Kees ’t Hart (1944) schrijft romans, essays, poëzie en verhalen. Hij was redacteur bij De Revisor en recenseert literaire werken voor De Groene Amsterdammer. Prijzen die hij won zijn onder meer de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de J. Greshoff-prijs. In zijn nieuwste boek Victorien, ik hou van je (dat bestaat uit verhalen en ontboezemingen) beschrijft hij uiteenlopende werelden: zo reist hij rond met het muziekgezelschap van Toon Tellegen, koopt hij een neppe mitrailleur in Ieper en schrijft hij over een leven vol lezingen en congressen. Of het nu een examenfeest in de jaren tachtig betreft of een lofzang op het Noorden, Victorien, ik hou van je bevat altijd een positieve toon en een open blik.

    Victorien, ik hou van je
    Auteur: Kees 't Hart
    Uitgeverij: Querido
  • Een literaire dwaaltocht

    Een literaire dwaaltocht

    ‘”Het is inderdaad een buitengewoon klein mannetje en hij zou beter op zijn plaats zijn in het Théâtre des Variétés”. “Zonder enige twijfel”, antwoordde ik werktuiglijk en ik liep zo te dromen dat ik op het eerste ogenblik niet besefte, hoe wonderlijk precies die opmerking van mijn vriend in mijn gedachtegang paste.’ Dit is een citaat uit het verhaal ‘De moorden in de Rue Morgue’ van Edgar Allan Poe. De ik-persoon en een vriend maken een wandeling en als de ik in gedachten verzinkt zwijgen ze een tijdlang allebei. Dan zegt de vriend ineens de hierboven geciteerde zin, die precies aansluit bij wat de ik-persoon op dat moment denkt over een acteur. Het blijkt dat de vriend de omstandigheden die zich tijdens hun wandeling voordoen en de signalen die de ik-figuur onbewust afgeeft, in een sluitend verhaal kon passen dat de gedachtegang van zijn vriend precies weergeeft.

    Dit verhaal van Edgar Alle Poe was het eerste waarin het idee van het kunnen volgen van iemands gedachtestroom werd gebruikt en Arthur Conan Doyle’s Sherlock Holmes-verhalen zouden mogelijk niet geschreven zijn zonder deze voorganger.

    Gedachtegangen volgen

    In Nu je het zegt, dat vanwege zijn leeftijd en lichamelijk conditie werd aangekondigd als zijn laatste ‘roman’, geeft K. Schippers de lezer de kans om zijn gedachtegangen te volgen tijdens een zoektocht in Londen. ‘Daar hoop ik voor een verhaal het vroegere huis van de Duitse schrijver Agust Bolte te vinden, naar Londen gevlucht, in het begin van de oorlog’. Schippers maakt het de lezer niet makkelijk, want in één opzicht had Edgar Allan Poe ongelijk: gedachtegangen volgen niet één logische lijn, maar kunnen onderweg dubbele sporen ontwikkelen en maken gebruik van beelden uit het geheugen van de denker, die de lezer vaak niet zal kennen en dus ook niet zal herkennen.

    Schippers zoektocht is dan ook vooral een literaire dwaaltocht met voor de lezer geregeld herkenningspunten, maar vaak ook niet. Een citaat: ‘Het station ligt nog net zo ver van het strand als in de negentiende eeuw. Zeelucht, zout op je hand als je eraan likt. Weggetjes, voren in het veld, strepen in kleur op eiken en berken. Rood tien mijl, geel en groen doen het bedeesder, komen niet eens tot vijf. Wat doet het ertoe, geen boswandeling. Het gezichtspunt van kinderen zoeken.’

    Spelen met taal

    De Duitse schrijver August Bolte naar wiens Londense adres Schippers op zoek is heeft nooit bestaan, maar is wel een figuur uit het werk van de door hem bewonderde Kurt Schwitters. En die woonde tijdens de oorlog inderdaad in Londen. Of de zoektocht naar het Londense adres van Bolte/Schwitters slaagt wordt in deze roman niet duidelijk, maar dat doet er niet toe. Die zoektocht  is voor Schippers de aanleiding voor het spelen met taal: ‘De taal is m’n zuurstof, als ik iets lees of beschrijf, ben ik er, een spitssnuitdolfijn kan z’n adem onder water twee uur inhouden. Soms dompel ik me in de taal tussen twee kaften, die in stilte op me wachten.’
    Deze recensent moet bekennen het geduld te missen dat het proza van Schippers van de lezer vergt. Maar hij kan wel zien dat lezers die dat geduld wél op kunnen brengen aan Nu je het zegt veel leesgenoegen zullen beleven.

     

     

  • Over Tikke Broeken en het witte niets

    Over Tikke Broeken en het witte niets

    ‘Weinigen zullen dit een avontuur noemen, maar voor mij was het dat wel. Ach, het was niets eigenlijk, nauwelijks de moeite om het op te schrijven, per slot van rekening gebeurde er ook niets’. Het is de beginzin van het verhaal Apen schudden uit de bundel Wij zijn nooit alleen van Bart Meuleman. Er zijn meer van de zeventien verhalen die zo weinig verwachtingen wekken. ‘Wat een saaie vergadering, waarom doe ik dit?’, ‘Je familie kies je niet, dat weten we inmiddels. Je vrienden dan? Ook niet’. Meuleman trekt je er bijna achteloos een verhaal mee in dat soms tragikomisch is, soms ironisch en soms liefdevol beschouwend.

    Apen schudden bijvoorbeeld is amper drieënhalve pagina lang. Na die inleidende zin – waarop ook nog eens volgt: ‘Wat ik hier ga zeggen, gaat in feite nergens over’ – beschrijft de auteur hoe hij van Antwerpen naar Turnhout fietst. Onderweg ziet hij een vlinder (‘geen zeldzaam beestje, wie het zoekt, die vindt het’) die hem aan een nonsensicaal kinderliedje doet denken: ‘Tikke Broeken Apen schudden’. Hij leerde het van zijn vader, naar wie hij onderweg is. Die vader is ziek, lezen we dan in één zinnetje: ‘Vlekjes op de lever’.
    Hoezo gaat dit verhaal nergens over?

    Persoonlijk

    De Belg Bart Meuleman (1965) is in Nederland veel minder bekend dan in zijn thuisland, hoewel het meeste van hem bij de Nederlandse uitgever Querido verschijnt. Naast dichter en schrijver is hij toneelregisseur.
    De zeventien verhalen zijn hoogst autobiografisch. Ze zijn in deze bundel gerangschikt in drie delen ‘Toen’, ‘Later’ en ‘Inmiddels’. Dat suggereert een tijdsindeling en die is er inderdaad. De verhalen onder ‘Toen’ gaan vooral over zijn kinderjaren, die onder ‘Later’ over zijn middelbare leeftijd en zijn relaties met anderen. In de meeste gevallen gaat het inderdaad om verhalen. Wat onder ‘Inmiddels’ is verzameld zijn echter essays over kunst. De overeenkomst tussen de verhalen en de essays is dat Meuleman in alle zeer persoonlijk aanwezig is.

    De vroegste verhalen gaan over de schooltijd en de toenmalige kennissen van de schrijver. Ze zijn af en toe erg intiem en empathisch, hoewel de jonge Meuleman zichzelf nogal schuchter en op afstand portretteert. De zonderlinge Pol bijvoorbeeld die regelmatig langskomt en waarmee hij onhandig omgaat. Pol sterft in een instelling: ‘Naar zijn begrafenis ben ik niet geweest’.
    En neem zijn omgang met meisjes van school: ‘Ik geloof ook niet dat meisjes er zijn om echt aan te raken. Ze zijn er eerder om naast te wandelen, om spaarzaam woorden mee uit te wisselen zonder elkaar ooit aan te moeten kijken. Zo droom ik dat ’s nachts’.

    Het vochtige

    Op de middelbare school volgen dan toch de liefdes, maar de onhandigheid blijft. Er komt meer humor in de verhalen, zoals wanneer hij bij zijn geliefde een brute indruk op de etiquette meemaakt: een verloofde van een nicht flapt er aan tafel uit dat ze alle Marokkanen tegen de muur zouden moeten zetten. De geliefde van de ik-figuur wordt woest om zo’n opmerking. En de ‘ik’ die er buiten bleef denkt: ‘Ik beminde een waarlijk bijzondere vrouw, in wie oude en reine krachten leefden (…) In haar schaduw, daar liep ik’.

    Het deel ‘Later’ opent met Het vochtige. Meuleman vertelt over zijn ervaringen met Belgische premiers. Ooit schreef hij een toneelstuk over één van hen (bedoeld is Wilfried Martens). Het brengt hem in een wereld van roddels en gekonkel. Het verhaal kent grappige wendingen, bijvoorbeeld als Van Rompuy over Martens zegt dat hij zijn vulgaire humor laakt. Enkele pagina’s verder blijkt Martens zelf Van Rompuy niet te mogen vanwege zijn vulgaire humor. Meuleman wordt later uitgenodigd bij de presentatie van de memoires van Martens waar hij in een eigenaardig gesprek met diens vrouw verzeild raakt. Ze zegt haar man te waarderen als politicus maar geen enkel respect voor hem als mens te hebben. Hij heeft niks met zijn kinderen; die kennen hem niet eens. En dan is er ook nog eens ene Mient Smet, een minnares. ‘Het onthult een kant van de minister die ik uit de weg heb willen gaan: het al te persoonlijke. Het emotionele. Het vochtige’.

    Verdwijnen

    Met minder humor en ironie, maar des te meer warmte schrijft Meuleman over bijzondere vriendschappen uit zijn leven, die met illustrator Paul Verrept met wie hij de avonturen van Mijnheertje Kokhals maakte en met zijn vroegere Leraar (Meuleman schrijft het met een hoofdletter) en publicist Dirk Lauwaert (1944-2013) die vooral over negentiende-eeuwse kunst schreef. Het is een ontroerend verhaal naar aanleiding van de kennismaking van Meuleman met de schilder Corot. Hij is er diep van onder de indruk; niet het beeld van Corot raakte hem, ‘maar de plek op het doek waar het beeld verdween’. Pas na Lauwaerts dood gaat hij in diens nagelaten papieren op zoek naar wat zijn grote vriend van Corot vond. Als hij er eindelijk iets over vindt krijgen die verdwijnplekken in het werk van Corot een diepere dimensie door het particuliere besef: ‘In het witte niets ligt het verlies verborgen’.

    De verhalen in Wij zijn nooit alleen (tevens de titel van het laatste korte essay over een foto van de Amerikaan William Eggleston) vragen om geduldig te worden gelezen. Woord voor woord. Ze zijn schrijnend, pijnlijk, tragisch, vorsend, eerlijk. Maar er mag gelachen worden.

     

  • Oogst week 22 – 2021

    Fantasii

    Op een dag ontwaakt een meisje in een letter en spreekt ze geen mensentaal meer, maar de taal van de bomen. Als ze uiteindelijk terug naar huis wil gaan, heeft ze geen thuis meer en is haar enige bezit haar handschrift. Daarover gaat de dichtbundel Fantasii van Ineke Riem (1980).

    In 2013 debuteerde ze met de roman Zeven pogingen om een geliefde te wekken, die haar de Bronzen Uil en een nominatie voor de Libris Literatuur Prijs en de Academica Literatuurprijs opleverde. Momenteel is ze een van de drie schrijvers die in het Witsenhuis verblijft, waar auteurs maximaal vijf jaar lang gratis kunnen wonen en werken.

    Fantasii
    Auteur: Ineke Riem
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Virgula

    Sasja Janssen (1968) schrijft proza en poëzie. In 2001 debuteerde ze met de absurdistische roman De kamerling, over een jongen die is ondergebracht in de bibliotheek van zijn leraar Nederlands, die niet bepaald vriendelijk met hem omgaat. Haar dichtbundel Ik trek mijn species aan leverde haar een nominatie op voor de VSB Poëzieprijs.

    In het juryrapport werd dit werk ‘een perfect aan elkaar geregen korset van woorden’ genoemd. Daarnaast is Janssen poëziedocent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam en bij CREA. In haar nieuwe dichtbundel Virgula, vernoemd naar het Latijnse woord voor ‘komma’, strijdt ze met gedachten en taal tegen stilstand.

    Virgula
    Auteur: Sasja Janssen
    Uitgeverij: Querido

    De belofte

    De Zuid-Afrikaanse auteur Damon Galgut (1963) schreef op zijn zeventiende al zijn eerste boek. Hierna volgden er meer titels, waarvan enkelen naar het Nederlands zijn vertaald. Zijn roman In een vreemde kamer (2011) werd genomineerd voor de Man Booker Prize.

    In zijn nieuwste roman, De belofte, staat een familiegeschiedenis centraal. Een stervende vrouw dwingt haar man te beloven dat de zwarte hulp na jarenlang trouwe dienst haar eigen huis zal krijgen. De man komt deze belofte niet na. Hun kinderen gaan hier alle drie anders mee om: de een is laf en durft geen keuzes te maken, de ander denkt alleen aan zichzelf en hoofdpersoon Amor hoopt, geleid door schuldgevoel, dat zij het verschil kan maken.

    De belofte
    Auteur: Damon Galgut
    Uitgeverij: Querido
  • Oogst week 17 – 2021

    De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw

    Mensje van Keulen (1946) is al vijftig jaar niet meer weg te denken uit de literatuur. Ze stond verschillende keren op de longlist en shortlist van de Libris Literatuurprijs, kreeg in 2014 de Constantijn Huygens-prijs en won ruim twee maanden geleden de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel van het afgelopen jaar. De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw is een bundeling van Van Keulens drie recentste romans. De laatste gasten gaat over een landhuis aan de Amstel vol kunstenaars, waar de komst van hoofdpersoon Florrie de onderlinge verhoudingen op scherp zet. In de laatste gasten vermoedt een weduwe dat haar eigen zoon betrokken is bij de overval op een bejaarde vrouw. Ook Schoppenvrouw gaat over een overval, maar deze keer denkt een moeder haar dochter te herkennen wanneer beelden van het misdrijf bij Opsporing Verzocht worden vertoond.

    Ter ere van vijftig jaar schrijverschap en de vijfenzeventigste verjaardag van Mensje van Keulen organiseert uitgeverij Atlas Contact in samenwerking met Hebban een schrijfwedstrijd. De deadline hiervoor is 1 juni. Meer informatie over deze wedstrijd is hier te vinden.

    De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De tas

    Een man laat zijn tas achter in een stationshal. In de eerste instantie lijkt hij hem te zijn vergeten, maar al snel blijkt dat het een bewuste actie was. Dit kleine voorgeval wordt in De tas door Désanne van Brederode (1970) groots uitgewerkt: in plaats van antwoorden te geven stelt de man juist meer vragen.

    Niet alleen hij doet dat, ook het verhaal zelf verrast met vragen. Is de man met de tas eigenlijk wel de hoofdpersoon? En horen voorwerpen, zoals de tas, eigenlijk ook een stem te krijgen? Dat Van Brederode behalve schrijver ook filosoof is, komt duidelijk terug in De tas. Eerder publiceerde ze al meerdere romans en essays.

    De tas
    Auteur: Désanne van Brederode
    Uitgeverij: Querido

    Philip Roth

    Philip Roth (1933-2018) was een Amerikaanse schrijver en kind van tweede generatie Joods-Amerikaanse ouders, een thema dat vaak terugkomt in zijn werk. Hij schreef tientallen romans en won onder meer de Pulitzer-prijs en de Man Booker International Prize.

    Hij gaf biograaf Blake Bailey (1963) toestemming om zijn levensverhaal in boekvorm te gieten. Bailey kreeg toegang tot Roths archief en sprak met talloze belangrijke mensen in diens leven. Niet alleen Roths literaire carrière komt uitgebreid aan bod, ook duikt Bailey in het turbulente liefdesleven van de auteur en onthult nieuwe inzichten. Het resultaat is een uitgebreide biografie die ook nog eens uiterst leesbaar is, vertaald door Lidwien Biekmann en Frank Leken. In de Verenigde Staten is deze biografie niet meer in productie bij uitgeverij W.W. Norton omdat Bailey wordt beschuldigd van seksuele intimidatie en verkrachting. Of een andere uitgeverij met hem in zee wil gaan, is nog niet bekend.

    Philip Roth
    Auteur: Blake Bailey
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Oogst week 13 – 2021

    De eerste vrouw

    In De eerste vrouw van Jennifer Makumbi groeit het leergierige kind Kirabo op te midden van familie. Haar moeder heeft ze echter nooit gekend en ze is opgegroeid bij haar grootouders. Haar omgeving in het Oegandese dorpje Nattetta lijkt haar te dwarsbomen als ze op zoek gaat naar de vrouw uit wie ze voortkwam. Zelfs van haar vader, die ze wel kent, wordt ze niets wijzer. Kirabo is ook een merkwaardig kind. Ze kan bijvoorbeeld uit haar lichaam treden.

    In het eerste hoofdstuk van de roman besluit ze de blinde dorpsheks Nsuuta te raadplegen. Die weet haar het vertrouwen te geven dat haar uittredingservaringen haar in staat stellen de oorspronkelijk vrouw te vinden die nog niet is gekneed voor de mannenmaatschappij. De roman is gebaseerd op het Oegandese scheppingsverhaal van de eerste vrouw.
    De eerste vrouw begint in 1975 als dictator Idi Amin aan de macht is. Het is de tweede roman van Makumbi van wie in 2020 Kintu in het Nederlands verscheen.

    De eerste vrouw
    Auteur: Jennifer Nansubuga Makumbi
    Uitgeverij: Cossee

    Beer

    In april verschijnt Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel (1933-1985). Het origineel is al uit 1976 en is nu in het Nederlands vertaald door Barbara de Lange. Het boek oogstte nogal wat kritiek om de seksuele en spirituele relatie die de 27-jarige bibliothecaresse Lou krijgt met een beer. Dat gebeurt als ze op een verlaten eiland, waarop ze zich heeft teruggetrokken om de bibliotheek van een excentrieke kolonel te catalogiseren, ontdekt dat er buiten haar nóg een bewoner is, de beer.

    Margaret Atwood loofde het als een vreemd en wonderlijk boek en een verontrustend sprookje.

    Beer
    Auteur: Marian Engel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV

    Revisor Binnenpost

    ‘Als ik ’s ochtends aan het fietsen ben, trap ik alle tegenstrijdige gedachten, alle onzekerheid, alle schuldgevoelens en frustratie er even uit en ben ik gewoon lichaam, een steeds makkelijker heuvel op fietsend lichaam. Ja, dit jaar is het jaar van het lichaam. Van medelichamen (…) Is 2020 niet ook een jaar geweest waarin jij je juist geconfronteerd zag met je lichamelijkheid en met een zekere blindheid? Door jouw ervaringen met ziekte en isolatie kan ik me dat goed voorstellen, maar misschien heb ik het verkeerd. Is jouw glas halfvol of halfleeg? En heb jij nog woorden, voor nu de échte, allerlaatste brief?’

    Het is een fragment uit een brief van Alfred Schaffer aan Bernke Klein Zandvoort, één van de bijdragen aan Binnenpost, het nieuwste nummer van De Revisor. Daarin schrijven zes auteurs elkaar in 2020 vanuit vier landen 22 brieven over wat de coronapandemie voor hen betekent. Naast de twee genoemden zijn dat Roos van Rijswijk, Sander Kollaard, Bernard Wesseling en Neske Beks. Ook opgenomen is Aantekeningen uit het moeras van Eva Gerlach.

    Revisor Binnenpost
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Querido
  • De moeizame weg naar Cliffrock Castle

    De moeizame weg naar Cliffrock Castle

    De weg naar Cliffrock Castle: een vlucht naar de Schotse Hooglanden is het verhaal van schrijfster Josephine Rombouts, haar echtgenoot Tjibbe en haar zonen Raaf en Wolf. Het is het verhaal dat voorafgaat aan Rombouts twee eerdere boeken over Cliffrock Castle en vertelt hoe de Nederlandse in een Schots kasteel als huishoudster terechtkwam. 

    Het blijkt een moeizame weg te zijn geweest die voornamelijk een vlucht uit eigen land was. Raaf en Wolf komen namelijk maar moeilijk mee op school. Er wordt geëist dat de jongens gediagnosticeerd worden, maar wanneer dit uitblijft verandert de situatie van kwaad tot erger totdat zelfs een leerplichtambtenaar en een rechter om de hoek komen kijken. Er hangt het gezin een voorwaardelijke celstraf boven het hoofd omdat Josephine haar zoons noodgedwongen thuisonderwijs geeft terwijl dit in Nederland verboden is. Ten einde raad verlaat zij, samen met haar zoons, het land. Ze belandt in een eco-woongemeenschap in Schotland waar ze in een ijskoude bouwkeet op haar man wacht, totdat hun leven in Schotland kan beginnen.

    Aanloop naar Schots Downton Abbey verhaal

    Voor de liefhebbers van de eerder verschenen boeken Cliffrock Castle: werken op een kasteel in Schotland en Terug naar Cliffrock Castle: belevenissen op een Schots kasteel zal deze nieuwe toevoeging in het Schotse relaas een welkome aanvulling zijn, zoals ook bij de tv-serie Downton Abbey het geval was. Tenslotte wordt in dit boek uit de doeken gedaan hoe zwaar de weg naar Cliffrock Castle precies geweest is en komen de bekende personages, Rombouts en haar gezin, weer terug. Wellicht dat hierin ook de meerwaarde van De weg naar Cliffrock Castle ligt: het boek is een opstapje naar zijn voorgangers maar kan er ook los van gezien worden. Van het daadwerkelijke Cliffrock Castle krijgt de lezer maar weinig mee. De naam van het kasteel lijkt puur voor de continuïteit in de boekenreeks in de titel geplaatst. 

    In deze weg ernaartoe beschrijft Rombouts in flashbacks de gebeurtenissen in Nederland, beginnend in 2005, rondom het school- en leertraject van haar zoons, en het leven in Schotland in 2013. Op het einde treffen de twee verhaallijnen elkaar en maken de cirkel rond. In de flashbacks beschrijft Rombouts de onmacht die een ouder voelt wanneer zijn kind buiten het gevestigde systeem valt (of geduwd wordt). 

    De gebeurtenissen in Schotland blijven aan de oppervlakte: in de eco-leefgemeenschap, die wordt gerund door de Nederlandse Marian, hangt een vreemde sfeer. Rombouts suggereert  dat er in deze leefgemeenschap iets niet in de haak is maar wijdt hier niet over uit. Dat komt wellicht doordat het personage Rombouts samen met haar zoons zo veel mogelijk teruggetrokken leeft in de bouwkeet, in afwachting van de komst van Tjibbe, die op dat moment in Nederland de laatste zaken in orde maakt. 

    Nederlands schoolsysteem

    Door deze teruggetrokken manier van leven en de onzekerheid die Rombouts voelt over de situatie in de leefgemeenschap, focust het grootste deel van het verhaal vooral op Raaf en Wolf en hoe de twee jongens met elkaar spelen en opgroeien. Opmerkelijk is dat deze, buiten het Nederlandse schoolsysteem, overkomen als twee heel normale, nieuwsgierige en gezonde jongens, wat precies het punt is dat Rombouts lijkt  te willen aanstippen. Met de terugblikken laat zij heel goed zien hoe het Nederlandse schoolsysteem een kind kan vormen. Zeker wanneer het hierin buiten de boot lijkt te vallen en er aangestuurd wordt op een diagnosticering. Het gedrag van leraren, schoolbestuur en leerplichtambtenaar zorgen er uiteindelijk voor dat zoon Raaf langzaam maar zeker het label wordt dat hem is opgeplakt. Deze schrijnende momenten weet de auteur te vangen in enkele treffende zinnen als: ‘Na een maand in groep 3 wilde Raaf niet meer lezen of schrijven. Op school niet en thuis niet. “Ik kan het niet,” zei hij.’

    Metaforen

    Rombouts’ schrijfstijl  is er een waar je van moet houden. Het verhaal staat namelijk bol van de (vaak onnodige) metaforen en bijvoeglijke naamwoorden. Wie hier eenmaal op geattendeerd is, kan dit niet meer over het hoofd zien. Een paar voorbeelden hiervan zijn ‘genieten met een stille huiver’, ‘steeds voorovervallend in nog meer donker’ terwijl ze een autorit in de avonduren beschrijft, ‘een spoor van stil wenkende lichtjes’, ‘genadeloze koude wind’ en ‘fragiele ijskastelen’. Deze metaforen en bijvoeglijk naamwoorden zorgen ervoor dat zinnen al snel overkomen als overmatig versierd waardoor voor de lezer die de essentie van het verhaal soms verloren gaat.

    Daarnaast legt Rombouts haar eigen relaas vaak langs de lat van Lewis Carroll, schrijver van het bekende Alice in Wonderland. Deze vergelijkingen moeten waarschijnlijk het ongeloof en de bizarre aard van de situatie ondersteunen, maar ze snijden niet altijd hout en voelen vaak geforceerd aan. Zo vergelijkt Rombouts zichzelf met de Cheshire Cat in de volgende passage: ‘Waarom is onduidelijk, waarom Marian er niets over zegt, is nog onduidelijker. Net als de Cheshire Cat blijf ik het liefst vanaf veilige afstand de kat uit de boom kijken.’

    Losse eindjes

    Dat de Cheshire Cat uit Alice in Wonderland daadwerkelijk een kat ín een boom is, wil niet zeggen dat het een passief personage is, zoals Rombouts hier suggereert. Verdere Alice in Wonderland verwijzingen komen te pas en te onpas in het verhaal naar voren zoals ‘door de spiegel stappen’ wanneer ze aankomen bij de kleine cottage waar ze uiteindelijk zullen gaan wonen en de vergelijking met de rechter en de hartenkoningin. Wanneer Rombouts de Alice in Wonderland verwijzingen puur tot het beschrijven van haar Schotse avontuur had beperkt, dan waren de verlossing en het droombeeld dat deze vlucht vormt sterker naar voren gekomen.

    Het grootste hekelpunt van De weg naar Cliffrock Castle blijken echter de losse eindjes rondom enkele personages die geïntroduceerd worden maar verder niet meer terugkomen. Het verhaal dat Rombouts vertelt voelt op veel momenten aan als een relaas dat iemand die je jaren niet gezien hebt je vertelt als je die tegenkomt in de supermarkt. Het is een opsomming van gebeurtenissen waarbij het lijkt alsof de auteur ten tijde hiervan aantekeningen heeft gemaakt om ze later in dit boek te verwerken. Omdat deze aangelegenheden haar waarschijnlijk nog helder voor de geest staan vergeet ze geregeld om bepaalde beweegredenen uit te leggen. Ze is vergeten van zichzelf een personage te maken en haar ervaringen om te vormen naar herinneringen die geschikt zijn voor een boek. Als verteller blijft ze aan de rand van het verhaal staan, waardoor de gebeurtenissen als een lijstje worden opgesomd en personages zoals Marian een onbevredigd gevoel bij de lezer achterlaten.

    De weg naar Cliffrock Castle voelt door de opsomming van gebeurtenissen en het oppervlakkig beschrijven van personages onvolledig aan. Hoewel het verhaal van de schrijfster en haar gezin menig kijker zou aangrijpen wanneer dit bij een talkshow aan tafel verteld zou worden, blijft het op papier zonder diepgang en lijkt het de transformatie van een herinnering naar verhaal niet volledig te hebben doorstaan.

     

     

  • De binnenstaander

    De binnenstaander

    Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, Vrij Nederland, HP/De Tijd en vtwonen.  Vluchthaven is haar tweede roman, na Achterland.


    De roman beschrijft het verhaal van Hannah, die naar het geboorteland van haar Indonesische (stief)opa reist om daar diens as uit te strooien. Het is niet alleen een reis om die handeling uit te voeren, maar ook en vooral een reis naar de geschiedenis van haar opa, van die geheimzinnige man die zich niet liet kennen. Opa was de ‘glimlachman’, die zijn geschiedenis voor zich hield. Van zijn negende tot zijn dertiende zat hij in een (Jappen)kamp en maakte daar veel gruwelijks mee. Na een hersenbloeding kwam dat alles steeds weer terug, leefde opa vooral in die tijd. Hij schilderde daar donkere doeken van, maar bleef erover zwijgen.

    Portret van oma

    En dan overlijdt hij. Als enige kleindochter had Hannah een bijzondere band met hem, en met haar oma. Ze trekt veel met haar oma op. Van den Dool schetst een erg liefdevol portret van vooral haar oma. De rol die zij in het leven van opa (haar tweede echtgenoot, na een eerste huwelijk met een gewelddadige man) speelde, de liefde die zij voor hem had, maar ook de ondergeschikte rol die zij zich uit dezelfde liefde had aangeleerd. ‘Was ik me toch niet sluipend gaan gedragen naar de wetenschap dat we geen enkele bloedlijn deelden, alleen dat mooie mensje dat hij vlak voor zijn vijftigste alsnog in zijn armen gekluisterd had?

    Ongeluk om geluk te verdienen

    Op Bali vraagt Hannah zich af: ‘Als hij [opa] had kunnen kiezen, had hij dan niet liever [hier] willen blijven?’ Ze vergelijkt de wereld waar ze op dat moment is met foto’s en films die ze daarover heeft gezien en daardoor valt de werkelijkheid haar tegen. Ze vergelijkt het Veluws huisje waar opa en oma leefden met de hutjes in Indonesië en constateert dat er niets nieuws onder de zon is. Voor verbazing is geen plaats: het is voor haar al bekend. Hannah is op zoek naar haar plaats in de wereld van haar opa en vraagt zich af wat ze zelf achterlaat en wat ze zoekt. En als ze nu niet hier en niet thuis is, waar is ze dan? Ze trekt een parallel met het schrijven aan een afstudeerscriptie over geluk in de literatuur waar ze in het dagelijks leven mee bezig is: ’In verreweg de meeste westerse verhalen is, kortom, een flinke portie ongeluk nodig om geluk te verdienen.’

    Calvinistische gedachtegang

    Hannah vraagt zich af of dat ook geldt voor haarzelf en voor haar opa. En hoewel opa zich atheïst noemde en ook Hannah niets van het geloof van haar oma wil weten, kun je je niet aan de indruk onttrekken dat we hier te maken hebben met een wel erg calvinistische gedachtegang. Op Bali vindt Hannah alleen maar onoprechtheid. De toeristen die ze daar ontmoet, zijn er alleen maar om gezien te worden door elkaar. Hun wereld is een oppervlakkige; ze zijn niet geïnteresseerd in de echte cultuur en de bewoners van het land. Ze besluit naar Lombok te gaan in de hoop daar een geschikte plek te vinden om de as van haar opa uit te strooien. Maar ook daar vindt ze dezelfde tempels, en hetzelfde niet-thuisgevoel. Ze wil terug naar Nederland. Ze vlucht. 

    Klaplopers

    Van den Dool haalt veel overhoop in deze roman. Ze heeft kritiek op het lege leven van sommige toeristen die elders zoeken wat ze ook thuis hebben, de klaplopers die de hele dag bezig zijn voor zichzelf en anderen te bevestigen dat ze in Indonesië zo thuis zijn en feitelijk alleen maar bezig zijn te drinken, te blowen en te doen wat ze ook thuis doen: op het strand hangen en in een hostel socializen.
    Verder geeft de auteur stevig haar mening over een groot aantal zaken die als een soort essayistische uitstapjes door haar roman zijn verweven: over geluk – zoals eerder genoemd -, over liefde, seks, over hoe je een uitvaarttoespraak moet opschrijven, over toerisme, over rouwen en hoe je dat zou moeten doen, over millennials en generatie Z, over wat we leuk vinden. Waarover niet. Elke keer als er weer een gedachte of een idee benoemd wordt, kun je je als lezer afvragen welke vragen je daar zelf over zou kunnen stellen. De roman lijkt daardoor vaak een verzameling columns.

    Vragen

    Van den Dool schrijft in heel lange, ingewikkeld samengestelde zinnen met veel, echt heel veel metaforen; werkelijk alles wordt met alles vergeleken. Dat is erg vermoeiend en niet altijd even duidelijk. Je krijgt amper tijd om adem te halen. En dan is er nog iets: hoeveel vragen kan een romanschrijver zichzelf stellen? Over alles en iedereen, over elke gedachte, over elk inzicht stelt Van den Dool vragen. Alinea’s vol met vragen. Als lezer word je er gek van.

    Deze roman is als zoektocht naar een onbekende wereld zeker geslaagd te noemen. Van den Dool beschrijft met veel gevoel wat haar hoofdpersoon denkt en doet, waar ze achter komt en hoe je vooral je gevoel moet geloven. Maar een redacteur van de uitgever had Van den Dool moeten beschermen tegen haar (te) lange zinnen, het overdadig gebruik van beeldspraak en vooral tegen het stellen van de vele vragen. Het lijkt nu te veel op mooischrijven en dat is jammer, want het talent van Van den Dool staat zeker niet ter discussie.

     

     

     

  • Met de moed die ze erfde van haar moeder

    Met de moed die ze erfde van haar moeder

    ‘Ik ben Winona.’ Zo begint de nieuwe roman van de Ierse schrijver Sebastian Barry (Dublin, 1955), de huidige Irish Laureate for Fiction oftewel Schrijver des Vaderlands. Duizend manen is de opvolger van Dagen zonder eind (2016) en speelt zich af in West-Tennessee, in de nadagen van de Amerikaanse Burgeroorlog. Het boek maakt deel uit van een reeks romans waarin Barry fictioneel verhaalt over zijn voorouders, die het verarmde Ierland verlieten om een leven op te bouwen in America. De Ierse diaspora is dan ook een terugkerend thema in zijn werk. 

    Winona Cole, een zeventienjarig Lakota meisje is de verteller van het verhaal. Nadat haar familie tien jaar eerder is afgeslacht tijdens de American Indian Wars wordt ze geadopteerd door de soldaten en minnaars Thomas McNulty en John Cole die haar liefdevol groot brengen op een afgelegen boerderij. Daar wonen ook oud strijdmakker Lige Magan en twee vrijgemaakte slaven, broer en zus Rosalee en Tennyson.  

    Complexe relatie

    Samen vormen ze een hechte familie. De relatie van Winona met Thomas McNulty en John Cole heeft echter een complexe oorsprong aangezien de mannen zowel ooggetuigen van als deelnemers aan de slachtingen van Indianen waren, mogelijk hebben ze zelfs familieleden van Winona omgebracht. ‘Mijn wond was dat ik een verloren kind was. Gek genoeg hebben ze mij genezen, Thomas McNulty en John Cole. Ze hebben hun uiterste best gedaan, geloof ik. Dus ze hebben me zowel de wond toegebracht als hem genezen, wat in zekere zin een ingewikkeld feit is.’ 

    De boerderij biedt Winona een veilige haven waar racisme en geweld steevast buiten de deur worden gehouden. Ook op het kantoor van de opgewekte advocaat Briscoe waar Winona werkt, wordt ze als volwaardig beschouwd. Maar buiten de boerderij en het kantoor is ze ‘minder dan de zwarte vliegjes die iedereen in de zomer plaagden. Minder dan de ouwe stront die tegen de achterkant van de huizen werd gesmeten.’ Winona leeft in een wereld waar het geen misdaad is een indiaan te mishandelen, een wereld waarin men ‘wil dat indiaanse meisjes nare dingen overkwamen.’ De constante dreiging van buitenaf, van bendes, aan lager wal geraakte soldaten en mannen ‘met juten zakken op hun hoofd’ teisteren het boek van begin tot eind. 

    Ondoordringbare eenzaamheid

    Ondanks de liefde en waardering die Winona ontvangt, is haar eenzaamheid pijnlijk voelbaar. Ze heeft vage herinneringen aan de slachtpartij die haar moeder, beroemd binnen de stam om haar grote moed, zus, nichten en tantes uitroeide. ‘Ver in mijn achterhoofd was een zwart schilderij met bloed en geschreeuw erop en bloed dat eruit barstte. (…) Blauwjassen die boven op ons naar binnen tuimelden en bajonetten en kogels en brand en zielen die gewelddadig werden gedood.’ Thomas McNulty en John Cole weten zich geen raad met haar lijden. Wanneer Winona een van haar sombere buien heeft kan John Cole slechts een arm om haar schouder slaan. Meer is niet nodig, er zijn toch geen woorden voor wat haar overkomen is.

    Toch krabbelt Winona zich keer op keer omhoog. ‘Zelfs als je voortkomt uit bloedvergieten en rampspoed moet je uiteindelijk leren leven.’ Dan keert ze op een avond zwaar gehavend terug na een bezoek aan het dorp. Ze blijkt te zijn mishandeld en verkracht. Rosalee onttrekt haar aan het zicht van de mannen om haar te verzorgen. ‘Ze was danig bedroefd terwijl ze mij schoonmaakte. Ze moest tussen mijn benen naar binnen. Ze zal veel ellende van vrouwen hebben gezien toen ze slavin was.’ Winona vermoedt dat Jas Jonski, een blanke jongen die verliefd op haar is en haar zijn verloofde noemt, de dader is.  Uit angst dat John Cole de dader opspoort en doodschiet en daarvoor wordt opgehangen, besluit Winona zelf op zoek te gaan naar gerechtigheid. 

    Meesterlijk spel

    Barry speelt meesterlijk met de verwachtingen van de lezer en laat tegelijk de dualiteit in zijn personages zien. Verkleed als jongen en bewapend met een damespistool en de moed die ze erfde van haar moeder, trekt Winona het dorp in om navraag te doen over Jas Jonski. De manier waarop ze het dorp binnenrijdt op haar muilezel doet denken aan een ouderwetse western. In het dorp verwacht de lezer rake klappen, een show-down, en ook bij haar bezoek aan de rechter Aurelius Littlefair loopt het anders dan de lezer verwacht. Daarnaast toont Duizend manen ook Barry’s lef als schrijver. Met zijn keuze voor een indiaans meisje als verteller ligt de beschuldiging van culturele toe-eigening al snel op de loer. Barry lijkt zich hier echter goed van bewust. Hij kiest voor een sterk personage met een kraakheldere stem die op de eerste bladzijde al laat weten dat haar leven door blanke mannen wordt gestuurd. Zelfs haar naam, zegt ze, is haar gegeven door Thomas McNulty omdat hij haar echte naam, Ojinjintka, niet kan uitspreken en haar dus ‘de naam van mijn dode nicht (gaf), want die ging beter over zijn tong.’ Bovendien, vertelt ze, klopt de betekenis van de naam niet, want ‘Winona betekent eerstgeboren. Ik was niet eerst geboren.’ Opvallend is dat Winona afstand van de blanke (mannelijke) personages houdt door ze consequent bij hun volledige naam te noemen. 

    Gedragen door liefde

    Duizend manen is een veelomvattende roman met een rijke thematiek. Racisme, identiteit, gender en homoseksualiteit, de werking van het geheugen – alle komen ze aan bod zonder dat de roman topzwaar wordt. Met een goed uitgewerkte plot en losse eindjes die stuk voor stuk aan elkaar worden geknoopt, toont Barry zich een schrijver die zijn pen feilloos beheerst. Daarnaast schuwt hij emotie niet. Hij laat Winona voelen en de familie hecht zijn zonder sentimenteel te worden. Daarnaast heeft hij weinig woorden nodig om iets als racisme hard te doen binnenkomen. Neem de dokter die een kogel uit Winona’s arm verwijdert. Uit trots en een gevoel van eer verbijt ze haar pijn. ‘Ze schreeuwt niet eens,’ zegt hij tegen de andere aanwezige, ‘weet je ze zijn niet eens menselijk, niet echt, niet zoals jij en ik.’ 

    Wat Duizend manen op indringende wijze toont is wat geweld met een mens doet – het ontwricht en doet verstommen, soms letterlijk – maar ook de kracht die de mens bezit om zich te herpakken en het leven te leven, wat zich ook aandient. Het enige middel daartoe is liefde in al haar vormen en verschijningen. Met dit gegeven voert Barry de lezer naar een prachtige slotscène waarin Winona zich geliefd en gedragen weet door haar familie, zowel hier op aarde als in het spirituele rijk.