• Verbindend evenement van woorden en mensen

    Verbindend evenement van woorden en mensen

     


    De 42ste Nacht van de Poëzie ligt weer achter ons. Twintig nachtdichters, een handvol spetterende entr’actes en tal van andere activiteiten werden in een uitverkochte grote zaal TivoliVredenburg met overgave omarmd en beleden door meer dan 1500 poëzieliefhebbers.

    Als Esther Naomi Perquin, die samen met Piet Piryns het publiek door de Nacht leidt, de zaal begroet met ‘Lieve nachtdieren’ – dan weet je dat het is begonnen: dat wonderlijk intieme evenement van woorden en mensen, taal en muziek, dat naarmate het later wordt meer en meer verbindt. Logisch en bezwerend voor wie er onderdeel van is, niet uit te leggen aan wie het heeft gemist.
    Dat poëzie, actualiteit en engagement hand in hand gaan was al langer duidelijk. Onthutsende ontwikkelingen doen zich onophoudelijk voor op het wereldtoneel en deze klinken in de voordrachten door. Paul Demets neemt zijn gehoor mee in een relaas over een voorgenomen reis naar de brandhaard: “Ik wou de trein naar Gaza nemen”; verbluffend is dat zelfs voor zoiets poëzie zich overtuigend leent. Froukje van der Ploeg dicht over femicide: ’87 procent van je gevaar woont in huis, zit op je bank’.

    In de ban van poëzie

    Twintig dichters, in meer dan een opzicht divers en inclusief, betraden deze Nacht het podium onder het motto van ‘overal smelt het, zwelt het, glimt het – nu gaan de dingen weer beginnen’. Een regel van Judith Herzberg die betrekking heeft op de lente, maar niemand vond het erg dat dit in oktober als inswinger aan beide zijden van het podium prijkte.
    Judith Herzberg (1934) zelf was voor de tiende maal present tijdens de Nacht. Ze zette de zaal aan het denken met haar opsomming van wat allemaal kan worden beschouwd als vormen van gekte. ’tegen poezen praten, ja – maar ook: hopen, en wanhoop net zo goed, is een vorm van gekte’.

     

    Uitgeverij C.J. Aarts en uitgeverij Masjenka

     

    Een andere dichteres hield het publiek een spiegel voor door te stellen dat dit leven ‘lelijk maar dragelijk’ is, onder verwijzing naar protestkunst op de pleinen van Europa ‘met een glaasje gin voor wie het kan gebruiken’. Charlotte Van den Broeck, werkelijk nog maar pas moeder geworden, draagt het gedicht ‘Postpartum beach’ voor met daarin de regels: ‘pas geopende / stug-rood bebloste vrouwen / in hun plotsklaps lege vel blubberende / bloedverliezende vrouwen’.

    Muisstil is het in de vol bezette zaal wanneer een dichter ze met zijn voordracht in de ban houdt. Daarentegen moet van sommige entr’actes gezegd worden dat het – dreunende –  geluidsvolume soms veel te hard stond. Misschien goed om in de late Nacht mensen wakker te schudden, maar nu ontvluchtten velen de zaal uit vrees voor bonkende hoofdpijn of zelfs gehoorschade.

    Voorbij de Nacht

    Het wordt leger in de zaal als het later wordt. Maar de intense sfeer van verbondenheid geldt nog meer voor hen die tot het eind toe blijven. Tot slot is er het prachtige optreden van debutante Lin An Phoa, aangekondigd als ‘grand dessert’ van de Nacht. Ook zij vertolkte geëngageerde poëzie en bevestigt het bestaansrecht van depressieve tienerpoëzie: (‘we hadden geen stijl, wel een streefgewicht’) maar geeft er vervolgens blijk van zelf inmiddels een nieuw stadium te hebben bereikt als dichteres, met haar gedicht: ‘Op een dag zullen we het ons anders herinneren’:

    ‘we zullen het weer met elkaar eens zijn
    dan zullen we doen alsof we altijd al met onze armen ingehaakt
    de straat op gingen met vlaggen en een stuk bezorgkarton
    waarop we na lang nadenken schreven: nee!’

     

    Tom Lanoye tijdens de Nacht van de Poëzie

     

    Traditie van de Nacht is dat de dichter die als laatste optreedt volgend jaar het spits mag afbijten. We zullen ons Lin An Phoa dan zeker herinneren – en toch zal een en ander dan weer anders zijn. Zoals in deze Nacht, toen er een meer dan exuberante toegift volgde door Tom Lanoye die het publiek middels zijn brandnieuwe ‘Reinaard’-bewerking in ronkende vertelling en hoge versnelling meenam naar de Middeleeuwen. Waarna omstreeks half vier de laatste nachtgangers het donker van Utrecht betraden, vergezeld door poëzie tot ver na thuiskomst.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm


    De Nachtdichters van dit jaar waren: Judith Herzberg, Yentl van Stokkum, Tom Lanoye, Charlotte Van den Broeck, Pim Lammers, Sophia Blyden, Sasja Janssen, Neeltje Maria Min, Asmae Amaddaou, Sytse Jansma, Lieke Marsman, Marc Reugebrink, Yasmin Namavar, Froukje van der Ploeg, Gustaaf Peek, Bob Vanden Broeck, Paul Demets, Jan Baeke, Lin An Phoa en Peer Wittenbols.

     

  • Een marktplein

    Een marktplein

    Ik lees Onder literatoren, vijfentwintig schrijversinterviews die tussen 1970 en 1983 door Herman De Coninck geschreven zijn. Prachtige gesprekken. Zoals met Anton Koolhaas die bekend stond als onbenaderbaar, vertelt over zijn dierenverhalen, het heeft over, ‘Het begrijpen dat alle vragen dood.’ Intrigerend, een begrijpen dat allesomvattend wordt, stilstand tot gevolg heeft. Vragen brengen je vooruit, los van je achtergrond creëer je een andere wereld. Het zinnetje  ‘Ik had nooit nieuwsgierig leren zijn.’ is me uit het prijswinnende essay van de Joost Zwagerman Essayprijs, ‘Bruikleen’ van Falun Ellie Koos, bijgebleven. Net zo intrigerend als fnuikend. Je ontwikkeling bevriest als vragen niet gewoon zijn. Het allereerste interview van De Coninck was in 1970 met Jan Wolkers, het laatste interview in het boek is in 1983 met Breyten Breytenbach. Het zijn veelal (witte) mannen en (twee) vrouwen, niemand stelde zich daar toen vragen over.

    Schrijvers uiten kritiek op elkaar in de interviews. Jan Wolkers over Mulisch, ‘Hij is een van die kunstluizen die alleen maar naar Cuba gaan om bruin te bakken in zwembaden (…).’ En Mulisch over Wolkers, ‘… die schrijft altijd maar weer zijn Kort Amerikaans, en de ene keer heet dat Turks fruit en de volgende keer weer anders.’
    De Belgische dichter en kunstenaar Paul Snoek vindt dat dichter en kunstenaar Marcel van Maele teveel schrijft. Hij zou zijn energie beter moeten gebruiken: ‘(…) hij schrijft en hij schrijft maar. De energie die nu in tien gedichten zit, had hij in één gedicht moeten stoppen.’ En dan volgt een heerlijke jaren zestig/zeventig vergelijking: ‘Dat is zoals een huisvrouw die de hele week eten maakt met dezelfde dingen, die telkens weer haar overschotjes gebruikt, vandaag de restjes van gisteren met wat kaas en gratin erop, morgen de restjes van vandaag met weer een ander sausje. Ze blijven altijd aan hetzelfde dingetje peuteren.’ In de muziek noemen ze dat variaties ‘op’. De Coninck schreef honderden interviews voor het blad Humo, een tijdlang was Piet Piryns zijn compagnon, gingen ze samen op pad.

    Eind jaren zestig begon psychiater Dr. R.H. Hoofdakker als Rutger Kopland poëzie te schrijven. De Coninck vraagt, ‘Toen bent u beginnen te schrijven?’  Kopland zegt, ‘Ja, voor die tijd was het allemaal vanzelfsprekend. Ik was gewoon arts, en… nou ja, dat was ik dan. Maar sindsdien is alles in beweging gekomen, ook om me heen, en ik kan me aan die beweging niet onttrekken.. (…) Ik ben me vragen gaan stellen. Een heleboel zekerheden zijn onder de tafel geraakt.’ Vragen trekken dingen los, morrelen aan bestaande zekerheden. 

    Voor De Coninck betekende het interview met Kopland een kentering in zijn leven. Sinds de dood van zijn vrouw bij een verkeersongeval waagde hij zich niet meer aan poëzie. Kopland zegt dat wat in Poëzie werkzaam is, ‘de troost van de herkenning is’. Hij vertelt over een jongen die een paar dagen in dienst zat en het daar niet uithield. Die jongen zei: ‘Zolang ik die bundel gedichten maar bij me had, kon ik het wel verdragen, want ik had het idee van: die dingen zijn voor mij geschreven, voor mij bedoeld. Zie je,’ zei Kopland ‘het “ik” waar het in mijn gedichten om gaat, dat ben ik niet. het “ik” is een marktplein waar de mensen samenkomen.’ Het bracht De Coninck ertoe te gaan schrijven over zijn verlies.
    Op Cees Nooteboom na zijn alle geïnterviewden zijn overleden. Deze interviews doet ze spreken als waren ze er nog. En dat is mooi.

     

    Onder Literatoren, Vijfentwintig schrijversinterviews / Samengesteld en bezorgd door Thomas Eyskens en Piet Piryns/ De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

  • Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post

  • Onvergelijkbare Nacht van de Poëzie

    Onbehaaglijk koude rillingen die via de ruggengraat omhoog kruipen en kippenvel krijgen bij het horen van een gedicht. Dat kon je zomaar overkomen tijdens de 34e editie van Nacht van de Poëzie. In Tivoli/Vredenburg te Utrecht hingen zo’n 2000 bezoekers aan de lippen van een twintigtal opmerkelijke dichters. Een Nacht die overrompelde met dichterlijke bijdragen en enkele opzienbarende entr’actes.

    De Nacht opende glorieus met een beeldpresentatie van voorgaande Nachten, wervelende lichtbundels als sproeiende douchekoppen, openingswoorden van Piet Piryns en Ester Naomi Perquin en de Vlaamse dichter Charlotte Van Den Broeck die de spits afbeet. Haar dichtwerk over lijden en het doorbreken van sleur, was in tegenstelling tot het werk waar ze vorig jaar de Nacht mee afsloot, minder doordringbaar, maar evenwel met veelduidende strofen als: ‘geluk is geruisloos’. Of: ‘niemand strijkt de hemden meer of de man eronder’.

    ‘Spiegeling’
    Voor de geëngageerde Belgische dichter (voorheen Dichter des Vaderlands) Charles Ducal, is het socialisme nog zeer bruikbaar. Thema’s als arbeiders, Kongo, vluchtelingen op zee met een uitstapje voor een ode aan schrijver Emil Verharen (1855-1916) wist hij het publiek te boeien. Onze eigen Dichter des Vaderlands Anne Vegter is ook zeker geëngageerd maar bracht dit met zowel onontkoombare scherpte als luchtigheid. Zij was het die de luisteraars kippenvel en rillingen bezorgde met het indringende gedicht waarin ze zich afvraagt: ‘Wat nu, als de hele wereld kantelt’. Een fantastische omkeerbaarheid van de vluchteling. Heel Nederland valt uit elkaar en iedereen slaat op de vlucht maar nergens welkom. De opbouw was scherp en zonder pardon. Zo hebben we dat graag. Afsluitend klonk haar bekende: ‘Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.’,werd in deze versie: ‘altijd’. Ook Joke van Leeuwen hield het publiek een spiegel voor met een karakteristiek beeld van de huidige Nederlander waarin, aan het geregeld opklinkende lachen te horen, velen zich herkenden.

    K. Michel veroverde de zaal met humor en mooie vondsten. Sterk opgebouwde, verhalende gedichten. Zoals het gedicht dat begint met het wachten op de accountant om zijn zaken op orde te brengen, is meesterlijk. Het gaat uiteindelijk over een verstoorde zus die er eigenlijk niet is omdat ze dood is. Dat een dichter niet altijd weet welke kant het gedicht op gaat, bewijst hij door de account er weer uit te schrijven en zo kwam de ‘boekhouding nooit op orde’.

    De jonge dichters van de Nacht onderscheidden zich door werk waarin nog veel werd ‘losgemaakt van ouders (vooral moeders) en werd geworsteld met verwachtingen die hen zijn opgelegd. Roos Rebergen eindigde een gedicht over moeder met; ‘Gelukkig zijn we geen vriendinnen.’ Wat veelal bij alle dichters de boventoon voerde was toch wel de op hol geslagen wereld, vluchtelingen, chaos en machteloosheid over hoe de dingen gaan. Er is geen beter voertuig, bleek deze Nacht maar weer eens, dan de poëzie om aan dit alles uitdrukking te kunnen geven.

    Ongemakkelijk samenspel
    Ester Naomi Perquin en Piet Piryns presenteerden als duo voor de derde maal op rij De Nacht. Dat de rolverdeling in die drie jaar zich duidelijk onderscheidde, gaven ze zelf al aan. Perquin, de empathische die een relatie met het publiek opbouwt, noemde het publiek vorig jaar om te zoenen en Piryns’, degene die de blik streng op het tijdschema houdt en het publiek er met de kop bijhoudt. Dat dit niet altijd voor een goede balans zorgde werd duidelijk toen Piryns de Zuid-Afrikaanse schrijver Marlene van Niekerk verzocht het podium te verlaten toen haar tijd om was terwijl zij op het punt stond haar slotgedicht voor te dragen. Onverkwikkelijk vooral omdat Perquin bij aankondiging van Van Niekerk het publiek vertelde dat zij slechts enkele uren geleden geland was en speciaal voor de Nacht naar hier was gekomen. Het was een wat gênante samenloop van aanpak. Ook omdat haar voordracht begeleid werd door verhalen over de schrijnende toestand in haar land, waar per jaar 21.000 mensen (waaronder 8000 kinderen) door geweld om het leven komen. Natuurlijk, De Nacht duurt lang. Maar enige consideratie was hier op zijn plaats geweest. Het boegeroep uit verschillende hoeken van de zaal was dan ook niet van de lucht.

    En dan kwam Hans Dorrestijn nog met zijn zwartgallige maar oh zo vertederende humor, die zichzelf als een mislukte Joost Zwagerman bestempelde. Hij zelf had immers vaak genoeg klappertandend op een stoel, met een touw om zijn nek gestaan, maar was er nog steeds. Een mislukte Joost Zwagerman, jaja.

    De twee debutanten van de Nacht waren Marieke Rijneveld en Jonathan Griffioen, waarvan vooral Rijneveld verraste met haar wijze van uitdrukken als: ‘Troosten is als inparkeren / het is weten en meten’, is natuurlijk prachtig. En van Griffioen is nu al zeker dat zijn opening van de 35e Nacht onvergetelijk zal zijn.

    Wandelgangen en entr’actes
    In de wandelgangen (waar kleine uitgevers achter hun tafeltjes zaten, literaire tijdschriften vertegenwoordigd waren en boeken en eetwaren te verkrijgen waren), kon je een dichter in afwachting van zijn optreden in ogenschijnlijk rustige tred zijn rondjes om de zaal heen zien draaien. Hier en daar een enkele pauzerende bezoeker minzaam groetend. Zoals het een dichter betaamt. Een van deze rondwandelende dichters, F. Starik besprong in grasgroenkostuum het podium om het dichterschap te vieren. Met een gretigheid die het publiek soms achteruit deed deinzen, bracht hij een dichterlijke tirade over ‘gras’ (dat zich overal en onophoudelijk vertoont), ten gehore. Hiermee schudde hij de ingedutte zaal voor de rest van de Nacht goed wakker.

    De entr’actes waren verrassend en ook zo verbluffend vreemd, dat de neiging om met voorgaande jaren te vergelijken er volledig bij inschoot. Al met al was het een feestje waar niets onder de maat bleef en het publiek zich welwillend naar schikte. Uitschieters waren Mondharmonicaspeler Tim Welvaars die een hommage bracht aan de onlangs overleden Toots Thielemans en waarvan je dacht toen je hem hoorde spelen: ‘Waarom heb ik nog nooit eerder van die man gehoord?’ Daar is De Nacht dan ook weer voor, om ontdekkingen te doen en nieuwe kunstenaars te leren kennen.

    Zoals de Israëlische Asaf Avidan, muzikaal fenomeen met een stem die ongekend is en nog het dichtst bij het stemgeluid van The Tallest Man on Earth komt, maar zoals gezegd ook ‘ongekend’ is. Zijn teksten en manier van zingen deden af aan toe aan Leonard Cohen denken. Vooral de ballade The Labyrinth song, waarin het repeterende refrein deze associatie nog versterkte:

    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last
    Oh Ariadne, I have failed you in this labyrinth of my past
    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last

    En tussendoor met een regelmaat ,die het begeleidende ritme van deze Nacht werd, het vrolijk gerinkel van brekende wijnglazen. Soms een enkel glas, soms bij drieën tegelijk. Daarbij lijkt het publiek elk jaar jonger te worden, als is er een soort verschuiving in leeftijd waarneembaar. Waarschijnlijk ook dat daarom deze zeer succesvolle Nacht tot aan het einde toe opvallend druk bezocht bleef.

     

     

    Foto: Anna van Kooij

     

  • Nacht van de Poëzie wederom met vele hoogtepunten

    In de door blauwe en roze lampen verlichte zaal van Tivoli/Vredenburg, opende Maarten van der Graaff, die vorig jaar de nacht afsloot, de Nacht van de Poëzie met een stevige aftrap en meer als een Angry Youg Man die blijkbaar ook in hem huist. Waarna presentator Piet Piryns: ‘de romaticus van het abattoir’, Luuk Gruwez aankondigde die voordroeg uit zijn bundel Moeders. En hier begon het dat men het applaudisseren tussen de gedichten door, al niet laten kon. Was het bewondering of waren de dichterlijke gemoederen al te hoog opgelopen?

    Voorafgaande aan de Nacht vond er in een van de ruimten in de catacomben van Tivoli/Vredenburg de tv-opnamen plaats voor het VPRO programma Brands met Poëzie. Zo’n twintig plaatsen voor wie het wel eens wilden meemaken en hoe Wim Brands (hoorde ik naast me) in het echt is. Nu, hij was niet veel anders dan voor of tijdens de opnamen, luidde het oordeel. Wat klonk als een compliment. Er was een format: eerst leest de dichter iets voor uit zijn werk, dat ene gedicht zal de spil van het gesprek zijn. In afwachting van de opnamen, vraagt Brands of er iemand in het publiek een gedicht uit zijn hoofd kent. Een echte Brandsvraag, die de werking van geheugen en herinneringen in het schrijfproces, mateloos intrigeert: wat gaat er om in dat hoofd? Er werd voorzichtig wat geschoven op stoelen en evenzo gelachen. Ellen Deckwitz was er wel goed in, zowel uit eigen werk als uit het werk van anderen declameerde zij uit het hoofd. Vier mooie interviews met Pieter Boksma, Ellen Deckwitz, Hester Knibbe en K. Schippers.

    Verhalen en anekdotes

    De Nacht was vol verhalen en anekdotes, met dank aan de presentatoren Esther Naomi Perquin en Piet Piryns. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd, bij elke toiletdeur die zij opentrok, de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem gezocht had en haar groeiende angst hem op de vloer 12027525_992788844076975_5632214561750089309_naan te treffen terwijl ze deur van het toilet opentrok. En de dichter, die aandachtig luisterde, vroeg: ‘En, lag hij daar?’ Met deze tekst werd K. Schippers aangekondigd die met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien, uit zijn nieuwste bundel Fijn dat u luistert.

     

    ‘Thuis wil ik zijn, al is het maar een nacht.’

    Een dichtregel van Tsjêbbe Hettinga (1949-2013) waarop de Nacht van de Poëzie werd gedragen. Thuis was men zeker in deze Nacht, misschien wat al teveel. Het publiek was vlot en overweldigend met applaus, joelen en fluiten dat menig dialoog, dat eventueel had kunnen ontstaan tussen zaal en podium, in de kiem werd gesmoord. Nog voor de fragiel ogende Juliette Gréco één noot had gezongen, werd de zaal haast afgebroken  met stampen, roffelende handen op houten relingen en een overweldigend applaus. Haar zang en intonatie waren zeer beheerst en soms haast krampachtig, zoals bij ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel. Het doorlopend fladderen van haar handen leek teveel een maniertje en bewogen steeds net een fractie van een seconde achter de tekst aan. Misschien was het bij een wat minder overweldigend onthaal wel tot een dialoog tussen haar en het publiek gekomen. 12032127_993690873986772_8240695244972306113_nDe ontdekking van dit jaar is Benjamin Clementine met zijn theatrale zangkunsten en intrigerende teksten. In zijn donkergrijze lange coat, stond hij min of meer achter de vleugel die hij merendeels bespeelde met één hand. De rechterhand bewoog mee op de tekst van zijn songs: ‘It does’nt matter any more. En het beroemd geworden Condolence, ‘I swear, you’ve seen me/You’ve seen me here before/before.’

     

     

    Tussen de golven van applaus en performance in, was het een verademing te luisteren naar Hester Knibbe, ‘liefde, liefde, het zit altijd vast aan iemand’ en Anneke Brassinga, één met haar gedichten in haar voordracht. Zij kregen ieder op hun wijze de zaal stil, aandachtig luisterend. Waarna het lachen was met de verzen van Ivo de Wijs, en de wat cynischer, maar daarom des te komischer poëzie van  Lévi Weemoed.

     

    11987199_992793087409884_8579969130201574497_nPeter Verhelst maakte indruk met zijn gedicht over de foto van de Syrische peuter op het strand. Afhankelijk van wat we zien hoelang dit op ons netvlies blijft: ‘Zelfs toen we niet meer keken bleef het liggen op het strand/zelfs toen het weggehaald was bleven we het zien liggen’.
    Na de dip van de Nacht, en zoals Piryns het zo treffend verwoordde dat ‘je het niet kon maken nu thuis aan te komen’,  blies Ilja Leonard Pfeiffer ( ‘Zij hadden mij de nacht beloofd’), de Nacht nieuw leven in met zijn verschijning en voordracht. Ook Pieter Boksma, maakte indruk. Hij  vond het tijd worden voor een revolutie en dan een dichtertje op de troon ‘zodat men weer genieten kan van dansende zonnevlekken op een bospad’.

    Ode aan dode dichters

    Deze Nacht waren drie dode dichters aanwezig. Mike Boddé bracht een ode aan Drs. P (1919-2015) door op aanstekelijke wijze over hem te spreken en zijn liederen te zingen. Dat deed hij op zo’n zelfde wijze, dat het leek of Drs. P himself aanwezig was. Ester Naomi Perquin las het gedicht God te zijn van Joost Zwagerman voor. En vertelde dat Rogi Wieg eindeloos kon bellen. De laatste keer dat zij met hem sprak zei ze na vier uur bellen: Rogi, ik heb ook nog wat te doen.’ Waarop Rogi zei: ‘Ja, naar mij luisteren.’ Indrukwekkend was de video waarvan hij en wij in de zaal ook, wisten dat hij op het moment van uitzending er niet meer zou zijn, en waarin hij hij licht geëmotioneerd zegt: ‘Ik ga nooit meer een gedicht schrijven.’

    Terwijl voor het podium op de vloer het publiek op kussens de laatste uurtjes van de Nacht doorbrengt, de geur van zweetvoeten zijn hoogtepunt bereikt, maakt Typhoon er 12049638_992786484077211_4116692214999661065_neen feestje van met een swingend einde. Waarna Charlotte Van den Broeck met een ongelofelijke woordkracht de zaal bezwoer en de Nacht waardig afsloot. Zoals Van den Broeck haar gedichten declameerde, zo zou je het willen. Eindelijk eens een gedicht uit het hoofd leren zodat, als bijvoorbeeld Brands erom vraag, je het zo op kunt zeggen. Van den Broeck verliet het podium met een mondig ‘Goedenacht’, waarin een glimlach hoorbaar was. Mooi was het.

     

     

    Foto’s: Charlotte Van den Broeck / Peter Verhelst / K. Schippers : Annemarie Sint Jago
    Foto’s: Zaal / Benjamin Clementine: Michael Kooren