• Veelomvattend prozadebuut

    Veelomvattend prozadebuut

    Kookpunt van de Marokkaans-Nederlandse schrijfster Nisrine Mbarki Ben Ayad is een veelomvattend prozadebuut omdat de zeven verhalen die samen de roman vormen zich afspelen op vele locaties in Noord-Afrika en West-Europa, omdat veel motieven en personages een rol spelen en omdat belangrijke historische gebeurtenissen de revue passeren. Veelomvattend ook, omdat de roman Nederlandse lezers op een originele manier aan het denken zet over Euro- of Nederlandcentrisme en inzicht geeft in de binnenwereld van personages met Noord-Afrikaanse wortels of banden.

    Het vereist de nodige inspanning en wilskracht om je gerieflijk in de romanwereld van Kookpunt te bewegen, wat een lezer laat ervaren hoe (moeilijk) het kan zijn om je een ‘vreemde’ omgeving eigen te maken. Zo staan er in de roman de nodige Arabische teksten, bijvoorbeeld de opdracht voor in het boek, het motto bij het eerste verhaal en de hoofdstuktitel van het vierde verhaal Maria de Maagd en soms in de verhalen zelf. Ook hebben de meeste personages Arabische namen als Si Boujamaa Skerbik, Ydder Bel Abbes, Samia, Zainab, Salma Murqus, Malak Benayad en Hadj Bachir. Dit alles levert een enigszins vervreemdend (lees)ervaringsfeit dat nieuwkomers in Nederland maar al te goed kennen als levenservaring, namelijk net even wat meer je best moeten doen. De schrijfster zet de lezer daardoor niet alleen aan het werk, maar confronteert ook en dwingt tot waardevolle introspectie.

     Africentrisch

    Utrecht, Brussel, Amsterdam en Parijs figureren in de verhalen, maar het zijn vooral Noord-Afrikaanse en Arabische landen als Marokko, Algerije, Egypte en Syrië die een rol spelen. Mbarki wijst de lezer via haar personages en de verhalen op een lange geschiedenis van kolonialisme en imperialisme en noemt meer en (vooral) minder bekende historische feiten vanuit Afrikaans/Arabisch-perspectief. In november 1884 werden de Afrikaanse continenten op een conferentie in Berlijn ‘door zeven gulzige kolonisten (…) met een liniaal verdeeld’ in veertig landen, ‘met alle desastreuze gevolgen van dien’ schrijft ze in het derde verhaal, ‘Zalamit’, over Ydder Bel Abbes uit Algiers die dan in Brussel woont. ‘Ydder dacht vaak aan de kaart van Algerije (…) hij zag de onnatuurlijke lijn die zijn land scheidde van Mauretanië, Mali en Niger.’

    Hij denkt overigens ook met weemoed aan zijn marxistische medestudente Malak, aan haar geliefde die de Franse nucleaire atoomproeven vanaf de jaren ‘60 op de Bikini-eilanden en in Algerije onderzoekt en onder verdachte omstandigheden omkomt, en aan haar latere echtgenoot Hadj Bachir die juist bij de ontwikkeling van dat atoomprogramma betrokken was. In andere verhalen wordt het gewelddadige optreden van de politie bij een massademonstratie van Algerijnen in Parijs in 1961 genoemd (waarbij behalve dode ook honderden gewonde Algerijnen in de Seine werden gegooid en verdronken), het broodoproer in Marokko in juni 1981 en de burgeroorlog in Syrië vanaf 2011. De eerste twee zijn bekende historische feiten voor Noord-Afrikanen, minder of helemaal niet voor West-Europeanen.

    Ook aardrijkskundig wordt de Eurocentristische blik blootgelegd en ontmaskerd. Op de omslag van het boek prijkt een beeld uit de Tabula Rogeriana, een atlas die in 1154 is voltooid door cartograaf Muhammad al-Idrisi. Helemaal achterin de roman is een wereldkaart opgenomen die, anders dan de bekende mercatorvariant, recht doet aan de werkelijke groottes en verhoudingen van landen in de wereld. Daarop is bijvoorbeeld te zien dat West-Europa bijna in zijn geheel in Algerije past! De Nijmeegse professor politieke geografie Henk van Houtum pleit al enkele jaren voor het ‘bevrijden van de kaart’ (‘free the map’) in vele opzichten. Mbarki wil met deze uitsmijter ook duidelijk en terecht zo’n punt maken en een andere blik op de wereld(kaart) werpen.

    Nostalgie en dualiteit

    De zeven verhalen van de roman zijn afzonderlijk van elkaar te lezen, maar vormen een groter samenhangend geheel doordat dezelfde personages soms terugkomen. Het eerste verhaal, geschreven vanuit een ik-perspectief, gaat over een meisje dat tot dan toe in Brabant is opgegroeid en op jonge leeftijd door haar ouders naar grootmoeder in Marokko wordt verhuisd, wat de schrijfster ook heeft meegemaakt. In de roman verongelukken de ouders, in het leven van Mbarki gelukkig niet. Voor de jonge ik-persoon én voor de schrijfster, zo heeft ze zelf regelmatig in interviews gezegd, is deze emigratie in meerdere opzichten een verrijking. Stoffige straten ten spijt geniet ze van de nieuwe, rijke wereld en taal. In alle verhalen wordt op een overtuigende wijze een positieve, warme Noord-Afrikaanse couleur locale geschilderd. Een belangrijke overeenkomst in veel van de verhalen is het ‘zevenkoppig monster van nostalgie’ naar geuren, kleuren, sferen en chaos. Suad uit het verhaal ‘Anba Antonius’ begrijpt niet hoe mensen kunnen leven in de geordende wereld die Europa is.

    Mbarki Ben Ayad zelf keert in haar tienertijd wel weer terug naar Nederland. In sommige verhalen blijkt opgroeien in twee verschillende landen en culturen en je intrinsiek tot beide verhouden niet eenvoudig. Cultuurrelativisme, afwijzing en racisme helpen daar niet bepaald bij. In het voorlaatste (titel)verhaal ‘Kookpunt’ komen de emoties van identiteit en thuis tot een kookpunt als de hoofdpersoon in dat verhaal, hetzelfde personage als in de eerste twee verhalen, in Nederland racisme en uitsluiting gaat ervaren. ‘Alles is hetzelfde, je bent alleen vele tinten donkerder.’ De wereld is zwart-wit geworden, gekleurde mensen worden niet gezien. Via struikelstenen wordt er in de wijk verwezen naar de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog en gerefereerd aan 9/11 in 2001.

    Sindsdien worden bij douanecontroles mensen met Arabische namen juist wél gezien. ‘Fouad en ik belichamen een gevaar dat alleen witte mensen zien’, constateert het ik-personage in het tweede verhaal ‘Moedermelk’ en ‘de menselijke empathie heeft zelfmoord gepleegd op het witte continent’. In dat verhaal stelt de ik-persoon ook: ‘Wat Fouad niet weet, is dat ik alle dualiteit uit mijn leven probeer te bannen’. De ik in dit verhaal heeft een terugkerende nachtmerrie over een verdrinkingsdood in een zee van moedermelk en er zijn rekeningen met moeder te vereffenen. Een moeder trouwens die in het laatste dystopische verhaal ‘Matrice’ een positieve sleutelrol vervult.

    Eerder verscheen van de meertalig literair vertaler en programmamaker Mbarki de dichtbundel Oeverloos. Haar poëtische kwaliteit blijkt in haar prozadebuut Kookpunt. De roman is verzorgd geschreven, de stijl is beeldend en brengt de lezer naar andere plaatsen en tijden: ‘De klamme zomer en de loomheid waarin de stad deze zomer is verzonken en de herinnering aan Hadj el Bachir katapulteren hem terug naar zijn ouderlijke straat in Algiers, vijfendertig jaar geleden, naar de tijd dat zijn broekzakken gevuld waren met een oneindige hoeveelheid dromen, frustraties en enkele muntjes voor koffie en een sigaret.’ Dit denkt Ydder vanaf een terrasje in Brussel, de stad waar hij zo van houdt omdat iedereen er een vreemde is, omdat alle talen er gesproken worden en ‘het continent’ vertegenwoordigd is. Een ideale wereld dus. Hij bestaat.

     

     

  • Migratie als iets diep menselijks 

    Migratie als iets diep menselijks 

    Oroppa van Safae el Khannoussi begint met de huiveringwekkend doodskreet van kunstenares Salomé Abergel. Het duurt bijna 400 pagina’s voordat Abergel daadwerkelijk overlijdt en in de tussentijd wordt de lezer meegenomen langs allerlei personages uit haar rijke leven. Na de verdwijning van Salomé Abergel uit haar huis aan de Amsterdamse Churchill-laan, zoekt snackbareigenaar en huisbaas Hbib Lebyad iemand om op het huis te passen. Hij vraagt voor die nobele taak een werknemer van hem, de jonge vrouw Hind el Arian. Als Hind niet werkt in de snackbar (die ze van Hbib ‘restaurant’ moet noemen) is ze te vinden in coffeeshop Rainblow City. Ze kan lastig haar draai vinden in het grote huis, zeker als ze in de kelder Abergels huiveringwekkende kunst vindt. Salomé’s zoon Irad, geboren in een Noord-Afrikaanse gevangenis, heeft een kroeg in Parijs waar het uitschot van de stad zich ophoudt. Hij komt naar Amsterdam na zorgwekkende verhalen over zijn moeder, en voor haar nagelaten kunst. Tegelijkertijd doet galeriehouder Hannah Melger er alles aan om Abergels kostbare kunst veilig te stellen. 

    Een geschiedenis van liefde en geweld

    Dit zijn de openingszetten van de ambitieuze debuutroman van Safae el Khannoussi. Een gelaagd verhaal, waar elke bladzijde weer nieuwe personages aan toegevoegd worden, met nieuwe perspectieven die het een boek met een allesbehalve eenvoudige plot maken. Voor de lezer die de puzzelstukken naadloos in elkaar wil laten passen, kan het een frustrerende leeservaring zijn. Maar als je je overgeeft aan het verhaal, is het een zeer indrukwekkend debuut. Net zoals Hinds ontdekking van de kunstkelder van Abergel wil de lezer steeds verder, steeds dieper afdalen in het verhaal van trauma, liefde, kunst en geweld. Want Oroppa is gevuld met geweld.

    De jonge Salomé Abergel belandt in ‘de jaren van lood’ in de Marokkaanse gevangenis onder de meedogenloze koning Hassan II die elke vorm van onschuldig verzet hard strafte. In de gevangenissen, waar ze gedurende jaren verblijft, zijn alle denkbare en ondenkbare vormen van geweld en verkrachting aan de orde van de dag. De angst voor ‘De Pelgrim’, het archetype voor de folteraar, blijft zelfs jaren later in Nederland nog bestaan. Centraal in de roman staat het idee van het 21e arrondissement; een fictieve plaats waar het uitschot van de wereld samenkomt. Het is een vrijplaats, waar de verstotene van de wereld een plek vindt om te schuilen voor het ontoombare trauma. 

    Europa als monster

    De personages in deze roman zijn allen complex en gelaagd, met hun eigen vertelstem en geschiedenis. Veelal zijn het migranten die stuurloos zijn geraakt in Europa. Het is mooi hoe Europa in deze roman verbeeld wordt als een monster; niet als een veilig paradijs. Je verleden neem je immers altijd met je mee. Migratie wordt in deze roman geen verwaterde politiek, maar blijft iets diep menselijks. Juist de verschillende vertelstemmen maken het mogelijk om de nuances en paradoxen van migratie weer te geven die buiten de literatuur zo ver te zoeken zijn. 

    De ambitieuze en zeer geslaagde opzet en de prachtige zinnen maken dit een atypisch debuut. Oroppa heeft meer gemeen met de groots opgezette boeken van Gabriel García Márquez of Salman Rushdie dan met de gemiddelde Nederlandse debutant. Door de caleidoscopische opbouw, de vele personages en ook de uitzichtloosheid waarin personages zich in bevinden is het geen eenvoudig boek. Maar wat deze roman zo geslaagd maakt is dat de lezer gaandeweg, moe gebeukt van alle martelingen en trauma’s, ziet dat kunst en taal uiteindelijk overwint. Het is te zien in de kunst die Abergel maakte, in het schrijven van de ‘Angstcahiers’ en in de troosteloze dichteres die aan het eind van het boek opduikt. Safae el Khannoussi weet de helende, overwinnende en ook grappige effecten van de taal zeer overtuigend over te brengen. De kunst blijkt de plek te zijn waar de terreur niet toeslaat, waar de tiran, ‘De Pelgrim’ of welke agressor dan ook geen vat op heeft.



  • Oogst week 19 – 2025

    De naaister en de wind

    De ik uit De naaister en de wind van de Argentijnse schrijver César Aira (1949) is een jaar of negen en speelt met zijn vriendje Omar op straat, waarbij ze in de lege oplegger van een vrachtwagen klimmen. ‘We probeerden elkaar angst te jagen, wat vreemd was zo midden op de dag en ook hadden we geen maskers en vermommingen (…) de angst bleek effectiever dan verwacht. Bij de eerste poging was die al buitensporig. Omar begon. Ik ging op de vloer zitten, dicht bij de rand aan de achterkant, en hij ging tegen de wand aan de andere kant staan. Hij zei “nu” en kwam met zware, trage stappen en zonder bekken te trekken of gebaren te maken (dat was niet nodig) op me af. De angst die me beving was zo groot dat ik mijn ogen moet hebben dichtgedaan. Toen ik ze weer opende was Omar er niet meer.’

    Maar het is niet Omar die verdwenen is maar de ik, wiens moeder, de naaister, denkt dat haar zoon per ongeluk ontvoerd is in een vrachtwagen. In paniek gaat ze er met een taxi achteraan. De vader gaat haar weer achterna, in een rood vrachtwagentje, en in een blauw autootje volgt ook de zwangere klant van de naaister, wat een kolderieke achtervolging oplevert. De vader vergokt zijn vrachtauto, de zwangere vrouw baart een monster en de naaister wordt de liefde verklaard door de zuidenwind, een soort opperwezen van de pampa.

    Het klinkt als een komische avonturenroman, maar het boek, oorspronkelijk uit 1994, heeft ook horror- en filosofische elementen, vleugen Zuid-Amerikaans magisch realisme, dadaïsme en surrealisme. Aira weeft er meeslepende herinneringen aan zijn jeugd en geboorteplaats Coronel Pringles (provincie Buenos Aires) en andere overpeinzingen doorheen. Hij wordt gezien als een van de origineelste Zuid-Amerikaanse schrijvers en publiceerde meer dan honderd titels.

     

    De naaister en de wind
    Auteur: César Aira
    Uitgeverij: Koppernik 2025

    Overgave op commando

    Hoofdpersoon Schelvis uit Overgave op commando van Nadia de Vries (1991) droomt ervan een meester te zijn, maar is in plaats daarvan een dienaar. Man noch vrouw is die een ‘soort avatar’ zegt Nadia de Vries in een interview met de Noord-Hollandse Dagbladcombinatie. ‘Diens identiteit wordt steeds bepaald door de manier waarop anderen hen indelen op de klassenladder.’

    Schelvis woont in een dorp aan zee onder de rook van een staalfabriek, heeft een litteken op het gezicht en blauw haar. De meeste dorpelingen werken in de zwarte wolken gruis uitstotende fabriek. Het ‘bezorgde ons rijbewijzen en gevulde koelkasten, we namen de wolken voor lief, alhoewel zij natuurlijk ook nadelen kende. Dankzij de fabriek bezat geen van ons witte kleren. Zelfs de communiejurken werden grijs na een middag aan de waslijn.’ (…) Net als de mensen in de fabriek zagen de orderpickers zelden zonlicht. Hun levens ontvouwden zich in afgesloten ruimten zonder ramen en zonder een klok aan de muur.’ Schelvis ziet een betere toekomst voor zich en besluit naar de stad te vertrekken, weg van diens lage sociale omgeving.

    De Vries kent de omstandigheden waarin ze Schelvis plaatst – haar ouders waren arbeiders – al werd zijzelf door een auto-immuunziekte aan huis gekluisterd. ‘Dit boek is voor mij een experiment,’ zegt ze in het interview. ‘Het onderzoekt de vraag wat er van mij geworden was als ik niet de jeugd had gekregen die ik heb gehad. En ook als ik niet de motivatie had gehad om ergens uit te breken.’ Schelvis is een optimistische personage omdat die ‘wel dingen probeert, maar het ook accepteert wanneer ze niet lukken. Ik denk dat dat een grote wijsheid en kracht laat zien.’ Ondanks dat Schelvis geen geld heeft en nog niet weet hoe de wereld in elkaar zit, ondanks tegenslag, weet die toch beetje bij beetje succes te bereiken.

     

    Overgave op commando
    Auteur: Nadia de Vries
    Uitgeverij: Pluim 2025

    Het verhaal over Mevrouw Berg

    Het verhaal over Mevrouw Berg is een bundel van vijf verhalen geschreven vanuit het perspectief van een kind. Voor kinderen en jongeren is de wereld vaak nog raadselachtig en magisch. In de verhalen uit Het verhaal over Mevrouw Berg ontmoet iemand de eerste liefde, komt een ander erachter dat ze erg op Janis Joplin lijkt, is helderziendheid een onderwerp en gaat een vertelling over glimwormen en kaarten.

    Mevrouw Berg uit de titel van het boek is een hamster waarvoor het kind een grote liefde heeft opgevat. ‘Maar toen ik het weekend daarna kwam, zag ik dat Mevrouw Berg geen eten had gekregen, want ze had aan haar molentje geknaagd. Ik zei tegen mama: “Je moet niet vergeten om haar elke dag eten te geven.” “Nee,” zei mama.”’ Ze stond bij de gootsteen. Maar ze waste niet af. Ze staarde naar de muur en beet alleen op haar lip. “Zal ik je helpen afwassen?” vroeg ik, en ik pakte de theedoek. We deden de afwas. Daarna rende ik naar mijn kamer en knuffelde heel lang met Mevrouw Berg. Die avond zaten haar wangen helemaal vol met zaad.’

    De Noorse schrijver en journalist Ingvild H. Rishøi (1978) heeft in haar boeken vaak het raadselachtige en beangstigende van relaties tussen mensen tot onderwerp, vaak in melancholische sfeer. Ze schreef drie kinderboeken, drie verhalenbundels en de novelle Stargate waarvan de film in oktober van dit jaar uitkomt. Met Stargate en de bundel Winterverhalen verwierf Rishøi grote bekendheid.

     

    Het verhaal over Mevrouw Berg
    Auteur: Ingvild H. Rishøi
    Uitgeverij: Koppernik 2025
  • Witte strik in aaibaar kroeshaar

    Witte strik in aaibaar kroeshaar

    Op de achtergrond is een zwierige dame in klederdracht te zien, rechts vooraan een blond jochie op klompen dat wat aarzelend hand in hand staat met een wat beteuterd kijkend zwart meisje in een zwart jurkje met wit kanten kraagje en een grote witte strik in het kroeshaar. Alleen al op grond van deze intrigerende foto op het omslag van De dochter – herinneringen aan anders zijn van journalist en columnist Harriët Duurvoort (1969) wil je weten wat het verhaal is bij deze foto. En wat een verhaal is dat, de levensgeschiedenis die de schrijfster over haar moeder heeft opgetekend!

    Eva Nijman werd als baby geadopteerd door Jan en Saar van Dam, die maar niet in verwachting raakten, maar wel een enorme kinderwens hadden. Zo’n adoptie ging indertijd, we spreken over 1928, soms gewoon via een advertentie in de krant. De biologische moeder van Eva was zwanger geraakt van een zwarte man en moest vanwege de schande van een buitenechtelijk kind afstand doen van haar baby. In de Scheveningse gereformeerde kerk waar Jan en Saar bij hoorden, kon de kleine Eva volgens de mannenbroeders van de kerkenraad niet gedoopt worden. Weliswaar vallen alle baby’s onder de ‘erfzonde’, maar de zonde die de moeder van Eva had begaan door zwanger te raken van een zwarte man werd toch wel beschouwd als hors catégorie. Het is het eerste van vele voorbeelden van racisme waar Eva in haar leven mee te maken zal krijgen.

    Enerzijds blijkt Eva daar op een heel mondige manier mee om te gaan. Frans, een notoire pestkop die haar bij voortduring uitscheldt voor ‘vieze vuile poepnikker’, wordt op verzoek van de zevenjarige Eva door de politie aangesproken op zijn gedrag. Haar adoptieouders weten van niets, Eva heeft helemaal zelf bedacht dat Frans voor de politie wel ontzag moet hebben. Haar actie heeft het gewenste effect. Anderzijds groeit Eva op in een wereld waarin zij het enige zwarte meisje is en waarin ze zich vaak eenzaam voelt. De gaper in de apotheek en het negerpoppetje in de kerk (waarin je in de wijdopen mond met dikke lippen munten kon gooien voor de zending) geven haar weliswaar een eigenaardig gevoel van verwantschap, maar waarom dat eigenlijk is kan ze als jong meisje niet onder woorden brengen.

    Roze armen en benen

    Naarmate Eva ouder wordt groeit het besef dat ze ‘anders’ is dan andere mensen. Dat willekeurige voorbijgangers willen voelen aan haar kroeshaar is tot daar aan toe, maar babyzusje Roos, dat tegen iedere verwachting in zeven jaar na de komst van Eva als biologisch kind van Jan en Saar geboren wordt, heeft ‘net zulke roze armen en benen als Vader en Moeder en blonde, steile haartjes’. Het onderwerp is thuis moeilijk bespreekbaar: ‘Toen was het tijd om Vader te vragen hoe dat allemaal in elkaar zat en ze verzamelde al haar moed. Maar hij zei alleen: “Jij bent onze Eva en je bent precies zoals je zijn moet! En wij houden van je!”

    Buitenshuis blijven de vooroordelen echter hardnekkig. Eva’s meester van de lagere school verzucht hardop tegen de ouders van Eva ‘dat dit ras niet kan leren’, terwijl Eva het tot dan toe eigenlijk prima deed op school. Die opmerking lijkt even een self fulfilling prophecy te worden, want het leren gaat Eva plotsklaps een stuk minder goed af, maar ze weet zich te herpakken en mag uiteindelijk zelfs naar de hbs, mede door bemoedigende woorden van de grote hoeveelheid ooms en tantes die ze rijk is. Binnen de familie is Eva geliefd en voelt ze zich gesteund, zolang ze maar geen vragen stelt over haar afkomst. Wanneer Eva tijdens de Tweede Wereldoorlog een persoonsbewijs moet hebben, biechten haar ouders op dat ze door iemand anders ter wereld is gebracht. Ze is dan al vijftien jaar oud. Haar ouders kunnen alleen maar benadrukken dat ze van haar houden.

    Emigreren

    De teleurstelling over de onmacht van haar ouders om over haar afkomst te praten, slaat bij Eva om in boosheid. In de jaren na de oorlog raakt het gezin Van Dam besmet met het emigratievirus. Uiteindelijk vertrekken de ouders en (inmiddels) twee zusjes van Eva na veel omzwervingen naar Canada. Eva besluit om niet mee te gaan, maar zich in plaats daarvan te vestigen in Suriname. Daar komt ze tot de ontdekking dat ze zich ook daar anders voelt (en anders bejegend wordt), omdat ze meer aansluiting heeft bij de witte minderheid.

    Ondanks het gevoel dat ze nergens echt bij hoort, komt Eva in elke fase van haar leeftijd over als een sterke vrouw, die de regie stevig in handen heeft. Nergens wordt gesuggereerd dat je medelijden met haar zou moeten hebben of dat ze bijzonder kwetsbaar zou zijn. Met de kennis van nu over adoptie, is de boosheid van Eva jegens haar zwijgzame ouders zeer begrijpelijk en invoelbaar. Al wordt ook keer op keer door haarzelf benadrukt dat Jan en Saar vanuit liefde kozen voor hun terughoudendheid. Het deel over de naoorlogse jaren voelt wat traag, maar wanneer Eva zich uiteindelijk settelt en zelf moeder wordt, is de aandacht voor het verhaal weer helemaal terug. De cliffhanger waar het boek mee eindigt geeft goede hoop op een vervolg. Vanwege de fijne stijl waarin het boek geschreven is, is het ook te hopen dat Harriët Duurvoort zich ooit aan een roman gaat wagen. Verhalen vertellen gaat haar namelijk bijzonder goed af.