• Oogst week 44 – 2020

    De crisis van de geest

    In de Franse reeks van Uitgeverij Vleugels verscheen een vierde kleine uitgave van Paul Valéry: De crisis van de geest. Het zijn drie cultuurfilosofische beschouwingen, geschreven kort na de Eerste Wereldoorlog. Die vernietigende strijd eindigde in 1918, maar de crisis van de Europese geest van vooruitgang was met het Verdrag van Versailles allerminst over. Gebleken was dat alle moderne verworvenheden zowel ten goede als ten kwade worden aangewend. Daarmee sneed Valéry een kwestie aan die nog altijd actueel is.

    Vertaler Piet Meeuse schreef bij het boekje ook een nawoord.

    De crisis van de geest
    Auteur: Paul Valéry
    Uitgeverij: Vleugels

    Roman 11, boek 18

    Solstad geldt als één van de meest vooraanstaande Noorse auteurs. Er werden al eerder vier romans van hem in het Nederlands vertaald en nu is er de vijfde: Roman 11. Boek 18. Onder die merkwaardige titel, die bedoeld is als eerste deel van een trilogie in wording, vertelt hij de geschiedenis van Bjørn Hansen. Hij is net vijftig geworden en vier jaar gescheiden als hij in de eerste zin van de roman op een station in Kongsberg staat te wachten met krattenvol boeken: werken van Dostojevski, Céline, Borges, Proust, Kafka, Mann en vele andere. Dat belooft wat.

    Roman 11, boek 18
    Auteur: Dag Solstad
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Jacht op de barnsteenkamer

    De germanist Jerker Spits verwierf in 2016 landelijke bekendheid met Staalhelmen en curryworst, waarin hij een cultuurgeschiedenis van Duitsland gaf in vijftien fenomenen. De opvolger is Jacht op de barnsteenkamer. De kamer uit de titel is een kabinet dat Frederik I van Pruisen ooit liet optrekken met barnstenen muurplaten. Het werd door zijn zoon geschonken aan tsaar Peter de Grote van Rusland en was lang te bewonderen in het Catharinapaleis. In 1941 werd de kamer door Hitlertroepen uit elkaar gehaald werd en afgevoerd naar Koningsbergen, waar hij door de Duitsers uit angst voor geallieerde bombardementen opnieuw gedemonteerd werd en verstopt. Maar waar? Het is sinds 1945 een met fantasieverhalen opgefleurde verdwijning die voor Spits voldoende stof opleverde voor een spannend verslag van de wederwaardigheden van het wereldberoemde kunstobject.

     

    Jacht op de barnsteenkamer
    Auteur: Jerker Spits
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Recherche

    Recherche

    Het zakboekje van het pijnboombos (1940, Le Carnet du bois des pins) van Francis Ponge – vertaald door Christian Henrikx – is een verzameling notities die stuk voor stuk pogingen (tot gedichten) zijn om het karakter van het bos in woorden uit te drukken. Ja, het pijnboombos heeft karakter, schrijft Ponge: ‘Het verwezenlijkt zich in stilte en met majesteitelijke traagheid en behoedzaamheid. Ook met gegarandeerd succes.’
    De notities beginnen op 7 augustus 1940 en worden afgebroken op 9 september van hetzelfde jaar. Daarna (1941) volgt een korte briefwisseling met een vriend. Alleen daarin een verwijzing naar de oorlog: ‘…gedachten over onze eigen situatie, onze onzekerheid over wat de volgende dag zal brengen.’
    Francis Ponge (1899-1988) wordt wel ‘le poète des objects’ genoemd. Zijn werk Namens de dingen (1942, Le parti pris des choses) werd onlangs in een vertaling van Piet Meeuse heruitgegeven bij uitgeverij Vleugels. Meeuse vertaalde ook Proëmia (1990, Proêmes) dat samen met Namens de dingen het bekendste werk is in het kleine oeuvre van Ponge.

    Zijn teksten, korte fragmenten met veel witregels, lezen als poëtisch proza. De eerste woorden die Ponge op 7 augustus 1940 noteert, voorziet hij diezelfde middag al van commentaar:
    ‘(Ik gebruikte niet robuust, want dat adjectief is toepasselijker voor een andere boomsoort).’ En een paar zinnen daaronder herhaalt hij:
    Robuust, is toepasselijker voor een andere boomsoort, al is die pijnboom dat toch ook, hoewel die als geen andere boom buigt zonder te knakken.’
    Al vragend, soms twijfelend, onderzoekt Ponge het pijnboombos.
    ‘Is de pijnboom niet de boom die het meeste hout voortbrengt? Die zich om het grootste deel van zijn ledematen, om het grootste deel van zichzelf niet bekommert, die zich daar totaal niet voor interesseert, die zich alle sap onthoudt louter ten gunste van de kruin (van de groene kegel)? Vandaar de geur van gezondheid die tussen de kale stammen hangt…[..]
    Je voelt je aangenaam daaronder, terwijl in de kronen iets heel harmonisch en muzikaals gaande is, iets heel zacht vibrerends.’

    Direct daaronder becommentarieert Ponge wat hij geschreven heeft:
    ‘Het is van belang dat bij al deze uiteenzettingen (die zomaar weer bedenkelijk kunnen worden) de stam van de pijnboom duidelijk zichtbaar overeind blijft.’
    Alsof hij voor zijn observaties (Ponge is een waarnemer pur sang) de juiste woorden niet kan vinden. Hij onderzoekt, zoekt naar de taal die het bos zelf ‘tot spreken’ brengt. Twee dagen later lijkt hij zijn werk, dat nog maar nauwelijks begonnen is, te willen herzien.

    ‘Nee!
    Ik moet beslist op het genot van het pijnboombos terugkomen.’
    En daarna roept hij bombastisch:
    ‘O, achtenswaardige zuilen, bedaagde masten!
    Bejaarde zuilen, tempel van de bouwvalligheid.’

    Maar hij blijft onzeker. Na zes dagen schrijven heeft hij behoefte aan een tussenstand: ‘Proberen we samen te vatten. Je hebt er:
    Het gemak
    a) om er te lopen:
    geen lage takken
    geen hoge planten
    geen lianen.
    Dik tapijt. Enkele rotsblokken als meubilair.

    b) en om je er te bezinnen:
    tempering van het licht, van de wind.
    Niet opdringerige geur.
    Niet opdringerige geluiden, muziek.
    Gezonde atmosfeer.
    Leven in zichzelf.
    Zachte muzikale begeleiding, con sordino.

    Gemakkelijk vooruitkomen tussen zoveel zuilen, met bijna verende stappen, op dat dikke tapijt van plantaardige haarspelden. Behaaglijk labyrint.’

    Teksten om hardop te lezen. Maar Ponge is niet uit op een mooi gedicht. Hij wil met zijn woorden niet de baas zijn over het pijnboombos. Nee, zijn (taal)onderzoek moet leiden tot een taal die het bos hem als het ware ingeeft. Hij verzoekt daarom het bos: ‘Kom tevoorschijn, pijnboombossen, kom tevoorschijn in de taal. Men kent jullie niet. – Kom met jullie formulering. – Jullie zijn F. Ponge niet voor niets opgevallen…’

    Maar zijn pogingen zijn niet succesvol. Hij probeert het nog in klassieke (strofische) gedichten met titels als VariantNog een, Een andere en Een aspect van het pijnboombos. Het lijkt even, door de klassieke vorm, alsof hij van zijn geloof is afgevallen. Maar gelukkig, dat concludeert hij zelf ook: ‘Dit is allemaal niet wat het zijn moet. Wat ben ik opgeschoten [..] in deze tien dagen? – Niets bijzonders voor de moeite die het me gekost heeft.’ Hij geeft niet op en blijft zich vragen stellen. Dat is zijn kenmerk.

    ‘Als de takken van de pijnbomen bovenin elkaar onderling respecteren, afstand blijven houden [..], zou dat dan in de aarde, met hun wortels niet net zo zijn? Zou het mogelijk zijn een bosland in zijn wortelgrond uiteen te halen zonder het gevaar elk individu daarbij te amputeren? Wie weet dat? Wie geeft me een antwoord? Ik heb het nodig om verder te kunnen met mijn recherche (cursief van mij, hm).

    De vertaler heeft het woord ‘recherche’ niet vertaald en daardoor lees je dat woord zowel in het Frans al in het Nederlands. Ponge is niet alleen een onderzoeker, maar ook een rechercheur, een opsporingsambtenaar op zoek naar het DNA, de zintuigen en de taal, van het pijnboombos. Hij bekijkt het bos niet op afstand van de buitenkant, maar plaatst zich, met de taal, er middenin. Niet de mens maar juist de wereld buiten de mens staat centraal, lijkt Ponge te willen zeggen.
    Met grote precisie weegt hij de woorden, keurt ze af, zoekt ze op in de Littré (Frans woordenboek, hm), verandert ze van plaats, schrapt en ordent de tekst opnieuw. Zo probeert hij de taal geschikt te maken voor het bos.
    Maar uiteindelijk is hij niet tevreden met het resultaat – het voelt als een verloren strijd – en hij spreekt zichzelf aan het eind van het boekje in hoofdletters toe:

    ’EINDE VAN HET PIJNBOOMBOS
    ERUIT NU, HET LAND OP’

    Het zakboekje van het pijnboombos geeft een mooi inzicht in de wijze waarop Francis Ponge schrijft en de taal onderzoekt. Hij probeert, in zijn spel met taal, de woorden geschikt te maken voor het bos.
    Doordat je als lezer kennis maakt met de ‘methode Ponge’ kan je Het zakboekje van het pijnboombos ook beschouwen als een inleiding op ander werk van de schrijver/dichter zoals op Namens de dingen. Daarin laat hij zien hoe hij met taal de dagelijkse wereld om ons heen – de natuur, de dingen – met precisie kan ontleden. In de meest eenvoudige dingen – een regenbui, de gang van een slak, een leeg sinaasappelkratje – speelt zich een spektakel af waar wij in onze onoplettendheid geheel aan voorbij gaan.
    Voor wie van taal (en vertalen) houdt, van filosoferen over taal, van lezen en vooral herlezen, zijn beide bundels zeer de moeite waard.

     

     

  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Fijne vertaal anekdotes

    Fijne vertaal anekdotes

    Recensie door Bianca Graat

    Om te weten dat het vertalen van een klassieker als Moby Dick geen sinecure is, hoef je het oorspronkelijke werk niet eens gelezen te hebben, hoewel je daar als echte literatuurliefhebber natuurlijk nooit voor uit kan komen. De omvang van het boek, het scheepsjargon en de vreemde historische setting werken niet in het voordeel van de vertaler (en ook niet in het voordeel van de lezer overigens). De mythe die er gedurende anderhalve eeuw rondom Moby Dick is ontstaan, zorgt ervoor dat elke ‘hertaling’ met argusogen wordt bekeken. Voor de nieuwste Nederlandse vertaling van Herman Melvilles meesterwerk, die in het voorjaar van 2008 verscheen bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, geldt echter dat het meest kritische paar ogen van de vertaalster zelf is. Zo blijkt uit Mobydickiana, een klein essayachtig stuk van de gelauwerde vertaalster Barber van de Pol, dat dit jaar in de Zeeuwse Slibreeks werd uitgegeven.

    Barber van de Pol, vooral bekend als vertaalster van Spaanstalige literatuur, waaronder Don Quichote, wordt tijdens het vertalen van Moby Dick volledig opgeslokt door haar vertaaltaak. ‘De wereld kreeg vanaf een zeker moment een onwaarschijnlijk hoog Moby Dick-gehalte, waar dat tevoren nooit het geval was geweest. […] In je hoofd en je hart kunnen een heleboel hartstochten tegelijk leven, maar dat lijkt dan even niet het geval.’ Uit Mobydickiana spreekt de onvermijdelijkheid van deze hartstochtelijke verbondenheid tussen vertaalster en roman, maar het werkje is allesbehalve geromantiseerd. Van de Pol beschrijft immers bovenal de concrete stappen die ze heeft ondernomen om de negentiende-eeuwse klassieker te kunnen vertalen, zonder daarbij in een linguïstisch betoog te verzanden: ‘Je moet achteraf niet te veel zeggen over je problemen tijdens het creëren. Anderen hoeven niets van de moeite die aan het eindproduct vooraf gaat te merken […] Ik geef hier alleen maar wat flarden, dwalingen en ingevingen tijdens het ontstaansproces weer, voor de aardigheid, om de vertalerij in het algemeen eens iets invoelbaarder te maken.’ Dat is dan ook precies wat ze doet.

    Als een rode draad door het boekje loopt de Amerikaanse reis, die Van de Pol maakt met P. (schrijver en vertaler Piet Meeuse), om dichter bij de wereld van Melville en Moby Dick te komen. Ze vertelt over een klein stadje waar jolige amateurtoneelspelers op een walvisvaarder het verleden willen laten herleven, over de kerkhoven in New York waar ze Melvilles graf niet weet te vinden, over het eerste walvisskelet dat ze ziet en over de eerste ontmoeting met een levende witte walvis: ‘een aangetrouwd achterachterneefje of -nichtje’. Het verhaal krijgt een persoonlijke dimensie ? en de vertaalster krijgt een gezicht ? door opmerkingen over bijvoorbeeld de geboorte van haar kleinkind en haar relatie met reisgenoot P., die niet eenvoudig te duiden is.
    Maar dit verslag is natuurlijk meer dan alleen een Moby Dick-tour langs de Amerikaanse oostkust. De overdenkingen over de te vertalen roman en zijn eigenaardigheden maken het naast een aardig, ook een interessant werkje. Van de Pol beschrijft hoe ze worstelt met de Nederlandse benamingen voor de Engelse scheepstermen, overvloedig aanwezig in het origineel. Ze vertelt hoe moeilijk het is een schijnbaar eenvoudige zin als ‘There she blows’ te vertalen: ‘spoten’ of ‘bliezen’ walvissen in de negentiende eeuw? Dan zijn er natuurlijk ook nog de gevleugelde uitspraken uit de brontekst, waar een Nederlands equivalent voor gevonden moet worden, te beginnen bij de beroemde openingszin ‘Call me Ismael’. De vertaalster wijdt aan dit probleem een flinke voetnoot, waarin ze heel wat mogelijkheden afschiet en uiteindelijk tot het voor haarzelf alsnog weinig bevredigende ‘Noem me Ismael’ komt, met dank aan Maarten Biesheuvel.

    Lezers die reeds eerder het nieuwste Nederlandstalige prachtexemplaar van Moby Dick kochten en het ook daadwerkelijk lazen, zullen Van de Pols vertaalanekdotes bekend in de oren klinken. Veel van de overdenkingen uit Mobydickiana staan al in het nawoord bij de Athenaeumeditie. Voor fervent lezers van vertaalde literatuur, die zich realiseren dat literair vertalen een vak is en voor de lezers, die zich daarvan nog moeten laten overtuigen, is deze Slibuitgave, geïllustreerd door de schrijfster zelf, wel een mooi boekje. Het komt immers niet vaak voor dat een vertaalster de lezer confronteert met haar bestaan om zo het vertaalproces dat zich doorgaans ver buiten het blikveld van de lezer, in het hoofd van de vertaalster, afspeelt, wat tastbaarder te maken. Barber van de Pol heeft daarvoor in Mobydickiana een fijne vorm gevonden.