• Oogst week 18 – 2024

    Wally en wij

    Niemand weet waar de jonge walrus vandaan kwam en waarom hij vermoeid maandenlang langs de West-Europese kust trok, tot aan Spanje toe, en een bezienswaardigheid werd. Het eerst werd hij gezien in Ierland, in maart 2021. Wally, zoals hij al snel werd genoemd, hees zich regelmatig in havens in bootjes en werd een steeds grotere attractie. Schrijver en vertaler Irwan Droog van Wally en wij heeft Wally nooit gezien. Door een verblijf op een Noors eiland voor zijn boek Het huis aan het einde had hij niets meegekregen over Wally’s Europese reis. Toen hij veel later een foto zag van een walrus in een bootje twijfelde hij er eerst aan of dat echt was en kwam toen achter het verhaal van Wally. Maar hoe kwam het dier daar aan die kust? Was hij op een ijsschots afgedreven, of door het smeltende zee-ijs in het poolgebied naar het zuiden gedwongen?

    Droog besloot te proberen antwoord te vinden op die vragen door dezelfde reis te maken als Wally. Hij merkte dat de walrus behalve geliefd ook gehaat was, zoals door vissers die dachten dat hij hun vis op at of door eigenaren die hun boot zagen zinken onder Wally’s gewicht.

    Droog voert in zijn boek walrusexperts op (die de dieren zien als meest intelligent van het Noordpoolgebied), heeft het over klimaatverandering en over de veranderende relatie tussen mensen en dieren. Door het toenemend aantal mensen moeten dieren en wij ons beider leefgebied steeds meer delen. Hoe gaan wij daarmee om?

     

    Wally en wij
    Auteur: Irwan Droog
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Uiterst vertrouwelijk

    De dreiging vanuit het Duitse keizerrijk en Oostenrijk-Hongarije was vlak voor de Eerste Wereldoorlog voor Nederland aanleiding om geheime diensten op te richten. Onlangs heeft de AIVD een historisch belangrijk rapport vrijgegeven over deze diensten in de periode 1912-1947. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken wilde toentertijd niet dat de verhalen van de diensten verloren zouden gaan en liet ze opschrijven door M. de Meijer. Deze insider putte gedeeltelijk uit documenten die hij na de Duitse inval had begraven in zijn achtertuin.

    In Uiterst vertrouwelijk- Achter de schermen van de Nederlandse geheime diensten reflecteren vier wetenschappers op de toenmalige inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ze duiden De Meijers geschiedschrijving – bestaand uit toen nog eenvoudig documentatiewerk van een paar militairen – en verbinden deze met de hedendaagse ontwikkelingen. Het werk van de diensten is sinds die eerste decennia sterk uitgebreid. Nadruk ligt nu ook op economische en militaire spionage, het voorkomen van terroristische aanslagen en het beletten van buitenlandse inmenging in de Nederlandse samenleving. Hoe zijn de oude geheime diensten uitgegroeid tot een professionele organisatie met duizenden werknemers? Hoe verhoudt die organisatie zich tot de democratische rechtstaat, wat waren en zijn de vijandbeelden van Nederland?

     

    Uiterst vertrouwelijk
    Auteur: Constant Hijzen, Bart Jacobs, Florentijn van Kampen, Rowin Jansen
    Uitgeverij: Querido 2024

    Het Heidi-feest

    In Het Heidi-feest van theaterschrijver Jannemieke Caspers (1982) wordt een klein dorp waar treinen zelden stoppen gedurende vijf dagen overstroomd, reden waarom het Heidi-feest is uitgesteld. Het water komt meters hoog en ‘… stroomde de huizen binnen, het hotel De Vallei, de apotheek, de bakker, het café, het boekwinkeltje… Alleen in de kiosk op het station (…) bleef het droog.’ De dorpsgemeenschap is aan zichzelf overgeleverd.

    De kiosk wordt bemand door Grietje, een meisje met de ‘brozebottenziekte’ en het middelpunt van het boek. Tijdens de overstroming kijkt ze vanuit de tweede verdieping naar buiten. ‘Grietje (…) leunde voorzichtig naar buiten. Haar haren en schouders direct nat. En daar beneden, midden in het water, zag ze de Barbiepop. Kom dan. De Barbie lachte, stak haar arm uit en Grietje dook het water in. Zodra haar haren het water raakte, voelde ze het meteen. Dit is wie zij is. Dit is wie zij had moeten zijn. Een zeemeermin.’ Als het water weg is ziet Grietje vanuit haar kiosk twee vreemde mannen, een waarneming die door geen enkele dorpeling wordt gedeeld. Ook leven er volgens Grietje ondergronds tunnelmensen die zich nooit laten zien en mollen, wortels en ratten eten. Door Grietjes praatjes, steeds meer ziek wordende mensen en het verdwijnen van spullen voor het Heidi-feest slaat de paniek in het dorp toe.

    Van het boek bestaat ook een theaterstuk. Deze tekst Wolf (of het Heidifeest) werd ‘Verse tekst 2023’. Er is ook een podcast van.

     

    Het Heidi-feest
    Auteur: Jannemieke Caspers
    Uitgeverij: De Harmonie 2024
  • Oogst week 10 – 2024

    Ik kom hier nog op terug

    Schijn en werkelijkheid lopen door elkaar en het verleden is prominent aanwezig in Ik kom hier nog op terug van Rob van Essen. Hoofdpersoon Rob Hollander, journalist en voormalig student filosofie wordt naar Los Angeles geteleporteerd waar hij is uitgenodigd door een oude studiegenoot die een tijdmachine heeft uitgevonden. Deze Icks geeft hem de mogelijkheid om vijf keer terug te reizen in de tijd waar hij gemaakte fouten uit het verleden kan goedmaken. In die tijdreis stuit hij op een traumatische gebeurtenis uit zijn jeugd.

    Voor het zover is schildert hij bruggen in Amsterdam. Een journalist komt langs: ‘”Waarom gaat een jongetje van acht jaar in zijn eentje een donker bos in? Ik heb Gertjan Aalderink en Gertjan Baan gesproken, die zaten toen bij u in de klas toch? Die hebben u het bos in zien gaan, zelf durfden ze niet, zeiden ze.” Hij had zijn kwast nog eens in de verf gedoopt. “Kunt u zich er niets meer van herinneren?” Die vraag had ze niet moeten stellen. Nu kon hij haar antwoorden dat hij er zich inderdaad niets meer van kon herinneren, hoe oud was ik, precies, u zei het net al, acht, negen, het is lang geleden. Hij weet alles nog. Daarom leest hij alles wat los en vast zit, als het maar verzonnen is. Hij zit onder de lamp en wil verzonnen zijn. Hij is een verhaal. Met een begin en een einde.’

    Alledaagse werkelijkheid bestaat bij de auteur niet. Ook dit meeslepende verhaal heeft de verbluffende wendingen en het geloofwaardig absurdisme waar Van Essen patent op heeft.

     

    Ik kom hier nog op terug
    Auteur: Rob van Essen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    In de mist van Golden Gate Park

    Met Wees onzichtbaar (2017) vestigde de vertelstem van Murat Isik zich voorgoed in de Nederlandse letteren. Het boek vertelt het verhaal van de vijfjarige Turkse Metin die met zijn moeder, zusje en ongelukkige, gewelddadige vader in de Bijlmer, een getto, komt wonen. De gevoelige en intelligente Metin weet het milieu te ontstijgen, net als zijn zus en ook zijn moeder, over wie Isik in 2019 het boekenweek-essay Mijn moeders strijd schreef. Wees onzichtbaar is los gebaseerd op Isiks eigen leven. Het boek werd een bestseller en won belangrijke prijzen. Zijn debuutroman Verloren grond (2012), over een familie in een door de Armenen gesticht Turks dorp, beleeft inmiddels de zeventiende druk.

    In de mist van Golden Gate Park bevat eveneens veel autobiografische elementen. Hoofdpersoon Metin gaat, net als Isik een half jaar deed, rechten studeren in San Francisco. Het is 2001. Waar hij in Amsterdam een teruggetrokken iemand was, is hij vastbesloten in zijn nieuwe leven de regie te pakken, zich van zijn oude leven te ontdoen en de ‘cool boy from Amsterdam’ te worden. Maar het vooruitzicht om zijn verdere bestaan in het keurslijf van de jurist door te brengen beklemt hem zo dat hij een uitvlucht zoekt, die hij vindt in het keuzevak Creative Writing.

    Metin stort zich op het schrijven en er komt ‘een bewijsdrang’ in hem los; hij wil gelezen worden. Hij ontmoet de naar depressie neigende Joan Springfield op wie hij tomeloos verliefd wordt. Samen gaan ze op bezoek bij de schrijver David Foster Wallace, met een voor Metin ongewenste uitkomst. Van thuis, waar het met zijn ouders niet goed gaat, komen steeds urgenter wordende mails. Hij wil zich er niet mee bezighouden en zijn autonomie beschermen, waardoor hij onaangename dilemma’s het hoofd moet bieden.

     

    In de mist van Golden Gate Park
    Auteur: Murat Isik
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Het Xoanon

    Na de Grote Oorlog is het Ottomaanse rijk verslagen. Constantinopel is bezet door de grootmachten, wit-Russische vluchtelingen stromen binnen. Hoewel in het oosten van het land een nieuwe oorlog dreigt, begint het er in de betere wijken van de stad alweer vrolijk aan toe te gaan. Deze situatie, vol overlevingsdrang en intriges, is de achtergrond van Het Xoanon, de nieuwe historische roman van Jan van Aken.

    Hoofdpersoon en vrijbuiter Beaujon, een ‘neutrale’ met een Nederlands paspoort die ‘zijn eigen geschiedenis op orde heeft gebracht’, is vanuit Colombia in Constantinopel terechtgekomen, waar hij gerieflijk leeft. ‘De papieren die ik in Barranquilla had gekocht, pasten beter bij me dan mijn officiële documenten. Ik had me daar enige tijd schuilgehouden, maar er liepen in die contreien nogal wat mensen rond die me in de eerste oorlogsjaren gekend hadden, dus toen ik een baantje kon krijgen op een schip dat uiteindelijk naar Europa zou varen, greep ik mijn kans.’

    Beaujons leventje wordt overhoop gehaald als hij getuige is van een aanslag op een antiek monument. Een kostbaar voorwerp uit de oudheid, een xoanon (een oud-Grieks houten cultusbeeld), is daarbij verdwenen. ‘De aanslag was niet gericht op de moskee, zoals ik aanvankelijk had gedacht, maar op de verbrande zuil bij Çemberlitaş die zich nu gedeeltelijk in een stofwolk hulde, als een derwisj in zijn opwervelende tennûre. (…) Ik bleef op enige afstand staan kijken. De zuil, ooit het middelpunt van het forum van Constantijn de Grote, leek nog intact, al kon ik ondanks het stof zien dat er een donker gat gaapte in de gemetselde voet van de kolom.’

    Het xoanon is Van Akens achtste historische roman. Zijn De ommegang werd in 2018 bekroond met de F. Bordewijk-prijs.

    Het Xoanon
    Auteur: Jan van Aken
    Uitgeverij: Querido
  • Mystiek op zijn mooist van Mertens

    Mystiek op zijn mooist van Mertens

    Het aantal christenen neemt al eeuwenlang af. Toch blijft Maria ‘s werelds populairste meisjesnaam. Beginnend met een driepoot bovendien, want traditie komt in drieën: de trias politica, de Verlichtingsidealen, sportmedailles, de Drie-eenheid en… de vrouwelijke literaire archetypen ‘heilige’, ‘heks’ en ‘hoer’. Meer smaken zijn er niet, behoudens een paar klassieke mengvormen zoals de maagd en de femme fatale. Hoe progressief het seculiere Westen zichzelf ook vindt, de Middeleeuwse opvattingen over wat vrouwen behoren te zijn, woekeren tot op heden hardnekkig voort. Althans, als we Moeders. Heiligen van Dieuwertje Mertens mogen geloven. Deze moderne Marialegende brengt een eerbetoon ‘aan alle mogelijke moeders’. Ze plaatst hen echter niet op het mannelijke voetstuk van verafgoding en verguizing tegelijk: juist hun alledaagse lijden van moederschap, opoffering en anonimiteit verheft hen boven de man, die na drie minuten puffen negen maanden passief toekijkt. Net als de jaren erna trouwens. Opvoeden, da’s een ‘vrouwenprojectje’.

    Moeders. Heiligen barst van de symboliek, veelzeggende namen en Bijbelse intertekstualiteit. Al deze motieven ondersteunen het thema: laat de vrouw zichzelf definiëren. Ook hedendaagse literatuur reduceert haar nog altijd tot een bordkartonnen bedpartner, wat Mertens betreft. In de debuutroman volgen we Mercedes Dolorosa naar een Frans bergdorp, waar ze met vriend Amant het vakantiehuisje van zijn overleden moeder Marian betrekt. Zij reist mee in een urn. Daarnaast ontmoet Mercedes enkele dorpsgenoten, zoals oud-actrice Clémence, de Congolese vluchteling Graziella en (geloof het of niet) de Heilige Maagd Maria. Mercedes heeft problemen met Lode, haar autistische zoon. Met Jezus’ moeder, tot leven gekomen in marmer, deelt ze haar zorgen. Maria had zelf namelijk genoeg te stellen met de Vader van hun Mensenzoon: ‘Wie had al die jaren geschitterd in afwezigheid? En nu, zeker nu het hem uitkwam, kwam hij mijn zoon opeisen?’ Niet in raadsels en aforismen, maar in gewone mensentaal beschrijft Maria de smart van een vrouwenleven.

    Parodie op een paradijs 

    Een Frans bergdorp lijkt een perfect pastoraal decor. Dit gehucht in Albas is eerder anti-Arcadia, waar de fanatiekste Ik Vertrek-families voor bedanken: ‘Er is een pleintje, een verschoten Mariabeeld, een wit kerkje – ’s zomers geopend –, leegstand, veel leegstand. Lege huizen, volle graven.’ Wel signaleert Mercedes een kunstenaar: ‘Hij schildert het uitzicht en hoest: kanker of covid.’ Met cynisme geeft Mertens dit soms plechtstatige boek de broodnodige oneerbiedigheid. Bij de naburige bewoners, Clémence en François, is het beste er ook wel vanaf. Op zijn iPhone laat Amant een foto van dochter Steffie zien, uit een eerder huwelijk. Mercedes monstert buurman François: ‘Kijk die geilneef eens likkebaarden. ‘‘Une très jolie fille. Oh là là.’’’ Amant vindt het allemaal best. Dan verlekkert het drietal zich aan Mercedes: ‘Clémence prikt in mijn zij. ‘‘Wat een figuurtje. Welk dieet volg jij?’’ ‘‘C’est le régime malheureux.’’ ‘‘Is het een grap?’’ ‘‘Non, c’est sérieux.’’’ Niet voor niets luidt Mercedes’ achternaam Dolorosa, de ongelukkige.

    Mercedes is Mariadeskundige. Niet alleen promoveert ze op Maria’s verbeelding in de kunst, als jong meisje waardeert Mercedes de moeder aller moeders al meer dan de Schepper zelf. Op het katholieke koorkamp doet ze iets ‘onvergeeflijks’. Het Weesgegroet verbastert ze met het Onze Vader: ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade / De Heer is met u / U bent gezegend onder de vrouwen / Uw rijk kome / Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel…’ Helaas geschiedt haar wil, en die van miljoenen andere vrouwen op aarde, zelden. Mercedes vormt hierop geen uitzondering. Door het gehele boek heen wil haar vriend Amant (wat ironisch ‘liefhebbende’ betekent) uitsluitend seks. Op zeker moment zien ze elkaar dagenlang niet. Hij belt haar ’s ochtends op en weet niets beters uit te brengen dan: ‘Hoe staat het met de borsten en het kutje?’ Dat Mercedes geen zin heeft omdat haar zoon van een ernstig delict verdacht wordt, interesseert Amant geen fluit.

    Marialegende vanuit vrouwelijk perspectief 

    De meeste Marialegendes dateren uit de twaalfde en dertiende eeuw. In deze periode konden vrouwen doorgaans lezen noch schrijven. Waarschijnlijk zijn Beatrijs en Mariken van Nieumeghen door mannen geschreven, of specifieker: door celibataire monniken. Voor schilderijen en andere kunstzinnige uitingen rondom Maria geldt hetzelfde. De mannelijke ervaring domineert en definieert haar. Vooral bij de bevalling van Jezus in Bethlehem speelt masculiene mythevorming een kwalijke rol, aldus de marmeren Maria: ‘We kunnen Bonaventura zijn gebrekkige voorstellingsvermogen niet kwalijk nemen: hij was een broedermaagd en had van het vrouwenlichaam geen benul.’ Ene broeder Suárez beweert dat de geboorte pijnloos verliep, omdat de Maagd zonder lustgevoelens zwanger raakte van de Heer. Hierover zegt Maria: ‘Vele vrouwen hebben ontvangen zonder lustgevoelens, maar ik ben niet een van hen.’ Zo onbekwaam als Amant en vele andere losers beminnen, zo extatisch, zinnenprikkelend blijkt de ontvangenis van Maria, terwijl Gods Geest over haar komt. Mystiek op z´n mooist van Mertens.

    Zelfs de moderne literatuur reduceert de vrouw tot passief, dienstbaar wezen. Zo heeft Amant een boek van Marcel Proust mee op reis. Mertens citeert een passage waarin een kind een kus van zijn moeder eist. En nog eentje. Waarop de jaloerse vader zijn echtgenote ter verantwoording roept. Mercedes smaalt: ‘We weten wat de zoon wil, wat de vader wil. Maar wat wil de moeder? De moeder bestaat om de man, de zoon te behagen.’ De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, dat in Graziella’s boekenkast staat, liegt er ook niet om. Kundera schrijft: ‘…in de liefdespoëzie aller tijden verlangt de vrouw ernaar de zware last van het mannenlichaam op het hare te voelen. De zwaarste last is derhalve het beeld van de meest intense levensvervulling.’ Ten diepste willen vrouwen dus op hun rug liggen en hun man ontvangen. De grootste leugen van het patriarchaat schuilt in de overtuiging dat de mannelijke ervaring doorgaat voor de universele, menselijke conditie. Moeders. Heiligen geeft juist de vrouw het universele gezicht en gewicht dat ze verdient.

    De moeder als lijdensfiguur 

    Alle vrouwen in Moeders. Heiligen hebben een naam die naar Maria verwijst. Clémence, Graziella, Mercedes: het betekent allemaal ‘genade’. Op hun eigen manier worstelen ze met het ongenadige leven, al delen ze één trauma. Ze zijn slachtoffer van seksueel misbruik en dragen dit voor de rest van hun leven met zich mee. Ze lijden, zij het zonder ook maar iets te volbrengen. Zonder dat er een hemelse beloning wacht. Maar voor Mercedes wordt het erger, omdat ze het vreselijke gedrag van haar zoon Lode niet in de hand heeft. Ze vreest hem, haat hem en voelt zich bij elke kwade gedachte een verrader. Moeders horen namelijk zo niet over hun kind te denken. Bovendien: heeft zij dit met haar opvoeding niet deels op haar geweten? Ze schaamt zich en had zich het moederschap compleet anders voorgesteld.

    Net als Maria, is Moeders. Heiligen verre van vlekkeloos. Mertens’ stijl knettert en zindert op elke pagina. Maar omdat ook de personages zich hoogdravend uitdrukken, klinken de dialogen lichtelijk geforceerd. Tegen de naburige kunstenaar vertelt Mercedes een vakantietafereel na: ‘Sommigen komen aapjes kijken, anderen versnellen hun pas. We besmeuren het vakantie-ideaal. (…) De A’s vallen catatonisch op hun knieën op het houten terras, of ze tellen hardop kiezels, rangschikken ze op kleur: de kleur van oude tanden, betonrot en botontkalking.’ Tegelijk contrasteert deze plechtige verteltrant met de nuchterheid van Maria, de ster van het boek. Wanneer Jezus weigert de tempel te verlaten om met Maria en Jozef terug naar huis te gaan, schreeuwt ze hem toe: ‘Ammehoela! Je komt gewoon mee.’ De Zoon van God stribbelt niet tegen: naar moeders moet je luisteren. Het wordt tijd voor hun verhaal. Amen!

     

  • Alle denkbare ellende bij talentvolle jonge schrijfster

    Alle denkbare ellende bij talentvolle jonge schrijfster

    Leila Mottley (2003) was zeventien jaar toen ze Nightcrawling schreef, haar debuut. Behoorlijk indrukwekkend, het boek werd alom geprezen en stond op de longlist van de Booker Prize in 2022. Het juryrapport meldde onder andere: ‘Kwellend en betoverend met een beklemmend beeld van gemarginaliseerde jongeren die de donkerste hoeken van een volwassen wereld verkennen.’ Ook Oprah Winfrey gaf aandacht aan Nightcrawling. Toch zijn dit geen aanbevelingen om er dan maar van uit te gaan dat het boek ook heel goed is. Niet dat het slecht is, maar het is wel enigszins overschat.

    Het verhaal is gebaseerd op een rechtszaak waarin in 2015 het Oakland Police Department werd beschuldigd van seksuele uitbuiting van een tiener, een zaak die vervolgens in de doofpot werd gestopt. Mottley, woonachtig in Oakland in Californië, zelf destijds een tiener, was diep onder de indruk van de zaak. Uit een onderzoek uit 2010 bleek dat seksueel geweld door agenten de op één na meest gerapporteerde vorm van wangedrag door de politie is. Dit, en de rechtszaak uit 2015, werd samen met een paar minder bekende zaken de basis van Nightcrawler.

    Overleven door brutaal te zijn

    Kiara is een zeventienjarig meisje van kleur, ze is mondig en slim. Haar vader, ooit lid van de Black Panther beweging, is dood. Haar moeder doet een poging tot zelfmoord maar wordt op tijd gevonden. Als behalve de vader ook het jongste zusje dood is, gaat de moeder de gevangenis in. Kiara woont dan samen met haar oudere broer Marcus in de flat van haar ouders, maar de huur gaat omhoog en ze hebben geen inkomen. Marcus verliest zich in zijn muziek, hij wil een rapper worden en weet zeker dat hij zal doorbreken, wat Kiara ernstig betwijfelt. ‘Ik zie hem staan achter het glas, met zijn ogen dicht en zijn vleugels gespreid als een sprookjesversie van mijn broer zijn omhelzing. Het zou zomaar kunnen dat Tupac ligt te rillen in zijn graf want mijn broer kan gewoon niet rappen, het lijkt wel of zijn tong in de knoop zit en de enige woorden die ik versta zijn bitch, ho en deze nigga heeft goud en ik zou het liefst tegen hem zeggen dat deze hele kelder weet dat hij nog twee weken na papa’s dood ons toilet onder kotste omdat hij fysiek niet met verdriet om kan gaan.’

    Kiara probeert een baantje te vinden, wat haar niet lukt zonder schooldiploma en ervaring. Ze heeft geleerd dat ze kan overleven door brutaal te zijn, maar dat werkt lang niet altijd. Ten einde raad komt ze in de prostitutie terecht, ze tippelt op straat en zonder pusher neemt ze risico’s. ‘Het verschil tussen de politie en mannen op straat is dat de agenten er graag een spelletje van maken. Ze slaan niet meteen aan het neuken, maar kijken eerst kwijlend naar me en bedenken hoe ze me precies zo bang kunnen maken dat mijn angst me opslokt en er alleen een lijf overblijft waar ze lekker overheen kunnen gaan, handen die ze vast kunnen binden achter mijn hoofd en angstzweet dat ze op kunnen likken.’

    Kiara doet het puur om het geld. Maar soms betalen ze haar niet eens of ze geven te weinig, want de zogenaamde bescherming van de politie is volgens hen ook betaling. Ze laat zich meenemen naar een louche hotel waar politiemannen samenkomen en ze haar inzetten als hoofdprijs van pokerspelletjes. ‘Ze hebben net twee potjes gepokerd en de winnaars mochten naast mij zitten. Nu zijn ze aan het blackjacken terwijl agent 220 zijn hand richting mijn onderbroek laat kruipen; 81 houdt hem dichter bij mijn knie dan mijn kruis en kijkt bewust de andere kant op. Ik heb nog nooit zo graag iets willen terugdraaien als nu. Ik had nee moeten zeggen toen de politieman uit de steeg mijn nummer vroeg, toen hij vroeg of hij het door mocht geven aan een paar maten van hem, toen die maten me vroegen om in te stappen, toen ik dat deed.’

    Het wordt allemaal plastisch beschreven en wat Kiara overkomt is erger dan een gezond denkend mens voor mogelijk houdt. Ze was acht jaar toen ze getuige was van de bevalling van buurjongetje Trevor. Zijn moeder is zwaar aan de crack en alle vrouwen uit de flat willen weten hoe ze het kind aflevert: ‘…en toen zag de hele meute de haartjes, het piepkleine koppie dat zich uit haar wurmde en haar binnenstebuiten keerde… En met zijn allen zagen we hoe het kindje uit zijn moeder kwam gedreven, met meer bloed dan haar op zijn hoofdje…’

    Rauw en poëtisch

    Prostitutie en smerige agenten, dood, moord en drugs, armoede en honger, het komt allemaal voorbij en Kiara raakt erdoor gepokt en gemazeld. Als Trevor, dan negen jaar, door zijn aan drugs verslaafde moeder in de steek wordt gelaten, neemt Kiara de zorg voor hem op zich. Het zijn de lichtpuntjes in het verhaal, samen met Trevor kan ze nog een beetje kind zijn, en het zijn deze scènes die haar goede hart tonen. ‘Trevors koppie vanochtend deed het hem – zijn blik trok me uit de put waar mama me in had gegooid. Ik heb een lijf en een familie die me nodig heeft, dus ik heb me erbij neergelegd dat dit de enige manier is om ons overeind te houden, daarom sta ik weer op de blauwe straat.’

    Als een agent zelfmoord pleegt en Kiara’s naam in zijn afscheidsbrief noemt, komt het tot een rechtszaak. Kiara moet getuigen en ze krijgt een advocate toegewezen. Deze Marsha is een blanke vrouw op naaldhakken, in mantelpakjes en met een mooie auto. Kiara mag haar niet echt, hun werelden verschillen dag en nacht, maar ze is van haar afhankelijk. ‘”Ja, waarom doe je dat eigenlijk?” Ik heb Marsha nog nooit met zoveel woorden gevraagd waarom ze haar halve leven voor mij en mijn zaak opoffert, terwijl de mensen in de rij staan om bakken geld voor haar neer te leggen. “Gerechtigheid, hè?” Ze lacht erom, maar ik hoor aan haar stem dat het niet de echte reden is. Bovendien geeft Marsha volgens mij geen fuck om gerechtigheid.’

    Het einde van Nightcrawler is zwak, het verhaal zakt weg in mooischrijverij en diepzinnige overpeinzingen die nergens heengaan. De rechtszaak, die toch een groot deel van het boek beslaat, biedt geen uitsluitsel en vervolgens blijft de toekomst van Kiara onzeker, behalve dat haar vriendin Alé haar redt van de eenzaamheid en Trevor, die van haar was afgenomen door de kinderbescherming, even terugkomt om zijn bal te halen.

    Belangrijke stem

    Mottley geeft met dit boek een stem aan zwarte meisjes en vrouwen, transgenders en jongens die slachtoffer zijn van geweld en intimidatie. Het is een urgent en belangrijk verhaal over armoede, racisme, politiegeweld, sekswerk, vriendschap en eenzaamheid. Haar schrijven getuigt van veel talent en is soms poëtisch, soms diep doorvoelt, maar soms ook leest het als een oefening creatief schrijven voor studenten. Het is nogal beschrijvend, er worden heel veel metaforen gebuikt, de spanningsboog zakt regelmatig in en er komen te veel thema’s aan bod, waardoor het verhaal de focus hier en daar verliest.

    In het nawoord zegt Mottley dat Kiara op pure fictie berust en haar omgeving non-fictief is. Het dwingt bewondering af dat Mottley zich zo goed in haar protagoniste heeft ingeleefd, maar het is ook dubbel, want de opeenstapeling van ellende die Kiara is overkomen lijkt ineens iets teveel van het slechte.

     

  • Oogst week 5 – 2024

    Lichtspel

    De Duitse schrijver Daniel Kehlmann  (1975) heeft zijn grootste bekendheid te danken aan zijn virtuoze verweving van de levens van de veelzijdige avonturier en natuuronderzoeker Alexander von Humboldt en de wiskundige Carl Gauss in Het meten van de wereld uit 2005 (in Nederland in 2007 verschenen). Voor zijn nieuwe boek Lichtspel dook hij opnieuw in de (Duitse) geschiedenis. Ditmaal het leven van Georg Wilhelm Pabst (1885-1967), één van de grootste filmregisseurs van zijn tijd, bekend van films als Die Büchse der Pandora en Westfront 1918. Hij gaat begin jaren ’30 van de vorige eeuw in de VS werken omdat hij het niet eens was met de nazi’s. Als blijkt dat ze in Amerika niet op zijn films zaten te wachten keert hij teleurgesteld terug, onder andere vanwege zijn ernstig zieke moeder. Dan krijgt hij te maken met Goebbels die hem als filmer wil inzetten voor de nazi-propaganda.
    Als motto gebruikt Kehlmann een citaat uit Unter Schwarzen Sternen uit 1966 van Heimito von Doderer die in de Tweede Wereldoorlog lid was van de NSDAP: ‘Hoe deden we dat trouwens toen, ’s ochtends opstaan, telkens en telkens weer? Omhooggetild en voortdrijvend op een brede golf onzin, hoewel we het toch wisten en zagen, en dat maakt het des te erger! Maar op het laatst was het alleen dit weten waardoor we het overleefden, terwijl anderen, die veel beter waren dan wij, werden verzwolgen’.

    Lichtspel
    Auteur: Daniel Kehlmann
    Uitgeverij: Querido

    Alles wat ze dragen kon

    Het begon allemaal met een tas die Tiya Miles, hoogleraar geschiedenis op Harvard, zag nadat die op een vlooienmarkt was gevonden. Vanwege haar speciale interesse in Afro-Amerikaanse vrouwengeschiedenis bezocht ze veel musea over de slavernij, maar iets aangrijpends als deze tas had ze niet eerder gezien. Haar boek erover verscheen in 2021 en is nu vertaald in het Nederlands onder de titel: Alles wat ze dragen kon. De reis van Ashleys tas, het aandenken van een Zwarte familie (niet alleen in deze ondertitel maar in de hele wordt Zwart met een hoofdletter geschreven; wit begint steeds met een kleine letter). De tas was ooit van een zekere Ruth Middleton geweest. Ze had er de volgende tekst op geborduurd (zonder interpunctie): ‘Mijn overgrootmoeder Rose moeder van Ashley gaf haar deze zak toen ze op 9-jarige leeftijd in South Carolina werd verkocht er zat een afgedragen jurk in 3 handenvol pecannoten een vlecht van Roses haar  Vertelde haar dat hij gevuld zou zijn met mijn Liefde altijd ze heeft haar nooit meer teruggezien Ashley is mijn grootmoeder Ruth Middleton 1921’. De tekst zette Miles op het spoor van drie vrouwenlevens die verbonden zijn met de tas.

    Alles wat ze dragen kon
    Auteur: Tiya Miles
    Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar

    Dezelfde maan

    Het is een populaire opvatting in zelfhulpboeken dat je altijd een keuze hebt. Maar is dat zo? Hoe ruim zijn die keuzes? Wat sluiten we aan mogelijkheden uit als we één weg kiezen? En op grond van welke keuzes zijn we aanbeland waar we nu zijn? Dorien Dijkhuis stelt deze vragen in haar boek Dezelfde maan, een mengsel van beschouwingen, gedichten  en essays. Het hoofdpersonage trekt zich terug op een eiland om omringd door de zee te overdenken wat haar tot dit punt in haar leven heeft gebracht: ‘Ik ben hier om te schrijven. En om ruwe dingen te onderzoeken. Oesterbanken. Zeepokken op rompen van schepen. Om de scherpte van een vers verdriet te laten slijten. Het te polijsten aan hun grillige kartels en randen.

    Het eiland is altijd mijn toevluchtsoord geweest. Als kind ging ik er op vakantie met mijn ouders. Als volwassene vond ik er sterrenhemels, stilte, inspiratie en troost. Ik denk niet dat ik overdrijf als ik zeg dat het eiland me heeft leren schrijven. Mijn eerste verhaal – ik zal tien geweest zijn, hooguit elf – ging erover. Over een strandjutter die een schat vond die hij opnieuw begroef en nooit meer terugvond. Ook mijn eerste gedicht schreef ik hier.

    Hoe vaak zijn we samen op het eiland geweest? Tien keer? Vijftien keer? Nu ben ik hier alleen, in een huisje in de duinen, in het uiterst bewoonbare oosten. Oostelijker gaat niet. Daar val je van de wereld af’

    Dorien Dijkhuis (1978) debuteerde in 2019 met Waren we dieren. Ze publiceerde verhalen en gedichten in verschillende literaire tijdschriften.

    Dezelfde maan
    Auteur: Dorien Dijkhuis
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • De omgeving lijdt het meest

    De omgeving lijdt het meest

    Renée van Marissing studeerde af als dramaschrijver, schreef muziektheatervoorstellingen en hoorspelen, romans en korte verhalen. Haar vorige roman Onze kinderen werd lovend ontvangen en genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. En dan is er nu de roman, Gelukkige dagen. De titel refereert aan het toneelstuk Happy Days van Samuel Beckett. Daarin zit een vrouw tot haar middel ingegraven in een berg puin. De voorstelling van het betreffende stuk wordt bezocht door Sil, het hoofdpersonage van deze roman, samen met haar vrouw Lina. Het wordt opgevoerd door een actrice met wie beiden in het verleden samen met een aantal anderen een toneelgroep vormden.

    Het beeld van de ingegraven vrouw is treffend, want Sil is net gediagnosticeerd met Alzheimer en dat op 46-jarige leeftijd: jongdementie dus. De roman beschrijft haar ziekteproces en de invloed die haar teruglopende geheugen, haar woorden en taal en haar gedrag hebben op haar en haar omgeving. Ze wil dingen duidelijk maken, maar kan dat niet meer door het geheugenverlies.

    Taal genoeg?

    Sil is bioloog, woont samen met meubelmaakster Lina. Aan de toneelgroep waarvan ze lid waren in het verleden hebben ze een grote vriendenkring overgehouden. Met name met Pier en Barbara hebben ze nog veel contact en ze gaan met hen ook op vakantie. Sil heeft aan het begin van de roman nog contact met haar (oud-)collega Chris, die heel begripvol is en goed met haar overweg kan. Merkwaardig genoeg verdwijnt hij in de loop van dit boek; is Van Marissing hem vergeten, is het slordigheid? Trouwens, de manier waarop Sil er bij haar werkgever uit wordt gewerkt en de pijn die dat heeft gedaan komt nauwelijks uit de verf.

    De roman is vanuit verschillende perspectieven geschreven. Soms denk en beleef je mee vanuit Sil, dan weer vanuit Lina en de vrienden. Als Van Marissing Sil aan het woord laat, kan deze gek genoeg alles benoemen, heeft ze taal genoeg om overal woorden aan te geven. Ze herinnert zich veel van haar vroegere bezigheden. Haar leven bij de toneelgroep, de buitenlandse reizen die ze samen met Chris maakte, het plezier dat ze had in haar werk als bioloog. Als de omgeving aan het woord is, weet en kan ze veel minder. Hoe verder het ziekteproces gaat, hoe meer gekke dingen Sil doet: ze krijgt haar voet niet tussen twee spijlen van het balkonhek uit, als ze de badkamer schoonmaakt spuit ze alles nat, ze verbrandt haar hand aan kokend water enzovoort. Haar gedrag verandert.

    Haar vrouw en vrienden krijgen steeds meer moeite om met dat gedrag om te gaan. Met name haar vrouw is vaak geïrriteerd, boos en vooral moe. Hoe vaak dat woord niet voorkomt in deze roman: tientallen keren. Iedereen is moe, moe, moe. Sil, Lina, ouders, vrienden. Uiteindelijk is Sil thuis niet meer te handhaven en gaat ze naar een verpleeghuis. Van Marissing maakt zich daar wel heel gemakkelijk van af. In een poep en een zucht is het geregeld en denkt Lina voor de vorm nog even dat dat wel raar is, maar dan is het zover. Gewoonlijk is zo’n proces wel wat gecompliceerder.

    Alles wordt uitvoerig uitgelegd

    Het lijkt of deze roman in zijn geheel een haastklus was. Niet alleen van de auteur, ook van de redacteur. Want wat is nu eigenlijk de essentie van het boek? De aftakeling van een patiënt met jongdementie, de invloed die dat heeft op de omgeving van een patiënt, hoe zielig het is voor Sil of hoe zielig voor Lina, gaat het eigenlijk over taal? Het blijft onduidelijk. Het is van alles wat, Van Marissing maakt geen keuzes. Dat is jammer, want met een kern had het boek aan kracht gewonnen.

    En dan wordt er ook nog het ene cliché aan de andere geregen. ‘Wat je niet ziet bestaat niet en ruik je ook niet.’ Elke emotie wordt benoemd, elke zucht verteld. Elke ontroering, onzekerheid wordt uitvoerig beschreven en uitgelegd. Alsof over wat deze ziekte is niet alleen informatie moet worden gegeven maar ook nog eens de zieligheid moet worden benadrukt. Al die uitvoerigheid leidt niet tot meeleven en meevoelen. Het blijft buitenkant wat de lezer ervaart.

    Hoezo is deze roman schrijnend en ontroerend, hoezo wordt de taal onderzocht als de betekenis hapert, hoezo ontstaat tederheid? (Dixit de achterflap.) Wat er ontstaat is heel veel irritatie en woede bij de omgeving van Sil (en begrijpelijk), en ook bij de lezer. Een kritische redacteur had hier veel goed werk kunnen en moeten doen. Van Marissing heeft in eerdere boeken laten zien dat ze prima dialogen kan schrijven. Die vaardigheid toont ze in dit boek niet: elk gesprekje zonder inhoud of betekenis wordt volledig uitgeschreven. Veel (lange) zinnen zijn bovendien moeizaam geformuleerd, met veel herhalingen van dezelfde woorden in een zin. Ook hier had een redacteur moeten ingrijpen.

    Hoofdpersonage blijft op afstand

    Als een ding duidelijk wordt, is het dat Alzheimer op jonge leeftijd lastig, ingrijpend en heel erg is, en dan ook en vooral voor de omgeving, blijkt uit deze roman. Helaas blijft het personage Sil op afstand, kleurloos; haar omgeving heeft het zwaar, heel zwaar en dat wordt goed duidelijk gemaakt. Dat had ook op een andere manier vormgegeven kunnen worden. Van Marissing hinkt teveel op meerdere gedachten. Bernlefs boek Hersenschimmen blijft wat betreft het inleven en voelbaar maken van wat een patiënt doormaakt als dementie toeslaat met kop en schouders boven Gelukkige dagen uitsteken.

     

     

  • Niet diepgravend, wel vermakelijk

    Niet diepgravend, wel vermakelijk

    De nieuwe roman van schrijver en beeldend kunstenaar Nelleke Zandwijk (1961) heet De zomer van de onwaarheden. Zandwijk debuteerde succesvol in 2001 met haar roman De dag van de jas. Haar werk kenmerkt zich door absurdisme en (zwarte) humor. Haar vijfde roman bestaat uit twee delen. Het eerste deel heet ‘Het dorp’ en speelt zich af in de Achterhoek. Deel twee heet ‘De stad’ en speelt zich af in Amsterdam. Het motto, ontleend aan een column van Ellen Deckwitz zet direct de toon van het boek: ‘Je moet het geluk dat je hebt ook gewoon een beetje leren verdragen, anders ga je er echt helemaal kapot aan.’

    Het boek is geschreven in een ik-perspectief, vanuit een naamloze tiener die opgroeit in een dorpje in het oosten van het land, in een wijk die de Witte Stad wordt genoemd. Ze heeft een tweelingzus, een zwijgzame vader en een wat hysterische moeder. Het gezin is niet welgesteld, maar desalniettemin zijn ze lid van de tennisclub. Wat direct opvalt aan de stijl zijn de regellange opsommingen die enerzijds heel grappig zijn, maar er anderzijds voor zorgen dat de vaart uit het verhaal gaat:

    ‘Omdat mijn vader de koning van het zwijgen was, behalve als het om tweedehandsnaaimachines ging, palissanderhout, 8 millimeterfilm, fotografie, oude camera’s, de reparatie van fietsen, zijn dochters zelf hun banden laten plakken vanaf hun tiende jaar, ze leren zwemmen op hun vierde, groene beits, Belgisch carbolineum, De schaduw grijpt in van Havank, zwagers aftroeven met kennis over houtsoorten, verlijmingen en zwaluwstaarten, vuurtjes stoken, zijn midwinterhoorn, mensen die naar knoflook ruiken, mensen die zeggen dat roken slecht voor je hart is antwoorden dat hij niet over zijn hart rookte, ‘dag Paulus’ zeggen tegen een buurman die op Paulus de boskabouter leek, een wokkel in iemands kruis gooien als er een bijtende hond in de buurt was en dat mdf zijn werkende leven had verwoest (je kon mijn moeder niet overal van beschuldigen), konden we van zijn kant niets te weten komen over de kwestie.’

    Vakantie

    Het gezin waarin het meisje opgroeit is verre van harmonieus. Het huwelijk van haar ouders is wankel en de relatie met haar zus gaat niet diep. Op een gegeven moment weigert haar moeder om met het gezin mee te gaan op de jaarlijkse kampeervakantie. Daar wordt door vader (uiteraard) niet over gepraat met zijn dochters. Na twee weken krijgt moeder spijt en verschijnt ze alsnog op de camping. Tijdens de vakantie beschuldigen de ouders elkaar over en weer van een aantal zaken. Moeder beschuldigt vader er bijvoorbeeld van dat hij homo zou zijn, en de ik-figuur maakt tijdens de vakantie iets vervelends mee. Het eerste deel eindigt ermee dat ze concludeert dat ze een vriendin nodig heeft, omdat ze in het gezin waar ze bijhoort, geen aansluiting vindt.

    Melle versus Escher

    In het tweede (en verreweg het grootste) deel lopen de zussen elkaar na een gat van tien jaar weer tegen het lijf in een theater in Amsterdam. De zus is regisseur geworden, de ik-persoon gaat de kostuums voor haar voorstelling ontwerpen. Daarnaast heeft ze een bijbaantje bij V&D om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Ondanks het feit dat de zussen allebei de provincie zijn ontvlucht en een creatief beroep hebben gekozen, lijken ze nog steeds weinig op elkaar. De zus houdt van de strakke lijnen en de zich herhalende patronen van Escher, de ik-persoon van de surrealistische werken van Melle. De zus heeft een relatie, de ik-persoon doet hard haar best om enige vastigheid voor zichzelf te creëren, maar ze gedijt het beste wanneer ze meelift met het leven van anderen. Net zoals haar werk in het theater zich in de ‘achterwereld’ afspeelt, zo leidt ze ook haar leven, in de marge van dat van anderen.

    Anekdotisch

    Van de verhaallijn moet De zomer van de onwaarheden het niet hebben. Enerzijds lijkt er op het eerste gezicht sprake te zijn van een min of meer rechttoe rechtaan versie van een coming of age verhaal, maar eigenlijk weet je te weinig van de hoofdpersoon om haar ontwikkeling naar volwassenheid echt te kunnen volgen en duiden. Wat dan overblijft is vrij dun: een meisje en haar zusje hebben het thuis niet naar hun zin en ontvluchten hun dorp in de provincie om hun geluk te zoeken in de grote stad. Dat het daar evenmin voor het oprapen blijkt te liggen, is dan wel weer fijn.

    De personages in het boek zijn allemaal redelijk vlak en verhouden zich nauwelijks tot elkaar. Iedereen leidt zijn of haar eigen leven en wanneer ze bij elkaar zijn gaat het vooral over het eten. Pas aan het eind van het boek komt de hoofdpersoon tot een soort zelfinzicht: ‘Het leek wel of ik de hele tijd maar wat verzon. Alsof ik mijn leven bij elkaar fantaseerde. […] Alsof ik niet echt bestond, alsof niets echt was, behalve dit groteske hier en nu bij V&D.’ Verder hangt het boek hoofdzakelijk aan elkaar van anekdotes, zijweggetjes, hilarische opsommingen en humoristische observaties. Is dat erg? Nee. De zomer van de onwaarheden graaft niet heel diep, maar is vaak wel op een originele manier vermakelijk en dat is ook wat waard.

     

     

  • Oogst week 41 – 2023

    De zomer van de onwaarheden

    Op de voorkant van De zomer van de onwaarheden prijkt een Matroesjka-pop. Passend. In deze nieuwe roman van Nelleke Zandwijk houden mams en paps de schijn op van een gezellige zomervakantie. Vijf jaar geleden schreef ze Het mooiste verhaal over mijn familie, een titel die eveneens cynisch klinkt. Het verloop van haar nieuwste boek doet oppervlakkig denken aan De Tweeling van Tessa de Loo: na een noodlottig campingongeluk gaan de twee tweelingzussen uiteen. Jaren later treffen ze elkaar per toeval in de theaterwereld en beleven ze alles opnieuw: De zomer van de onwaarheden. Want toneelspel in het gezin mondt altijd uit in een tragedie.

    De tweeënzestigjarige Zandwijk is naast schrijfster kunstenares. In haar oeuvre speelt het niet-uitgestippelde levenspad een grote rol. Levenskunst, maar dan eentje die de mens overkomt en niet tuttig en veilig boetseert. Vrij Nederland merkte over haar werk al eens op dat mensen zonder gevoel voor het ‘normale’ van het ene in het andere avontuur tuimelen. Met De zomer van de onwaarheden bedrijft Zandwijk een soort anti-Biedermeier. Een dochter die haar eigen moeder de Spaanse cel in manipuleert? Daar kan geen Bert van Leeuwen, Familiediner of Rijdende Rechter tegenop…

    De zomer van de onwaarheden
    Auteur: Nelleke Zandwijk
    Uitgeverij: Querido

    De Maniac

    De beroemdste grondlegger voor de moderne computer is Alan Turing. Er werd zelfs een film aan hem gewijd, een groot succes dankzij Benedict Cumberbatch. Over wiskundige Neumann János, later veramerikaniseerd tot John von Neumann, gaat de roman De Maniac. Benjamín Labatut vertelt zijn leven na met filmisch allure en feitelijke accuratesse. De geboren Hongaar legt zich naast de wiskunde toe op de basis van kunstmatige intelligentie en werkt mee aan oorlogswapens. Toch blijven zijn beweegredenen, net als die ene ontcijferaar van de nazi’s, een enigma. Wat dreef Neumann ertoe De Maniac te worden die zijn intelligentie aan Faust gaf?

    Benjamín Labatut ziet anno 1980 het levenslicht weliswaar in Rotterdam, zijn boeken schrijft hij in het Engels. Momenteel woont hij waar zijn ouders vandaan komen: Santiago de Chile. Voor Het Blinde Licht uit 2020 ontving hij al een nominatie voor de International Booker Prize. De Maniac zou opnieuw een hoogtepunt kunnen vormen voor zijn carrière. Vertroosting en geruststelling heeft Labatut echter niet te bieden in deze vertelling van een gekaapt genie. Uniek detail: de Nederlandse vertaling van Dirk Jan Arensman verschijnt eerder dan het Engelstalige origineel.

    De Maniac
    Auteur: Benjamín Labatut
    Uitgeverij: Meridiaan Uitgevers
  • Waarnemen wat anderen ontging

    Waarnemen wat anderen ontging

    In 2021 overleed de gelauwerde dichter, romanschrijver en essayist K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter (1936-2021). Vanaf 1963 verschenen van zijn hand tientallen publicaties, allemaal heel verschillend van aard, maar steevast herkenbaar door Schippers’ ernstige liefde en aandacht voor het speelse en het alledaagse – en voor het bijzondere dat hij daarin vaak wist te betrappen. In 2022 verscheen postuum een bundel gedichten onder de titel Je moest me eens zien, die nog door Schippers zelf werd samengesteld. 

    Voor een overleden dichter met een indringend en fijn afgesteld taalgevoel als Schippers is de titel Je moest me eens zien, uiteraard programmatisch: hij is dood, we kunnen hem niet meer zien. We moeten het doen met deze gedichten. Met deze titel nodigt hij de lezers uit: ‘je moest me eens zien’ en in deze gedichten is hij ook te zien. Vraag blijft wel wat we te zien krijgen, wat Schippers de lezer te zien geeft. Iedereen kijkt anders, hij zelf incluis. Juist daarin blonk Schippers zijn leven lang uit: iets waarnemen dat anderen doorgaans ontging. Laten we eens kijken. 

    Zeventien van de ruim vijftig gedichten uit Je moest me eens zien, schreef Schippers tussen 2016 en 2018 als stadsdichter van Amsterdam. Die gedichten zijn tijdloze kunstuitingen die juist, en bijna vanzelfsprekend tijd- en plaatsgebonden zijn. Ze gaan bijvoorbeeld over een tentoonstelling in Foam (Fotomuseum Amsterdam) aan de Keizersgracht, de sluiting van het warenhuis V&D, de afbraak van de Valeriuskliniek, de dood van Armando. Misschien om juist niet in die voor de hand liggende kuil te vallen wijdt Schippers ook een ‘stadsgedicht’ aan een poëtische tekst van meer dan duizend jaar oud, vertaald uit het Chinees. En daarin gaat het dan weer over het tijdloze lijden van mensen die bekenden en beminden moeten missen die eerder zijn gestorven dan zij zelf. Een universeel gegeven.

    Wat we nog meer zien, is zintuiglijkheid. De dichter K. Schippers voelt, kijkt, ruikt, hoort en raakt aan, wordt aangeraakt of denkt en schrijft over aanrakingen. Titels van gedichten wijzen al in die richting: ‘Dicht bij je’, ‘Op de tast’, ‘Toevalsaanrakingen’, ‘Wat je aanraakt’.

    ‘Me afdrogen
     met de handdoek
     waarmee je je
     net hebt afgedroogd
     brengt me
     nog dichter
     bij je’ 

    Waarin de zintuiglijkheid, die telkens weer anders wordt verwoord, anders wordt benaderd om het pure plezier van taal, van exercities in observeren, verschuiven en bedenken aanwezig is. Een strofe als de volgende, in een postuum verschenen bundel, samengesteld door de dichter zelf, mag dan ook programmatisch heten: hij bevestigt de afwezigheid van de dode dichter K. Schippers, maar zijn interesse reikt over het graf. 

    ‘[…]
     wie ziet je
     als ik er
     niet meer ben’  

    of

    ‘[…] Hoeveel moet
     je van iets zien om het
     te herkennen.’

    Tegelijkertijd zijn Schippers’ gedichten in deze bundel niet te vangen. Ze verschillen in lengte, vorm, structuur. Zelfs met typografische stunts verrijkt Schippers zijn poëtische instrumentarium, waardoor sommige gedichten haast het karakter van een rebus krijgen. Zoals het gedicht waarin zelfs een ‘kruiswoordpuzzel tot leven gewekt’ wordt. 

     

     

    Deze bundel is een perfecte kennismaking met het speelse, geestige, talige, verrassende en soms vragen oproepende werk van K. Schippers. Door hemzelf bij leven en welzijn gekozen om gezien te worden na zijn dood. Je moest hem eens zien. 

     

     

  • Oogst week 29 – 2023

    Voor elkaar

    Toon Tellegen (1941) schreef een bijna ontelbaar aantal boeken, vooral kinderboeken. Het eerste was Er ging geen dag voorbij – Negenenveertig verhalen over de eekhoorn en de andere dieren (1984). Daarna volgden er nog talloze andere verhalen; grappig, ontroerend, met een filosofische inslag en soms een beetje moraal. Ook volwassenen lezen ze graag.
    Daarnaast publiceerde Tellegen meer dan twintig poëziebundels, en proza voor volwassenen. Bovendien schrijft hij teksten voor film en toneel. Hij ontving vele prijzen, waaronder Gouden en Zilveren Griffels, en voor zijn gehele oeuvre de Constantijn Huygens-prijs, de Theo Thijssen-prijs en de Hendrik de Vries-prijs.

    Dieren spelen vrijwel altijd de hoofdrol in zijn kinderenboeken. Allerlei dieren komen voorbij, vooral Tellegens mier en eekhoorn zijn beroemd. Ook de krekel, olifant, bij, egel, kikker, walvis en nog veel meer dieren fungeren als personages in de korte verhaaltjes waarin een probleem of vraag wordt opgeworpen. Het zijn metaforen voor menselijk gedrag en emoties. Olifant bijvoorbeeld wil graag vliegen en egel wil iemand anders zijn. Bij Tellegen komen ze na een klein avontuur en een ervaring rijker weer met de voetjes op de grond.

    De verzamelde verhalen in Voor elkaar gaan over dieren die elkaar troosten en helpen als er iets verkeerd is gegaan of als iemand verdrietig is. Zo heeft de sprinkhaan in zijn winkel nóg een dag voor de eendagsvlieg en kunnen schildpad en slak niet zonder elkaar bij het wedden wie van hen het langzaamst is.

     

    Voor elkaar
    Auteur: Toon Tellegen
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Gebied 19

    Tijdens de coronapandemie met lock-down en avondklok stelde Esther Gerritsen zich voor hoe het zou zijn als er steevast weinig mensen op straat zouden zijn. Toen ze haar hond uitliet, was ze vrijwel alleen buiten en haar fantasie ging aan het werk. Daar is Gebied 19 uit voortgekomen, een psychologische sciencefictionroman. Sciencefiction is een ‘oude liefde’ van Gerritsen, vertelt ze in een interview op Libris.nl. Ze leest het nog steeds graag.

    In Gebied 19 heeft op aarde een grote verandering plaatsgevonden. Niemand is daar erg verrast over, behalve hoofdpersoon Thomas, die niks heeft zien aankomen. De dag na zijn bruiloft laat hij de hond uit en blijkt hij alleen op straat te zijn. Wel ziet hij een groep mensen bij een buurthuis. Hij piekert, want hij had bij het wakker worden zijn vrouw niet in huis aangetroffen. Een soort depressie maakt dat hij niet kan geloven dat gelukkig zijn voor hem mogelijk is. Het leven voelt onecht, Thomas kan de werkelijkheid niet aanvaarden zoals die is. Uiteindelijk verhuist hij naar een andere planeet waar hij nieuwe inzichten verwerft en leert met de realiteit om te gaan.

    Gerritsen liet zich inspireren door onder meer boeken van Kurt Vonnegut en Ray Bradbury waar aliëns en andere planeten in voorkomen. Maar ‘Gebied 19 gaat uiteindelijk gewoon over relaties,’ zegt Gerritsen.

    Gebied 19
    Auteur: Esther Gerritsen
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus

    Nagenoeg

    De Belg Filip Rogiers (1966) werkte dertig jaar in de journalistiek, onder meer als redacteur en columnist bij De Standaard. Maar nu verruilt hij dat werk voor het onderwijs. Vanaf september gaat hij op een middelbare school Nederlands en Engels geven. De reden is dat hij op zijn zevenvijftigste nog nieuwe dingen wil leren, zegt hij. Eerder gaf hij al lessen journalistiek aan de Erasmushogeschool in Brussel.

    In 2011 publiceerde Rogiers een bundel literaire verhalen, Nauwelijks lichaam, die werd bekroond met de Debuutprijs 2012. In 2015 kwam Verman je uit, zijn eerste roman waarin de hoofdpersoon door overmoed twee keer onderuit gaat. Het boek werd genomineerd voor De Bronzen Uil. In 2018 verscheen de roman Angel over een Canadese Navo-militair die in Noord-Frankrijk is gelegerd tijdens de koude oorlog.

    Nagenoeg is Rogiers’ poëziedebuut. Tussen het eerste en het laatste gedicht zit dertig jaar, de dichter liet zijn werk rijpen. Sommige gedichten verschenen eerder in de Poëziekrant en Het Liegend Konijn. Ze ademen een sombere atmosfeer. Onderwerpen zijn gevreesde intimiteit, gedwarsboomde liefdes en moeizame levens. Dagblad De Morgen bestempelt de teksten als donkere maar glasheldere gedichten. De flaptekst heeft het over ‘meedogenloos hard’.

    Nagenoeg
    Auteur: Filip Rogiers
    Uitgeverij: Uitgeverij Poeziecentrum Vzw
  • Een boek om te delen

    Een boek om te delen

    Morris woont bij zijn oma. ‘Voor een tijdje maar. Het was het beste zo. Dat zei zijn oma. Er waren verdrietige dingen gebeurd.’ Morris denkt aan de verdrietige dingen, maar geeft er geen duidelijke woorden aan. Dat hoeft ook niet, in Morris, de jongen die de hond vond van Bart Moeyaert, is het verdriet voelbaar tussen de regels door.

    De oma van Morris heeft een hondje: Houdini. Het hondje heet zo omdat hij niets liever doet dan verdwijnen. Dan rent hij weg, de berg op en is Morris degene die hem moet vinden. Op de berg is het koud, maar Morris weet de weg. Hij heeft de dingen namen gegeven, dat helpt. Zo noemt hij het bosje struiken dat prikt de Egels, en voorbij de Egels moet hij op deze dag lopen. Er valt sneeuw, heel veel sneeuw. Tot diep in zijn enkels staat hij in het witte pak. ‘Morris dacht wat hij heel dikwijls dacht: dat alles altijd verandert, juist als je het niet wilt.’ Niet veel later volgt een onverwachte ontmoeting vol spanning.

    Ondanks dat er verdrietige dingen gebeurd zijn, is Morris geen verdrietig jongetje. Sterker nog, je moest Morris geen jongetje noemen. ‘Of kereltje. Je moest niet met je vlakke hand op zijn bol tikken en ocharm zeggen.’ Zijn oma begreep dat, zij gaf hem een naam waarvan hij brede schouders kreeg.

    Bart Moeyaert heeft weinig woorden nodig om de koude wereld te schetsen. In prachtige zinnen vertelt hij Morris’ verhaal. Je voelt het vriezen en de sneeuw, het verdriet, de eenzaamheid, de spanning en de troostende liefde van zijn oma. Dit is zo’n boek dat je na het lezen nog een tijdje met je meedraagt en waarvan zinnen je bijblijven zoals: ‘Als je stiekem huilt, huil je nooit helemaal uit.’ En: ‘Als iemand zo stil mogelijk probeert te huilen, moet je niet vragen of hij huilt. En ook niet waarom.’ Moeyaert doet dit knap, het zijn lessen die niet belerend zijn maar die je hoofd laten knikken. Want het is zo. Er zijn verdrietige dingen gebeurd en er wordt gehuild, maar Morris is bovenal een troostend boek, gevuld met ontroerende zinnen die erom vragen om herlezen te worden.

    Prachtige illustraties en vormgeving

    De soms paginavullende illustraties van Sebastiaan van Doninck trekken je nog meer het verhaal in. De prenten zijn gekleurd in warm-koud contrast en versterken hiermee de sfeer. Ook de vormgeving van Herman Houbrechts draagt hieraan bij. Vooral het moment dat het hondje verdwijnt in de sneeuw wordt sterk verbeeld. In drie woorden rechts onderin staat ‘Houdini was verdwenen.’ Even hiervoor hoopt Morris nog dat ‘hij ergens zwarte vlekken zou zien lopen.’ De zwarte letters op de verder witte pagina symboliseren het hondje in de oneindige sneeuw, maar ook maakt het de machteloosheid van Morris voelbaar.

    Morris is een boek om te delen. Het is misschien wel omdat Moeyaert de tekst oorspronkelijk schreef voor een muziektheaterproductie, dat dit boek zich bij uitstek leent om voorgelezen te worden. Het is in ieder geval te hopen dat Morris zijn weg vindt naar veel slaapkamers en klassen. Dit is een verhaal waar je al luisterend samen van geniet, waar je eerst voor jezelf een tijdje over nadenkt en waar je vervolgens, net als Houdini, je gedachten over wilt laten ontsnappen.

     

     


    Literair Nederland werkt aan een spin-off voor kinder- en jeugdliteratuur, Jong Literair Nederland. Om alvast in de stemming te komen, zullen er zo nu en dan recensies over kinder- en jeugdboeken op Literair Nederland verschijnen. Wij zijn nog op zoek naar recensenten. Ben je bekend in de kinderboekenwereld? Lees je kinderboeken en lijkt het je leuk ze te recenseren, laat het ons weten of stuur alvast een proefrecensie op!  mohana@literairnederland.nl of carolien@literairnederland.nl
  • De waarheid regeert

    De waarheid regeert

    Een journalist die de complexe problemen rondom globalisering wil verslaan, moet ook op zijn eigen werkwijze reflecteren. Wie laat hij aan het woord, hoe beïnvloeden zijn vooroordelen de besluitvorming en waar trekt hij de scheidslijn tussen mening en waarheid, tussen fabel en verslag? Voorgaande vragen sluimeren steeds op de achtergrond in de essays die reportagemaker Frank Westerman heeft gebundeld in zijn boek Te waar om mooi te zijn. De titel weerspiegelt Westermans fascinatie voor verhalen, die niet ontsproten zijn aan fantasie, maar realiteit. Hij slaagt erin om uiteenlopende impressies sfeerrijk en humoristisch te schetsen en ze op een natuurlijke wijze aan elkaar te breien. Uit die montage put Westerman vernieuwende inzichten op hoe de mens met zijn omgeving tracht en dient om te gaan.

    Moordlustige ijsberen en sovjet-apen

    Die diversiteit aan verhalen resulteert in een bizarre en schijnbaar absurde opeenvolging van gebeurtenissen. Aanvankelijk lijken Spitsberger ijsberen, Drentse motorraces of milieuactivisme rondom een Franse stuwdam weinig gemeen te hebben.  Er zijn evenwel constanten die dadelijk opvallen, zoals Westermans sobere maar puntig geformuleerde opmerkingen. Op Spitsbergen diende hij een training te volgen om zich gewapenderhand te kunnen verdedigen tegen moordlustige ijsberen. Over de veiligheidsinstructie van die training schrijft hij dat ‘die belangrijk is, omdat je een grotere kans loopt door je eigen wapen om te komen dan door een ijsbeer.’ De combinatie van de laconieke toon en het waarheidsgehalte van zulke zinnen werkt wonderwel. Wie echter lineair geconstrueerde verhalen verwacht, is bij Westerman aan het verkeerde adres.

    Wat wél een rode draad vormt, is de relatie tussen mens en natuur. Het is duidelijk dat Westerman ervan overtuigd is dat de opportunistische houding van de mens tegenover zijn omgeving afgelopen eeuw heeft geleid tot catastrofes. In ‘De apenrots van de Sovjet-kameraden’ troont hij ons mee naar het verwilderde apeninstituut van de Sovjet-Unie in Georgië. De verloedering van de dieren en de wanhoop van de onderzoekers koppelt hij aan de ondergang van de socialistische heilstaat die leidde tot de oorlog in Georgië. Dat verband beklemtoont Westerman met een ijzersterke slotalinea, waarin de bundel grossiert: ‘Vier jaar nadien weet zich in de bossen rond de verlaten luchthaven nog altijd een groep bavianen te handhaven. Startsjev zou ze willen tellen, observeren […] of vangen. ‘Maar niemand durft erheen’, zegt hij. “Het wemelt er van de mijnen.”

    Journalistiek impressionisme

    De vluchtigheid van zijn stijl en de verscheidenheid van zijn essays corresponderen met hoe de werkelijkheid volgens Westerman in elkaar steekt. In de inleiding staat er dat ‘de werkelijkheid te weerbarstig is voor haastwerk. Zij is te krom om recht te praten, te geplooid om glad te strijken, te ongerijmd voor een limerick.’ In het essay ‘De zalm die lacht’ verweeft hij het eerdergenoemde conflict over de stuwdam met zijn eigen ervaringen als student waterbouwkunde. Vanuit zijn expertise formuleert Westerman bedenkingen en kritische vragen. Als student heeft hij namelijk bijgedragen aan de opbouw van zulke dammen, terwijl de huidige, milieubewuste jongeren ze net willen afbreken. Door dat contrast te scheppen tussen zijn en de huidige generatie jongeren tracht Westerman de problematiek van de mens-natuur-relatie op scherp te zetten.

    In zulke (generatie-)conflicten voelt hij er zich zelden toe geroepen de lezer van een antwoord te voorzien. De eerlijkheid waarmee hij zijn eigen twijfels te berde brengt, dwingt je als lezer om eveneens je vooroordelen op te schorten. Die kritische en empathische participatie van de lezer dwingt de auteur af met goed getimede poëtische middelen. Aan het eind van het essay over de stuwdam schrijft hij: ‘Maar hoe ik het ook probeer, ik kom uit bij de echoput: wie roept in de lege kom van le grand lac, hoort tussen de bergwanden de tijdsgeest weergalmen. Of dat een goede geest is of een kwade, hangt af van de (on)verbeterlijkheid van de roeper die ook toehoorder is.’

    Die subjectieve methode om als journalist zijn eigen waarneming te bevragen wordt expliciet tot thema gemaakt in het essay ‘In de schoenen van maestro kapu.’ Het is een ode aan en tevens een bespreking van het werk van de Poolse verslaggever Ryszard Kapuściński, door Westerman sterk bewonderd. Dankzij zijn systematische gehalte vormt dit essay een cruciaal punt van de bundel. Kapuściński is namelijk niet onomstreden, aangezien vlak voor diens dood bleek dat hij sommige zaken uit zijn duim had gezogen. Voor Westerman lijkt dat echter weinig afbreuk te doen aan de literaire spitsvondigheid, waarmee de Poolse verslaggever zijn talloze reizen beschreef. Westerman vergelijkt zijn mentor met Vincent van Gogh, omdat Kapuściński het impressionisme in de journalistiek heeft binnengebracht. De Nederlandse volgeling roemt de ongepolijste stijl van de Pool en diens voorkeur voor de parafrase, want ‘door na te vertellen kan hij de kern van de zaak beter uitlichten, eigen accenten aanbrengen. Of ons met een twist de andere kant op doen kijken, de kant die hij wil.’

    Fabelachtige montage

    Het gebruik van impressionistische miniatuurtaferelen, die elkaar naadloos afwisselen, bepaalt eveneens de structuur van de andere essays. De meest verfijnde toepassing hiervan is te vinden in ‘Duel op 8000 meter’. Dat handelt over een aanvaring tijdens de beklimming van de Mount Everest, die de Nederlander Bart heeft gehad met de Wit-Russin Irina. Bart heeft over dat avontuur een boek geschreven, terwijl Westerman Irina in Minsk is gaan opzoeken om haar kant van het verhaal te horen. Irina’s relaas wisselt hij af met cursief gedrukte citaten uit Barts boek. Die montagetechniek zorgt ervoor dat het onderwerp op een dynamische manier vanuit tegengestelde invalshoeken wordt belicht: ‘“ik vreesde dat hij het niet zou pikken als hij door een vrouw werd ingehaald.” “Dan hoor ik gehijg. Ik kijk om en zie dat de klimster me volgt. Ik schreeuw dat ze moet omkeren.” Irina vertelt over de ijle lucht op achtduizend meter.’

    Te waar om mooi te zijn is een coherente essaybundel, die je blik op de zaken telkens probeert om te keren. In het essay met dezelfde titel als het boek schrijft Westerman dat ‘het gros van de wereldbevolking liever op fabels dan op feiten vaart.’ Ik reken mijzelf met graagte tot diezelfde meerderheid, ware het niet dat Westerman de feiten zélf fabuleus opschrijft.