• Dienstplichtigen van toen

    Dienstplichtigen van toen

    De achtste roman van Philip Snijder, De verbindingen, heeft een onverwacht actueel thema, dat van de dienstplicht. Er is weer discussie over herinvoering daarvan in verband met de herbewapening en Europese oorlogsvoorbereiding.

    Dat het boek aanhaakt op de actualiteit is begrijpelijk, maar de parallellen zijn ver te zoeken. Het boek gaat namelijk wel over dienstplichtige soldaten (en een enkele officier) maar dan in het historisch perspectief van kazernering in Duitsland eind jaren zeventig. De anonieme hoofdpersoon/verteller moet als soldaat in dienst en maakt daar een periode vol verveling, eenzaamheid, vernedering, gekmakende routine en oppervlakkige camaraderie mee. Voor een gevoelige jongen met een laag zelfbeeld en vol angsten geen geringe uitdaging.

    Nieuwe kameraad

    Het sleutelwoord in het boek is dat van de titel: verbindingen. Dat moet zowel letterlijk als figuurlijk genomen worden. Letterlijk omdat hij in dienst de functie van radiotelegrafist vervult, wat hem consequent de bijnaam ‘de Stekker’ oplevert. Een goed voorbeeld van de depersonalisering die de diensttijd – zeker toen – met iemand deed. Figuurlijk omdat de hoofdpersoon daar wanhopig naar op zoek is, verbinding. Daar slaagt hij eigenlijk niet in. Niet op school met slechts een schuchtere toenadering tot een onbereikbaar meisje, geen enkel contact met een afwezige en zieke vader, weinig liefde tussen hem en zijn moeder, nauwelijks banden met familie, later geen vrienden in zijn studiestad Amsterdam en een zich voortslepende relatie met vriendin Ingrid. En dan gebeurt er eindelijk toch wat.

    Bij de keuring voor de militaire dienst ontmoet hij door toeval, ze staan achter elkaar in de rij, een wat mysterieuze jongen, Ronald, die er hippie-achtig uitziet. Ze gaan in gesprek – al heel wat voor de verteller – en ze trekken een paar uren met elkaar op. Maar op het einde slaagt hij er niet in met zijn mogelijk nieuwe kameraad iets af te spreken. Weer te lamlendig en te sloom. Maar dan volgt de tweede ontmoeting: de hippie duikt plotseling op als vaandrig (officier in opleiding) en pelotonscommandant op de Navo-basis Rugenstein in het Duitse Süssland. Hij lijkt onherkenbaar veranderd, heeft kort haar, is autoritair en kortaf en een verre schim van de goedmoedige hippie van een half jaar eerder. ‘Die Nazi’ noemen de soldaten hem achter zijn rug.

    Ook dan durft de verteller de confrontatie niet aan. Hij wil natuurlijk in gesprek met Ronald maar slaagt daar steeds niet in. Opnieuw schuchter – zelfs bang dat de wetenschap bij de andere soldaten dat Ronald en hij elkaar kennen zijn toch al precaire positie als jongen zonder grote mond en durf verder in gevaar zal brengen. Na toch nog een nachtelijk gesprek met Ronald blijkt deze een bedoeling te hebben met zijn barse, autoritaire optreden. Als gevolg van het gesprek draait vaandrig Ronald als een blad aan de boom om en wordt vriendelijk, amicaal en extreem socialiserend met de manschappen waar hiërarchische afstand de absolute norm is. Deze gedaanteverwisseling moet onafwendbaar een keer mis gaan en zie, de weinig drinkende Ronald drinkt zich op de wekelijkse zuipavond in de manschappenkantine, waar hij eigenlijk niks te zoeken heeft, stomdronken. De gevolgen zijn radicaal: een maand militaire detentie en overplaatsing naar een onbetekenende functie.

    De enige vreemde

    De derde en laatste ontmoeting van de verteller met Ronald is zo mogelijk nog confronterender. De ik werkt na zijn diensttijd, het is dan 1980, als nachtreceptionist en schoonmaker in het verlopen toeristenhotel Bombay nabij het Damrak in Amsterdam. Tegen het einde van zijn dienst ziet hij dat de vrouwen-wc al heel lang bezet is. Ondanks veel roepen en kloppen komt er geen reactie. Hij breekt in en ziet tot zijn ontzetting een bewusteloze junk onder het bloed en kots op de tegels liggen. Deze slaat lodderig een oog open en de verteller herkent de eerdere hippie en vaandrig.

    De verteller neemt zijn vroegere ‘kameraad’ na een wasbeurt mee naar een haveloze horecagelegenheid waarbij Ronald met veel Marsrepen een beetje tot leven komt en een relaas houdt over zijn jaren tussen de militaire detentie en zijn huidige status als heroïnejunk. De ik gaat terug naar het hotel om zijn dienst over te dragen en constateert daar dat met enig sloopgeweld de hele kassa inclusief de 250 gulden wisselgeld is ontvreemd.

    De hoofdpersoon is – in huidig taalgebruik – nogal een loser. Zijn studie pedagogiek aan de UvA staakt hij, maar waarom en hoe is niet duidelijk. Vinden zijn ouders en vriendin Ingrid daar wat van? Hij neemt een baantje bij een papierwinkel waar niet bepaald de arbeidssatisfactie vanaf spat. Daaraan voorafgaand brengt hij zijn tijd door met ‘solitair pornobioscoopbezoek’ en ‘solitaire bessenjenever’. ’Door de onthechting die over me kwam in die pornozaaltjes steeg ik op uit dat leven, verhief ik me eruit als een leviterende Tibetaanse monnik. En vanuit de troebele wolken waarin mijn hoofd dan terechtkwam, kon ik dat leven daar onder me gelukkig nauwelijks zien’. Met ‘dat leven’ bedoelt de ik het studentenleven maar eigenlijk zijn hele leven. Daarin was hij ‘de enige vreemde’. Iedereen leek elkaar lang te kennen. ‘En daardoor vond ik mezelf dan weer een weke aansteller en een verachtelijke zeikerd.’

    De relatie met Ingrid is flets. Bovendien leven ze in zijn tijd als nachtreceptionist letterlijk langs elkaar heen. Hij komt thuis als zij naar haar werk vertrekt. Als zij om tien uur naar bed gaat vertrekt hij naar het hotel. Bij de keuring voor de militaire dienst geeft hij ‘in een impuls’ aan dat hij niet kiest voor de officiersopleiding, waar hij als academicus in spe recht op heeft, maar ‘gewoon soldaat’ wil worden.

    Feest der herkenning

    De verbindingen bevat geestig beschreven scènes in militaire dienst en daarbuiten. Er valt veel te lachen. Snijder schrijft vlot en pakkend en als lezer is het genieten van de meestal niet al te fijnzinnige anekdotes over het dienstplichtigenleven van toen. Die gaan veelal over drank, grappen, pesten, sterke verhalen, seks en wonderlijke, voor buitenstaanders niet te doorgronden rituelen. Zeker voor lezers met eigen ervaringen in vooral de rol van de eenvoudige manschappen (‘zandhazen’) zal het boek een feest der herkenning zijn. Vrolijke treurigheid troef tegen de achtergrond van het Amsterdam van 1980, de tijd van krakers, drugs en verval. Voor lezers die daar wat minder mee hebben is het boek vermakelijk maar op afstand. De karakters en hun ontwikkeling zijn wat afstandelijk beschreven.

    Interessant en intrigerend is het snel wisselende gedrag van de vaandrig-hippie-kunstenaar (want dat laatste is hij in het diepst van zijn gedachten) en junk Ronald. De verbindingen is een vlotte roman over een reeks belevenissen in het toenmalige systeem van militaire dienstplicht en het verlies van identiteit wanneer iemand een uniform draagt. De hoofdpersonen zijn bijzondere types: een slome aanpasser met een laag zelfbeeld die altijd het gesprek en zeker de confrontatie vermijdt, en een creatieveling die als beginnend kunstenaar de weg kwijt raakt. Je vraagt je af wat er van hen geworden is.

     

     

  • De autobiografische roman als therapie

    De autobiografische roman als therapie

    Tot degenen die zich al schrijvende proberen te verhouden tot het milieu waaruit men komt, behoort ook Philip Snijder. Vaak gaat het om de afkomst uit een beknellende omgeving, bijvoorbeeld een religieuze gezindte. Bij Snijder vormt een volksbuurt in hartje Amsterdam het decor. In Het smartlappenkwartier staat de moeder centraal: Bep van het Bickerseiland. Eerder werk van Philip Snijder (1956), door zijn uitgever omschreven als ‘autobiografisch gevoede fictie’, zoomt in op vader (Het geschenk) en zus (Bloed krijg je er nooit meer uit).

    Naast haar bezigheden als vreugdeloze huisvrouw brengt ze op volwassen leeftijd vooral veel tijd door in haar ouderlijk huis, te midden van elf broers en zussen die allemaal zijn blijven hangen rond dezelfde geboorteplek. Men wisselt nieuwtjes uit en herhaalt eindeloos familieverhalen, terwijl de (klein)kinderen met liefdeloze hand ingetoomd worden. Gedurende haar jeugdjaren bracht Beppie enige tijd door buiten deze beperkte biotoop, namelijk in een tuberculose sanatorium, samen met haar moeder. Dit zal altijd haar gelukkigste herinnering blijven. Maar, nadien moest ze ‘terug naar het gekift en gesnauw, naar het schelden, schreeuwen, porren, knijpen en knokken, naar de snee brood die zomaar voor je bijna toehappende mond kon worden weggegraaid door een schaterende broer of een vals grijnzende zus.’

    Schaamte voor eigen afkomst

    Het smartlappenkwartier opent wanneer Bep, inmiddels zelf moeder, de deur uit stapt en haar gezin verlaat, waaronder haar 16-jarige zoon, de ik-persoon. Bij hem brengt dit een stroom van gedachten en herinneringen op gang, afgewisseld met passages in het vertelheden waarin hij zijn moeder probeert terug te vinden. Snijder neemt geen blad voor de mond. Het boek is nietsontziend als het de haat beschrijft die de zoon voelt voor zijn moeder. Dit gaat zelfs zover als fantasieën over brute mishandeling. De puber schaamt zich voor haar simpelheid, voor haar lichaam, voor het leven dat ze leidt. Hij is boos op haar gebrek aan liefde. Moederliefde heeft hij alleen ervaren op de momenten dat ze, voor het slapengaan, bij hem op bed liggend smartlappen uit het klassieke repertoire van het Amsterdamse Bickerseiland zong. De boektitel is hieraan ontleend, en geeft dus zowel een tijds- als een plaatsaanduiding.

    In de speurtocht naar zijn verloren moeder ontdekt de ik-figuur een betekenisvol element van haar leven waarvan hij niets wist. Dit geeft haar een onvermoede emotie en zelfs diepgang. Acceptatie volgt niet direct, wel wint Bep hiermee haar autonomie terug. Ze wordt voor de zoon een handelend subject. Snijder komt aan het slot van zijn boek terug bij het beeld van een moeder en kind die, samen in bed liggend, lief en leed delen, maar nu heeft de zoon de puberleeftijd en kleeft er een seksuele, Oedipale lading aan. Op het gebied van originaliteit kan je hiermee geen prijzen meer winnen en het komt bedacht over; een literaire afronding uit het boekje.

    Persoonlijke verwerking

    De Nederlandse literatuur kent beslist geen gebrek aan romans met dezelfde insteek als het werk van Philip Snijder. Nu eens is het een verwerking van de jeugdjaren, dan weer een afrekening daarmee. Soms is de toon verwijtend of spottend, dan weer voorzichtig liefdevol, de ene keer gaat het om een totale afwijzing van het ouderlijk huis en de andere keer om een aarzelende aanvaarding; keuze op dit vlak is er ruimschoots. De vraag die hierbij altijd weer speelt is of er iets publieks gedestilleerd wordt uit het persoonlijke. Is het literatuur, échte literatuur die tijd en plaats overstijgt, of is het misschien in de eerste plaats een therapeutische expressie voor de auteur? Natuurlijk, een prozastijl wordt gehanteerd, er zijn motieven en een literaire vorm, maar toch, waar is de algemene zeggingskracht?

    Vaak ontstaat die bredere betekenis als er enige afstand wordt genomen tot het materiaal. Kijk bijvoorbeeld naar de ‘Napolitaanse romans’ van Elena Ferrante, waarin literatuur wordt gemaakt van het opgroeien in een volksbuurt. Bij Ferrante gebeurt dat vanuit fictieve personages met een eigen persoonlijkheid, die niet volkomen samenvallen met wat de auteur daadwerkelijk heeft beleefd. Dit rekt hun reikwijdte enorm op: wat de jeugdvriendinnen uit Napels doormaken, resoneert bij lezers over de hele wereld.  Het smartlappenkwartier wekt de indruk vooral de lens van de herinnering te hanteren, niet die van de artistieke creatie, en dat beperkt de waarde van het boek fundamenteel. De verwerking lijkt nog gaande te zijn en deze 220 pagina’s getuigen daarvan.

     

     

     

  • Oogst week 41 – 2020

    Zo tedere schade

    Hans Vervoort (1939) groeide op in Nederlands-Indië en kwam in 1953 naar Nederland. Vanaf 1970 publiceerde hij vele boeken, waaronder enkele jeugdboeken en Het bedrijf, een autobiografische trilogie over zijn tijd dat hij als marktonderzoeker en tijdschriften uitgever bij de Weekbladpers werkte.

    Zijn nieuwe boek Zo tedere schade…, is een kleine roman over Hans Heijmenberg die na een huwelijk van vierenvijftig jaar zijn vrouw verliest. Zij deelden hun Indisch verleden met elkaar en waren soulmates voor het leven. Zijn vrouw sterft aan longkanker, waarvoor hij zich schuldig voelt. Hij was een fervent roker en zij, als nietroker, rookte ongewild met hem mee. Na haar dood doet hij zijn best zichzelf dood te drinken. Dit lukt hem echter niet, hij kan meer alcohol verdragen dan hij dacht. Dan besluit hij een door zijn vrouw geuitte wens uit te voeren. Kort voor haar dood las ze een bericht over een onopgeloste moord op een jonge vrouw bij kamp Walaardt Sacré, waar haar man in 1960 zijn diensttijd doorbracht. Een jaar na haar overlijden begint hij de 60 jaar oude, onopgeloste moordzaak te onderzoeken.

     

    Zo tedere schade
    Auteur: Hans Vervoort
    Uitgeverij: Uitgeverij Brooklyn

    Voor permanente bewoning

    Anna de Bruyckere (1987) debuteert met de bundel Voor permanente bewoning.  Eerder werd haar werk gepubliceerd in onder andere Het Liegend Konijn, De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2018 en 2019 was ze stadsdichter van Middelburg.

    Haar gedichten kenmerken zich door verrassende wendingen, zo wordt regenen een vorm van prevelen. Ontpopt een warm bed zich als een plaats voor nietsontziende zelfreflectie. En uit het geel in een verder grijze polder wordt als een schuchter liefdesgedicht een warm blakend vest / precies jouw maat geweven.
    De Bruckere heeft duidelijk oog voor de kleine dingen, ze beschrijft dat, wat ons levenslang bezighoudt.  De uitgeverij  noemt, ‘Voor permanente bewoning […] een opvallend debuut dat formuleert wat ons in onze alledaagse hectiek vaak ontglipt, omdat we het niet zien of er nog geen woorden voor hadden.’

    Naast poëzie schrijft ze essays, verhalen en theater.

    Voor permanente bewoning
    Auteur: Anna de Bruyckere
    Uitgeverij: Cossee

    Het smartlappenkwartier

    Philip Snijder (1956) groeide op in de oude volksbuurt Bickerseiland in Amsterdam. Een stukje ingepolderd land dat in de 17e eeuw een bedrijvig toneel van de scheepvaart was, maar later veranderde in een volksbuurt met verkrotte huizen en bouwvallige loodsen.
    Snijder debuteerde als schrijver met verhalen over zijn jeugd op Bickerseiland in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde.

    Het smartlappenkwartier is zijn vijfde roman, even als zijn voorgaande romans speelt ook deze zich af in de volksbuurt waar hij opgroeide. In zijn vorige boeken wordt beschreven hoe een jongen zich probeert los te maken uit de benauwenis van zijn familie.
    In Het smartlappenkwartier staat de moeder centraal, een ongeschoolde, wereldvreemde vrouw. Op een zondagmiddag is ze opeens verdwenen. Als ze zich ’s avonds meldt, krijgt haar zestienjarige zoon het telefoonnummer waarop ze te bereiken zou zijn. Hij stapt op zijn Puch en verdwaalt in de herinneringen aan hun gezamenlijke verleden, waarin strijd, haat en schaamte de boventoon voeren.

    In een interview bij VPRO’s Nooit meer slapen vertelde de schrijver dat zijn moeder, hoewel ze verder niet echt naar haar kinderen omkeek, wel elke avond bij het naar bed gaan een kwartiertje bij hem op bed kwam liggen en daar de ene na de andere smartlap voor hem zong. Vandaar de titel, Het smartlappenkwartier.

    Het smartlappenkwartier
    Auteur: Philip Snijder
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Eva

    De roman Eva verscheen in 1927 en baarde gelijk veel opzien en werd vele malen herdrukt. Hij werd als de belangrijkste roman van Carry van Bruggen gezien. Van Bruggen werd in 1881 geboren als Carry de Haan, ze was de zuster van Jacob Israël de Haan, die in 1919 als zionist naar Palestina emigreerde. Daar werd hij op 30 juni 1924 vermoord tijdens een terroristische aanslag van een Joodse paramilitaire organisatie.

    Eva, de roman die bij het verschijnen in 1927 veel opzien baarde en sindsdien vele malen is herdrukt, is een openhartige zelfportret, een biecht waarin via een voortdurende dialoog met haar alter ego beleden wordt dat de zin van het bestaan gelegen is in strijd met de wereld, in zelfstrijd. Eva is de geschiedenis van een jonge vrouw die zich losmaakt uit het milieu waaruit ze komt en van het orthodoxe geloof waarmee ze opgroeide. De dood van haar broer speelt een belangrijke rol in deze roman. Kort na verschijning van Eva belandde Van Bruggen in een jarenlange depressie, die uitmondde in een zelfmoord in 1932.

    Vanaf haar debuut In de schaduw (1907) publiceerde Van Bruggen verhalen en romans. Onder meer het sterk autobiografische Het huisje aan de sloot (1921).

    Eva
    Auteur: Carry van Bruggen
    Uitgeverij: Querido
  • Schaamte en ander ongemak

    Schaamte en ander ongemak

    Ik las laatst de roman, Bloed krijg je er nooit meer uit, van Philip Snijder over de gevolgen van een jeugd in een achtergestelde volkswijk. Het speelt, net als het autobiografische Zondagsgeld en zijn derde, Het geschenk, op het Bickerseiland in Amsterdam. In de jaren zestig een verpauperde buurt waaraan de hoofdpersoon zich ontworstelde zo gauw de mogelijkheid zich voordeed. Ik had geen idee, maar het Bickerseiland was tot eind negentiende eeuw een echt eiland en valt onder de Westelijke eilanden (waarvan ik ook geen weet had). Wat ik wel weet is dat het Magna Plaza het vroegere Postkantoor was en dat radiomaker en columnist (Het Parool), Ischa Meijer boven een café woonde waarvan hij de uitbater ‘koffiebaas’ noemde. Niet zoveel meer wetend van Amsterdam dan de doorsnee (van oorsprong) Amsterdammer stel ik me zo voor. Van de stad waar je familie al generaties woont, weet je het minst. Net als in sommige  families, vol aannames onderling en liever geen vragen.

    Ik kom niet uit Amsterdam dus zocht online op ‘Bickerseiland’ en kwam te weten dat een koopman, Jan Bickers genaamd, in 1631 eigenaar werd van het eiland. Hij legde er wat scheepswerven aan, bouwde wat pak- en woonhuizen en ging er zelf ook wonen. Vast in veel betere omstandigheden verkerend dan de familie in Bloed krijg je er nooit meer uit. Dat het Bickerseiland nu een van de mooiste stukjes van Amsterdam is, gelegen in de hoek van het Centraal station en de Haarlemmerdijk, is mede dankzij deze Jan Bickers. Maar dat wist de hoofdpersoon niet toen hij er in de jaren zestig opgroeide, in een buurt waarvan de bekrompenheid hem benauwde, als kind dus al. Vanaf de eerste bladzijden is duidelijk dat de verteller, dan nog een jongen van negen jaar, niet bij zijn familie wil horen. De gedachte dat hij bij de verkeerde ouders was terecht gekomen zal vast wel eens in hem zijn opgekomen.

    Hij wist in ieder geval dat het anders moest en dat kon hij bereiken door zich los te maken van zijn familie.  Maar je kunt niet ver genoeg wegtrekken of je wordt er aan je haren weer bijgesleept want: Er was een zusje, tien jaar jonger, dat op bijna veertigjarige leeftijd en na een overduidelijk ellendig leven van vereenzaming, overlijdt. Bij dit eindpunt van haar leven, ziet de verteller  terug op hun beider leven en toont zich de onmacht van een broer-zus verhouding. Zoals die keer dat hij bij haar langs zou gaan omdat ze hem gebeld had. Er was iets, ze zouden het erover hebben. Hij koopt een fles wijn en drukt, driehoog aan de Bickersgracht, op de bel. Ze doet niet open. Hij voelt opluchting. Heeft in ieder geval zijn best gedaan. Als hij weg fietst, kijkt hij nog een keer naar boven en ziet hoe een schim zich plots wegtrekt vanachter de gordijnen. Drie maanden later is ze dood. Een boek als een monumentje voor Amsterdam, en van een ongemakkelijk leven.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Een lapzwans met een talent

    Een lapzwans met een talent

    Philip Snijder kan schrijven. Dat is geen nieuws, dat wisten we sinds zijn debuut Zondagsgeld uit 2007. In dat sympathieke debuut schotelt de schrijver in een tiental verhalen de lezer de wereld voor van de Westelijke Eilanden in Amsterdam toen deze nog echt volks waren, jongens ‘pik’ werden genoemd en de vrouwen citroenbrandewijn dronken. Het meesterlijke aan deze verhalen was de combinatie van een bijna volmaakte stijl, een vergevend soort humor, en het achterbuurtkarakter van de personages.

    De hoofdpersoon van Zondagsgeld zou heel goed de centrale figuur van Snijders derde boek Het geschenk kunnen zijn: de aan zijn milieu ontgroeide 22-jarige, die met een vriendin in een krotwoning op deze zelfde eilanden woont en in een lang weekend zich tracht te verhouden tot zijn vaders naderende dood.

    De zoon belooft in het weekend zijn opa op te zoeken. Het contact tussen de opa en de vader is decennialang verbroken geweest. Nu de vader aan zijn laatste heldere moment toe is – de laatste succesvolle drainage van zijn door een tumor gekwelde schedel is aanstaande – moet de zoon aan het eind van dat weekend vertellen hoe dit bezoek uitgepakt heeft. Dat is ‘het geschenk’ dat de zoon voor zijn vader in gedachten heeft.
    Maar de zoon komt er niet toe. In het bejaardenhuis ziet hij te zeer op tegen het contact met de oude man om hem aan te spreken. De dag erna wil hij dat compenseren door af te reizen naar het Groningse kanaaldorp waarvan zijn opa en vader geboortig zijn.
    Daar vergrijpt hij zich slechts aan een plaatselijke schone. De zoon is een lapzwans.

    Maar, zo wil de schrijver ons laten geloven: een lapzwans met een talent.
    Een groot deel van het boek is gevuld met een verhaallijn die de jongen bij gebrek aan echte geschiedenissen van de opa zelf maar verzint: een episode in Groningen, met grootvader als hoofdfiguur in de rol van verzetsheld.
    De zoon verschaft zichzelf adelsbrieven met een grootvader in het verzet en de schrijver compenseert de halfhartigheid van de zoon met het talent van de jongen: het werkelijke geschenk van de zoon aan zijn vader. Een vader die altijd al, zo lezen we ook in Zondagsgeld, aan het domme volk ontstegen was, maar toch ook niet tot echte intellectuele wasdom was gekomen.
    Dit is een ingenieuze constructie, maar de gehele Groningse episode is stilistisch veel minder interessant, en daarbij het zoveelste verzetsverhaal, waarbij de lezer toch immer de bittere smaak in de mond krijgt dat iedereen altijd maar in het verzet gezeten heeft.

    Sterk van Snijder is dat hij de hoofdpersoon genadeloos in al zijn halfhartigheid neerzet. Hij heeft een vriendin, maar rommelt wat aan, hij bezoekt films in de lokale pornobioscoop, maar is maagdelijk beschroomd daar een vrouw aan te treffen. Hij belooft zijn moeder aan zijn vaders verzoeken te voldoen, maar slechts de uiterlijkheden ervan volbrengt hij. Misschien is het wederom genadeloos dat hij de jongen zich een heldhaftig voorgeslacht laat dromen. Maar op dat moment laat de schrijver de lezer in de steek, want de lange episode is gespeend van de humor die Snijders boeken zo aantrekkelijk maakt, en ook van de relativering die in de andere boeken van Snijder zo verfrissend binnen sijpelt.
    Of de relativering moet zijn: kijk die arme jongen zich eens met een dapper voorgeslacht optooien terwijl het zielige zooitje al decennialang in de modder van de Grote Bickersstraat rond baggert.
    Daarmee is Snijder onaardiger voor de volkse personages en minder ironisch-medelevend in Het geschenk dan in de vorige twee romans.

    Philip Snijders is sinds 2007 een absolute aanwinst voor de Nederlandse literatuur, zijn vermogen heel normale mensen op een heel bijzondere manier te beschrijven met slechts zijn goede pen en meeslepende ironie is ongeëvenaard. In Het geschenk vergaloppeert hij zich door een literairderige tweede verhaallijn, (en wat literaire verwijzingen over de hoofden van zijn personages heen) maar misschien vooral door een te grote afstand van de mensen waarover Snijder het best schrijft: de vrouwen van de citroenbrandewijn en de mannen met hun eeuwige shag.

     

     

     

  • Retour Palermo – Philip Snijder

    ‘Sicilië, midden jaren zeventig. Een jong Nederlands stel – pubers nog – arriveert per trein te Palermo voor hun eerste grote buitenlandse vakantie. Ze spreken geen woord Italiaans en weten vrijwel niets van het ondoorgrondelijke eiland waarop ze hun tentje hebben neergezet. Meteen worden ze op sleeptouw genomen door leeftijdsgenoten uit de incrowd van de grote stad. Maar ze leren ook een ander Sicilië kennen: dat van een groep ongepolijste vissers uit het dorpje waar hun camping ligt. Het wordt een zomer vol overweldigende en ontwrichtende ‘Siciliaanse momenten’.

    Dertig jaar later is een van hen terug in Palermo. Hij gaat op zoek naar het standbeeld dat is opgericht voor een van de vrienden van destijds, maar stuit op heel wat meer dan dat.’

    Retour Palermo

    Auteur: Philip Snijder
    Verschijnt bij: Uitgeverij Mouria (24 febr. 2011)
    Prijs: € 17,50

  • Een bijzonder debuut

    Een bijzonder debuut

    In het debuut van Philip Snijder zien we Bickerseiland (Amsterdam) door de ogen van een 11-jarige jongen. Hij woont daar samen met zijn ouders. Zijn moeder heeft altijd op het Bickerseiland gewoond, evenals haar familie, ooms en tantes, neven nichten. Iedereen loopt bij elkaar in en uit, een privéleven is er nauwelijks. De familie bestaat uit sjacheraars, ze leven van de autosloop en louche handeltjes of zijn werkeloos. Iedereen was ‘eigen’ van elkaar. ‘Eigenlijk bewoonden wij gezamenlijk één enorm onderkomen, met lange gangen en vele kamers, dat zich uitstrekte van het Bickersplein tot de brug naar de Realengracht.’

    Zijn vader is een Groninger die moeite heeft met deze enorme familie, hij zal altijd een buitenstaander blijven. Wel komt iedereen naar hem toe als er ‘moeilijke’ brieven geschreven moeten worden. Maar de jongen begint zich steeds minder ‘eigen’ te voelen.

    ‘De gedachte die ik de afgelopen tijd steeds moeilijker kon wegduwen was dat er iets vanzelfsprekends aan mij ontbrak en dat in mijn familie dit besef aan het doorbreken was: dat die jongen van Beppie, als was hij tussen hen geboren en opgegroeid, niet een eilander was als zij.’

    Het probleem is dat hij goed op school is. Hij kan goed leren en wil gaan doorleren. Er is een heilig ontzag voor dit gegeven. Als de jongen zijn Franse les moet leren houdt heel de familie zich stil. Wat uniek is, alles zit altijd bij opa en opoe en ratelt en kwettert door elkaar heen. Ook de jongen gaat vanuit school nooit naar huis maar naar opoe.

    Via zijn heldere observaties maken we kennis met de handel en wandel van de familie. De oom die elke dinsdag beschonken thuis komt, maar hij is wel altijd vóór het eten thuis. De oom en tante waarvan de jongen het zondagskind is, wat inhoudt dat hij elke zondag even bij ze op viste gaat en een ‘piekie’ (gulden) krijgt. Opa en opoe die de spil van de familie zijn. De vrouwen die uit het raam hangen en overal commentaar op hebben. Geweldig is het verhaal van het feest waar iedereen opgedoft naar toe gaat. De hele buurt leeft mee. Maar ook maken we kennis met zijn ouders die steeds vaker ruzie hebben. De jongen ziet het maar sluit zich er voor af, totdat het niet meer kan.

    De buurt is benauwend en warm, hilarisch en triest, kleinzielig en groots. Philip Snijder heeft alles haarscherp geregistreerd, tot in details, de sfeer op Bickerseiland proef je, maar hij heeft buiten het verhaal van het eiland ook enkele personages neergezet die je niet snel zal vergeten. Vooral de vader die waardig overeind probeert te blijven onder het geweld van de luidruchtige, vrij platvloerse familie. Verder de jongen zelf, die een innerlijke ontwikkeling doormaakt waarin hij soms naïef en soms wijs is. Een bijzonder debuut en met veel plezier gelezen.