• Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Ook de komende twee jaar krijgt literair tijdschrift Extaze subsidie van het Letterenfonds. Maar pas nadat protest aangetekend werd tegen de afwijzing van het subsidieverzoek. Dat betekent dat het Letterenfonds uiteindelijk toch vindt dat Extaze aan zekere kwaliteitseisen voldoet, waarbij talentontwikkeling een belangrijke rol speelt: ‘Kwalitatief hoogwaardige literaire tijdschriften dragen bij aan talentontwikkeling in de letterensector. Ze zijn een vrijplaats waar talent, nieuwkomers en gevestigde auteurs, de kans krijgt zich te ontwikkelen en redacteuren zich kunnen bekwamen in redactionele vaardigheden en zich kunnen presenteren aan publiek en vakgenoten.’

    De lijst langslopend van degenen die een bijdrage leverden aan het meest recente van Extaze dan klopt het wel zo ongeveer. Niemand in de line-up van nummer 24 is heel groen en nog nat achter de oren, maar het tableau de la troupe laat een grote diversiteit zien. Niet iedereen is al op papier gedebuteerd, maar allemaal hebben ze al literaire sporen verdiend. Een aantal van hen behoort tot de vaste kern van het tijdschrift of uitgevershuis In de Knipscheer – samen met stichting Tresspassers W verantwoordelijk voor het verschijnen van het tijdschrift – van anderen verscheen het werk verspreid.

    Thema van het nummer waarmee Extaze de zesde jaargang besluit is fotografie. Het nummer opent met drie essays die voor wat ze willen betogen eigenlijk iets te krap bemeten zijn. Daan Rutten moet het in De chaos en het beeld: over Willem Frederik Hermans als fotograaf ook nog eens zonder beeldmateriaal doen. Daardoor blijft wat hij beweert – dat er een zekere discrepantie zit tussen het wereldbeeld van de schrijver Hermans en zijn opvattingen over objectiviteit versus subjectiviteit als het om de fotografie in het algemeen en zijn eigen werk in het bijzonder – een beetje in de lucht hangen.
    Van de drie essays is dat van beeldend kunstenaar Onno Schilstra het meest origineel. Hij reflecteert vanuit eigen ervaringen op de opvattingen van Walter Benjamin over de mate waarin reproduceerbaarheid invloed heeft op het beklijven van beelden.
    Het derde essay van Ine Boermans gaat over het werk van Nan Goldin en Richard Billingham.

    Overigens is niet altijd even duidelijk wat een stuk in essentie is, de grenzen tussen de genres zijn rekbaar. Dat komt door de foto’s die nu eens herinneringen en historie oproepen en dan weer aanzetten tot fabuleren. In Twee keer een foto smeedt Hans Muiderman bijvoorbeeld twee verhalen aan elkaar – dat van het Ambonezenbosje in de Carel Coenraadpolder en de geschiedenis van de Van Kerkhovens, die bekendheid verwierven dankzij De heren van de thee van Hella Haasse. Zijn korte verhaal had ook het begin van een essay of een blog kunnen zijn. Eigenlijk is het nog niet af, maar wel afgeronder dan De foto en de dood van Wim Noordhoek, die in twee pagina’s veel aansnijdt over de rol die de fotografie na haar uitvinding ging vervullen en de betekenis die de mogelijkheid om momenten vast te leggen in individuele levens speelt.

    Het verhaal De Galvanistraters van Mischa van den Brandhof is een sfeervol geschreven familiealbum. De lezer ziet foto’s voor zich, waarbij het sepia overvloeit in zwart-wit en daarna kleur krijgt. Een heel mooi voorbeeld van ‘show, don’t tell’, hoewel dat principe niet zo zaligmakend is als vaak verondersteld wordt. In ‘Hoort ge dat?’ van Michel Ramaker waarin MacBeth opgevoerd wordt, rollen ongelijk verdeeld zijn en jaloezie opspeelt, broeit het. Maar zo sterk en suggestief als deze verhalen zijn niet alle bijdragen.
    Zo snijdt Jan Wijnen in Do not pass the line weliswaar een heikele kwestie aan – homoseksueel en leerkracht zijn op een christelijke school – en vindt daar ook een vorm voor die recht doet aan de dilemma’s van zijn hoofdpersoon, maar het verhaal heeft ook iets voorspelbaars.

    In een themanummer over fotografie horen beelden. Eric de Vries maakte verstilde portretten en spannend gekadreerde stillevende landschappen die los staan van de verhalen. De twee foto’s die voorafgaan aan Lynne en David van Dieuwke van Turenhout geven dat verhaal – over ouders die kritisch kijken naar hoe een ander stel hun kind opvoedt, zo kritisch dat je voelt dat er iets ergs gebeurd moet zijn – bedoeld of onbedoeld, een extra lading.

    Net als de verhalen zijn ook de gedichten divers van vorm en intensiteit. Waar Fred de Vries terloops lijkt op te schrijven wat hem op het moment zelf bezighoudt of overkomt, kiest Marcel de Roos zijn woorden zo dat zij gewichtig klinken. Meliza de Vries zit daar met haar stellige gedichten tussenin.

    Pim Wiersinga levert met zijn bijdrage Schrijven, de gooi naar het onbereikbare. Een conversatie een bijdrage aan de discussie over hoe literatuur gelezen moet worden in het licht van het leven van een schrijver. Hij voert  Tim Parks – die met De roman als overlevingsstrategie een knuppel in het hoenderhok gooide, de al in 1919 overleden Victor Segalen en zichzelf op als dramatis personae. Zijn aanpak is meer dan interessant, de vraag is echter of de discussie in deze vorm niet over de hoofden van de lezers gevoerd wordt.

    De definitie van het Letterenfonds nog eens in ogenschouw nemen, dient een literair tijdschrift een vrijplaats te zijn. Die omschrijving gaat voor Extaze, afgemeten aan de diversiteit van vorm, inhoud en statuur van de schrijvers op. In hoeverre het publiceren in het tijdschrift bijdraagt aan de ontwikkeling van een auteur kan op basis van een enkel nummer niet vastgesteld worden. Net zomin als duidelijk is in hoeverre redacteuren zich er verder kunnen bekwamen in hun vak. Als zij dat al willen, want de vraag is of de gemiddelde redacteur van een literair tijdschrift de ambitie heeft beter te worden in het repareren van teksten en coachen van auteurs. De meesten willen gewoon een goed tijdschrift maken. Misschien wel het liefst een spraakmakend tijdschrift waarin schrijvers van naam graag aan bijdragen, wat vervolgens vooral het tijdschrift ten goede komt. Zo’n tijdschrift is Extaze niet en zou het ook niet moeten willen worden (dat past ook niet in de functie die het fonds literaire tijdschriften toedicht). Maar nog een beetje uitgesprokener mag het wel.

     

    Extaze verschijnt vier keer per jaar.

  • Zonder rietpen verkommert de geest

    Zonder rietpen verkommert de geest

    Pim Wiersinga (1954) is vooral bekend als schrijfdocent. In toegankelijke boeken helpt hij beginnende schrijvers op weg. Onlangs verscheen zijn nieuwe roman Het paviljoen van de vergeten concubines. 

    Het paviljoen van de vergeten concubines speelt zich af in het achttiende-eeuwse China. De vrouwelijke tolk Cao is verbannen naar het paviljoen van de vergeten concubines omdat de Britse gezant Macartney voor wie zij moest tolken weigerde om te knielen voor de keizer. Een onvergeeflijke inbreuk op de etiquette waarvoor Vrouwe Cao zwaar moet boeten. Cao schrijft brieven aan de keizer om haar hachelijke situatie onder zijn aandacht te brengen. Ze vraagt zich in haar eerste brief af hoe zij de Drakentroon kan dienen vanuit een kerker in de Verboden Stad en smeekt om schrijfgerei: ‘Zonder de rietpen verkommert de geest, zonder papier verdorren ideeën. De Majesteit zal dit wel weten: hij is immers zelf dichter!’ Ook verwijst ze fijntjes naar haar verwantschap aan de schrijver Cao Xueqin. En met zijn roman beginnen de problemen.

    Vrouwe Cao’s brieven zijn doorspekt met formaliteiten en beleefdheden. Tradities en etiquette maken de brieven moeilijk leesbaar. De hele roman is opgebouwd uit deze brieven, die soms officiële stukken of verordeningen van de keizer zijn. Dat maakt het taalgebruik in deze roman stroef. Toegegeven; dat past bij de sfeer die de roman uitademt en het past bij de tijd en de sociale klasse waarin het verhaal speelt, maar het maakt het lezen van dit boek hard werken en geen ontspannende ervaring.

    Vrouwe Cao is een complexe hoofdpersoon. Zij is verwant aan de overleden auteur Cao Xueqin (1715-1763), wiens meesterwerk Droom van de Rode Kamer net voor het eerst in druk is verschenen. Deze roman is zo populair dat het keizerlijke hof verontrust raakt. Onlusten bedreigen het corrupte en onderdrukkende regime. De oppercensor Heshen legt zijn functie neer en sluit zich aan bij de opstandelingen. De intellectuele Vrouwe Cao, in haar jongere jaren de minnares en leerlinge van Cao  Xueqin, wordt de personificatie van de opstand tegen de keizerlijke dynastie. Haar belezenheid en welbespraaktheid vormen een gevaar voor de heersende machthebbers. En dan heeft ze ook nog eens de ambitie een roman te schrijven in de geest van haar leermeester Cao Xueqin. Ze hoopt dat haar geliefde, de Nederlandse gezant Isaac Titsing haar benarde positie kan verlichten. Boven alles wil zij bij hem zijn, maar wanneer de keizer haar verordent met hem te trouwen weigert zij. Overigens is de Droom van de rode kamer echt verschenen en heeft Isaac Titsingh  echt bestaan.

    Niet alleen het taalgebruik maakt deze roman ingewikkeld, datzelfde geldt voor het ondoorzichtige machtsspel dat gespeeld wordt. De opperraadsheer Heshen straft Cao, tot ongenoegen van de keizer. In de onduidelijke situatie van sociale onrust in het keizerrijk wordt Heshen ter dood veroordeeld door de keizer die hem op het nippertje gratie verleend. Het blijft gissen waar de werkelijke macht ligt. De verhoudingen worden niet duidelijk, vooral omdat er in de brieven, de enige informatiebron voor de lezer,  flink gemanipuleerd wordt. Bovendien, waar ligt de waarheid? Tenslotte schrijft iedereen om zijn eigen doel te bereiken. Extra complex is het dat in dit machtsspel het perspectief continu verschuift.

    Al met al gebeurt er teveel tegelijkertijd in deze roman en dat is door het archaïsche taalgebruik, de vele tradities die beschreven worden en het subtiele machtsspel nauwelijks meer te volgen. Als Wiersinga een duidelijker thematische keuze had gemaakt, bijvoorbeeld de positie van een intellectuele vrouw in het 18e eeuwse China was dit de leesbaarheid ten goede gekomen.