• Sombere boodschap in prachtig proza

    Sombere boodschap in prachtig proza

    De Franse titel Crépuscule van de roman Schemering van Philippe Claudel drukt iets nauwkeuriger de essentie uit. Crépuscule betekent schemering als overgang tussen dag en nacht (of nacht en dag), maar betekent ook datgene wat op het punt staat te verdwijnen. En deze betekenis is helemaal van toepassing op het verhaal dat Claudel in deze roman vertelt. Claudel neemt de lezer mee naar een uithoek van een fictief keizerrijk, naar een klein dorpje, waar een moord heeft plaatsgevonden op de pastoor, vlak voor het invallen van de duisternis. Politieman Nourio en zijn Plaatsvervanger Baraj (overheidsfuncties en belangrijke begrippen in het boek worden met een hoofdletter geschreven) zetten alles op alles om de moord op te lossen. Nourio wordt gezien als de slimme vreemdeling in het dorpje, terwijl Baraj de autochtoon doorgaat voor dom. Samen bemannen ze de politiepost van het dorp.

    Nourio beschouwt het leven als een stompzinnig spel waaruit geen winst of verlies te behalen is. Hij heeft een zekere intellectuele nieuwsgierigheid, maar graaft niet erg diep. Hij maakt er het beste van, al valt dat niet mee met een altijd zwangere vrouw, een huis vol kleine kinderen en een immer opspelende seksuele drift. Zijn vrouw ondergaat de toenaderingen door haar man gelaten. ‘Als een uitgehongerd varken drong hij in haar binnen, hijgend en grommend, en zij liet hem begaan, zwijgend, onderdanig en vreugdeloos, ging verder met het snijden van de groente als ze daarmee bezig was.’ 

    Moord een uitdaging

    Baraj is tevreden met zijn bestaan. Hij is als kind enorm gepest en heeft zich min of meer genesteld in een solitair bestaan met twee honden in een huisje buiten het dorp. Hij denkt dieper na dan de mensen op het dorp weten, krijgt flarden van gedichten door en is in zijn eentje domweg gelukkig. De moord op de pastoor is voor de Politieman een uitdaging, een kans om te laten zien wat hij waard is en een kans op promotie. Baraj ziet in de moord een aankondiging van het einde der tijden, maar Nourio ziet het als een begin van ‘een weg, geplaveid met hoogachting en eerbetoon.’ Maar dan moet hij wel de moordenaar vinden en dat valt niet mee. Al zet hij zich volledig in, hij komt geen stap verder. Daarbij geplaagd door de angst dat het onderzoek hem uit handen zal worden genomen. 

    Het dorp bestaat voor het grootste deel uit christenen en een kleine moslimgemeenschap. Achter de grens, waar het dorp vlakbij ligt, zijn de moslims wel in de meerderheid, een bedreiging voor het keizerrijk. Door behoedzaamheid en discretie in combinatie met het talent om onzichtbaar te zijn, kunnen de moslims in het dorp overleven. Ze worden getolereerd als ze niet al te nadrukkelijk tonen dat ze moslims zijn. Zij zijn de buitenstaanders, de christenen de gevestigden.

    De wijze imam van het dorp beseft meteen de mogelijke explosiviteit van de moord. Hij laat in een gesprek met de Politieagent doorschemeren dat de moord een potentiële bedreiging is voor ‘zijn’ gelovigen. ‘Mensen die anders zijn, worden getolereerd zolang de wereld soepel loopt als touw door een katrol,’ zegt hij beeldend. Maar er hoeft maar iets mis te gaan en dan beginnen de vingers al te wijzen. Nourio zegt dat het hem om gerechtigheid gaat. ‘De dader zal gevonden en bestraft worden, dat beloof ik u. Of het nu een christen of een moslim is. Zijn daad valt alleen hem aan te rekenen, niet zijn geloofsgemeenschap. (…) stelt u uw gelovigen gerust en laat mij mijn werk doen.’ De imam is hiervan onder de indruk. ‘U spreekt als een heilige, en dat verbaast me niet van u, want u hebt het gezicht en de ziel van een goed en rechtvaardig mens.’

    Een wenselijke waarheid

    Na de moord wordt er in het dorp een processie georganiseerd waarin met de vinger naar de moslimgemeenschap als schuldige wordt gewezen. Er wordt een varken gekeeld en bij de deur van de moskee opgehangen. De autoriteiten weten niet wat ze moeten doen. De Rapporteur van het Keizerlijk Gezag stelt voor om een waarheid te zoeken die voor het grootste deel van de dorpsgemeenschap acceptabel is. Nourio stemt hiermee in. Al kan hij de gevolgen van deze positiebepaling niet onder ogen zien. Hij is minder heilig dan de imam gehoopt had. Hij lijdt onder wat Sartre ‘mauvaise foi’ noemde. Hij durft geen eigen keuze te maken omdat hij bang is voor de consequenties voor zichzelf.

    Politieagent Nuorio is niet zo heilig als hij zou willen zijn. Door zijn ijdelheid valt hij ten prooi aan de mensen bij wie hij in loondienst is. Hij haalt vreemde strapatsen uit om in het gevlei te komen, het is om te lachen en te huilen. Als Nourio op een dag bij de Rapporteur wordt uitgenodigd, voelt hij zich gestreeld, al heeft hij een lage dunk van de man. Hij gaat mee in de strategie van de Rapporteur en zegt heel gewichtig dat hij en de Rapporteur deel uitmaken van het grandioze mechaniek van het Keizerrijk. Aangemoedigd door de Rapporteur komt hij tot de formulering dat het niet om de werkelijke waarheid gaat in deze kwestie, maar om de werkbare waarheid. Een waarheid die wenselijk is om de bedreigde stabiliteit van het dorp, en daarmee van het keizerrijk, te handhaven. De Rapporteur is het daarmee eens.

    Schemering is geen whodunnit, maar een verhaal over de manier waarop in alle tijden en plaatsen van de geschiedenis wordt omgegaan met buitenstaanders. Zij worden ontmenselijkt omwille van de breekbare sociale eenheid. En dat allemaal verguld met een term die mooi klinkt, ‘werkbare waarheid’. Populisme in de hoogste graad. Van de Jodenvervolging tot het bij voorbaat als verdacht beschouwen van een bepaalde etnische of religieuze groeperingen dat leidt tot toeslagenschandalen, tot het ‘minder-minder’. Alle gezagsdragers creëren geverfde vogels die vervolgens worden doodgepikt. En de waarheid komt bij het oud vuil te staan. De ambtenaar is degene die het beleid, nolens volens, uitvoert. In deze roman is dat Nourio, een lachwekkende ijdeltuit die langzaam meedrijft met de populistische stroom. Kan je hem dat kwalijk nemen? Zijn ogenschijnlijk domme en eenzame Plaatsvervanger Baraj komt er veel sympathieker vanaf. Hij doorziet alles, maar trekt zich terug in wat de Duitsers noemen een ‘innere Emigration’. 

    Sombere boodschap 

    De roman eindigt somber. Het Keizerrijk is ten dode opgeschreven en is in staat van ontbinding. ‘de Grens zal week worden, er zullen gaten en scheuren in komen en dan zal hij de honderdduizenden op elkaar geplakte mensen doorlaten die het Rijk uiteen zullen doen spatten als een notendop onder de hak van een schoen. Uit die natuurramp zullen allerlei Staten geboren worden (…) waarin men elkaar zal doden in naam van God of de Profeet, en op de bestaande haat zal nieuwe haat worden gelegd, en samen zal dat een onuitputtelijke, vruchtbare voedingsbodem zijn voor het kwaad dat nog moet komen.’   

    Deze sombere boodschap wordt in de roman op een prachtige manier en in mooi proza verteld. Het boek is fraai vertaald en leest als een trein. De zoektocht naar de dader stuwt de lezer verder. Claudel weet de lezer hoofdstuk na hoofdstuk mee te trekken in een universeel thema. Volgens hem is de gang van zaken een natuurwet waar individuen weinig aan kunnen veranderen. De lezer bepaalt of hij het daarmee eens is. Knap aan dit boek is dat het als historische vertelling geheel geloofwaardig is en zomaar in de huidige tijd geplaatst kan worden. Claudel is een groot schrijver die zich met deze roman weer overtroffen heeft. Een meer dan actueel boek dat blijft nasmeulen in het bewuste en onderbewuste en dat tot de huidige werkelijkheid is geworden.



  • Een fascinatie voor grensgangers

    Een fascinatie voor grensgangers

     

    Els van Swol (1952) blogt sinds 2012 op haar eigen website over muziek, toneel, film, literatuur, filosofie, beeldende kunst en nog veel meer, kortom over alles wat raakt aan cultuur en cultuurgeschiedenis. Wat haar boeit zijn de tegenstelling tussen goed en kwaad en de kunstenaars die zich op de grens daarvan bewegen. 

    Minimaal een keer per week plaatst ze op haar website een blog. Sinds 2015 schrijft ze recensies voor Literair Nederland. Ze recenseert eveneens voor NBD Biblion, een organisatie die bibliotheken ondersteunt en het lezen wil bevorderen, en voor cultuurwebsite 8WEEKLY. Daarnaast schreef zij zeven boeken, waarvan Tien boeken, tien deugden, over Philippe Claudel, een paar maanden geleden verscheen.

     

    Wat drijft jou om te schrijven? Je produceert best veel.

    ‘Ik heb zelf niet het gevoel dat het veel is. Van de recensies, ook voor Literair Nederland, hangt het af van met welke andere zaken ik nog bezig ben, een cursus of zo, of van wat ik toegestuurd krijg. Alleen voor 8WEEKLY schrijf ik iedere maand. Ik bezoek dan een tentoonstelling en vertel er wat over. En ik schrijf voor Kerk in Mokum, een tijdschrift voor kerk, cultuur en samenleving van de Protestantse Kerk Amsterdam. Ik ervaar het niet als veel schrijven, het is een hobby. Wat mij drijft is creatief bezig zijn. Zo heb ik ook als vrijwilliger een keer per maand een muziekclubje waar ik dan een lezing geef. Ik duik in de muziekgeschiedenis, zoek van alles bij elkaar over een bepaald muziekstuk of een componist, vertel er wat over en hoop dat mensen dan zeggen: Wat heb ik een heerlijke middag gehad. Soms gaan ze een cd kopen van een componist waar ze voorheen nooit van hadden gehoord. Dan is mijn middag goed.’ 

    Els van Swol deed de opleiding tot muziekbibliothecaris aan de vroegere Frederik Muller Academie en studeerde later Kunst en Cultuurwetenschappen bij de Open Universiteit. Daar was muziek een vak, net als beeldende kunst, literatuur, filosofie en cultuurgeschiedenis. Ze studeerde af op het filosofische Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel. Van Claudel was ze zo onder de indruk dat ze zelf een boek over hem en tien van zijn romans ging schrijven: Tien boeken, tien deugden (2021). 

    Wat trok je aan in zijn boeken, wat is de gemene deler?

    ‘Hij schuurt. Er zit een soort dialectiek in. Goed en kwaad, licht en donker, in een vaak heel bloemrijke taal. Die schuurt met het thema waar hij over het algemeen over schrijft, het kwaad, en dat vind ik interessant. Dat is de gemene deler die mij in een kunstwerk aanspreekt, in boeken, muziek of wat dan ook. Ook in beeldende kunst ja. Ik herinner me dat ik voor het eerst met vakantie in Vlaanderen was. Het regende, ik had te weinig boeken bij me en ging een boekwinkel binnen. Toen is mijn liefde voor de Vlaamse literatuur geboren. Zowel de beeldende kunst die je daar ziet als de literatuur zijn wat rauw. Die heeft ook heel bloemrijke taal en toch schuurt het. Die twee kanten zitten ook in Claudel, en trouwens ook bij Shakespeare, waar ik ook een groot fan van ben, dat komische en het tragische. Componisten als Carl Nielsen en Francis Poulenc hebben het ook. 

    Zelf ben ik een boek over Claudel gaan schrijven omdat ik het zo interessant vond wat hij schrijft. Er waren toen tien romans van hem vertaald en ik dacht, tien is een mooi getal, wat kan ik daarmee? Toen stuitte ik toevallig op het boekje Tien waarden om in te geloven van Bernard Luttikhuis en heb ik dat als kapstok gebruikt voor de boeken van Claudel, zodat er een mooie structuur ontstond en mijn verhaal meer werd dan een uittrekselboek.’

    Een ander boek van Van Swol is Mythe, mysterie, mystiek, (2019), een “kennismaking en een in memoriam” over de in 2016 overleden theoloog Henk Vreekamp, die zichzelf ook wel als “heiden christelijke” voorganger omschreef.  

    Wat was de aanleiding om dat boek te schrijven?

    ‘Er was een studiedag in de synagoge in Zwolle over het werk van Vreekamp die toen een jaar eerder overleden was. Ik kende hem en zijn vrouw en ik kende de serie van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij – die inmiddels door KokBoekencentrum wordt uitgegeven – en het leek me leuk om Vreekamp daarin te laten opnemen. Aan zijn vrouw heb ik gevraagd: zou je medewerking willen verlenen als ik voorstel om dat te gaan schrijven? Dat vond ze enig. Ik kreeg de volle medewerking, maar heb zijn archief niet mogen raadplegen omdat zij erop stond dat het echt alléén mijn visie op zijn werk was die ik zou weergeven. Daarom wilde ze ook niet dat ik een hoofdstuk Receptie zou toevoegen, waarin ik in zou gaan op reacties op zijn werk anders dan die van mijzelf. Verder was het een hele leuke samenwerking. Nee, ik heb niet overwogen om het dan maar niet te schrijven, ik wilde het toch graag doen.’

    Uit dat boek en uit andere van je teksten blijkt dat je nogal wat Bijbelkennis hebt.

    ‘Die heb ik niet bij de Open Universiteit opgedaan, het is altijd mijn persoonlijke interesse geweest. En dan voornamelijk de joodse uitleg van de Bijbel, waar Vreekamp ook erg sterk in was. Ik heb in verschillende commissies op dat terrein gezeten, kerkenraadcommissies en zo, ben er altijd wel mee bezig geweest. Als puber niet, ik ben wel christelijk opgevoed, maar keek toen kritisch naar de kerk. In Leeuwarden, waar ik een tijd gewoond heb, ging ik praktisch niet naar de kerk. Maar toen mijn ouders daar ook kwamen wonen ging ik samen met mijn vader, dat was gezellig.’  

    Vanwaar de interesse voor de joodse kant van de Bijbel?

    ‘Die is meer concreet, de joodse uitleg van de bijbel, meer op het aardse gericht. Geen dogma’s van dit of dat moet je geloven, gewoon praktisch doen, het geloof in praktijk brengen, letterlijk. Daar gaat het in het jodendom om, er handen en voeten aan geven. In het Hebreeuws zijn woord én daad een en hetzelfde woord: dabar. “Geen woorden maar daden” klinkt daarom in mijn oren dus vreemd. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen water te drinken geven, vreemdelingen opnemen, naakten kleden, zieken bezoeken, gevangenen bezoeken en doden begraven. Het gaat erom de wereld beter te maken.’

    De Bijbelteksten die je onder andere aanhaalt in het boek over Vreekamp en ook in dat over Claudel, en die ook wel in je blogs voorkomen, ken je die uit je hoofd?

    ‘Bij Claudel heb ik heel weinig aangehaald en met enige schroom, want ik was me erg bewust van het feit dat hij humanist is. Maar door die opvoeding zit er zoveel bagage dat er al snel een koppeling met zo’n tekst in me opkomt. En soms heb ik ook wel eens een klepel waar ik de klok even voor moet opzoeken. Leve het internet hè. 

    Nee, de allernieuwste vertaling van de Bijbel heb ik niet gekocht. Dat wordt te gek ook. Ik heb er laatst iemand uit horen voorlezen, vond ik wel mooi, maar om nou nog weer een vertaling te kopen… Ik heb er al een paar en ben geen theoloog. Ik heb een paar jaar Ivriet gedaan, het moderne Hebreeuws, en kan in het oude Hebreeuws sommige dingen wel plaatsen. Over vertalingen zijn hele hetzes gevoerd. Dan denk ik, ja ach…’ 

    Je schreef ook twee boeken over muziek, waaronder Dialoog in muziek (Panta Rhei, 1997) over de invloed van de joodse muziek op de westerse muziekgeschiedenis. Hoe zit dat precies?

    ‘Die invloed is er, vanf het Gregoriaans, tot nu toe. Maar dat weten weinig mensen, eigenlijk heel vreemd. De invloed kwam vanuit wat we nu Israël noemen naar hier, mensen gingen over en weer. Bij Monteverdi zijn er veel invloeden, die zat in het getto in Venetië en heeft daar de joodse muziek gehoord. Er zijn ook twintigste-eeuwse componisten die zich bewust hebben laten beïnvloeden, niet-Joodse componisten. Je kunt het soms horen, in bepaalde uitvoeringstradities van het Gregoriaans die daar echt op gestoeld zijn en bij Monteverdi in bepaalde versieringstechnieken. Je vindt de invloed ook terug in de getallensymboliek in allerlei werken van J.S. Bach. Vervolgens bij de joods-christelijke componist Mendelssohn-Bartholdy, in werken van Schubert en vooral in Russische muziek van met name Rimski-Korsakow en Sjostakovitsj.’ 

    Je schreef ook een boek over je moeder.

    ‘Het is een biografie van mijn moeder. De titels van de hoofdstukken zijn ontleend aan de delen uit Dieterich Buxtehude’s cantate Membra Jesu Nostri. Mijn vader en ik hoorden dat stuk tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht, niet lang nadat mijn moeder was overleden. Het maakte een verpletterende indruk. Vandaar de keus voor de hoofdstuktitels als kapstok voor de indeling. In het boekje kijk ik door de ogen van mijn moeder naar de kunst waar zij van hield: beeldende kunst, (binnenhuis)architectuur, literatuur, klassieke en jazzmuziek. Ik probeerde deze voorliefdes psychologisch te duiden. Op deze manier ontstaat ook een tijdsbeeld en gaat het ook over kunstgeschiedenis. En bepaalde kanten van het karakter van mijn moeder ben ik al schrijvende steeds beter gaan begrijpen.’ 

    Voor Shakespeare heb je een grote liefde. Wanneer is die ontstaan en wat trekt je in hem aan?

    ‘Dat was in 1993. Ik zat tv te kijken, zapte wat en toen kwam er een opvoering van Hamlet voorbij, opgenomen in het Hilversumse raadhuis onder regie van Dirk Tanghe en Berend Boudewijn. En toen was ik verkocht! Ik dacht, dit is wel zo iets moois! Ik heb Shakespeare natuurlijk op de middelbare school gehad, maar toen drong het nog niet zo tot me door, het hoorde gewoon bij de les. De opvoering was zo mooi gedaan dat ik er meer van wilde weten. Sindsdien ga ik altijd als Shakespeare ergens opgevoerd wordt. Ik ben gek genoeg om er ook voor op reis te gaan. Vrienden van me zijn ook grote fans, we delen die liefde. Een van hen is een Engelse toneelspeler. Ze sturen weleens linkjes door over opvoeringen in Engeland en dan ga ik daar ook naar kijken. Het is een totaal andere opvoeringstraditie dan in Nederland. Het grootste verschil zit er misschien in dat Engelse regisseurs meestal dichter bij het origineel blijven en Nederlandse niet altijd. De eerste opvoering van een Shakespearestuk vond in Nederland pas halverwege de negentiende eeuw plaats. Bovendien kent Nederland regisseurstoneel: de visie van een regisseur op een bepaald stuk is nadrukkelijk aanwezig. Het is heel leuk om kennis te nemen van dat verschil. 

    Ik ben ook een paar keer in Stradford-upon-Avon geweest, maar heb daar geen opvoering bijgewoond. Wel in Londen. Wat me trekt is misschien toch ook wel weer die dialectiek, goed, kwaad, tragedie, komedie ineen. En het mengen van dingen. Grensgangers zijn het eigenlijk, dit soort kunstenaars en in die verschillende stijlen. Dat is denk ik wel een kenmerkend woord.’

    Je blogs op je website zijn heel verschillend. Soms zijn het recensies, soms boekaankondigingen of een verhaal over iets anders, met veel boektitels en auteursnamen. Heb je die associaties allemaal paraat?

    ‘Soms moet ik wel wat nazoeken, maar iemand heeft ooit tegen me gezegd: “Dat is een hele leuke soort kortsluiting in jouw hersenen.” Dat vond ik het mooiste compliment dat ik ooit gehad heb. Wanneer ik over literatuur aan het schrijven ben, schiet me vaak meteen een schilderij te binnen of een stuk muziek. Dat is de cultuurwetenschap in praktijk gebracht. Ik denk dat ik dat altijd heb gehad, door de studie misschien aangewakkerd. Maar het zat altijd al in me.’ 

     

    Lees hier de recensie van Els van Swol

    En kijk hier voor Els’ Blogs.


    Foto: Nori Rutgers-Dekker

     

  • Matras

    Matras

    Yaser uit Syrië woont ruim een jaar in mijn woonplaats. Ik sprak hem af en toe maar nooit diepgaand. Een paar weken terug kwam ik hem tegen op straat. Hij omhelsde me uitgelaten. Hij zag er anders uit, verzorgder. En toen ik zag hoe licht zijn ogen waren, realiseerde ik me pas hoe verlegen en in zichzelf gekeerd hij was tijdens die paar keer dat ik hem had gesproken. Reden van zijn opgetogenheid was de hereniging met zijn vrouw en twee kinderen.

    Een paar dagen later kreeg ik een mail van een kennis die weet van mijn contacten met vluchtelingen. ‘Ik heb een tweepersoons matras over. Kan ik er iemand blij mee maken?’ Het bleek een matras van hoogwaardige kwaliteit. Yaser, dacht ik al snel. Ik belde hem; wat aarzelend, want ik had het matras niet gezien. Maar hij hapte meteen toe. Hij en zijn vrouw sliepen nu op een provisorisch bed, vertelde hij, in afwachting van wat beters. ‘Het is wel een matras zonder ombouw’, zei ik. ‘Geeft niet. We leggen het op de grond. Later bouw ik wel een bed.’

    Mijn kennis had aangeboden het met zijn auto te brengen omdat het een log geval was. Toen het aankwam, zei Yaser meteen: ‘ik draag het wel. Ik woon vlak bij.’ Tijdens zijn vlucht heeft hij voor hetere vuren gestaan. Hij schoof het 1.60 bij 2.00 metende geval tot ver over zijn hoofd, zijn armen breeduit eronder. Ik tilde het laaghangende stuk om te voorkomen dat het over de grond zou slepen. We hadden 800 meter te gaan. Onderweg moest ik Yaser tot twee keer toe vragen even stil te staan omdat mijn armen verkrampten. Toen we beiden bezweet aankwamen, nodigde hij me uit voor koffie. Zijn vrouw was er niet. Ze bezocht haar zus die tien maanden geleden naar hier kwam. We praatten luchtiger deze keer. Het ging nu meer over de toekomst. Ondertussen bedankte hij me diverse keren voor het matras. Ik ben daar altijd wat verlegen mee. Ik wil geen hulpverlener zijn, maar elk ‘dankjewel’ wrijft me die rol in.

    Waar ik naar op zoek ben in deze contacten is de verwantschap. Zo verschillend als we zijn herken ik in het vluchtelingenbestaan iets dat appelleert aan ervaringen uit mijn eigen leven. Ik ben benieuwd naar hun verhaal omdat het, hoe onduidbaar dat ook is, iets losmaakt in mezelf: ontheemd zijn, je onveilig voelen, de verrukking over iets moois, je een vreemde in de wereld voelen, geluk om een weerzien. Is het iets dergelijks? Als ik even later naar huis ga, denk ik aan een scène uit Het kleine meisje van meneer Linh van Philippe Claudel, waarin vluchteling Linh en de dikke Bark op een bankje in het park zitten. Ze vertellen elkaar hun levensverhaal. Jij bent als lezer de enige die het te horen krijgt. Linh en Bark missen die informatie: ze verstaan elkaars taal niet. En toch begrijpen ze elkaar. Ik geloof dat ik een beetje Bark zou willen zijn. Liever dan hulpverlener.

     

     

  • Het archief, 10 jaar Literair Nederland, 2005: Het kleine meisje van meneer Linh

    Al ‘bladerend’ door het archief van Literair Nederland, stuitte ik op een recensie over Het kleine meisje van meneer Linh. De recensie, – eigenlijk is het meer een samenvatting dan een recensie – is geschreven door Bernadet. Wie deze Bernadet is, weet ik niet. Duidelijk is wel dat ze genoten heeft van dit prachtige boekje van Philippe Claudel. Ze noemt het een aanrader en dat is het ook.
    Het kleine meisje van meneer Linh gaat over een oude, breekbare grootvader die zijn door oorlog getraumatiseerde land ontvlucht om elders een betere toekomst voor zijn kleindochtertje op te bouwen. Zijn toewijding is ontroerend. Het verhaal ook.

    Hartverscheurend mooi – een betere omschrijving voor dit boekje is er niet.

    Lees hier de recensie over Het kleine meisje van meneer Linh, die op 21 november 2005 op Literair Nederland gepubliceerd is. Het boek is nog steeds verkrijgbaar (De Bezige Bij, pocket, € 10,-).

     

    Lees ook Uit het archief, 10 jaar Literair Nederland:
    2011, Knip dan, toe dan 
    2003, De zwemmer van Zsuzsa Bánk


    en: 
    Een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland 

     

  • Een verhaal over vriendschap met een onverwachte wending

    Een verhaal over vriendschap met een onverwachte wending

    Meneer Linh is een oude man die geen vrouw meer heeft en zijn zoon en schoondochter door de oorlog (vermoedelijk Vietnam) is kwijtgeraakt. Het enige wat hij nog heeft is zijn drie maanden oude kleindochter. Zijn dorp is verwoest en om het kind een betere toekomst te geven ontvlucht hij zijn land. In het, niet bij naam genoemde, nieuwe land komt hij in een opvangcentrum terecht. Zijn enige levensdoel is zijn kleinkind grootbrengen. Hij koestert en verzorgt haar, zingt liedjes en hij is enorm bang dat iemand hem zijn kleinkind zal afnemen. Niemand mag aan haar komen. Zijn enorme zorg wekt de spotlust bij de medebewoners van het opvangcentrum. Omdat buitenlucht goed is voor de kleine waagt hij zich op een gegeven moment naar buiten en ontdekt een parkje.

    Gezeten op een bankje ontmoet hij meneer Bark, een grote, zware, kettingrokende weduwnaar. Meneer Bark praat heel vriendelijk tegen hem en hoewel ze elkaar totaal niet verstaan groeit er een vriendschap. Meneer Linh is blij. Hij vindt zijn nieuwe land vreemd: iedereen heeft maar haast en rent, het nieuwe land heeft geen geur. De mannen ontmoeten elkaar daarna elke dag en vinden een vorm van troost bij elkaar, wat prachtig verteld wordt. Maar… meneer Linh kan niet in het opvanghuis blijven en wordt van de een op de andere dag overgeplaatst naar een ander onderkomen. Daar zijn de regels streng, hij mag het terrein niet af en meneer Linh is wanhopig, zijn vriend Bark weet van niets! Hij mist meneer Bark enorm, in zijn nieuwe onderkomen krijgt hij geen contact en is eenzamer dan ooit. Alleen zijn kleindochter houdt hem op de been. Meneer Linh slaagt er op een dag toch in om het terrein af te komen en wat er dan volgt gooit het hele voorgaande verhaal overhoop.

    Het is een schitterend, ingetogen verhaal met ontroerende fragmenten. Meneer Bark praat en praat en meneer Linh reageert erop door scherp op de uitdrukkingen in het gezicht van Bark te letten, want verstaan doet hij hem niet. Toch begrijpen ze elkaar. Meneer Bark mag zelfs af en toe de kleindochter op schoot nemen. De kleine en broodmagere meneer Linh voelt zich beschermd bij deze grote reus. Een mooi gedeelte is wanneer zij samen een dag naar zee gaan. Meneer Bark vertelt iets waarvan meneer Linh voelt dat het een belangrijk en verdrietig verhaal is. ‘Meneer Linh probeert zijn arm om de schouder van zijn vriend te slaan, maar het lukt niet, want zijn arm is te kort voor zo’n enorme brede schouder. Hij glimlacht naar hem.’ Het kleine meisje van meneer Linh is een verhaal over vriendschap, met een onverwachte wending die alles in een ander daglicht plaatst. Ontroerend en mooi, een aanrader.