• Fietsen langs taalfossielen

    Fietsen langs taalfossielen

    Het is een aandoenlijk tafereel dat Philip Dröge beschrijft in één van de laatste hoofdstukken van De Tawl. Hij staat bij het graf van de Amerikaan John Storms in het dorpje Pascack. Deze John overleed op 8 april 1962; je zou kunnen zeggen dat het tevens de sterfdag van een taal was, omdat hij de laatste spreker van het oorspronkelijke Nederlands was in Amerika. Wat het nog dramatischer maakt is dat de sterfdag van dit Neder-Amerikaans eigenlijk al dertien jaar eerder lag. John en zijn broer James gebruikten namelijk als laatsten hun oude taal nog, en dus alleen onderling. Maar James was in 1949 al gestorven. John had toen niemand meer die hem in die taal verstond; zelfs zijn vrouw niet, want zij sprak die niet.

    De Tawl heet het residu van de taal die in 1642 aanmeerde, samen met de eerste Nederlandse kolonisten, aan weerszijden van wat later de rivier de Hudson zou gaan heten en waar de vesting Nieuw-Amsterdam werd gesticht. De Tawl is ook de titel van de afgelopen september met de Taalboekenprijs bekroonde speurtocht naar restanten van die oorspronkelijke taal, ‘taalfossielen’ noemt auteur Dröge ze zelfs een keer wat oneerbiedig.

    Het boek is een mengeling van een road trip per fiets door een deel van New Jersey en een onderzoek via gesprekken en archiefstudies naar wat er nog van het 17de-eeuwse Nederlands is terug te vinden. De fietstocht, soms over de vluchtstrook langs autowegen of lastige hellingen, wordt daarmee een metafoor voor de moeizame, maar zeer meeslepende naspeuringen. De beschrijving van de teloorgang van een inmiddels verdwenen taal is bij Dröge in goede handen. Hij schreef eerder al eens een boeiende geschiedenis van een verdwenen land, het ministaatje Moresnet.

    Van Buren

    Iedereen heeft wel eens gehoord dat er tal van plaatsnamen zijn in New Jersey die aan de eerste Nederlanders herinneren. Brooklyn en Harlem (naar Breukelen en Haarlem) zijn de bekendste maar er zijn er meer. Dröge speurt echter vooral naar Nederlandse restanten in de geleidelijk door het Engels vervangen taal en legt bloot hoe dat oorspronkelijke Nederlands in de loop van drie eeuwen volkomen verdween.
    Minder mensen zullen weten dat het woordje OK (okay) voor ‘goed’ een Nederlandse connectie heeft. Dat heeft te maken met de enige president die Amerika heeft gehad die naast Engels ook Nederlands sprak. We hebben het dan over de achtste president (van 1837-1841) Martin van Buren. Hij was een nazaat van ene Maessen die in 1631 in Amerika aanlandde maar daar de naam Van Buren aannam naar zijn Gelderse geboorteplaats. De president woonde in het plaatsje Old Kinderhook (het zal de naam te danken hebben gehad aan het grote aantal kinderen dat het ooit bevolkte). De presidentskandidaat kreeg de bijnaam ‘Old Kinderhook’, afgekort tot ‘OK’, waarvan hij zelf een soort strijdkreet maakte: ‘OK is dik in orde’.

    Van Loon

    Opvallend is dat in de VS de belangstelling voor de Tawl opkwam toen hij vrijwel niet meer gesproken werd: ‘De Verenigde Staten hebben alle gebruikelijke kinderziektes doorgemaakt en gaan vanaf 1900 als ontluikende wereldmacht omkijken’, schrijft Dröge. Tot die introspectie hoorde ook de ontdekking van verdrongen minderheden en verdwenen of verdwijnende talen, zoals wat dan het ‘Jersey Dutch’ wordt genoemd. Het levert een detectiveachtig verhaal op dat Dröge als een thriller serveert over de taalonderzoeker Lawrence Gwyn van Loon (1903-1985) die er prat op gaat dat hij allerlei historische documenten die opgesteld zijn in de Tawl heeft ontdekt. Hij beweert zelfs dat hij zelf de Tawl nog spreekt. Wat hij boven tafel krijgt is te curieus om waar te kunnen zijn, maar zijn vondsten kunnen niet worden weerlegd. Tot de linguïst Charles Gehring – Dröge spreekt hem zeer uitvoerig – een frappante ontdekking doet. Alleen deze verwikkeling al maakt De Tawl tot een boek dat een veel breder publiek dan geïnteresseerden in taal boeiende leesuren verschaft.

    Aan het eind is er nog de vraag: waarom heeft dat 17de -eeuwse Nederlands niet overleefd? Waarschijnlijk ligt het antwoord, zo concludeert Gehring tegenover Dröge, in de aard van de Nederlanders die zich vestigden in Amerika. Ze waren te individualistisch: ‘Ze stelden zich niet op als groep met een gesloten taal en cultuur, maar ze gingen als eenlingen op zoek naar succes in nieuwe Amerikaanse maatschappij. Ze wilden hun dromen najagen. Daar hoorde bij dat ze Engels gingen spreken’.

     

  • Prachtige ode aan havenstadje Batavia dat uitgroeide tot Jakarta

    Prachtige ode aan havenstadje Batavia dat uitgroeide tot Jakarta

    Dat Philip Dröge ooit als journalist is begonnen, daar profiteert hij nu als schrijver van. En de lezer ook, want zijn zoektocht naar het Indische verleden van zijn familie leest als een trein. Maar het is tegelijk een literaire traktatie, want weinig schrijvers slagen er zo goed in als Dröge om situaties en personen zo beeldend in enkele zinnen te schetsen. Moederstad, de familiegeschiedenis die hij schreef speelt vrijwel geheel in de Indonesische hoofdstad Jakarta. Ofwel ‘Batavia’ in de tijd dat Dröge’s voorouders er woonden. Zijn eigen DNA is voor tachtig procent Europees, negenenhalf procent Indonesisch, negenenhalf procent Chinees en een procent Papoea staat vermeld op het omslag van het boek. Hoe die mengeling tot stand is gekomen, daar is hij in Jakarta naar op zoek gegaan.

    Op de plek waar al eeuwenlang een klein havenplaatsje lag aan de rivier Ciliwung, ontstond onder gouverneur-generaal Coen in mei 1619 het VOC-bolwerk Batavia. De eerste voorvader die Dröge tijdens zijn stamboom-onderzoek vond stapte er al twaalf jaar later aan wal met vrouw en vier dochters. Hij heette David de Solemne, was kwartiermaker in het Hollandse opstandelingenleger dat oorlog voerde tegen Spanje en kreeg als beloning diezelfde functie bij de VOC. Een belangrijke functie want er moest stevig gepland en gebouwd worden in het snel groeiende Batavia en dat kon hij als de beste. Wel met hulp van duizenden geïmporteerde Chinezen, harde werkers.

    Rijkdom verzamelen

    In de archieven vond Dröge zijn naam veelvuldig terug, net als andere uit Holland overgekomen voorvaders. Zoals de man die in 1664 mee mag rijden in de trouwkoets van Gouverneur-generaal  Maetsuycker: ‘De mensen langs de straat zien een plompe man met een dikke neus en trieste ogen, gezet in vlezige kassen.(..) Naast hem zit een slanke, lange vrouw met opmerkelijk brede jukbeenderen. (..) Het zijn de 53-jarige Carel Hartsinck en zijn vrouw Sarah de Solemne, mijn voorouders.’
    Carel is volgens Dröge een ‘gewetenloze houwdegen’, zoon uit een rijke familie, overgestoken vanuit Europa met maar één doel: nog meer rijkdom verzamelen. Wat heel goed lukt. Hetzelfde motief hebben eigenlijk alle voorvaders uit de 17e en 18e eeuw, het zijn zakkenvullers. Pas later komen generaties die ook iets willen bijdragen aan het land dat na zo lange tijd ‘hun’ land is geworden en de stad die hun ibu kota (moederstad) is. 

    Dröge is steeds op pad in Jakarta om de Bataviase plekken terug te vinden waar zijn familieleden woonden en werkten. Ze zijn vaak moeilijk te vinden, maar hij houdt vol, ook in de hitte en de stank van de miljoenenstad die het nu is: ‘De geur die rond de markt hangt is het makkelijkst te omschrijven als ‘rotting’, maar ook dat is weer veel te fijnbesnaard. Alsof iemand een aangesneden galblaas zomers te lang buiten de koelkast heeft bewaard, dat komt meer in de buurt.’

    Geschiedenis van een uitgroeiende stad

    Tegelijk met de historie van de familie vertelt hij de geschiedenis van de steeds verder uitgroeiende stad en de problemen die er in de loop van de eeuwen waren. Zo lees je over de Chinezen die rond 1740 werkloos raakten toen de suikerrietplantages waar zij werkten door overproductie en dalende prijzen massaal de arbeiders ontsloegen. Daar stonden ze, meer dan drieduizend kilometer van huis en geen geld om terug te keren. Er ontstonden bendes die roofden en plunderden in de randgebieden van de stad om in leven te blijven. En dat leidde weer tot de Chinezenmoord op zondag 9 oktober 1740 toen in verschillende kerken een VOC-oproep was voorgelezen om ten strijde te trekken tegen de Chinese dreiging.
    ‘In plaats van een uitval te doen richting de vijanden rond de stad, storten de soldaten en zeelui zich op de Chinese inwoners van de stad. De mannen trekken moordend door de straten. Iedere Chinees die ze tegen komen, snijden ze de hals door. Het zijn families die vaak al veel langer in Batavia wonen dan zij. Mensen die die stad hebben helpen opbouwen.(…) Het is een klassiek voorbeeld van etnische zuivering.’

    Geregeld krijg je – al lezend – zin om eens een kijkje te nemen op de plekken die Dröge bezocht en dat kan tegenwoordig heel makkelijk dankzij Google Street View. Zo kan je bijvoorbeeld het grote landhuis zien dat Andries Hartsinck, één van Dröge’s voorouders en steenrijk geworden in de suiker, in de 18e eeuw buiten Batavia liet bouwen en dat nu als politiebureau nog in gebruik is, midden in Jakarta. Andries hield er een harem op na, maar daar weten de huidige bewoners natuurlijk niets van. ‘”Nederland,” vraagt een van de inspecteurs me, “zijn drugs daar echt legaal? En homoseksualiteit ook?” Als ik ja zeg, moeten de mannen lachen. Wat zijn we in het Westen toch van het padje. Op Sumatra zijn net nog een paar lesbische vrouwen opgepakt, vertelt hij tegelijk giechelig en trots. Wat moet ik daar nou op zeggen?’

    Ode aan havenstadje Batavia

    Na zijn Hollandse voorvaderen komen in Dröge’s familiegeschiedenis de Indonesische en Chinese oermoeders in beeld, het begin van de Indische familie waar hij toe behoort. Ze hebben minder sporen nagelaten, maar Dröge slaagt er toch goed in om ze te portretteren. Zoals Maria Burgemeestre (de vreemde spelling komt door een ambtelijke schrijffout), zijn Chinese over-oma met Nederlandse en Duitse wortels, die ook Tjang Mie genoemd wordt: ‘Dan schuifelt een kleine oude dame binnen, aan de arm van een jongere vrouw. Oma en kleindochter. De oude vrouw lijkt als twee druppels water op mijn moeder. Dezelfde ogen, dezelfde wat voorover gebogen houding, exact haar handen. Ze kijkt vriendelijk omhoog naar mij.’

    Dröge’s verhaal eindigt in de 20ste eeuw met de oorlogservaringen van zijn tante Hannie en haar pogingen om in Jakarta te overleven na de soevereiniteitsoverdracht. En het grote Indische zwijgen over die beroerde tijden dat zij tot haar dood volhield. Moederstad is een prachtige ode aan dat kleine havenstadje Batavia dat uitgroeide tot Jakarta, de uit zijn voegende groeiende, op veel plekken bijna onleefbare maar toch indrukwekkende hoofdstad van Indonesië. En het is een evenzo indrukwekkende zoektocht naar de wortels van zijn familie. Mooi boek.