• Een reservaat waarin diersoorten worden gekoesterd en verjaagd

    P.F. Thomése kwam in 1990 de literatuur binnen met de verhalenbundel Zuidland, waarmee hij meteen de AKO-literatuurprijs won. Daarna oogstte hij grote successen met Schaduwkind (2003), een requiem voor zijn overleden dochtertje en naar eigen zeggen zijn beste werk. De onderwaterzwemmer (2015), bezorgde hem in 2016 de Prijs van de lezersjury van de Fintro-literatuurprijs. Vorig jaar verscheen Vaderliefde, een pakkende roman over zijn overleden ouders. Thomése oogstte internationaal succes met zijn boeken. Tussendoor schreef hij enkele komische werken waarin zijn vriend J. Kessels de hoofdrol speelt. Onlangs verscheen de Tilburg Trilogy, een bundeling van de drie boeken over J. Kessels.

    Kris Mattheeuws sprak via een videoverbinding met P.F. Thomése over zijn oeuvre, een boek als een country song, het schoppen tegen schenen en het oprekken van de grenzen van de literatuur.

    Bekend als stilist van serieuze literatuur, leek het vreemd dat uitgerekend Thomése een aantal scabreuze romans schreef waarin borsten en billen in al hun aspecten welig tieren. Boeken waarin de country & western-tearjerkers uit de autoradio jengelt, bier rijkelijk vloeit, het platvloerse en de onderbroekenlol niet uit de weg worden gegaan. Thomése heeft er geen probleem mee, integendeel.

     

    De stijl van de J. Kesselsromans is van een heel andere orde dan het meer serieuze werk dat we van u gewoon zijn. Is daar een specifieke reden toe?

    ‘Een boek schrijf ik niet met voorbedachten rade. Kort nadat Zuidland in 1990, verscheen bij een bibliofiel uitgeverijtje in Heiloo, een serie reisverhalen Deep South & Far West waarin ik met mijn vriend J. Kessels door het country gebied van de VS reisde. Omdat ik net de AKO-literatuurprijs had gewonnen, werd dit boekje ook opgemerkt. En tot mijn verwondering werd het goed onthaald. Gaandeweg is het J. Kessels-werk wel wat scabreuzer en lichtzinniger geworden. Mijn andere boeken hebben daar misschien geen gelijke tred mee gehouden, ik denk dat we alles in dat licht moeten zien. Want ook Het zesde bedrijf (1999) heeft een zekere lichtvoetigheid. Ik probeer in die roman, die zich afspeelt in Parijs tijdens de Franse Revolutie, een soort operetteachtige sfeer te creëren. De recensenten hebben dat toen een beetje gemist omdat ze zich erover verbaasden dat ik een vrouw als hoofdpersoon had gekozen. Een man die over een vrouw schreef, was voor sommigen ‘not done’ of werd op zijn minst gewantrouwd. Het was een beetje omgekeerd seksisme, terwijl ik daar helemaal geen slechte bedoelingen mee had, geen slechtere althans dan met mijn andere personages. Ik denk dat beide kanten, het komische en het tragische, het ernstige en het speelse, altijd aanwezig zijn geweest in mijn werk. In mijn debuut Zuidland is het komische al aanwezig. Ik zag onlangs een optreden van Josse De Pauw waarin hij Leviathan (kort verhaal van Thomése, K.M) als ‘Sprechtheater’ bracht. Ik moet zeggen dat ik dertig jaar na datum toch weer bij bepaalde passages in de lach schoot.’

     

    Het personage J. Kessels kwam tot leven in verhalen over roadtrips in de VS. Waarom besloot u hem als hoofdfiguur op te voeren in maar liefst drie romans? Wat is zo dankbaar aan de figuur Kessels?

    ‘Het is eigenlijk een uit de hand gelopen project. Veel had te maken met het feit dat mijn eerste uitgever Querido geen interesse had in mijn J. Kessels verhalen. Ze wilden er niets van weten, dat was ook een van de redenen om daar weg te gaan. Ik vond het een miskenning van mijn schrijverschap door niet het hele schrijverschap te willen omarmen. Het was ook een soort bevrijding, mede doordat ze bij mijn nieuwe uitgeverij Atlas Contact een groot liefhebber van J. Kessels waren. Zonder enige aarzeling gaven ze het uit. De belangrijkste rol hierin werd echter gespeeld door de redactie van Hard Gras, het literaire voetbalblad. Het blad werd zo populair dat we op een bepaald moment gingen toeren. We zaten in een busje met Anna Enquist, Henk Spaan, Herman Koch, Matthijs van Nieuwkerk en Ronald Giphart. Zij kenden mijn J. Kessels-kant nog niet. 

    Ik verraste hen daar mee en ik maakte er op den duur een sport van om hen achter de coulissen zo hard te doen lachen dat het publiek het ook hoorde. Toen Matthijs van Nieuwkerk zo gierde, is dat voor mij wel de trigger geweest er met nog meer zin mee aan de slag te gaan. Ik besefte toen dat het iets heel bijzonders had, wat ik er eerder nog niet in gezien had. Het komisch effect werd vergroot door het feit dat dit werk zo haaks stond op alles wat ze van mij kenden. Dat heb ik dan ook wel uitgebuit. In die zin zie ik het meer als het werk van een straatmuzikant. Ik begin en er staat onmiddellijk een kring om me heen. Het is informeler dan mijn andere werk, ofschoon het ook heel erg gekunsteld is. Het is mijn meest postmodernistische roman. Het bevat een heleboel metagrappen.’ 

     

    U brengt ook het personage P.F. Thomése naast de figuur van J. Kessels. Zijn de twee antipolen?

    ‘Alles is natuurlijk gebaseerd op mijn vriendschap met J. Kessels. In een vriendschap is er de neiging tot symbiose, maar die bestaat wel uit twee polen. Dat is altijd zo, denk ik.  Bij ons werd dit zeker versterkt en als schrijver versterk je dat nog meer. Het zijn complementaire gestalten, daar kwam ik gaandeweg achter en daar ging ik ook meer mee spelen. Zo valt J. Kessels op rondborstige vrouwen en bekijkt P.F. Thomése het meer van achteren, van de bilzijde. Dat getuigt ook een beetje van het achterbakse van de schrijver die altijd een beetje van achteren zit te loeren, terwijl J. Kessels oprecht is en rondborstige vrouwen met open vizier tegemoet gaat, zonder enige bijgedachte.’

     

    Is er enige gelijkenis tussen het personage Thomése en de auteur Thomése? 

    ‘Autobiografie is oninteressant in de zin dat ik er geen behoefte aan heb feiten getrouw weer te geven. Niet omdat ik iets te verbergen heb, maar omdat ik denk dat het in de tekst zelf zit. De spanning en de gevoelens worden vanzelf waar, meer dan de zogenaamde droge feiten. Door lang te figureren in die boeken ben ik überhaupt langzaamaan op hem gaan lijken. Daar ontkom ik niet aan en dat ga ik ook niet ontkennen. Maar ik denk niet dat wanneer ik mijn zoons naar  hockey breng, andere ouders denken: “Daar heb je die viespeuk weer die altijd in onzedelijke toestanden terechtkomt”.’

     

    De rode draad in de Kessels romans, naast de queeste naar seksuele verlossing, is countrymuziek. Is dat een echte passie en vanwaar die passie?

    ‘Ik ben er een beetje van afgedreven in het tweede en derde boek, maar de verhalen en het eerste boek heb ik proberen te schrijven als een country song, een melodrama. Een country song is melodramatisch in de zin van ‘vroeger was het beter’. Het verlangen naar een vroeger dat er nooit is geweest, zit er altijd in. Nostalgie is de drijfveer en dat maakt misschien ook dat ik het lichtere genre heb gekozen. Nostalgie staat bekend als een oppervlakkige emotie, terwijl iemand met een retrospectieve geest zoals ik niet zonder nostalgie zou kunnen leven. Dat betekent niet altijd het verheerlijken van het verleden, maar evenzeer het lijden aan de onmogelijke terugkeer daarnaar. Dat noem ik mijn country & western gevoel. Daar val je niemand mee lastig, maar in een verhaal kan dat heel goed werken. Het motief om het verlangen over te doen, maar dan goed, speelt een grote rol in zowel J. Kessels: The Novel als in Ik, J. Kessels. Dat verlangen naar verlossing zit ook in country songs. Denk aan het kernbegrip ‘redemption’ bij Johnny Cash. 

    Op de een of andere manier spelen deze zaken in de officiële, erkende literatuur minder een rol omdat men het kinderachtig vindt, of gênant. Als een schrijver dat doet wordt hij op de vingers getikt. Ik zie het bij veel schrijvers gebeuren. Iemand als A.F.Th. van der Heijden is voortdurend zijn verleden aan het herbezoeken en aan het herschrijven. Dat is een klassiek gegeven in de literatuur. Als je het zo vet doet als ik in de J. Kesselsromans, dan worden de wenkbrauwen gefronst. Maar ik denk dat je er juist dan dichterbij komt. Door overdrijving en het thematiseren van het smakeloze. Zoals bijvoorbeeld het literair ejaculerende teruggeilen op een meisje aan de flipperkast in de cafetaria van mijn jeugd. Het is een soort ‘not done’. Ik ken het niet als motief. Wel de onbeantwoorde jeugdliefde, maar niet de al dan niet beantwoordde eerste geilheid of erotische sensatie, en die is eigenlijk veel bepalender.’ 

     

    In de drie romans is een opvallende evolutie in de aanwezigheid van de figuur J. Kessels. In de eerste is hij zeer aanwezig, in de tweede is het op zoek gaan naar, en wordt uiteindelijk gevonden. In de derde is hij afwezig tot het einde. Is dat een bewuste keuze?

    ‘Dat is een autobiografisch gegeven. Het zijn drie boeken geworden omdat J. Kessels er genoeg van kreeg, ook van mij als vriend. Die boeken zijn het afscheid van een vriendschap geworden en dat is in drie stappen gegaan. Elk boek ging er weer een deur dicht en dan was het voorbij. In Het bamischandaal vind ik hem nog kettingrokend terug op een stoep in Shanghai, maar in Ik, J. Kessels moet ik het doen met Peerke Sonnemans die nu zijn beste vriend geworden is.’

     

    Inderdaad. J. Kessels’ rol wordt langzaam maar zeker ingenomen door Peerke Sonnemans. Welke rol speelt hij in het hele verhaal?

    ‘Hij is een epigoon van Kessels maar zonder de grandeur die Kessels heeft. Kessels zou zo uit een country song kunnen komen. Sterker, toen ik met hem door Amerika  trok, werden we dikwijls gefotografeerd omdat ze ervan overtuigd waren dat ik Art Garfunkel was, ik had toen nog meer haar, en hij een country zanger. Peerke daarentegen heeft helemaal geen stijl, hij is berekenend. Hij heeft wel één significant voordeel ten opzichte van P.F. Thomése, hij is hondstrouw. Hij doet alles voor J. Kessels, terwijl P.F. Thomése hem verraadt in toenemende mate. Dat is trouwens ook een vreemd aspect van een autobiografische roman dat niet vaak voorkomt. Dat de ik-verteller een uitermate onsympathieke, onbetrouwbare figuur is, en dat de schrijver die zelf belichaamt, is een unicum.’

     

    U schopt tegen veel schenen. De zogenaamde politieke correctheid is niet aan u besteed? U spot met homo’s, zwarten, collega-schrijvers.  Hebt u daar geen problemen mee of mee gehad?

    ‘Sinds George Floyd en Black Lives Matter is de wereld veranderd. Ik zou het nu, denk ik, niet meer doen, ik zou er tenminste niet meer zo achteloos overheen gaan.  De beweging heeft iets aan het licht gebracht waar je je als schrijver wel rekenschap van moet willen geven. In die zin zijn het dus historische romans geworden. Als ze het zouden willen censureren zou ik me wel met hand en tand verzetten. Men is niet verplicht het te lezen. Ik heb het ook niet bewust gedaan. Ik heb het gedaan omdat ik die country & westernstijl tot leven wilde brengen. Stereotypering is de ruggengraat van een goede country song, die stijlfiguur is verplicht. Alles wordt gestereotypeerd, ikzelf, J. Kessels.

    Ik heb voor deze editie een nieuwe omslag gekozen, in de oorspronkelijke editie had cartoonist Gerrit de Jager op mijn verzoek cartoons gemaakt, dat cartooneske speelt ook bij de leeservaring mee. Dat ontslaat je natuurlijk niet van verantwoordelijkheden. Hier en daar is het explosieve materie geworden. We kijken nu ook anders naar Kuifje in Afrika. Terecht. Al blijft dat album cultuurgoed. Kunstenaars zijn vaak ‘fout’, dat zit een beetje in de aard van het beestje. Als je iedereen gaat cancelen, houd je alleen koorknapen over. Dan heeft kunst geen zin meer. Veel heeft met het vermogen tot zelfspot te maken. Maar niet iedereen is het daarmee eens. In Breda lachen ze erom, in Tilburg hebben ze het er soms moeilijk mee. Dat geldt ook voor de mensen wier identiteit ik heb gebruikt. 

    De personages zijn allemaal bestaande mensen. Toen Frans Schellekens alias De Schel, mijn vriend en gids in Shanghai, na een val van een trap overleed, vroeg zijn familie mij om iets te zeggen op zijn uitvaart. Er werd met klem gevraagd óók iets voor te lezen uit Het bamischandaal. Het publiek herkende het en de lach rolde door de tent, het was ontroerend en hartverwarmend. Dat was heel bijzonder. Zo zie je, het gaat erom hoe je het opvat.’ 

     

    De zeer ironische stijl is dus een bewuste keuze.

    ‘Ja, natuurlijk. Zoals ik het schrijf is alles omkeerbaar. J. Kessels, de centrale figuur, heeft altijd stellige meningen, apodictische uitspraken, oneliners die zo uit een country song kunnen komen en slaan meestal nergens op. De waarheid is in die boeken sowieso op drift geraakt en het omgekeerde is even goed waar. De woorden hebben eigenlijk in die zin geen waarde meer. Daar heb ik ook enorm veel plezier in, om die woorden bijna te gebruiken als een autonome taal, een taal die van de pot gerukt is. 

    Een van mijn allergrootste helden is Nabokov. In Lolita zingen de woorden zich ook helemaal los van hun betekenis en dat is een van de redenen waarom het zo’n fantastisch boek is. Velen vinden het een boek over een pedofiel, maar  het is een boek over taal en die taal is losgeraakt van zijn anker, los van zijn vaste betekenis. Voor Nabokov was Engels ook een vreemde taal. Dat heb ik ook, die vreemdheid, ik druk me uit in een taal die alle kanten op kan. Dat is gemaniëreerd. Zoals de Italianen na de barok deden, ‘alla sua maniera’, op zijn eigen manier, de eigenheid van het schrijven. 

    Taal is natuurlijk iets algemeens, we wisselen uit, we weten allemaal precies wat een woord betekent en als iemand de taal op een eigen manier gebruikt, is het niet meer zo duidelijk. Dat is voor mij als schrijver belangrijk, dat de lezer niet meer weet waarheen hij wordt gevoerd. Daarom gebruik ik mezelf en die vriendschap en dat autobiografische ook. Het begint met twee vrienden die samen naar het café gaan, heel herkenbaar, en dan gaat het verder en komen ze in een krankzinnig universum terecht.’

     

    Het is een boek over vriendschap, maar evenzeer over het verlies van vriendschap. Was het schrijven van boek drie een soort van loutering of catharsis?

    ‘Boek drie is best wel een elegische roman, een elegische pornografie. P.F. Thomése belandt in de armen van een ex van J. Kessels. Hij beleeft iets wat verjaard is, nergens meer op slaat. In zijn gedachten zijn die vrouwen nog de vamps van weleer, maar daar is de tijd ook overheen gegaan.’

     

    Hoe moeilijk is het om over een bestaand figuur te schrijven die ook reacties kan geven. Bij Vaderliefde waren uw ouders al overleden, daar kon geen reactie meer van komen. Hebt u er ooit bij stilgestaan dat dit kon leiden tot de teloorgang van de vriendschap?

    ‘Ik was me daar niet bewust van. Ik had natuurlijk al in 1990 over hem geschreven en toen had ik niet de indruk dat het verkeerd viel. Ik denk dat het probleem ontstond toen de boeken steeds populairder werden. Nolens volens werd hij opeens een lokale beroemdheid, in Tilburg werd hij erop aangesproken. Die receptie heb ik onderschat. Voor mij als schrijver was dat bekend, hij had het er moeite mee. Hij werd opeens een publieke figuur, terwijl hij daar geen behoefte aan had. Maar omdat hij niks zei, was ik me daar niet van bewust. Na het tweede boek kwam de film, het media gedoe daaromheen leidde tot een definitieve breuk.’ 

     

    Om terug te komen op de stijl. Er zijn die twee aspecten in uw werk, het ernstige en het lichtvoetige, dit wordt soms bestempeld als platvloers, onderbroekenlol, goedkope humor? Houdt u zelf van die stijl?

    ‘Jazeker, zeker in een genre als de film. De films van Tarantino kan ik eindeloos bekijken. Ook in de literatuur: ik ben opgegroeid met Gerard Reve en ik hou erg van die Amerikaanse hard boiled stijl. Mijn eerste boek draag ik op aan hardgekookte jongens als Charles Bukowski, Jack Kerouac, Kinky Friedman, Hunter S. Thompson, Schrijvers die ik in verschillende fasen van mijn leven heb gekoesterd. Ik hou ervan met een bepaalde weerzin te kijken naar de lessen Nederlands of de neerlandistiek, waar de literatuur behandeld wordt als een soort reservaat, bepaalde diersoorten worden gekoesterd en andere worden als mussen afgedaan. Dat heb ik ook met de J. Kesselsboeken. Ze moeten wel naast mijn andere boeken kunnen staan, maar dat doen ze soms niet van harte. Daar heb ik wel plezier in. Het is het oprekken van de grenzen van de literatuur. 

    Dat vind ik heel belangrijk, literatuur beslaat het hele leven en de hele werkelijkheid, niet enkel het serieuze deel daarvan. Dat vind ik het knappe van Tarantino. Hij betrekt allerlei banaliteiten in zijn films, hij kan een gesprek over de kwaliteit van koffie opnemen, zoals in Pulp Fiction. W.F. Hermans claimt in zijn essay over antipathieke personages dat een personage weerstand moet oproepen. De lezer wil bevestigd worden, wil een positieve ervaring, gevleid en gerustgesteld worden. Maar de schrijver moet daar tegenin gaan, de lezer uit zijn comfortzone halen. Volgens Hermans gaat het erom dat je als lezer iets te weten komt wat je niet wilde weten maar, nu je het weet, niet meer kan vergeten. Bij Hermans is dat de bittere waarheid, terwijl het bij mij komisch kan zijn de broek te laten zakken.’

     

    Wat zijn uw plannen voor 2021, staat er een nieuw boek op stapel?

    ‘Ik ben al een jaar bezig met Lohengrin. Een roman over een broer-en-zus-achtige verhouding tussen een Amerikaanse jongen die op zoek is naar zijn gesneuvelde vader en een meisje op zoek naar haar weggelopen moeder, verloren zielen in een reële wereld. Ik verwacht het dit jaar af te maken.’

     

    Tilburg trilogy, De J. Kessels romans / P.F. Thomése / 688 pag. / Uitgeverij Prometheus (2020)
    Foto: Annaleen Louwes, (via de uitgeverij)
  • Oogst week 40 – 2019

    Hogere natuurkunde

    Hogere natuurkunde is de vierde dichtbundel van Ellen Deckwitz. Het thema is de doorwerking van ervaringen in Jappenkampen in Indië op de tweede en derde generatie. Deckwitz’ oma Koos deelde die ervaringen met Ellen, maar nauwelijks met anderen. Ze bespaarde haar kleindochter daarbij de gruwelijke details niet. Na oma’s dood in 2014 ontdekte Ellen dat zij alleen stond met die verhalen en ging ze op zoek naar andere nakomelingen van gevangenen uit de Jappenkampen. ‘Je zult moeten leren verdragen wat in je zit’, zegt ze in NRC Handelsblad. Therapie biedt geen oplossing. Het schrijven aan Hogere natuurkunde hielp haar wel. Op 29 september sprak ze over haar bundel in VPRO Boeken.

    Hogere natuurkunde
    Auteur: Ellen Deckwitz
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Dorsmans dood

    Mieke Smilde is rechtbankjournalist. In haar tweede roman, Dorsmans dood, beweegt ze zich volledig op haar vakgebied. Ze roept vragen op over de invloed van publiek en media op de waarheidsvinding in rechterlijke oordelen, maar ook over wat iemands afkomst betekent voor zijn latere werk. Rechter Pieter Coorn, van oorsprong een Rotterdamse stadsjongen, moet in hoger beroep beoordelen of een Bulgaarse verdachte inderdaad Esther Dorman heeft vermoord. Hij stelt nogal wat fouten vast die de familie en de pers liever niet horen. Ook met Miek Smilde is een interview te beluisteren in VPRO Boeken, op 22 september.

    Dorsmans dood
    Auteur: Miek Smilde
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Vaderliefde

    Het veelzijdige oeuvre van P.F. Thomése (De weldoener, De onderwaterzwemmer en de bijna burleske J. Kesselsromans) kende tot nu geen werk dat zo autobiografisch was als Schaduwkind (over de dood van zijn dochtertje Isa), ook al draagt Nergensman uit 2009 de ondertitel ‘Autobiografieën’. Daar is nu Vaderliefde aan toegevoegd. Hij schreef het na de dood van zijn beide ouders. Het verhaal gaat over veel meer dan zijn vader. Aan de hand van brieven, nagelaten spullen en persoonlijke herinneringen construeert hij zijn familiegeschiedenis tot ver terug, met aan het slot de vraag hoe hij zelf als vader in die geschiedenis zal worden opgenomen.
    Op 6 oktober zal Thomése in VPRO Boeken te gast zijn over Vaderliefde.

    Vaderliefde
    Auteur: P.F. Thomése
    Uitgeverij: Prometheus
  • Oogst week 13

    Het genootschap van onvrijwillige dromers

    De Portugees/Angolese schrijver José Eduardo Agualusa kan nogal op overrompelende wijze – waarin droom en werkelijkheid nooit goed los van elkaar zijn te zien – een verhaal vertellen. Dat hij nu een roman heeft geschreven waarin dromen de verbindende factor zijn, belooft een fabuleus avontuur te worden. Al moet de werkelijkheid niet helemaal opzij geschoven worden. Veelal schrijft hij met het regime van Angola in zijn achterhoofd en is veel te duiden als kritiek op dat land.

    Hij schreef veertien romans waarvan er zes vertaald zijn, allen door Harrie Lemmens. In de laatst vertaalde roman Het genootschap van onvrijwillige dromers draait het om vier mensen, vreemden voor elkaar maar verbonden door hun dromen. Zo droomt de Angolese journalist Daniel Benchimol  van mensen die hij niet kent. Een Mozambikaanse kunstenares die in Kaapstad woont, ensceneert en fotografeert haar dromen. Een Braziliaanse neurowetenschapper filmt hen beiden. Een voormalige guerrillastrijder en hotelier met een duister en gewelddadig verleden heeft een geheimzinnige relatie tot zijn dromen. Dromen brengt deze vier personages bij elkaar in een land dat wordt gedomineerd door een totalitair regime dat op de rand van ineenstorting staat. De roman kan gezien worden als een politieke, satirische en onderhoudende fabel maar ook als een pleidooi voor de terugkeer van de droom als wapen van verzet in deze tijd; een en ander geheel op een wijze verteld die Agualusa toevertrouwd is.

     

    Het genootschap van onvrijwillige dromers
    Auteur: José Eduardo Agualusa
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2018)

    Onder de toonbank.Pornografie en erotica in de Nederlanden

    Al sinds 1677 is er gedoe om illustraties van vrouwen van lichte zeden.  De toenmalig uitgever en boekverkoper Timotheus ten Hoorn moest verantwoording afleggen bij de schout voor de illustraties in het boek De dwaalende hoer. Drie eeuwen later vinden tijdschriften als Big Boobs en Cocky in oplages van meer dan 100.000 exemplaren hun weg naar de gretige afnemers. Wel onder de toonbank verkocht uiteraard. Wat ooit begon met een stel ‘vieze’ boekjes die alleen onder de toonbank verkocht werden, groeide uit tot een ware industrie van seksblaadjes die open en bloot bij de sigarenboer verkrijgbaar waren. Hoe veranderde De dwaalende hoer (1677) in de blaadjes Chick (1968‒2009) of Candy (1968-2016)?

    Aan de hand van opruiende en prikkelende illustraties vertelt Onder de toonbank de geschiedenis van de Nederlandse erotica en pornografie. De belangrijkste periodes van de Nederlandse pornografie werden door Inger Leemans, Marita Mathijsen en Bert Sliggers onder de loep genomen. Waarbij er ook aandacht is voor thema’s als pornografische strips, homo-erotica en kolonialisme in de pornografie. Kortom een rijk geïllustreerd overzichtswerk van de Nederlandse pornografie.

     

    Onder de toonbank.Pornografie en erotica in de Nederlanden
    Auteur: Bert Sliggers; Jos van Waterschoot
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Door alle honderd harten wit te kalken

    Henk van der Waal (1960) ontving in 1996 de C. Buddingh’-prijs voor zijn debuutbundel De windsels van de sfinx. Zijn bundel De aantochtster (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Deze week kwam zijn tiende bundel, Door alle honderd harten wit te kalken uit. De dichter baant zich volgens de uitgever ‘in de tien meanderende gedichten – zijn het klaagzangen, zijn het liefdesliederen? – een weg naar licht.’

    Hoe dat licht te karakteriseren?

    ‘Je kunt dat zijn noemen, of geluk, of doordesemde aanwezigheid / het is in ieder geval iets wat van buiten komt, maar / gek genoeg diep van binnen in je brandt / iets wat je gekregen hebt / iets wat je te zijn hebt / iets wat je te geven hebt: / liefdesgemoed’.

     

    Door alle honderd harten wit te kalken
    Auteur: Henk van der Waal
    Uitgeverij: Querido

    Ik, J. Kessels

    Schelmenromans worden ze ook wel genoemd, de romans over J. Kessels van P.F. Thomése. Voor deze Kessels stond een vriend model verklaarde Thomése onlangs in de nieuwsshow op zaterdagochtend en ook vertelde hij erbij, dat hij inmiddels geen contact meer heeft met die vriend.

    J. Kessels was het favoriete personage van Thomése met wie hij vele avonturen beleefde: van Tilburg tot Hamburg, van New Orleans tot aan de San Francisco Bay. Ontgoocheld neemt de auteur zich voor om nooit meer een letter aan hem te wijden. Zijn ex-beste vriend zelf dacht er anders over. Lezen dus, om te weten hoe een vriendschap (niet geheel ongestraft) tot onderwerp kon zijn van een romancyclus. En komisch is het ook.

    Ik, J. Kessels
    Auteur: P.F. Thomése
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Mooie shortlist Libris Literatuur Prijs

    Mooie shortlist Libris Literatuur Prijs

    De gelukkigen die op de deze week bekend gemaakte shortlist staan zijn de debutant, Inge Schilperoord met Muidhond die ook al genomineerd werd voor de AKO-Literatuurprijs, evenals De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése. Alex Boogers werd verkozen voor de shortlist met zijn achtste boek  Alleen met de goden, Joke van Leeuwen met De onervarenen en Connie Palmen met Jij zegt het. En ‘last but not least‘ Thomas Verbogt met Als de winter voorbij is.

    De jury zegt dat ze zich zo onbevangen en onbevooroordeeld mogelijk lezend wilde laten verrassen: Daarin schuilt een grote aantrekkelijkheid van literatuur: dat je nu juist als lezer niet krijgt wat je verwacht. Dat een schrijver zijn stijl inzet om je omver te blazen. Dat je wordt meegevoerd in andermans hoofd of een onbekende wereld en wordt geraakt, getroffen, overtuigd en overrompeld. Dat er na lezing wezenlijks iets in je is veranderd.


    Literair Nederland
    recenseerde vijf van de genomineerden:

    De onervarenenAnky Mulder over De onervarenen van Joke van Leeuwen:

    Behalve onoverkomelijke moeilijkheden en vervlogen dromen laat De onervarenen de kracht van aanpassingsvermogen zien. En dat niet iedereen in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden.

     

     

    Alleen met de godenAdri Altink noemt Alleen met de goden een rauw maar ook hoopvol stemmend boek:

    Boogers schrijft  boeiend, bijna luchtig, en met een inktzwarte humor, waardoor de werkelijkheid zich des te naargeestiger opdringt. De monologen zijn vaak erg mooi verweven in de chronologie van het feitelijke verhaal, waardoor sommige hoofdstukken juweeltjes van vlechtwerken van verhaallijnen zijn.

     

    Thomas van Lier over Muidhond van Inge Schilperoord: muidhond

    Schilperoord maakt van Jonathan een kwetsbaar en dubbelzinnig personage dat worstelt met zijn verboden neigingen zonder de ernst van de situatie te bagatelliseren.

     

     

    Als de winter voorbij isOlivier Rieter noemt Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt een subtiel en ingetogen geschreven boek waarvan de thematiek interessant is en: de sfeer je doet verlangen naar meer van dergelijke geschriften.


     

     

     

    De onderwaterzwemmerCarlijn Brouwer over De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése:

    De onderwaterzwemmer is te mooi om ongelezen te blijven en onderstreept wat een verrassende schrijver P.F. Thomése is.

     

     

     

    De jury die naast Dick Benschop (oud staatssecretaris) bestaat uit Onno Blom, Sebastiaan Kort, Hanca Leppink en Margot Vanderstraeten, gaat zich de komende tijd buigen over de vraag welke van de zes romans als beste boek van het afgelopen jaar gekenmerkt gaat worden. De bekendmaking op 9 mei is tijdens het traditionele galadiner voor genodigden in het Amstel Hotel te Amsterdam. Vorig jaar ging de prijs naar Ik kom terug van Adriaan van Dis.

    Aan een nominatie voor de shortlist is een bedrag van 2.500 euro verbonden. De bekroonde laureaat ontvangt 50.000 euro.

     

     

  • Met stomheid geslagen

    Met stomheid geslagen

    P.F. Thomese schreef een over het overlijden van zijn dochtertje Isa. Mag je daarover schrijven? Mag je dat lezen? Die vragen blijven bij me hangen, hoe prachtig en aangrijpend Thoméses zoektocht naar wat hij heeft verloren heeft is. Of misschien juist daarom. Zo stom geslagen als hij is, zo wanhopig en nauwgezet als hij probeert zijn verlies en de verlorene te beschrijven, haar op te roepen, tastend, zoekend met woorden, zo wanhopig voel je je ook terwijl je zijn woorden leest. Zijn beelden, zijn bedes maken je deelgenoot van iets waarvan je geen deelgenoot zou mogen zijn. Daarom ook leg je het boek telkens weer even weg om het vervolgens toch weer op te pakken, omdat het zo ongelooflijk mooi en dicht op de huid geschreven is.

    Tegelijkertijd doe je Schaduwkind onrecht wanneer je het alleen leest als een boek over, een verslag van verlies. Het stijgt daar ver bovenuit en toch kun je het er niet los van zien. Omdat het onderwerp nu eenmaal een gegeven is. De wisselwerking tussen die twee kanten van het boek is echter juist wat het boek zijn geladenheid geeft.

    “Schrijven is zinnen uitproberen om te zien wat ze kunnen betekenen. Nieuwkomer zijn in het taaleigen, beginneling worden en vragen naar de onbekende weg. Het is vinden wat niet kon worden gezocht, omdat het pas bestond op het moment dat het gevonden werd.”

    Met dit uitproberen tracht Thomése steeds weer zijn dochtertje te vinden. Hij heeft er een klein, wit en ijl monument mee opgericht, dat vervliegt en toch weer niet.

    “En weer vind ik je, en weer ben je er niet. De herinnering heeft steeds weer nieuwe woorden nodig, dat was ik even vergeten, ze moeten kunnen blijven bewegen. Niet verstarren, geen foto’s please. Een herinnering heeft de ruimte nodig om te kunnen blijven ontstaan. Ze moet zich kunnen verstoppen op plekken waar niemand kijkt. In woorden waar ze niet wordt verwacht. (…) Niet iets proberen vast te houden dus, ook het mooiste niet, juist het mooiste niet. Het steeds proberen los te laten, steeds bijtijds de verwijdering onder ogen zien. Altijd met lege handen durven staan, dan kun je beter vangen als het nodig is.”