• Buiten de eigen bubbel willen denken

    Buiten de eigen bubbel willen denken

    Margot Brouwers debuut als schrijver, Sterrenstof zijn wij, draait om ‘een gemeenschappelijke visie: een coherente levensbeschouwing waarin natuurwetenschappen en zingeving elkaar versterken’.

    Brouwer heeft ‘als zinzoekende natuur- en sterrenkundige’ daarbij filosofie te hulp geroepen. Met name die van Spinoza (1632-1677), die hen (Brouwer is non-binair) op het spoor kwam door een van de heldere boekjes van de inmiddels overleden theoloog Jan Knol. En dan toegespitst op Spinoza’s adagium ‘Deus sive natura’ (God ofwel de Natuur), al komen er ook heel wat andere geleerden voorbij uit allerlei hoeken en gaten van de wetenschap en de wereld, van vroeger en nu.

    Benedictus de Spinoza

    In diens boek omschrijft Brouwer Spinoza’s filosofie als pantheïstisch (God is in alles), hoewel panentheïstisch (alles is in God) misschien adequater is. Maar daarover zou je in discussie kunnen gaan. Iets dat helemaal in diens lijn ligt, want de auteur staat dit nadrukkelijk voor: ‘Ik wil lezers inspireren het gesprek aan te gaan: met mij, met gelijkgestemden, maar ook met mensen die je uit je vertrouwde denkwereld kunnen lokken’. Hen wil als gezegd niet alleen een bijdrage leveren ‘aan een positieve dialoog tussen natuurwetenschap en zingeving’, maar ook – zoals de ondertitel van het boek luidt – ‘ontzagwekkende inzichten uit de wetenschap die hoop geven’ bieden.

    Opvallend is de manier waarop hen dit doet. Elke titel van de zeven delen waaruit dit omvangrijke boek bestaat, is een vraag: Waar ben ik? Bestaat God? Heeft het bestaan zin? Wat kunnen we weten? Wie ben ik? Waarom bestaat het kwaad? Waar ga ik heen als ik sterf? Dit geeft niet alleen aan dat Brouwer zich niet verbeeldt de waarheid in pacht te hebben en antwoorden kant en klaar op te kunnen dissen, maar het maakt de lezer ook nieuwsgierig welke weg wordt ingeslagen om tot antwoorden te komen.

    Elk deel begint met een persoonlijk Intermezzo. Zo lezen we dat de kleine Margot al vanaf het zevende levensjaar sterrenkunde wil gaan studeren. Alle muren van diens kinderkamer zijn bedekt met afbeeldingen van sterren en planeten. Op onware grootte, om met Nicolaas Matsier te spreken (in 2023, over zijn fascinatie voor verkleiningen). Kind kunnen blijven en als volwassene het universum proberen te begrijpen; is dat wat Brouwer doet?
    Uiteindelijk worden ‘planten, dieren, mensen, jijzelf, de zon, maan en sterren, de natuurwetten en zelfs het universum (…) door God verklaard of veroorzaakt’. Ze bestaan, zoals Spinoza meende, ‘in God’.

    Nieuwe vorm van zingeving

    Voor Brouwer maakt Spinoza’s filosofie ‘het (…) mogelijk om een nieuwe vorm van zingeving te ontdekken die niet in tegenstellingen is tot de natuurwet, maar er juist op is gebaseerd’. Spinoza’s denken gaat niet uit van doeloorzaken, zoals Aristoteles deed, maar van de causale oorzaken van de wiskunde. Een steen valt niet omdat God dat wil, maar door de zwaartekracht. ‘Doeldenken maakt ons blind voor de intrinsieke waarde van de natuur zoals zij op zichzelf bestaat: onafhankelijk van enig nut voor de mensen. Zoeken naar zin sluit ons af van het diepe spirituele besef dat alles al volmaakt is.’ Helemaal vanuit Spinoza gedachte zinnen.

    Tijdens een lezing van de Russisch-Amerikaanse fysicus Andrei Linde stelde Brouwer eens een vraag. Alleen omdat hen ‘het antwoord wilde weten’. Volgens Spinoza is het moment toen en daar, op dat moment er rijp voor, wat dus dieper gaat dan alleen het antwoord willen weten. Overigens maakt Brouwer ook aantekeningen bij de redeneringen van Spinoza. Bijvoorbeeld bij stelling 4 uit het derde deel van de Ethica, het boek waartoe de auteur zich grotendeels bepaalt: ‘Geen ding kan worden vernietigd, tenzij door een uitwendige oorzaak’. Brouwer zet daar tegenover dat er ‘wel degelijk dingen bestaan die vanzelf uit elkaar vallen’, zoals lithium. Maar daarbij moet dan wel worden aangetekend dat lithium pas lang na Spinoza, in 1817, door Johan Arfwedson werd ontdekt. Hen deed in dit geval dus aan postdatering.

    Innerlijke rust en vrede

    Ook is de auteur het niet eens met Spinoza’s definitie van geluk als de gemoedstoestand van innerlijke rust en vrede, die je altijd moet proberen te bereiken, omdat hen wel blijdschap kan ervaren, maar niet ‘het volmaakte, blijvende geluk’. Dat kan misschien ook niet in de grote voorbeelden die Brouwer noemt (een relatie, prestigieuze baan, grote reis, mooi huis) maar misschien eerder door op een eenvoudige manier te leven, zoals Spinoza deed. En niet door – zoals Brouwer voorstelt – ‘je overlevingsbril’ (conatus noemt Spinoza dat) af te zetten, want die is ook bedoeld om een beter mens te worden in de wereld(politiek) en niet om jezelf per definitie neer te leggen ‘bij je eigen beperktheid’.

    Brouwer komt in deel 7 van de studie uiteindelijk uit bij Spinoza’s besef dat ‘bewustzijn onsterfelijk is’, het weten dat de dood niet hoeft te worden gevreesd, zoals hen als kind en jongvolwassene deed. Het is dat weten waardoor die zich ‘nooit tevredener gevoeld [heeft] dan hier en nu (…) reflecterend op [diens] eeuwige eenheid met het Al’. In de wetenschap dat volgens Spinoza ideeën voortleven in een ander.

    Al met al is Sterrenstof zijn wij niet alleen buitengewoon rijk qua ideeën, maar ook nog eens gewoon fraai geschreven, met de nodige lichtheid, humor (‘wie heeft nooit van een collega gedacht: loop naar de maan!’) en zelfrelativering. Bijvoorbeeld wanneer hen schrijft dat bijna iedereen last heeft van ‘duistere, geniepige gedachten’ en vervolgt met: ‘Wat zeg je? Ik ook? Hoe kom je daar nou bij?’ Een hoopvol boek voor iedereen die buiten de eigen bubbel wil denken en nieuwsgierig is naar de combinatie van natuurwetenschap en zingeving.

     

  • Na het begrip kwam de bevrijding

    Na het begrip kwam de bevrijding

    In De Stalenburg onderzoekt auteur Paulien Bom (1954) haar antroposofische jeugd, die werd bepaald door haar ouders, beiden strikte aanhangers van de antroposofie. Wie waren zij eigenlijk? Wat heeft de antroposofie haar als kind gebracht – en wat betekent het nu voor haar als volwassene?

    De Stalenburg, haar ouderlijk huis in Den Dolder, fungeerde als een vesting waar het leven van Paulien en haar broers zich grotendeels binnen de vier muren afspeelde. In de nalatenschap van haar ouders vond ze een plattegrond van het huis uit 1953. Het wordt de aanleiding voor haar onderzoek. Samen met haar broers keert ze na vijftig jaar terug naar De Stalenburg waar ze gastvrij worden ontvangen door de huidige bewoners, die het huis ingrijpend hebben verbouwd.

    Streven naar het goede

    Het huis werd bewoond door vier gezinnen en op de plattegrond is te zien hoe de ruimtes in elkaar grijpen. Tijdens de dwaaltocht door het huis komen de herinneringen terug. Herinneringen aan de adventskalender, voorgelezen worden door moeder met haar fijne voorleesstem, spelletjes doen met vader of het medicijnkastje met die ‘heel speciale geur, met de mufheid van verschaalde olie, doortrokken van een vleugje lavendel en iets medicinaals. Het is een geur die zich in alle huizen nestelt als de antroposofie er vaste voet aan de grond heeft gekregen.’

    In het teken van de antroposofie leeft men sober en anti-materialistisch en dat was met Bom’s ouders niet anders. Haar vader was antroposofie en duldde geen enkele kritiek op Rudolf Steiner of zijn filosofie. Meditatie, zelfstudie, lezingen en de eindeloze zoektocht naar zelfbewustzijn en verdieping stonden altijd voorop, herinnert Paulien zich. Terugkerende elementen in antroposofische verhalen en boeken zijn Ahriman en Lucifer, twee figuren die volgens Steiner staan voor het kwaad, het bekrompene en materialistische. Ahriman werkt via de angst, terwijl Lucifer meer staat voor de verleiding en de illusie. Ze speelden een belangrijke rol in het leven van Bom’s vader, die altijd streefde naar het goede midden en de goede maat. Omdat hij vond dat hij vanuit zichzelf mateloos was en moeite had het goede midden te vinden.

    De kinderen gingen naar de Vrije School in Zeist, waar de bijbehorende pedagogische disciplines een grote rol speelden: nat-in-nat schilderen, euritmie – een vorm van ballet maar vrijer uitgevoerd – en veel muziek. Ondanks haar huidige bezwaren bewaart Paulien Bom ook vooral goede herinneringen aan deze elementen. Het was misschien niet zozeer de opvoeding zelf, maar het anders-zijn, het niet tot de “gewone” kinderen behoren, dat haar het meest heeft beïnvloed. Dit wij/zij-gevoel, dat haar zich superieur liet voelen ten opzichte van anderen, ervaart ze later als een van de grootste lasten uit haar jeugd.

    Antroposofisch lot

    Haar vader adoreerde Rudolf Steiner. In zijn werkkamer hingen twee foto’s van hem, die diepe indruk maakten op de jonge Paulien. ‘(…) in De Stalenburg ging het daar nooit over, maar die twee foto’s leken te suggereren dat alleen hij ertoe deed.’ Wat antroposofie precies inhoudt, is lastig uit te leggen, vindt Bom. Het is geen geloof, eerder een complex en idealistisch gedachtegoed met invloed op opvoeding, heilpedagogie, geneeskunde, biologisch-dynamische voeding, kleurenleer, muziek en zelfs architectuur.

    Hoewel Bom een lichte toon hanteert en beeldend schrijft, begint het boek wat taai. Ondanks de afgebeelde plattegrond is het huis voor de lezer lastig voor te stellen, maar voldoende afwisseling in haar verhaal houdt de aandacht vast. Hierdoor blijft het boek ook voor buitenstaanders – mensen zonder antroposofische achtergrond – boeiend.

    Gaandeweg wordt Pauliens beeld van haar ouders steeds helderder. Ze ziet hun eenzaamheid in het aanvaarden van hun zelfgekozen lot. ‘Ze vroegen niet om hulp bij moeilijke beslissingen, maar hielden hun pijn en emoties binnenskamers. Dus er kwam geen hulp.’ Dergelijke observaties maken het boek niet alleen menselijk, maar leggen ook Bom’s eigen gevoelens bloot. Was ze zelf niet net zo eenzaam? Zagen haar ouders hun kinderen eigenlijk wel echt?

    Wanneer Paulien en haar broers De Stalenburg achter zich laten, breidt ze haar onderzoek uit, wat het verhaal interessanter maakt. Haar vader krijgt daarin de meeste aandacht. In het dankwoord verklaart ze waarom haar moeder minder prominent aanwezig is: zij was geen schrijver en kwam uit een eenvoudige Zeeuwse familie, waar weinig brieven of dagboeken geschreven werden. Haar vader, Lex Bos, daarentegen, was een man van het woord. Hij schreef brieven, hield dagboeken bij en publiceerde talloze antroposofische studies.

    Dankzij deze overlevering van teksten kon Bom dieper in de geschiedenis duiken, niet alleen van haar ouders, maar ook van haar grootouders en zelfs haar betovergrootvader, Allard Pierson – predikant, kunsthistoricus en kritisch denker. Er zijn ook verbanden met de socialistische predikant Domela Nieuwenhuis en met Menno ter Braak, een vriend van haar grootmoeder, die levensbeschouwelijke filosofieën niet schuwde. Haar vader werd in zijn tienertijd voor de oorlog een devote aanhanger van de antroposofie, hoewel hij in zijn studententijd kortstondig lid was van het corps en even een decadent leven leidde, voordat hij zich volledig onderdompelde in het strenge regime van zelfstudie en verdieping.

    Nieuwe inzichten

    Na een val op haar hoofd, ze is al lang volwassen, raakt Paulien Bom lange tijd uit de running – waarover ze Op de kop getikt (2009) schrijft. Ze balanceert op de rand van een depressie en worstelt met de vraag wat ze met de antroposofie aan moet. Ze voelt zich verzadigd, overvoerd door het dogmatische aspect. Uiteindelijk besluit ze haar lidmaatschap op te zeggen, ze blijft in Zeist wonen en haar losmaken-van voelt niet als een echte bevrijding, het wij/zij-denken zit te diep geworteld.

    Haar zoektocht is geen afrekening met haar jeugd, maar eerder een poging om te begrijpen. Door gesprekken te voeren met haar oma van vaders zijde, met mensen die haar vader goed hebben gekend en met degenen voor wie hij veel betekende, komt ze tot nieuwe inzichten. Ze leest zijn boeken en onderzoekt de geschiedenis achter de antroposofie.

    De laatste maanden van haar vaders leven beschrijft Bom ontroerend. Ze kan met mildheid naar hem kijken. Wanneer zij en haar broers na zijn overlijden zijn dagboeken vinden in de kelder, opent dat nog een nieuw luik naar zijn persoonlijkheid. Een belangrijk besef dringt tot haar door: juist dankzij zijn volharding, die zij van hem heeft geërfd, kon ze dit onderzoek doen en dit boek schrijven. Een reis naar Australië en gesprekken met familie daar, leert haar het kleine te zien en anders te kijken naar de wereld om haar heen. Pas dan is het proces van de echte bevrijding begonnen.

     

     

     

  • Pleidooi voor hervorming machtstructuren

    Pleidooi voor hervorming machtstructuren

    ‘In zekere zin gaat dit boek over vrouwen, maar in wezen gaat het over macht. Machtsstructuren leiden tot misbruik door mensen die denken dat ze boven de wet staan en dat andere mensen niet volwaardig meetellen’. Met deze zin, halverwege haar boek Bastions van hoogmoed, herhaalt Martha C. Nussbaum wat ze de pagina’s daarvoor al een paar keer heeft benadrukt en wat ook al onderwerp was van eerdere filosofische beschouwingen van deze hoogleraar recht en ethiek aan de Universiteit van Chicago: grensoverschrijdend gedrag is pas echt aan te pakken als we de machtstructuren veranderen. Seksuele intimidatie tot zelfs grove vernedering van vrouwen (in Nussbaums voorbeelden soms ook van mannen) denderde in Nederland ineens de huiskamers binnen door de misstanden bij The Voice of Holland, gevolgd door gevallen bij De Telegraaf, bij Ajax en in nog enkele andere zaken. Bastions van hoogmoed kon daarom niet op een beter moment komen. Het verbreedt de discussie over de incidenten tot dieperliggende problemen van afhankelijkheid, machtscentra en werelden waarin de ‘daders’ zijn opgegroeid en die hun denken hebben gevormd.

    Wetgeving

    Die actualiteit zal Querido mede hebben verleid om het boek hier op de markt te brengen. In een noot van de redactie, voorin het boek, valt iets van een verontschuldiging te lezen als er staat dat Nussbaum het heel specifiek heeft over de Amerikaanse situatie, maar ‘de essentie van haar betoog van universele betekenis’ is. Dat is een terechte noot, in beide opzichten. Om maar met die Amerikaanse kant te beginnen: vooral het juridische hoofdstuk 5 schetst een organisatie die totaal afwijkt van de Nederlandse. Zo verschilt de strafwetgeving in Amerika per staat, terwijl het civiele recht een federale aangelegenheid is. Het kan daarom voorkomen dat een dader van een aanranding er in de staat waarin die zich voordeed mee wegkomt, terwijl hij toch civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade (de affaire rond O.J. Simpson is er een voorbeeld van).

    Veel universeler zijn dan ook de hoofdstukken waarin Nussbaum schrijft over de psychologische kant van misbruik en over de machtsstructuren die soms zo sterk zijn dat slachtoffers stelselmatig tegen een muur op lopen.  Wat dat laatste aangaat is het slothoofdstuk over de zieke wereld van de college sports, hoewel ook dat weer over Amerika gaat, wel degelijk instructief voor een breder begrip van misstanden in ons land.

    Hoogmoed

    Het bedoelde hoofdstuk gaat over de drie sectoren in Amerika waarin seksuele intimidatie en misbruik het meest voorkomen en de bescherming ertegen voor de slachtoffers of klokkenluiders het laagst is. Het zijn de ‘bastions van hoogmoed’ uit de titel van het boek. De drie sectoren zijn de federale rechtspraak, de kunsten en de sport. Op al die terreinen is de macht van de functionarissen zo groot dat zij vrouwelijke medewerkers kunnen maken en breken zonder dat er controle is op hun handelwijze, laat staan dat de getroffenen rechtsbescherming genieten: ze zijn voor hun verdere carrière te afhankelijk van de heersende kliek. Toch ziet Nussbaum wel mogelijkheden om de eerste twee bastions transparanter te maken door andere regelgeving of andere structuren. Maar over het derde bastion, de college sports zegt zij: daarbij ‘is de structuur zo verziekt, zijn de prikkels zo pervers, dat er volgens mij niets anders opzit dan het Division I-football en –basketball compleet op te doeken’ (de college sports zijn de trots van de universiteiten waaraan ze verbonden zijn en de coaches en spelers verdienen veel meer dan hun bazen van de universiteit die hen zouden moeten controleren. Voeg daarbij nog de commerciële belangen die zo groot zijn dat niets aan de doofpot ontkomt en de ondoordringbaarheid is duidelijk. In die sector worden mannen opgenomen en gekweekt die oprecht denken dat ze boven de wereld staan en dat ze kunnen doen wat ze willen. Nogmaals: ze denken het oprecht. Ze kúnnen het niet anders meer zien.

    Objectificatie

    Nussbaum wil in haar boek duidelijk maken waarom het zo moeilijk is om daders van machtsmisbruik tegen vrouwen ter verantwoording te roepen, waar de weerstand zit en waarom die zo taai is. Haar belangrijkste punt in alle voorbeelden die ze geeft is de hoogmoed van de betreffende mannen: het is ‘de ondeugd die erin bestaat dat je jezelf boven anderen verheven waant, dat anderen voor jou geen volwaardige mensen zijn’. Die hoogmoed valt te herkennen in raciale problemen maar ze is er ook jegens vrouwen van wie de lichamelijke integriteit en de handelingsbekwaamheid wordt ontkend. Naast die hoogmoed is er de hebzucht: de mannen om wie het gaat gunnen een ander niet de macht die ze zelf bezitten.
    Een kernbegrip in die hoogmoed en hebzucht is voor Nussbaum de objectificatie: het veranderen van een mens in een ding. En een ding kan niet autonoom handelen, het mag gebruikt worden, het is inwisselbaar voor een ander ding, het kan als eigendom worden gebruikt en het kent geen gevoelens. Iemand die je als ding ziet hoef je dus ook niet te respecteren. Nussbaum noemt tal van voorbeelden die ze steeds terugbrengt tot die kwesties van hoogmoed, hebzucht en objectificatie. Dat doet ze op een overtuigende manier. Toch bepleit ze aan het eind van haar betoog af te zien van wraak of de schandpaal voor de mannen die het betreft – enkele notoire onverbeterlijke gevallen daargelaten. Er moet ergens in die mannen een omkering te bereiken zijn. Al is het een lange weg die het vooral nodig maakt om bestaande machtstructuren te ontmantelen waarin die mannen opgesloten zitten. Zo weet Nussbaum de lezer in haar somber stemmende boek toch nog met een lichte hoop achter te laten.