• Zomerlezen – drie topboeken

    De jaren

    Sommige boeken maken een onuitwisbare indruk wanneer je ze leest als tiener of jongvolwassene. Klassiek werk van schrijvers als Dostojevski, Tolstoj, Kafka en Camus. Later wordt het lezen van een boek dat een blijvend stempel drukt op je literaire ervaring zeldzamer. Het is dan ook extra bijzonder om nog eens zo’n boek te ontdekken dat een onuitwisbare induk op me maakte, zoals De jaren van Virginia Woolf, recent opnieuw in het Nederlands vertaald.  De lezer volgt de Engelse familie Pargiter vanaf het einde van de negentiende eeuw tot in het interbellum, maar een traditionele familiehistorie is dit niet. Elk hoofdstuk speelt zich af in een ander jaar en beslaat slechts één of enkele dagen terwijl ondertussen de geschiedenis op de achtergrond verstrijkt en de meeste mijlpalen uit het leven van de personage resoluut overgeslagen worden. In het verglijdende perspectief en de weergave van de inwendige belevingswereld van de karakters toont de auteur haar absolute meesterschap. Ze maakt zo de zoektocht van de telgen Pargiter in het doolhof van hun eigen bewustzijn op ongeëvenaarde wijze inzichtelijk. Sommige scènes zijn hartverscheurend mooi, bijvoorbeeld in het slotdeel. Woolf slaagt er in het gerijpte De jaren optimaal in om het menselijke en het experimentele van haar proza tot een eenheid te smeden, waarmee ze zich bewijst als een van de grootste romanschrijvers van alle tijden.

     

    De jaren
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & van Gennep

    Wij houden van Tsjernobyl

    Door de populaire HBO-serie Chernobyl die op dit moment speelt, neemt het toerisme in de streek die door het rampzaligste kernongeluk uit de geschiedenis werd getroffen sterk toe, maar Aleksijevitsj drijft er al de spot mee in haar schitterende boek Wij houden van Tsjernobyl, dat in een eerste versie verscheen in 1997. Later volgde uitbreiding van het materiaal. Balancerend op het snijvlak tussen geschiedschrijving, journalistiek en literatuur, laat Svetlana Aleksijevitsj een stoet van ooggetuigen aan het woord komen. Dit levert een veelstemmig document op dat de huiveringwekkende reikwijdte laat zien van de Tsjernobyl-ramp. Het boek geeft niet alleen inzicht maar eert tegelijkertijd de rampenbestrijders en hun nabestaanden: elk levensverhaal is een novelle bij deze Nobelprijswinnaar. Je weet niet wat je leest.

     

    Wij houden van Tsjernobyl
    Auteur: Svetlana Alexijevitsj
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Pereira verklaart

    Na het zware literaire geschut tot slot een fijnzinnige roman gesitueerd in het Portugal onder dictator Salazar, opvallend genoeg geschreven door een Italiaan. Protagonist Pereira, apolitiek redacteur van de literatuurbijlage in de krant, leidt een onopvallend bestaat totdat hij in contact komt met een mysterieuze student die rebelleert tegen het regime. Om hem van enig werk te voorzien laat Pereira de jongeman necrologieën schrijven van nog levende schrijvers, die stuk voor stuk onbruikbaar blijken door hun sterk politieke toon (maar daarin wel heel grappig zijn). Geleidelijk dringt de vraag zich op hoelang hij zich nog afzijdig kan houden van het leven zoals dat zich onder zijn neus afspeelt. Tabucchi brengt een fraaie samenhang aan in deze compacte roman door een handvol motieven en stijlelementen, waaronder die van de opzet als ‘verklaring’. Una testimonianza, is de ondertitel dan ook. Een parel van een boek, veel beter kom je ze in een leesjaar doorgaans niet tegen.

    Pereira verklaart
    Auteur: Antonio Tabucchi
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Hoe overleef ik mijn slaven?

    Hoe overleef ik mijn slaven?

    Om elke irritatie die zou kunnen ontstaan bij het lezen van de titel weg te nemen, is het belangrijk om twee zaken te vermelden. Allereerst slavernij bestaat nog steeds! Auteur Jerry Toner: ‘Maar voor we onszelf op de borst kloppen over onze vooruitgang, is het goed te bedenken dat slavernij, ondanks de illegaliteit ervan in alle landen ter wereld, toch op brede schaal blijft bestaan. Dat is tragisch. De NGO Free the Slaves schat dat 27 miljoen mensen onder bedreiging van geweld gedwongen worden te werken. Ze worden niet betaald en hoop op ontsnapping hebben ze niet. Er leven vandaag de dag in onze wereld meer slaven dan er in het Romeinse Rijk op enig moment zijn geweest. 

    Ten tweede hebben we hier natuurlijk niet echt te maken met een handleiding ‘Hoe houd ik zo efficiënt en succesvol mogelijk slaven?‘. Maar daar lijkt het wel op. De beroemde historica Mary Beard, die het voorwoord schreef, merkt op dat als dit boek tweeduizend jaar geleden was verschenen, het in de top tien van managementboeken zou hebben gestaan. Volgens haar is Marcus Sidonius Falx zeer betrouwbaar waar het gaat om een voor Romeinen belangrijk onderdeel van hun traditie: het managen van slaven.

    Wat dit boek ons, een ‘niet-Romeins publiek’, ‘lezers uit een barbaars volk’ (aldus Falx) laat zien, is dat het hebben van slaven bij de Romeinen (en Grieken) misschien wel een van de meest normale zaken was die men zich kon voorstellen. Was Marcus Sidonius Falx niet een verzinsel geweest, dan zouden we hier te maken hebben met een onvervalst, zeer waardevol document van de hand van een rijke grootgrondbezitter die dagelijks omging met slaven van allerlei soort.

    Marcus Sidonius Falx mag dan niet bestaan hebben, grootgrondbezitters zoals hij hebben wel degelijk bestaan en de ideeën die hij in dit boek verkondigt, werden door iedereen in de Romeinse (en Griekse) oudheid gedragen.

    De schrijver Jerry Toner heeft een goed en prettig leesbaar, populair-wetenschappelijk boek geschreven; hoewel hij alle mogelijke authentieke documenten en wetenschappelijke studies bij dit werk gebruikt heeft, is het boek verre van saai. Dat komt omdat hij zelf de rol van commentator op zich genomen heeft en Marcus Sidonius Falx het woord laat doen. Deze Marcus, van adellijke afkomst, lid van een oud senatorengeslacht, diende vijf jaar lang eervol in het zesde legioen, waarna hij terugkeerde naar Rome om zijn zaken te behartigen en zijn uitgestrekte landerijen in Campanië en de provincie Africa te beheren. Zijn familie bezit al talloze generaties heel veel slaven; hij is dus de aangewezen persoon om iets te vertellen over het fenomeen (slaven) dat zo essentieel was ‘dat het bij niemand ook maar opkwam dat het misschien ook niet kon bestaan. Slaven bezitten was de normaalste zaak van de wereld. Jammer genoeg weten we niet wat de slaven zelf dachten: hun mening deed er niet toe. Over wat hun meesters over hen dachten, weten we echter veel.‘ Marcus/Jerry kent zijn ‘klassieken’: wat Marcus in zijn handboek schrijft, heeft hij gehaald uit teksten van beroemde tijdgenoten van hem, zoals Cicero, Petronius, Plinius de Oudere, Plinius de Jongere, Seneca.

    Marcus’ handboek is opgebouwd uit niet al te lange hoofdstukken, in totaal elf. In elk hoofdstuk spreekt hij over een aspect waar de ‘heer en meester’ rekening mee moet houden bij het managen van slaven. Nadat Marcus meestal op vermakelijke en ook leerzame wijze zijn verhaal heeft gedaan, geeft Toner een kort, beargumenteerd commentaar hierop. Tevens vermeldt hij meteen vrij gedetailleerd de authentieke bronnen waaruit Marcus zijn wijsheid haalt. Ook zonder deze vermelding zou een oud-gymnasiast kunnen merken dat Marcus put uit dezelfde brieven, beschrijvingen, verhalen en anekdotes als die hij zelf ooit heeft moeten bestuderen.

    Het eerste hoofdstuk is gewijd aan het kopen van slaven. Van belang was de functie die de slaaf moest gaan vervullen. Een veldslaaf had andere kwaliteiten nodig dan een huisslaaf. Slaven die met hun meester onder één dak woonden en persoonlijke diensten moesten verrichten, werden met grote zorg gekozen. Verder moest de koper goed opletten bij welke slavenhandelaar hij zijn slaven kocht en ‘de verkoper vragen dat de slaaf zich ontkleedt. Die verkopers zijn een hoogst onbetrouwbaar mensensoort. Ze proberen vaak met kleren gebreken letterlijk toe te dekken. Een lange tuniek moet dan bijvoorbeeld   X-benen verbergen, en kleren met stralende kleuren leiden de aandacht af van zwakke, schriele armpjes.‘ Van bijzonder belang was de keuze van een goede voedster, want, zo betoogt Marcus, deze vrouw zal vaak de eerste zijn die door jouw kind mama genoemd zal worden. ‘Als babysit voor mijn kinderen gebruik ik graag slavenkinderen die ik zelf met mijn eigen slavenvrouwen heb. De slaven die het dichtste bij jou als meester staan, zijn zij die in je jeugd voor jou hebben gezorgd.

    In het hoofdstuk over de manier waarop de eigenaar het beste uit zijn slaven kon halen, staat een lange ‘checklist van de plichten van je beheerder, zodat je kunt nagaan of hij doet wat jij wil dat hij doet.

    In het hoofdstuk ‘Slaven en seks’ staat de aanbeveling slaven toe te staan een gezin te stichten, omdat dat naast stabiliteit, ook andere voordelen biedt. Het houdt de slaven tevreden en ze zullen harder werken om hun vrijheid te verdienen. Ouders van slavenkinderen zullen minder snel geneigd zijn om weg te lopen.

    In het hoofdstuk ‘Wat is een goede slaaf?’ gaan commentator en Marcus meer op de filosofische toer. Het is een inwijding in de denkbeelden van het stoïcisme aan de hand van een aantal teksten van de Romeinse filosoof Seneca (opvoeder van de latere keizer Nero). Volgens deze leer is het gegeven dat een slaaf een slaaf is niet relevant. Wat telt is of iemands ziel ‘vrij’ is. Het gaat dus om het innerlijk en niet om de status. ‘Vrijwillig’ slaaf zijn van bijvoorbeeld seks of eten of bezit, dát maakt iemand pas werkelijk tot een slaaf.

    Ook is er een hoofdstuk gewijd aan het bestraffen van slaven, over wat daarbij wel en niet geoorloofd is. Extra aandacht gaat uit naar de bestraffing van weggelopen slaven. In dit hoofdstuk vertelt Marcus het bekende verhaal van ‘Androcles en de leeuw’. De slaaf Androcles had om te ontsnappen aan de dagelijkse zweepslagen van zijn meester zijn toevlucht gezocht in de woestijn. In de afgelegen grot waar hij zich verborgen hield, strompelde een leeuw binnen. Androcles verwijderde een grote splinter uit de zool van de poot van de leeuw en verzorgde de wond goed. Drie jaar deelden zij daarna de grot en het voedsel. Wanneer hij later in Rome voor de wilde dieren, i.c. deze (inmiddels gevangen) leeuw, gegooid wordt, weigert de leeuw hem te verscheuren, vlijt zich aan de voeten van de man: een hartverscheurend tafereel!

    Slavenopstanden bleven, aldus Marcus, gelukkig zeldzaam. Dat een slavenopstand voor de Romeinen hun grootste nachtmerrie was, zal duidelijk zijn. Het aantal slaven in een huishouding of op een landgoed was in veel gevallen vele malen groter dan het aantal vrijgeborenen. Een veel gehoorde uitspraak in dit verband was: ‘Tel je slaven en je weet hoeveel vijanden hebt.‘ Marcus: ‘Hoe betrouwbaar en loyaal jouw slaven ook mogen lijken, als ze de kans krijgen vrij te komen, grijpen ze die bijna allemaal. En dan ben jij de loser.‘ Natuurlijk komt in dit hoofdstuk de slavenopstand onder leiding van Spartacus (73-71 v.Chr.) uitgebreid ter sprake. Toner noemt in dit verband ook de film uit 1960 van Stanley Kubrick met Kirk Douglas in de hoofdrol en wijst op de gevaren van valse voorlichting.

    Over het algemeen zou de weerstand van slaven in de keizertijd zich uiten in kleinigheden als leugens, bedrog, een ziekte voorwenden, ongehoorzaamheid op kleine schaal.

    In het hoofdstuk ‘Slaven vrijlaten’ staat op welke wijze dat gebeurde, en dat het vrijlaten van slaven ook een normaal verschijnsel was. Overigens bleven slaven na hun vrijlating nog altijd in de invloedssfeer van hun ex-meester. Dat hield in dat hij nog steeds bepaalde opdrachten aan hen kon geven, maar ook dat de ex-meester verantwoordelijkheden tegenover zijn vrijgelatenen had.

    Het kwam ook voor dat de relatie slaaf-meester zo goed was dat de slaaf liever niet vrijgelaten werd. (Sommige vrijgeboren dagloners hadden minder te besteden en te eten dan een slaaf in een stedelijk huishouden.)

    In het laatste hoofdstuk merkt Toner op dat het niet klopt dat het christendom inherent positiever stond tegenover slaven dan andere antieke stromingen, zoals het stoïcisme. ‘We hebben de neiging te denken dat de lessen van het christendom de leefomstandigheden van slaven verbeterden. Maar uit de bewaarde bronnen blijkt niet dat christelijke eigenaren hun slaven beter behandelden dan heidenen. (…) Christelijke auteurs gaan ervan uit dat slaven zich immoreel zullen gedragen. De voorbeelden waarin christelijke auteurs het slechte gedrag van hun ‘kudde’ vergelijken met ‘het soort gedrag dat je normaal van slaven verwacht’ zijn dan ook talrijk.

    Herkenning van een (al dan niet op school vertaalde) authentieke tekst kan een bron van vreugde zijn. Minder prettig, ja soms zelfs storend, is het om af en toe uit de mond van Marcus de bijna letterlijke tekst van een van Seneca’s Brieven te horen. Het taalgebruik van Seneca is immers zo anders dan Marcus’ alledaagse, tamelijk populaire manier van spreken.
    Toner heeft met dit goed leesbare boek een belangrijke bijdrage geleverd aan de geschiedschrijving. Hij heeft gebruik gemaakt van heel veel authentieke teksten en door het als een handleiding voor ‘meesters-in-opleiding’ door een ter zake kundig man te presenteren, maakt de lezer van nu op een vanzelfsprekende manier kennis met alle ‘ins and outs‘ van de slavernij in de oudheid. Voor wie nog meer wil lezen over dit onderwerp heeft hij een lijst van boeken en artikelen toegevoegd.

    Wie zich dus niet laat afschrikken door de titel, heeft na het lezen van dit boek, dat op vlotte en humoristische wijze is geschreven door het zeer deskundige ‘duo’ Falx/Toner, (in de goed leesbare vertaling van Patrick De Rynck) een compleet beeld van slavernij, een fenomeen dat eeuwenlang een wezenlijk onderdeel is geweest van de Romeinse maatschappij.

     

    Handboek slavenmanagement

    Auteur: Marcus Sidonius Falx, Jerry Toner
    Vertaald door: Patrick De Rynck
    Verschenen bij: Athenaeum, Polak & Van Gennep
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 19,99

  • De moeizame overgang naar een nieuw wereldbeeld

    De moeizame overgang naar een nieuw wereldbeeld

    Toen Galilei in 1633 de Inquisitie op zijn dak kreeg, was dat niet zozeer om zijn standpunt dat de aarde om de zon draait en niet andersom, maar om de manier waarop hij van die opvatting getuigde in zijn Dialogo sopra i due Massimi Sistemi del Mondo Tolemaico e Copernicano. Van dat beroemde boek uit 1632 verscheen onlangs voor het eerst een Nederlandse vertaling.

    Galilei (1564 – 1642) had zijn standpunt als zodanig al moeten bezuren in 1616. Toen had hij het eindelijk aangedurfd om op te komen voor de ontdekking van de Pool Copernicus, die in 1543 zijn De revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen van de hemellichamen) had gepubliceerd. Vóór 1600 was Galilei er eigenlijk al wel van overtuigd dat de oude opvatting van de Griek Ptolemaeus dat de aarde het middelpunt van het heelal was, niet kon kloppen en dat Copernicus, volgens wie de zon het middelpunt was waaromheen alle planeten, inclusief de aarde, draaien, het wel eens bij het rechte eind zou kunnen hebben. Maar toen durfde Galilei dat niet te ventileren uit angst om zich belachelijk te maken omdat Copernicus’ bewijs niet helemaal overtuigde. Toen hij er in 1616 wél over durfde te publiceren snoerde de kerk hem de mond en zette het boek van Copernicus alsnog op de Roomse lijst van verboden boeken.

    Waarom kon in 1632 dan toch de Dialoog verschijnen? Dat had verschillende redenen.

    Er waren ondertussen meer bewijzen door de uitvinding van de verrekijker / telescoop. Galilei kon daardoor allerlei tot dan toe onbekende verschijnselen waarnemen zoals bergen en dalen op de maan, manen rond Jupiter, de fasen van Venus enzovoort. Maar bovenal: in 1623 was een nieuwe paus aangetreden, Urbanus VIII. Hij was een goede bekende van Galilei – zelf ook katholiek. Urbanus was een man met wie te praten viel, ook al was hij aanhanger van Ptolemaeus en dienden diens opvattingen over de aarde volgens hem overeind te blijven omdat ze ook in de Bijbel werden verwoord.

    Galilei won de paus voor het idee dat hij de nieuwe wetenschappelijke inzichten zou verwoorden in de vorm van een dialoog tussen een aanhanger van de Ptolemaeische wereldvisie en een aanhanger van die van Copernicus. Daar kon de paus mee instemmen als Galilei het maar hield bij een beschrijving van die standpunten zonder partij te kiezen. Ter bevestiging nam Galilei een voorwoord op waarin te lezen valt:

    Door deze beschouwingen zal de wereld er hopelijk kennis van nemen dat wij (…) niet minder explorerend onderzoek hebben verricht, en dat, als wij blijven volhouden dat de Aarde onbeweeglijk is en we het tegenovergestelde alleen opvatten als een wiskundige gril, dat niet voortkomt uit gebrek aan kennis van wat anderen hierover hebben gedacht, maar dat we dat onder meer doen omdat ons dat wordt ingegeven door vroomheid, religie, erkenning van de goddelijke almacht en het besef van de zwakheid van de menselijke geest.

    De kerk verwierp de moderne denkbeelden dus niet uit onkunde, zo stelde die zin, maar uit overtuiging. Het voorwoord was in werkelijkheid dan ook van de hand van de kerkelijke censor en niet geschreven door Galilei zelf. Die mocht er alleen stilistisch wat aan knutselen, maar de inhoud moest overeind blijven.

    Eén van de vermakelijkheden van het lezen van de Dialoog is, nu we sinds 2012 eindelijk over een mooie Nederlandse vertaling beschikken, hoe Galilei er af en toe in slaagt door de mazen van het pauselijke net heen te zwemmen. Dat doet hij al direct door de keuze van de deelnemers aan de dialoog. Hun namen verwijzen naar historische personen uit het Italië van die tijd, maar hun rol heeft weinig met hen te maken. Salviati komt in de discussie op voor het standpunt van Copernicus, en Sagredo is de zeer geïnteresseerde leek waarmee de lezer zich gemakkelijk kan identificeren. Hun namen zijn ontleend aan twee vroegere vrienden van Galilei die respectievelijk in 1614 en 1620 waren overleden. Maar de sluwheid van Galilei zit in de derde deelnemer, Simplicio. Voor de kerk deed hij het voorkomen alsof ook diens naam verwees naar een historische figuur, ene Simplicio van Cilicia, die in de zesde eeuw een commentaar had geschreven op Aristoteles. In werkelijkheid noemde hij deze verkondiger van de denkwereld van Ptolemaeus en Aristoteles zo omdat Simplicio letterlijk ‘Simpelmans’ betekent.

    De discussianten hebben zich vier dagen opgesloten in het paleis van Sagredo, gewapend met schrijfgerei en papier. In het boek komen dan ook de nodige tekeningen en berekeningen voor, maar die staan het leesplezier van de in exacte vakken matig geschoolden niet in de weg; die zullen zich dan evenwel niet moeten spiegelen aan één van de inleiders bij de Nederlandse vertaling die meldt van het boek genoten te hebben ‘in de loop van een vakantie op een zonnig strand, ver vóór hij van de geschiedenis van de natuurwetenschap zijn vakgebied had gemaakt’. Een strandboek is het niet.

    Op de eerste dag bespreken de drie vooral zaken als beweging en de door Ptolemaeus en Aristoteles veronderstelde tegenstelling tussen de onvergankelijke en volmaakte sterrenhemel met zijn rondcirkelende sterren en planeten en de vergangelijke Aarde die een vast punt in het heelal heeft. Dat gebeurt met alle denkbare drogredeneringen en sofismen. Én met de nodige humor. Zo worden de aanhangers van Aristoteles voorgesteld als geleerden die een comfortabel onderkomen hebben opgezocht ‘waar men, beschut tegen de gure buitenlucht, alle kennis over de natuur kan opdoen door alleen wat pagina’s om te slaan’ of die de inwerking van Zon of Maan op de Aarde verklaren alsof ze een marmeren standbeeld naast een vrouw zetten ‘en dan verwachten dat uit die verbintenis nakomelingen voortkomen’.

    Soms zijn de grapjes (voor ons als 21ste-eeuwers) subtieler, bijvoorbeeld als Salviati Simplicio verwijt dat hij niet zo’n slimme opvattingen huldigt, waarschijnlijk omdat hij Het Goudschaaltje en Brieven over de Zonnevlekken (twee boekjes van Galilei, maar dat wordt er niet bij vermeld) niet heeft gelezen.

    Het thema van de tweede dag is de vraag of de aarde om haar eigen as draait of niet. Het is de langste sessie die bovendien nogal langdradig kan overkomen. We kunnen ons in de 21ste eeuw misschien moeilijk voorstellen dat de drie gesprekspartners zich uren lang konden bezighouden met de vraag of een kogel die naar het oosten wordt afgeschoten dichterbij het kanon zal landen dan één die onder gelijke condities naar het westen wordt gericht. Daaronder ligt voor Simplicio immers het verweer dat áls de aarde zou draaien, het kanon mee draait en dus als het ware achter de kogel aangaat en de afstand bekort, terwijl het geschut verder wegraakt van de kogel die in westelijke richting wordt afgeschoten.

    We dienen zo’n discussie dan ook te lezen als waren we tijdgenoten. We doen evenzo afbreuk aan de Dialoog als we Simplicio simpelweg als een individuele dommerik zien. Los van het onderwerp – de draaiing van de aarde – staan hier twee denksystemen tegenover elkaar. De ene, vertegenwoordigd door Salvati, bepleit een onbevangen blik voor nieuwe ontdekkingen, experimenten en hypotheses, de andere houdt streng vast aan de leer van Aristoteles uit angst dat alle zekerheden op de tocht staan als diens leer wordt betwist. Of zoals Salvati tegen Simplicio zegt:

    ‘Ik begin te begrijpen dat u tot dusver tot de volksstammen heeft behoord die, om te leren begrijpen hoe zulke dingen in hun werk gaan en om kennis te verwerven over natuurverschijnselen, niet (…) rond (…) kanonnen gaan staan, maar zich terugtrekken in de studeerkamer en indices en registers door gaan zitten bladeren om te zien of Aristoteles er niet iets over heeft gezegd, en die, als ze eenmaal zeker zijn van de ware betekenis van de tekst, verder niets meer wensen en ook niet van mening zijn dat daarover nog iets anders te weten valt.’

    We horen hier een echo van de beschrijving op de eerste dag van geleerden die beschutting zoeken ‘tegen de gure buitenlucht’ (zie hiervoor).

    Blijkbaar heeft de tweede dag erin gehakt, want op de derde verschijnt Sagredo na een doorwaakte nacht waarin het hem geduizeld heeft van wat hij hoorde. Simplicio komt zelfs flink te laat nadat hij ’s avonds thuis uit ongeloof nog eens in oude boeken gedoken is. Maar niet alleen voor hen zal het een moeilijke dag worden, ook voor de alfa’s onder de lezers van de Dialoog vormt hij pittige kost.

    Het begint nog luchtig met een opmerking waaruit we kunnen opmaken dat de Diederik Stapels van alle tijden zijn, als Salvati constateert:

    ‘dat er onder de mensen enkele zijn die, in de omgekeerde volgorde redenerend, eerst in hun geest de conclusie bepalen en zich deze (…) zo grondig inprenten dat ze zich er onmogelijk van kunnen ontdoen. Met argumenten die zij zelf vinden, of die ze anderen horen aanvoeren als bevestiging van hun vaststaande denkbeelden, hoe simpel en stompzinnig die ook mogen zijn, stemmen ze meteen in en applaudisseren ervoor.’

    Hoofdthema van deze derde dag is de draaiing van de Aarde om de Zon. De opbouw van de discussie kennen we intussen van de vorige dagen. Steeds worden de opvattingen van Aristoteles onderuit geschoffeld en wordt aan de hand van nieuwe ontdekkingen met de telescoop en gedachtenexperimenten waarschijnlijk gemaakt dat Copernicus het bij het rechte eind had. Simplicio wordt het allemaal zo dol dat hij zelfs grote twijfels uit over de verrekijker die volgens hem alleen maar ‘drogbeelden en illusies’ laat zien.

    De vierde dag wijdt Salvati aan de getijdenbewegingen eb en vloed, die voor hem een bevestiging zijn van de dubbele beweging van de Aarde (dagelijks om haar as en jaarlijks om de Zon). De inwerking van die bewegingen op elkaar heeft, om het maar eens heel simpel te zeggen, tot gevolg het geklots van zeewater in intervallen van zes uur. Salvati, door wiens mond natuurlijk Galilei zelf spreekt, was niet op de hoogte van de werkelijke oorzaken van eb en vloed, die hoofdzakelijk in verband staan met krachten van de zon en de maan. Dat inzicht zou pas doorbreken met Newton (Salvati onderscheidt in de Dialoog een dagelijkse, een maandelijkse en een jaarlijkse getijdenperiode, waarvan alleen de tweede zijn oorsprong vindt in de bewegingen van de Maan).

    Op deze dag is het dat Galilei de pauselijke voorwaarden voor zijn publicatie schendt door tegen het einde (in de Nederlandse vertaling op pagina 646) Sagredo het volgende te laten zeggen:

    ‘De gesprekken van deze vier dagen hebben ons belangrijke steunbetuigingen opgeleverd ten gunste van het copernicaanse systeem. Daaronder blijken de volgende drie doorslaggevend: de eerste ontleend aan het stilstaan en achterwaarts bewegen van de planeten en hun naderen tot en zich verwijderen van de Aarde; de tweede aan de draaiing van de Zon om zichzelf en aan wat men bij zonnevlekken waarneemt; de derde aan de getijden.’

    Galilei legt die woorden niet in de mond van Salvatio, als een conclusie van zijn eigen woorden. Nee, juist de belangstellende leek die de zaak blanco benaderde, blijkt overtuigd te zijn. Dat ging de kerk te ver. De Dialoog mocht van de paus tegenstrijdige opvattingen verwoorden, maar géén partij kiezen. Gevolg: het boek kwam, net als dat van Copernicus in 1616, op de verboden lijst en de schrijver zelf diende zich voortaan van verder commentaar te onthouden.

    Nadat Galilei onder dwang van de katholieke rechtbank zijn standpunt had afgezworen, zou hij gemompeld hebben: Eppur si muove (En tóch beweegt ze). Dat heeft hij volgens de inleiders bij de Nederlandse vertaling zeker niet gezegd. Maar je begrijpt na lezing alleszins dat de legendevorming zo’n verzuchting aan Galilei’s veroordeling heeft willen verbinden.

    De Dialoog is een behoorlijke kluif, maar hij bevat mooie pareltjes voor wie bereid is zich te verplaatsen in de vroege 17de-eeuwer die, opgegroeid met rotsvaste zekerheden, op de drempel stond van een enorme ruk aan zijn wereldbeeld.

     

    Dialoog over de twee voornaamste wereldsystemen

    Auteur: Galileo Galilei
    Vertaald door: Hans van den Berg
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep (2012)
    Aantal pagina’s: 675
    Prijs: € 34,95